7 Al-Aa'raaf
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
الٓـمّٓصٓ ۚ﴿۱﴾
Alief-Laaam-Mieeem-Saaad
7:1 Alif Laam Meem Saad.

کِتٰبٌ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ فَلَا یَکُنۡ فِیۡ صَدۡرِکَ حَرَجٌ مِّنۡہُ لِتُنۡذِرَ بِہٖ وَ ذِکۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲﴾
Kietaaboen oenziela ielaika falaa yakoen fiee sadrieka haradjoem mienhoe lietoenziera biehiee wa ziekraa lielmoe'mienieen
7:2 (Dit is) een Boek dat aan jou (Mohammed) geopenbaard is, laat er dus geen ongemak ervoor in je hart zijn, zodat je ermee kan waarschuwen en (bedoeld) als herinnering voor de gelovigen.

اِتَّبِعُوۡا مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکُمۡ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ لَا تَتَّبِعُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۳﴾
Ittabie'oe maaa oenziela 'ielaikoem mier Rabbiekoem wa laa tattabie'oe mien doeniehieee awlieyaaa'a; qalieelam maa tazakkaroen
7:3 Volg wat geopenbaard is aan jullie, door jullie Heer. En ken geen enkel partners/deelgenoot toe aan Hem. Zeer weinig is wat jullie herinneren/gedenken (12:103, 2:88).

وَ کَمۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ اَہۡلَکۡنٰہَا فَجَآءَہَا بَاۡسُنَا بَیَاتًا اَوۡ ہُمۡ قَآئِلُوۡنَ ﴿۴﴾
Wa kam mien qaryatien ahlaknaahaa fadjaaa'ahaa ba'soenaa bayaatan aw hoem qaaa'ieloen
7:4 En zie hoeveel van de steden Wij hebben vernietigd. Onze straf kwam gedurende de nacht of gedurende hun middag dutje.

فَمَا کَانَ دَعۡوٰىہُمۡ اِذۡ جَآءَہُمۡ بَاۡسُنَاۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اِنَّا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۵﴾
Famaa kaana da'waahoem iez djaaa'ahoem ba'soenaa iellaaa an qaaloeo iennaa koennaa zaaliemieen
7:5 En toen onze straf tot hen kwam, was hun enige geroep: "Voorzeker, we waren misdadigers."

فَلَنَسۡـَٔلَنَّ الَّذِیۡنَ اُرۡسِلَ اِلَیۡہِمۡ وَ لَنَسۡـَٔلَنَّ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ۙ﴿۶﴾
Falanas 'alannal lazieena oersiela ielaihiem wa lanas 'alannal moersalieen
7:6 Vervolgens zullen Wij degenen tot wie (de boodschappers) gezonden waren, ondervragen. En Wij zullen (ook) de boodschappers ondervragen.

فَلَنَقُصَّنَّ عَلَیۡہِمۡ بِعِلۡمٍ وَّ مَا کُنَّا غَآئِبِیۡنَ ﴿۷﴾
Falanaqoessanna 'alaihiem bie'ielmiew wa maa koennaa ghaaa'iebieen
7:7 Wij zullen daarna (de uitspraak, onderbouwd) met kennis voor hen oplezen. En Wij waren nooit afwezig.

وَ الۡوَزۡنُ یَوۡمَئِذِ ۣالۡحَقُّ ۚ فَمَنۡ ثَقُلَتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۸﴾
Walwaznoe Yawma'iezieniel haqq; faman saqoelat mawaa zieenoehoe fa-oelaaa'ieka hoemoel moefliehoen
7:8 En het wegen (van de schalen) op die dag zal de waarheid aantonen. Degenen met zware schalen (door het begaan van goede daden), zullen degenen zijn met succes. (Notitie: Zie ook 101:6)

وَ مَنۡ خَفَّتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ بِمَا کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۹﴾
Wa man ghaffat mawaazieenoehoe fa oelaaa'iekal lazieena ghasieroeo anfoesahoem biemaa kaanoe bie Aayaatienaa yazliemoen
7:9 En degenen met lichte schalen, zij zijn dus degenen die zichzelf verloren hebben, omdat ze Onze tekenen verwierpen. (Notitie: Zie ook 101:8)

وَ لَقَدۡ مَکَّنّٰکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ وَ جَعَلۡنَا لَکُمۡ فِیۡہَا مَعَایِشَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Wa laqad makkannaakoem fiel ardie wa dja'alnaa lakoem fieehaa ma'aayiesh; qalieelam maa tashkoeroen
7:10 En voorzeker, Wij hebben jullie gevestigd op de aarde en Wij hebben levensonderhoud voor jullie erop gemaakt. Zeer weinig zijn jullie er dankbaar voor!

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنٰکُمۡ ثُمَّ صَوَّرۡنٰکُمۡ ثُمَّ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ ٭ۖ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ لَمۡ یَکُنۡ مِّنَ السّٰجِدِیۡنَ ﴿۱۱﴾
Wa laqad ghalaqnaakoem soemma sawwarnaakoem soemma qoelnaa lielmalaaa'iekaties djoedoe lie Aadama fa-sadjadoeo iellaaa Iblieesa lam yakoem mienas saadjiedieen
7:11 En voorzeker, Wij hebben jullie geschapen, vervolgens hebben Wij jullie gevormd. Daarna zeiden Wij tot de Engelen: "Prostreer voor Adam!" Dus prostreerden ze, behalve iblies. Hij behoorde niet tot de groep die prostreerden (Hij was geen engel, zie ook 18:50).

قَالَ مَا مَنَعَکَ اَلَّا تَسۡجُدَ اِذۡ اَمَرۡتُکَ ؕ قَالَ اَنَا خَیۡرٌ مِّنۡہُ ۚ خَلَقۡتَنِیۡ مِنۡ نَّارٍ وَّ خَلَقۡتَہٗ مِنۡ طِیۡنٍ ﴿۲۱﴾
Qaala maa mana'aka allaa tasdjoeda iez amartoeka qaala ana ghairoem mienhoe ghalaqtaniee mien naariew wa ghalaqtahoe mien tieen
7:12 Hij (Allah) vroeg: "Wat verhinderde jou om niet te prostreren toen Ik je het gebood? De satan zei: "Ik ben beter dan hem. U heeft me uit vuur geschapen terwijl U hem uit (gedroogde) klei heeft geschapen."

قَالَ فَاہۡبِطۡ مِنۡہَا فَمَا یَکُوۡنُ لَکَ اَنۡ تَتَکَبَّرَ فِیۡہَا فَاخۡرُجۡ اِنَّکَ مِنَ الصّٰغِرِیۡنَ ﴿۳۱﴾
Qaala fahbiet mienhaa famaa yakoenoe laka an tatakabbara fieehaa faghroedj iennaka mienas saaghierieen
7:13 Hij (Allah) zei: "Ga eruit!" Het (deze tuin) is niet voor jou bestemd om er in arrogant te zijn. Ga dus weg! Jij behoort tot de vernederden."

قَالَ اَنۡظِرۡنِیۡۤ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Qaala anziernieee ielaa Yawmie yoeb'asoen
7:14 Hij (satan) zei: "Geef mij uitstel tot de dag waarop zij zullen herrijzen."

قَالَ اِنَّکَ مِنَ الۡمُنۡظَرِیۡنَ ﴿۵۱﴾
Qaala iennaka mienal moenzarieen
7:15 Hij (Allah) zei: "Voorzeker, jij behoort tot degenen met verleende uitstel." (Echter niet tot de dag des oordeel, maar tot een bepaalde tijd, zie 15:38 en 38:81)

قَالَ فَبِمَاۤ اَغۡوَیۡتَنِیۡ لَاَقۡعُدَنَّ لَہُمۡ صِرَاطَکَ الۡمُسۡتَقِیۡمَ ﴿۶۱﴾
Qaala fabiemaaa aghway taniee la aq'oedanna lahoem Sieraatakal Moestaqieem
7:16 Hij (satan) zei: "Omdat U mij heeft doen laten dwalen, zal ik voor hen op Uw rechte pad zitten.

ثُمَّ لَاٰتِیَنَّہُمۡ مِّنۡۢ بَیۡنِ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مِنۡ خَلۡفِہِمۡ وَ عَنۡ اَیۡمَانِہِمۡ وَ عَنۡ شَمَآئِلِہِمۡ ؕ وَ لَا تَجِدُ اَکۡثَرَہُمۡ شٰکِرِیۡنَ ﴿۷۱﴾
Soemma la aatieyannahoem miem bainie aidieehiem wa mien ghalfiehiem wa 'an aimaaniehiem wa 'an shamaaa'ieliehiem wa laa tadjiedoe aksarahoem shaakierieen
7:17 Dan zal ik zeker van voren tot hen komen en van achteren, en van hun rechterkant en van hun linkerkant. En U zult de meeste van hen als ondankbare vinden."

قَالَ اخۡرُجۡ مِنۡہَا مَذۡءُوۡمًا مَّدۡحُوۡرًا ؕ لَمَنۡ تَبِعَکَ مِنۡہُمۡ لَاَمۡلَـَٔنَّ جَہَنَّمَ مِنۡکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۸۱﴾
Qaalaghroedj mienhaa maz'oemam madhoeraa; laman tabie'aka mienhoem la amla'anna djahannama mien-koem adjma'ieen
7:18 Hij (Allah) zei: "Ga er van weg, vernederd en verstoten! Voorzeker, wie jou volgt, weet dan, dat ik de hel met jullie allen zal vullen!"

وَ یٰۤاٰدَمُ اسۡکُنۡ اَنۡتَ وَ زَوۡجُکَ الۡجَنَّۃَ فَکُلَا مِنۡ حَیۡثُ شِئۡتُمَا وَ لَا تَقۡرَبَا ہٰذِہِ الشَّجَرَۃَ فَتَکُوۡنَا مِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۹۱﴾
Wa yaaa Aadamoes koen anta wa zawdjoekal djannata fakoelaa mien haisoe shie'toemaa wa laa taqrabaa haaziehiesh shadjarata fatakoenaa mienaz zaaliemieen
7:19 "En O Adam! Woon in de tuin, samen met jouw vrouw. En jullie beide mogen eten wat jullie willen, echter nader deze boom niet, anders zullen jullie beide tot de misdadigers behoren."

فَوَسۡوَسَ لَہُمَا الشَّیۡطٰنُ لِیُبۡدِیَ لَہُمَا مَا وٗرِیَ عَنۡہُمَا مِنۡ سَوۡاٰتِہِمَا وَ قَالَ مَا نَہٰکُمَا رَبُّکُمَا عَنۡ ہٰذِہِ الشَّجَرَۃِ اِلَّاۤ اَنۡ تَکُوۡنَا مَلَکَیۡنِ اَوۡ تَکُوۡنَا مِنَ الۡخٰلِدِیۡنَ ﴿۰۲﴾
Fawaswasa lahoemash Shaitaanoe lieyoebdieya lahoemaa maa woerieya 'anhoemaa mien saw aatiehiemaa wa qaala maa nahaakoemaa Rabboekoemaa 'an haaziehiesh shadjaratie iellaaa an takoenaa malakainie aw takoenaa mienal ghaaliedieen
7:20 Daarna fluisterde de satan hen beide in, zodat hij datgeen wat van hun schaamte bedekt was, zichtbaar maakte. En hij (de satan) zei: "Jouw Heer heeft deze boom aan jullie verboden omdat jullie engelen kunnen worden of omdat jullie onsterfelijk kunnen worden. (Zie ook 20:115-120)

وَ قَاسَمَہُمَاۤ اِنِّیۡ لَکُمَا لَمِنَ النّٰصِحِیۡنَ ﴿۱۲﴾
Wa qaasamahoemaaa ienniee lakoemaa lamienan naasiehieen
7:21 En hij zweerde tegen beide van hen: "Voorzeker, ik ben voor beide van jullie een oprechte adviseur."

فَدَلّٰىہُمَا بِغُرُوۡرٍ ۚ فَلَمَّا ذَاقَا الشَّجَرَۃَ بَدَتۡ لَہُمَا سَوۡاٰتُہُمَا وَ طَفِقَا یَخۡصِفٰنِ عَلَیۡہِمَا مِنۡ وَّرَقِ الۡجَنَّۃِ ؕ وَ نَادٰىہُمَا رَبُّہُمَاۤ اَلَمۡ اَنۡہَکُمَا عَنۡ تِلۡکُمَا الشَّجَرَۃِ وَ اَقُلۡ لَّکُمَاۤ اِنَّ الشَّیۡطٰنَ لَکُمَا عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۲۲﴾
Fadallaahoemaa bieghoeroer; falammaa zaaqash shadjarata badat lahoemaa saw aatoehoemaa wa tafieqaa yaghsiefaanie 'alaihiemaa miew waraqiel djannatie wa naadaahoemaa Rabboehoemaaa alam anhakoemaa 'an tielkoemash shadjaratie wa aqoel lakoemaaa iennash Shaitaana lakoemaa 'adoewwoem moebieen
7:22 Echter hij liet hen beiden vallen door bedrog. Toen ze van de boom proefde, werd hun schaamte voor beide zichtbaar. En ze begonnen bladeren van de tuin op hen vast te maken. En de Heer riep hen beide aan:" Verbood ik deze boom niet voor jullie beide? En zei ik niet tegen jullie beide dat de satan een duidelijke vijand voor jullie is?

قَالَا رَبَّنَا ظَلَمۡنَاۤ اَنۡفُسَنَا ٜ وَ اِنۡ لَّمۡ تَغۡفِرۡ لَنَا وَ تَرۡحَمۡنَا لَنَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۳۲﴾
Qaalaa Rabbanaa zalamnaaa anfoesanaa wa iellam taghfier lanaa wa tarhamnaa lanakoenanna mienal ghaasierieen
7:23 Beide van hen zeiden: "Onze Heer, we hebben onszelf onrecht aangedaan! En wanneer U ons niet vergeeft en ons geen genade schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren." (Dit zijn de woorden die Adam ontving, zie ook 2:37)

قَالَ اہۡبِطُوۡا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ وَ لَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ مُسۡتَقَرٌّ وَّ مَتَاعٌ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۴۲﴾
Qaalah bietoe ba'doekoem lieba'dien adoewwoew wa lakoem fiel ardie moestaqarroew wa mataa'oen ielaahieen
7:24 Hij (Allah) zei: "Ga weg (van de tuin, waar er geen tekortkoming in was)! Sommige van jullie zullen een vijand voor anderen zijn. En de aarde is een tijdelijke woonplaats met levensonderhoud voor jullie."

قَالَ فِیۡہَا تَحۡیَوۡنَ وَ فِیۡہَا تَمُوۡتُوۡنَ وَ مِنۡہَا تُخۡرَجُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Qaala fieehaa tahyawna wa fieehaa tamoetoena wa mienhaa toeghradjoen
7:25 Hij zei: "Jullie zullen daar leven en daar sterven en jullie zullen er uit worden voort gebracht (op de dag des oordeels)." (Zie 20:55)

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ قَدۡ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکُمۡ لِبَاسًا یُّوَارِیۡ سَوۡاٰتِکُمۡ وَ رِیۡشًا ؕ وَ لِبَاسُ التَّقۡوٰی ۙ ذٰلِکَ خَیۡرٌ ؕ ذٰلِکَ مِنۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ لَعَلَّہُمۡ یَذَّکَّرُوۡنَ ﴿۶۲﴾
Yaa Banieee Aadama qad anzalnaa 'alaikoem liebaasay yoewaariee saw aatiekoem wa rieeshaw wa liebaasoet taqwaa zaalieka ghair; zaalieka mien Aayaatiel laahie la'allahoem yaz zakkaroen
7:26 O kinderen van Adam! Voorzeker, Wij hebben voor jullie kleding neergezonden. Het bedekt jullie schaamte en het versiert jullie. Echter de beste kleding (bescherming) is de kleding van Taqwa (godvrezendheid). Dat zijn een aantal van Allah's tekenen, zodat ze kunnen gedenken (om de schaamte en jezelf te beschermen met kleding en Taqwa). (Notitie: Zie de kledingvoorschrift in 7:31, 24:31 en 33:59)

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ لَا یَفۡتِنَنَّکُمُ الشَّیۡطٰنُ کَمَاۤ اَخۡرَجَ اَبَوَیۡکُمۡ مِّنَ الۡجَنَّۃِ یَنۡزِعُ عَنۡہُمَا لِبَاسَہُمَا لِیُرِیَہُمَا سَوۡاٰتِہِمَا ؕ اِنَّہٗ یَرٰىکُمۡ ہُوَ وَ قَبِیۡلُہٗ مِنۡ حَیۡثُ لَا تَرَوۡنَہُمۡ ؕ اِنَّا جَعَلۡنَا الشَّیٰطِیۡنَ اَوۡلِیَآءَ لِلَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Yaa Baniee Aadama laa yaftienannnakoemoesh Shaitaanoe kamaaa aghradja abawaikoem mienal djannatie yanzie'oe 'anhoemaa liebaasahoemaa lieyoerieyahoemaa saw aatiehiemaaa; iennahoe yaraakoem hoewa wa qabieeloehoe mien haisoe laa tarawnahoem; iennaa dja'alnash Shayaatieena awlieyaaa'a liellazieena laa yoe'mienoen
7:27 O kinderen van Adam! Laat de satan je niet doen verleiden, net zoals hij jullie ouders heeft verleid, en van de tuin heeft verdreven, en voor hun beide hun kleding heeft verwijderd om hun schaamte zichtbaar te maken. Voorzeker, hij ziet jullie, hij en zijn stam (djiens), terwijl jullie hen niet zien. Voorzeker, Wij hebben voor degenen die niet geloven, de duivels tot hun Awliya (beschermers, helpers) gemaakt.

وَ اِذَا فَعَلُوۡا فَاحِشَۃً قَالُوۡا وَجَدۡنَا عَلَیۡہَاۤ اٰبَآءَنَا وَ اللّٰہُ اَمَرَنَا بِہَا ؕ قُلۡ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَاۡمُرُ بِالۡفَحۡشَآءِ ؕ اَتَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Wa iezaa fa'aloe faahieshatan qaaloe wadjadnaa 'alaihaaa aabaaa'ana wallaahoe amaranaa biehaa; qoel iennal laaha laa ya'moeroe bielfahshaaa'ie a-taqoeloena 'alal laahie maa laa ta'lamoen
7:28 En wanneer ze onzedelijkheid begaan, zeggen ze: "Onze voorvaders deden het ook en Allah heeft het ons bevolen." Zeg: "Voorzeker, Allah beveelt geen onzedelijkheid. Zeggen jullie dingen over Allah wat jullie niet weten?"

قُلۡ اَمَرَ رَبِّیۡ بِالۡقِسۡطِ ۟ وَ اَقِیۡمُوۡا وُجُوۡہَکُمۡ عِنۡدَ کُلِّ مَسۡجِدٍ وَّ ادۡعُوۡہُ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ ۬ؕ کَمَا بَدَاَکُمۡ تَعُوۡدُوۡنَ ﴿۹۲﴾
Qoel amara Rabbiee bielqiestie wa aqieemoe woedjoehakoem 'ienda koellie masdjiedien wad'oehoe moeghliesieena lahoed dieen; kamaa bada akoem ta'oedoen
7:29 Zeg: "(Slechts) Gerechtigheid is bevolen door mijn Heer! En richt jullie gezichten bij het prostreren tot Hem (alleen) en roep Hem zuiver biddend aan. Net zoals, Hij jullie heeft doen ontstaan (uit het niets, iets klein), zal Hij jullie terug laten keren (naar het niets, iets kleins).

فَرِیۡقًا ہَدٰی وَ فَرِیۡقًا حَقَّ عَلَیۡہِمُ الضَّلٰلَۃُ ؕ اِنَّہُمُ اتَّخَذُوا الشَّیٰطِیۡنَ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۰۳﴾
Farieeqan hadaa wa farieeqan haqqa 'alaihiemoed dalaalah; iennahoemoet taghazoesh Shayaatieena awlieyaaa'a mien doeniel laahie wa yahsaboena annahoem moehtadoen
7:30 Hij (Allah) leidt een groep, en een (andere) groep verdient de dwaling. Voorzeker, ze nemen (namelijk) de duivels als Awliyah (berschermers, bemiddelaars, helpers) in plaats van Allah, en ze denken (door hoogmoed) dat ze recht geleid zijn.

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ خُذُوۡا زِیۡنَتَکُمۡ عِنۡدَ کُلِّ مَسۡجِدٍ وَّ کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا وَ لَا تُسۡرِفُوۡا ۚ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Yaa Bannieee Adama ghoezoe zieenatakoem 'ienda koellie masdjiediew wa koeloe washraboe wa laa toesriefoe; iennahoe laa yoehiebboel moesriefieen
7:31 O Kinderen van Adam! Draag jullie mooie kleren bij elk gebed. Eet en drink maar verspil niet (wees niet extreem\buitensporig). Voorzeker, Hij (Allah) houdt niet van degene die overdrijven.

قُلۡ مَنۡ حَرَّمَ زِیۡنَۃَ اللّٰہِ الَّتِیۡۤ اَخۡرَجَ لِعِبَادِہٖ وَ الطَّیِّبٰتِ مِنَ الرِّزۡقِ ؕ قُلۡ ہِیَ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا خَالِصَۃً یَّوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ کَذٰلِکَ نُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۳﴾
Qoel man harrama zieenat Allahiel latieee aghradja lie'iebaadiehiee wattaiyiebaatie mienar riezq; qoel hieya liellazieena aamanoe fiel hayaatied doenyaa ghaaliesatay yawmal Qieyaamah; kazaalieka noefassieloel Aayaatie lie qawmiey ya'lamoen
7:32 Zeg: "Wie heeft het sierlijke\mooie (van alles) die Allah voor Zijn dienaren heeft voortgebracht, verboden verklaard, en ook de zuivere voedsel?" Zeg: "Ze zijn bedoeld voor de gelovigen gedurende het wereldse leven (en de ongelovigen maken er ook gebruik van), echter op de dag des oordeels is het slechts voor hen (de gelovigen)." Zo leggen Wij de tekenen uit voor mensen met kennis."

قُلۡ اِنَّمَا حَرَّمَ رَبِّیَ الۡفَوَاحِشَ مَا ظَہَرَ مِنۡہَا وَ مَا بَطَنَ وَ الۡاِثۡمَ وَ الۡبَغۡیَ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ اَنۡ تُشۡرِکُوۡا بِاللّٰہِ مَا لَمۡ یُنَزِّلۡ بِہٖ سُلۡطٰنًا وَّ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۳﴾
Qoel iennamaa harrama Rabbieyal fawaahiesha maa zahara mienhaa wa maa batana wal iesma walbaghya bieghairiel haqqie wa an toeshriekoe biellaahie maa lam yoenazziel biehiee soeltaanaw wa an taqoeloe 'alal laahie maa laa ta'lamoen
7:33 Zeg: "Alleen de schandelijke daden heeft mijn Heer verboden verklaard, zowel het openlijke als het verborgene ervan! En de zonde (de ongehoorzaamheid), de onderdrukking zonder enige recht, het toekennen van bemiddelaars/deelgenoten aan Allah zonder enige bewijs, en dat je over Allah dingen zegt terwijl je het niet weet (o.a. het verklaren van hallal en haraam). (Notitie: zie ook 16:116)

وَ لِکُلِّ اُمَّۃٍ اَجَلٌ ۚ فَاِذَا جَآءَ اَجَلُہُمۡ لَا یَسۡتَاۡخِرُوۡنَ سَاعَۃً وَّ لَا یَسۡتَقۡدِمُوۡنَ ﴿۴۳﴾
Wa liekoellie oemmatien adjaloen fa iezaa djaaa'a adjaloehoem laa yasta' ghieroena saa'ataw wa laa yastaqdiemoen
7:34 En voor elke gemeenschap is er een vastgestelde termijn bepaald (voor het leven op aarde). Wanneer het tijdstip (van een gemeenschap) is gekomen, dan kunnen ze het (termijn) niet verlengen, zelfs geen uur, noch kunnen ze het versnellen.

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ اِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ رُسُلٌ مِّنۡکُمۡ یَقُصُّوۡنَ عَلَیۡکُمۡ اٰیٰتِیۡ ۙ فَمَنِ اتَّقٰی وَ اَصۡلَحَ فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۵۳﴾
Yaa Baniee Aadama iemmaa ya'tieyannakoem Roesoeloem mien-koem yaqoessoena 'alaikoem Aayaatiee famaniet taqaa wa aslaha falaa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
7:35 O Kinderen van Adam! Wanneer er Boodschappers tot jullie komen, vanuit jullie gemeenschap, die Mijn tekenen voordragen (volg die dan). Wie dan Allah vreest en zichzelf verbeterd, op hem zal er geen angst zijn, noch zal hij treuren.

وَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اسۡتَکۡبَرُوۡا عَنۡہَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۶۳﴾
Wallazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wastakbaroe 'an haaa oelaaa'ieka Ashaaboen naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
7:36 Maar degenen die Onze tekenen verwerpen en er hoogmoedig over zijn, zijn de bewoners van het vuur. Ze zullen er altijd in verblijven.

فَمَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اَوۡ کَذَّبَ بِاٰیٰتِہٖ ؕ اُولٰٓئِکَ یَنَالُہُمۡ نَصِیۡبُہُمۡ مِّنَ الۡکِتٰبِ ؕ حَتّٰۤی اِذَا جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُنَا یَتَوَفَّوۡنَہُمۡ ۙ قَالُوۡۤا اَیۡنَ مَا کُنۡتُمۡ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ قَالُوۡا ضَلُّوۡا عَنَّا وَ شَہِدُوۡا عَلٰۤی اَنۡفُسِہِمۡ اَنَّہُمۡ کَانُوۡا کٰفِرِیۡنَ ﴿۷۳﴾
Faman azlamoe miemmanief taraa 'alal laahie kazieban aw kazzaba bie Aayaatieh; oelaaa'ieka yanaaloehoem nasieeboehoem mienal Kietaab; hatta iezaa djaaa'at hoem roesoeloenaa yatawaf fawnahoem qaaloeo aina maa koentoem tad'oenaa mien doeniel laahie qaaloe dalloe 'annaa wa shahiedoe 'alaaa anfoesiehiem annahoem kaanoe kaafierieen
7:37 Wie is er meer onrechtvaardig dan degene die over Allah een leugen verzint of degene die Zijn tekenen verwerpt? Ze zullen hun aandeel (van de wereldse voorzieningen, hun lot) dat genoteerd is in het Boek (Lauhoelmahfoezh) krijgen, totdat (de dood hen bereikt en) Onze gezanten (engelen) tot hen komen om hun zielen weg te nemen. Zij (de engelen) zullen zeggen: "Waar zijn degenen die jullie naast Allah aanriepen?" Ze zullen zeggen: "Ze hebben ons verlaten." En ze zullen getuigen tegen hunzelf dat ze ongelovig waren.

قَالَ ادۡخُلُوۡا فِیۡۤ اُمَمٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ فِی النَّارِ ؕ کُلَّمَا دَخَلَتۡ اُمَّۃٌ لَّعَنَتۡ اُخۡتَہَا ؕ حَتّٰۤی اِذَا ادَّارَکُوۡا فِیۡہَا جَمِیۡعًا ۙ قَالَتۡ اُخۡرٰىہُمۡ لِاُوۡلٰىہُمۡ رَبَّنَا ہٰۤؤُلَآءِ اَضَلُّوۡنَا فَاٰتِہِمۡ عَذَابًا ضِعۡفًا مِّنَ النَّارِ ۬ؕ قَالَ لِکُلٍّ ضِعۡفٌ وَّ لٰکِنۡ لَّا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۳﴾
Qaalad ghoeloe fieee oemamien qad ghalat mien qabliekoem mienal djiennie wal iensie fien naarie koellamaa daghalat oemmatoel la'anat oeghtahaa hattaaa iezad daarakoe fieehaa djamiee'an qaalat oeghraahoem lie oelaahoem Rabbannaa haaa oe'laaa'ie adalloenaa fa aatiehiem 'azaaban die'fam mienan naarie qaala liekoellien die'foew wa laakiel laa ta'lamoen
7:38 Hij (Allah) zal zeggen: "Betreed het vuur met daarin de volken van djiens en mensen die voor jou tijd overleden waren." Iedere keer dat er een volk (de hel) binnen betreed, zal het de voorgaande volk vervloeken totdat allen verzameld zijn (in de hel) en de laatste van hen (de laatst betreden volk in de hel) over de eerste van hen zal zeggen: "Onze Heer, deze hebben ons misleid, dus geef hun een dubbele straf van het vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Voor elk is er het dubbele, echter jullie weten het niet."

وَ قَالَتۡ اُوۡلٰىہُمۡ لِاُخۡرٰىہُمۡ فَمَا کَانَ لَکُمۡ عَلَیۡنَا مِنۡ فَضۡلٍ فَذُوۡقُوا الۡعَذَابَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡسِبُوۡنَ ﴿۹۳﴾
Wa qaalat oelaahoem lie oeghraahoem famaa kaana lakoem 'alainaa mien fadlien fazoeqoel azaaba biemaa koentoem taksieboen
7:39 En de eerste van hen zal tot de laatste van hen (weer) zeggen: "Jullie zijn niet beter dan ons, dus proef de straf voor wat jullie hebben verdiend."

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اسۡتَکۡبَرُوۡا عَنۡہَا لَا تُفَتَّحُ لَہُمۡ اَبۡوَابُ السَّمَآءِ وَ لَا یَدۡخُلُوۡنَ الۡجَنَّۃَ حَتّٰی یَلِجَ الۡجَمَلُ فِیۡ سَمِّ الۡخِیَاطِ ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۰۴﴾
Innal lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wastakbaroe 'anhaa laa toefattahoe lahoem abwaaboes samaaa'ie wa laa yadghoeloenal djannata hattaa yaliedjal djamaloe fiee sammiel ghieyaat; wa kazaalieka nadjziel moedjriemieen
7:40 Voorzeker, de deuren van de hemel zullen niet worden geopend voor degenen die Onze tekenen verwierpen en er hoogmoedig voor waren. En ze zullen het paradijs niet betreden, net zoals een kameel die door een gat van een naald niet kan gaan. En zo vergelden Wij de misdadigers.

لَہُمۡ مِّنۡ جَہَنَّمَ مِہَادٌ وَّ مِنۡ فَوۡقِہِمۡ غَوَاشٍ ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۴﴾
Lahoem mien djahannama miehaadoew wa mien fawqiehiem ghawaash; wa kazaalieka nadjziez zaaliemieen
7:41 Voor hen is het vuur een bed en een deken. En dus vergelden Wij de misdadigers.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَا نُکَلِّفُ نَفۡسًا اِلَّا وُسۡعَہَاۤ ۫ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۴﴾
Wallazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie laa noekalliefoe nafsan iellaa woes'ahaaa oelaaa'ieka Ashaaboel djannatie hoem fieehaa ghaaliedoen
7:42 Maar degenen die geloven en rechtvaardig handelden zij zijn de bewoners van het paradijs en weet dat Wij elke persoon hebben belast volgens zijn vermogen. Ze zullen er eeuwig in verblijven.

وَ نَزَعۡنَا مَا فِیۡ صُدُوۡرِہِمۡ مِّنۡ غِلٍّ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہِمُ الۡاَنۡہٰرُ ۚ وَ قَالُوا الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ ہَدٰىنَا لِہٰذَا ۟ وَ مَا کُنَّا لِنَہۡتَدِیَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ ہَدٰىنَا اللّٰہُ ۚ لَقَدۡ جَآءَتۡ رُسُلُ رَبِّنَا بِالۡحَقِّ ؕ وَ نُوۡدُوۡۤا اَنۡ تِلۡکُمُ الۡجَنَّۃُ اُوۡرِثۡتُمُوۡہَا بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۳۴﴾
Wa naza'naa maa fiee soedoeriehiem mien ghiellien tadjriee mien tahtiehiemoel anhaaroe wa qaaloel hamdoe liellaahiel laziee hadaanaa liehaaza wa maa koenna lienahtadieya law laaa ann hadaanal laahoe laqad djaaa'at Roesoeloe Rabbienaa bielhaqq; wa noedoe an tielkoemoel djannnatoe oeriestoemoehaa biemaa koentoem ta'maloen
7:43 En Wij zullen wat er aan woede in hun harten is, verwijderen. Onder hen zullen er rivieren stromen en ze zullen zeggen: "Alle dank en lof komen tot Allah toe, Degene Die ons geleid heeft naar dit. En we zouden niet geleid zijn als Allah ons niet geleid had. Waarlijk, er kwamen boodschappers van onze Heer met de waarheid." En er zal tegen hun worden gezegd: "Dit is het paradijs, jullie hebben het geërfd door de daden die jullie hebben verricht."

وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ اَصۡحٰبَ النَّارِ اَنۡ قَدۡ وَجَدۡنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقًّا فَہَلۡ وَجَدۡتُّمۡ مَّا وَعَدَ رَبُّکُمۡ حَقًّا ؕ قَالُوۡا نَعَمۡ ۚ فَاَذَّنَ مُؤَذِّنٌۢ بَیۡنَہُمۡ اَنۡ لَّعۡنَۃُ اللّٰہِ عَلَی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۴﴾
Wa naadaa Ashaaboel djannatie ashaaban Naarie an qad wadjadnaa maa wa'adannaa Rabboenaa haqqan fahal wadjattoem maa wa'ada Rabboekoem haqqan qaaloe na'am; fa azzana moe'azzienoem bainahoem al la'natoel laahie 'alaz zaaliemieen
7:44 En de bewoners van het Paradijs zullen tot de bewoners van de Hel roepen: "Voorzeker, we hebben gevonden dat hetgeen, wat door onze Heer aan ons beloofd was, de waarheid is. Hebben jullie gevonden wat door jullie Heer beloofd was?" Ze zullen zeggen: "Ja!" Vervolgens zal er omgeroept worden: "De vloek van Allah rust op de misdadigers."

الَّذِیۡنَ یَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ یَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ۚ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ کٰفِرُوۡنَ ﴿۵۴﴾
Allazieena yasoeddoena 'an sabieeliel laahie wa yabghoe nahaa 'iewadjaw wa hoem biel Aaghieratie kaafieroen
7:45 (Dat zijn) Degenen die de weg van Allah verhinderden en die de dwaling erin zochten en die niet in het hiernamaals geloofden.

وَ بَیۡنَہُمَا حِجَابٌ ۚ وَ عَلَی الۡاَعۡرَافِ رِجَالٌ یَّعۡرِفُوۡنَ کُلًّۢا بِسِیۡمٰہُمۡ ۚ وَ نَادَوۡا اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ اَنۡ سَلٰمٌ عَلَیۡکُمۡ ۟ لَمۡ یَدۡخُلُوۡہَا وَ ہُمۡ یَطۡمَعُوۡنَ ﴿۶۴﴾
Wa bainahoemaa hiedjaab; wa 'alal A'raafie riedjaaloey ya'riefoena koellam biesieemaahoem; wa naadaw Ashaabal djannatie an salaamoen 'alaikoem; lam yadghoeloehaa wa hoem yatma'oen
7:46 En tussen hen (de bewoners van het paradijs en de hel) zal er een afscheiding zijn en op de 'A'raaf' zullen er mannen zijn die de bewoners (van de hel en het paradijs) herkennen (uit het wereldse leven) door hun kenmerken. En ze zullen roepen tegen de bewoners van het paradijs: "Vrede zij met jullie!" Ze zijn echter het (paradijs) nog niet binnen gegaan, maar ze verlangen er begerig naar. (Notitie: De A'raaf is een hoge vlakte met nog niet berechte mensen erop vanwege hun evenwichtige schalen. De mensen van de A'raaf kunnen zowel de mensen van het paradijs als van de hel zien.)

وَ اِذَا صُرِفَتۡ اَبۡصَارُہُمۡ تِلۡقَآءَ اَصۡحٰبِ النَّارِ ۙ قَالُوۡا رَبَّنَا لَا تَجۡعَلۡنَا مَعَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۷۴﴾
Wa iezaa soeriefat absaaroehoem tielqaaa'a Ashaabien Naarie qaaloe Rabbanaa laa tadj'alnaa ma'al qawmiez zaaliemieen
7:47 En wanneer hun ogen gedraaid worden (door Allah) om naar de bewoners van het vuur te kijken, dan zullen ze zeggen: "Onze Heer! Plaats ons niet tussen het misdadige volk!"

وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ الۡاَعۡرَافِ رِجَالًا یَّعۡرِفُوۡنَہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ قَالُوۡا مَاۤ اَغۡنٰی عَنۡکُمۡ جَمۡعُکُمۡ وَ مَا کُنۡتُمۡ تَسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿۸۴﴾
Wa naadaaa Ashaaboel a'raafie riedjaalay ya'riefoenahoem biesieemaahoem qaaloe maaa aghnaa 'an-koem djam'oekoem wa maa koentoem tastakbieroen
7:48 En de mensen op de A'raaf (de hoge vlakte) zullen roepen tegen de mannen (van de hel) die ze herkennen (uit het wereldse leven) door hun kenmerken: "Wat jullie verzamelden (aan rijkdommen, kinderen, etc) heeft jullie niet mogen baten en ook hetgeen waar jullie arrogant over waren!"

اَہٰۤؤُلَآءِ الَّذِیۡنَ اَقۡسَمۡتُمۡ لَا یَنَالُہُمُ اللّٰہُ بِرَحۡمَۃٍ ؕ اُدۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡکُمۡ وَ لَاۤ اَنۡتُمۡ تَحۡزَنُوۡنَ ﴿۹۴﴾
A haaa'oelaaa'iel lazieena aqsamtoem laa yanaaloehoemoel laahoe bie rahmah; oedghoeloel djannata laa ghawfoen 'alaikoem wa laaa antoem tahzanoen
7:49 "Zijn deze degenen (wijzend naar de gelovigen), waarover jullie hebben gezworen dat Allah hen niet de genade zou schenken?" (Vervolgens zal Allah tot de bewoners van de A'raaf zeggen:) "Betreed het paradijs, er zal geen vrees voor jullie zijn en jullie zullen niet treuren."

وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ النَّارِ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ اَنۡ اَفِیۡضُوۡا عَلَیۡنَا مِنَ الۡمَآءِ اَوۡ مِمَّا رَزَقَکُمُ اللّٰہُ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ حَرَّمَہُمَا عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۰۵﴾
Wa naadaaa Ashaaboen Naarie Ashaabal djannatie an afieedoe 'alainaa mienal maaa'ie aw miemma razaqakoemoel laah; qaaloe iennal laaha harrama hoemaa 'alal kaafierieen
7:50 En de bewoners van de hel zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Besproei water over ons of iets waarmee Allah jullie voorzien van heeft! Ze zullen zeggen: "Voorzeker, Allah heeft beiden voor de ongelovigen verboden verklaard."

الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا دِیۡنَہُمۡ لَہۡوًا وَّ لَعِبًا وَّ غَرَّتۡہُمُ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا ۚ فَالۡیَوۡمَ نَنۡسٰہُمۡ کَمَا نَسُوۡا لِقَآءَ یَوۡمِہِمۡ ہٰذَا ۙ وَ مَا کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَجۡحَدُوۡنَ ﴿۱۵﴾
Allazieenat taghazoe dieenahoem lahwaw wa la'ie-baw wa gharrat hoemoel hayaatoed doenyaa; fal Yawma nannsaahoem kamaa nasoe lieqaaa'a Yawmiehiem haazaa wa maa kaanoe bie aayaatienaa yadjhadoen
7:51 Zij zijn degenen die hun levenswijze als een vermaak en spel namen, en het wereldse leven heeft hun bedrogen. Dus vandaag vergeten Wij hen, net zoals ze de ontmoeting van deze dag vergaten en omdat ze Onze tekenen verwierpen.

وَ لَقَدۡ جِئۡنٰہُمۡ بِکِتٰبٍ فَصَّلۡنٰہُ عَلٰی عِلۡمٍ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃً لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۲۵﴾
Wa laqad djie'naahoem bie Kietaabien fassalnaahoe 'alaa 'ielmien hoedaw wa rahmatal lieqawmieny-yoe'mienoen
7:52 En voorzeker Wij hebben voor hen een boek gebracht, welke Wij met kennis hebben uitgelegd, als leiding en barmhartigheid voor een volk dat gelooft.

ہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا تَاۡوِیۡلَہٗ ؕ یَوۡمَ یَاۡتِیۡ تَاۡوِیۡلُہٗ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ نَسُوۡہُ مِنۡ قَبۡلُ قَدۡ جَآءَتۡ رُسُلُ رَبِّنَا بِالۡحَقِّ ۚ فَہَلۡ لَّنَا مِنۡ شُفَعَآءَ فَیَشۡفَعُوۡا لَنَاۤ اَوۡ نُرَدُّ فَنَعۡمَلَ غَیۡرَ الَّذِیۡ کُنَّا نَعۡمَلُ ؕ قَدۡ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۳۵﴾
Hal yanzoeroena iellaa ta'wieelah; yawma ya'tiee ta'wieeloehoe yaqoeloel lazieena nasoehoe mien qabloe qad djaaa'at Roesoeloe Rabbienaa bielhaqq; fahal lanaa mien shoefa'aaa'a fa yashfa'oe lanaaa aw noeraddoe fana'mala ghairal laziee koennaa na'mal; qad ghasieroeo anfoesahoem wa dalla 'anhoem maa kaanoe yaftaroen
7:53 Wachten ze slechts op zijn uitvoering (de straf)? De dag waarop de straf zal komen, zullen degenen, die het (boek) vergaten, zeggen: "Waarlijk, er waren boodschappers van onze Heer met de waarheid gekomen. Zijn er dus voor ons enige bemiddelaars, zodat ze voor ons kunnen bemiddelen? Of dat we terug gestuurd kunnen worden, zodat we andere daden kunnen verrichten, dan de daden die we eerst deden?" Waarlijk, ze hebben zichzelf verloren en hetgeen ze verzonnen hadden is weggegaan.

اِنَّ رَبَّکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ ۟ یُغۡشِی الَّیۡلَ النَّہَارَ یَطۡلُبُہٗ حَثِیۡثًا ۙ وَّ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ وَ النُّجُوۡمَ مُسَخَّرٰتٍۭ بِاَمۡرِہٖ ؕ اَلَا لَہُ الۡخَلۡقُ وَ الۡاَمۡرُ ؕ تَبٰرَکَ اللّٰہُ رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۵﴾
Inna Rabbakoemoel laahoel laziee ghalaqas samaawaatie wal arda fiee siettatie ayyaamien soemmas tawaa 'alal 'arshie yoeghshiel lailan nahaara yatloe boehoe hasieesaw washshamsa walqamara wannoedjoema moesagharaatiem bie amrieh; alaa lahoel ghalqoe wal-amr; tabaarakal laahoe Rabboel 'aalamieen
7:54 Voorzeker, jullie Heer is Allah, Degene Die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen (32:4, 22:47). Vervolgens besteeg Hij de troon. Hij bedekt de nacht met de dag, die elkaar snel achtervolgen (36:40). En de zon, de maan en de sterren onderwerpen zich aan zijn gebod. Zonder enige twijfel, voor Hem (alleen) is het creëren en het gebod. Gezegend is Hij, Heer van de werelden (25:61).

اُدۡعُوۡا رَبَّکُمۡ تَضَرُّعًا وَّ خُفۡیَۃً ؕ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الۡمُعۡتَدِیۡنَ ﴿۵۵﴾
Oed'oe Rabbakoem tadarroe'aw wa ghoefyah; iennahoe laa yoehiebboel moe'tadieen
7:55 Roep jullie Heer nederig en in stilte aan. Voorzeker, Hij houdt niet van de misdadigers.

وَ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ بَعۡدَ اِصۡلَاحِہَا وَ ادۡعُوۡہُ خَوۡفًا وَّ طَمَعًا ؕ اِنَّ رَحۡمَتَ اللّٰہِ قَرِیۡبٌ مِّنَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۶۵﴾
Wa laa toefsiedoe fiel ardie ba'da ieslaahiehaa wad'oehoe ghawfaw wa tama'aa; ienna rahmatal laahie qarieeboem mienal moehsienieen
7:56 En zaai geen verderf op aarde na zijn hervorming (door Allah's boodschap). En roep Hem aan met vrees en hoop. Voorzeker, de barmhartigheid van Allah is dichtbij de "Muhsinien" (iemand die goede daden verricht op basis van Taqwa).

وَ ہُوَ الَّذِیۡ یُرۡسِلُ الرِّیٰحَ بُشۡرًۢا بَیۡنَ یَدَیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَقَلَّتۡ سَحَابًا ثِقَالًا سُقۡنٰہُ لِبَلَدٍ مَّیِّتٍ فَاَنۡزَلۡنَا بِہِ الۡمَآءَ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖ مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ ؕ کَذٰلِکَ نُخۡرِجُ الۡمَوۡتٰی لَعَلَّکُمۡ تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۷۵﴾
Wa Hoewal laziee yoersieloer rieyaaha boeshram baina yadai rahmatiehiee hattaaa iezaaa aqallat sahaaban sieqaalan soeqnaahoe liebaladiem maiyietien fa annzalnaa biehiel maaa'a fa aghradjnaa biehiee mienn koellies samaraat; kazaalieka noeghriedjoel mawtaa la'allakoem tazakkaroen
7:57 En Hij is Degene Die de winden zendt als goede nieuws van Zijn barmhartigheid. Wanneer ze zware wolken dragen, sturen Wij ze naar een dood (verdord) land, dan doen Wij het water neerdalen. Vervolgens brengen Wij alle soorten vruchten er uit voort. Net zo zullen Wij de doden (op de dag des oordeels) opwekken, (Allah geeft deze vergelijking) zodat jullie kunnen gedenken.

وَ الۡبَلَدُ الطَّیِّبُ یَخۡرُجُ نَبَاتُہٗ بِاِذۡنِ رَبِّہٖ ۚ وَ الَّذِیۡ خَبُثَ لَا یَخۡرُجُ اِلَّا نَکِدًا ؕ کَذٰلِکَ نُصَرِّفُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّشۡکُرُوۡنَ ﴿۸۵﴾
Walbaladoet taiyieboe yaghroedjoe nabaatoehoe bie-ieznie Rabbiehiee wallaziee ghaboesa laa yaghroedjoe iellaa nakiedaa; kazaalieka noesarriefoel Aayaatie lieqawmiey yashkoeroen
7:58 En uit goede aarde komt (goede) gewassen voort door het verlof van Allah. Echter, uit het slechte zal niets (goeds) of met veel moeite iets voort komen. Zo leggen Wij de tekenen uit voor een dankbare volk. (Notitie: Uit het goede komt het goede voort en uit het slechte komt niets goeds voort.)

لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖ فَقَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۹۵﴾
Laqad arsalnaa noehan ielaa qawmiehiee faqaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoehoe iennieee aghaafoe 'alaikoem 'azaaba Yawmien 'Azieem
7:59 Voorzeker, Wij zonden Noeh (Noach) tot zijn volk en hij zei: "O mijn volk! Aanbidt Allah! Er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Voorzeker, ik vrees de straf voor jullie op de grote dag."

قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِہٖۤ اِنَّا لَنَرٰىکَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۰۶﴾
Qaalal mala-oe mien qaw miehieee iennaa lanaraaka fiee dalaaliem moebieen
7:60 De leiders van zijn volk zeiden: "Voorzeker, wij zien jou in een duidelijke dwaling verkeren."

قَالَ یٰقَوۡمِ لَیۡسَ بِیۡ ضَلٰلَۃٌ وَّ لٰکِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۶﴾
Qaala yaa qawmie laisa biee dalaalatoew wa laakienniee Rasoeloem mier Rabbiel 'aalamieen
7:61 Hij (Noeh) zei: "O mijn volk! Ik verkeer niet in dwaling. Echter, ik ben een boodschapper van de Heer der werelden.

اُبَلِّغُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ اَنۡصَحُ لَکُمۡ وَ اَعۡلَمُ مِنَ اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۶﴾
Oeballieghoekoem Riesaalaatie Rabbiee wa ansahoe lakoem wa a'lamoe mienal laahie maa laa ta'lamoen
7:62 Ik geef jullie slechts de boodschappen van mijn Heer. En ik adviseer jullie (ermee) en ik heb kennis over Allah die jullie niet hebben."

اَوَ عَجِبۡتُمۡ اَنۡ جَآءَکُمۡ ذِکۡرٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَلٰی رَجُلٍ مِّنۡکُمۡ لِیُنۡذِرَکُمۡ وَ لِتَتَّقُوۡا وَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Awa 'adjiebtoem an djaaa'akoem ziekroem mier Rabbiekoem 'alaa radjoeliem mien-koem lieyoenzierakoem wa lietattaqoe wa la'allakoem toerhamoen
7:63 Verbaast het jullie dat er een herinnering van jullie Heer via een man uit jullie volk is gekomen? Zodat hij jullie waarschuwt, en zodat jullie (Allah) kunnen vrezen, en zodat jullie de genade (van Allah) kunnen krijgen."

فَکَذَّبُوۡہُ فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗ فِی الۡفُلۡکِ وَ اَغۡرَقۡنَا الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا عَمِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Fakazzaboehoe fa andjai naahoe wallazieena ma'ahoe fiel foelkie wa aghraqnal lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa; iennahoem kaanoe qawman 'amieen
7:64 Echter ze wezen hem af. Dus redde Wij hem en degenen die met hem in de ark waren. En Wij lieten degenen, die Onze tekenen verwierpen, verdrinken. Voorzeker, het was een blind volk.

وَ اِلٰی عَادٍ اَخَاہُمۡ ہُوۡدًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اَفَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۵۶﴾
Wa ielaa 'aadien aghaahoem Hoedaa; qaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoeh; afalaa tattaqoen
7:65 En tot het volk Aad zonden Wij Hoed, Hij zei: "O mijn volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarom vrezen jullie Allah niet?" (Notitie: Het volk van Aad was een volk dat ten zuiden van Arabië leefden. Hoed was de eerste profeet na Noeh.)

قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖۤ اِنَّا لَنَرٰىکَ فِیۡ سَفَاہَۃٍ وَّ اِنَّا لَنَظُنُّکَ مِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۶۶﴾
Qaalal mala oel lazieena kafaroe mien qawmiehieee iennaa lanaraaka fiee safaahatiew wa iennaa la nazoennoeka mienal kaaziebieen
7:66 De leiders van de ongelovigen onder zijn volk zeiden: "Voorzeker, wij zien dat jij in dwaasheid verkeert en we denken dat jij liegt."

قَالَ یٰقَوۡمِ لَیۡسَ بِیۡ سَفَاہَۃٌ وَّ لٰکِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۶﴾
Qaala yaa qawmie laisa biee safaahatoew wa laakienniee Rasoeloem mier Rabbiel 'aalamieen
7:67 Hij (Hoed) zei: "Mijn volk! Er is geen dwaasheid in mij! Ik ben een boodschapper van de Heer der werelden."

اُبَلِّغُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ اَنَا لَکُمۡ نَاصِحٌ اَمِیۡنٌ ﴿۸۶﴾
Oeballieghoekoem Riesaalaatie Rabbiee wa ana lakoem naasiehoen amieen
7:68 "Ik geef jullie slechts de boodschappen van mijn Heer en ik ben voor jullie een betrouwbare adviseur."

اَوَ عَجِبۡتُمۡ اَنۡ جَآءَکُمۡ ذِکۡرٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَلٰی رَجُلٍ مِّنۡکُمۡ لِیُنۡذِرَکُمۡ ؕ وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ جَعَلَکُمۡ خُلَفَآءَ مِنۡۢ بَعۡدِ قَوۡمِ نُوۡحٍ وَّ زَادَکُمۡ فِی الۡخَلۡقِ بَصۜۡطَۃً ۚ فَاذۡکُرُوۡۤا اٰلَآءَ اللّٰہِ لَعَلَّکُمۡ تُفۡلِحُوۡنَ ﴿۹۶﴾
Awa 'adjiebtoem an djaaa'akoem ziekroem mier Rabbiekoem 'alaa radjoeliem mien-koem lieyoenzierakoem; wazkoeroeo iez dja'alakoem ghoelafaaa'a miem ba'die qawmie noehiew wa zaadakoem fielghalqie bastatan fazkoeroeo aalaaa'al laahie la'allakoem toefliehoen
7:69 "Verbaast het jullie dat er een herinnering van jullie Heer via een man uit jullie volk is gekomen, zodat hij jullie waarschuwt? En gedenk toen Hij (Allah) jullie de opvolgers (van generatie) van het volk van Noeh maakte en dat Hij jullie zeer groot maakte van lichaamsbouw. Dus gedenk de gunsten van Allah, zodat jullie succes kunnen verkrijgen."

قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا لِنَعۡبُدَ اللّٰہَ وَحۡدَہٗ وَ نَذَرَ مَا کَانَ یَعۡبُدُ اٰبَآؤُنَا ۚ فَاۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۰۷﴾
Qaaloeo adjie'tanaa liena'boedal laaha wahdahoe wa nazara maa kaana ya'boedoe aabaaa'oenaa fa'tienaa biemaa ta'iedoenaaa ien koenta mienas saadieqieen
7:70 Ze zeiden: "Ben jij alleen tot ons gekomen, zodat we slechts Allah alleen moeten aanbidden en we hetgeen moeten verlaten wat onze voorvaders aanbaden?" Breng dan maar datgeen wat jij belooft hebt aan ons (de bestraffing), als jij de waarheid spreekt."

قَالَ قَدۡ وَقَعَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ رِجۡسٌ وَّ غَضَبٌ ؕ اَتُجَادِلُوۡنَنِیۡ فِیۡۤ اَسۡمَآءٍ سَمَّیۡتُمُوۡہَاۤ اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمۡ مَّا نَزَّلَ اللّٰہُ بِہَا مِنۡ سُلۡطٰنٍ ؕ فَانۡتَظِرُوۡۤا اِنِّیۡ مَعَکُمۡ مِّنَ الۡمُنۡتَظِرِیۡنَ ﴿۱۷﴾
Qaala qad waqa'a alaikoem mier Rabbiekoem riedjsoew wa ghadab, atoedjaadieloenaniee fieee asmaaa'ien sammaitoemoehaaa antoem wa aabaaa'oekoem maa nazzalal laahoe biehaa mien soeltaan; fantazieroeo ienniee ma'akoem mienal moentazierieen
7:71 Hij zei: "Waarlijk, op jullie rust er nu de bestraffing en de woede van jullie Heer. Maken jullie ruzie met mij alleen voor de namen die jullie en jullie voorvaders verzonnen hebben terwijl Allah er geen enkel bewijs voor heeft neergezonden? Wacht dan! Voorzeker, ik wacht ook.

فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗ بِرَحۡمَۃٍ مِّنَّا وَ قَطَعۡنَا دَابِرَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ مَا کَانُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲۷﴾
Fa andjainaahoe wallazieena ma'ahoe bierahmatiem miennaa wa qata'naa daabieral lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wa maa kaanoe moe'mienieen
7:72 Dus hebben Wij hem (Hoed) en degenen met hem (die de boodschap geaccepteerd hadden) door Onze genade, gered (van de storm). En Wij hebben de wortels, van degenen die Onze tekenen verwierpen, afgesneden. En ze waren geen gelovigen.

وَ اِلٰی ثَمُوۡدَ اَخَاہُمۡ صٰلِحًا ۘ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ قَدۡ جَآءَتۡکُمۡ بَیِّنَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ ہٰذِہٖ نَاقَۃُ اللّٰہِ لَکُمۡ اٰیَۃً فَذَرُوۡہَا تَاۡکُلۡ فِیۡۤ اَرۡضِ اللّٰہِ وَ لَا تَمَسُّوۡہَا بِسُوۡٓءٍ فَیَاۡخُذَکُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۳۷﴾
Wa ielaa Samoeda aghaahoem Saaliehaa; qaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoehoe qad djaaa'atkoem baiyienatoem mier Rabbiekoem haaziehiee naaqatoel laahie lakoem Aayatan fazaroehaa ta'koel fieee ardiel laahie wa laa tamassoehaa biesoeo'ien fa ya'ghoezakoem 'azaaboen alieem
7:73 En voor het volk Thamoed zonden Wij hun broeder Salih. Hij zei: "O mijn Volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarlijk, er is een duidelijke bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen. Dit is een vrouwelijke kameel geschonken door Allah, het is voor jullie een teken. Zo laat haar eten op de aarde van Allah, en doe haar geen kwaad, anders zullen jullie door een pijnlijke straf worden gegrepen. (Notitie: Het volk Thamoed was een volk dat ten noorden van Arabië leefden, en dat ontstaan is uit de mensen die gered zijn van het volk van Aad. Waarschijnlijk zijn de gelovigen dus van het zuiden van Arabië naar het noorden van Arabië gegaan.)

وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ جَعَلَکُمۡ خُلَفَآءَ مِنۡۢ بَعۡدِ عَادٍ وَّ بَوَّاَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ تَتَّخِذُوۡنَ مِنۡ سُہُوۡلِہَا قُصُوۡرًا وَّ تَنۡحِتُوۡنَ الۡجِبَالَ بُیُوۡتًا ۚ فَاذۡکُرُوۡۤا اٰلَآءَ اللّٰہِ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۴۷﴾
Wazkoeroe iez dja'alakoem ghoelafaaa'a miem ba'die 'Aadiew wa bawwa akoem fiel ardie tattaghiezoena mien soehoeliehaa qoesoeraw wa tanhietoenal djiebaala boeyoetan fazkoeroeo aalaaa'al laahie wa laa ta'saw fiel ardie moefsiedieen
7:74 "En herinner dat Hij jullie als opvolgers van het volk Aad heeft gemaakt en dat Hij jullie (in aantallen) op de aarde heeft gevestigd." En dat jullie paleizen (door Zijn verlof) op vlaktes bouwen. En dat jullie (door zijn verlof) de bergen uithouwen om er huizen in te maken. Dus gedenk de gunsten van Allah en verricht geen slechte daden om verderf op aarde te zaaien.

قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ لِلَّذِیۡنَ اسۡتُضۡعِفُوۡا لِمَنۡ اٰمَنَ مِنۡہُمۡ اَتَعۡلَمُوۡنَ اَنَّ صٰلِحًا مُّرۡسَلٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّا بِمَاۤ اُرۡسِلَ بِہٖ مُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۵۷﴾
Qaalal mala oel lazieenas takbaroe mien qawmiehiee liellazieenas toed'iefoe lieman aamana mienhoem ata'lamoena anna Saalieham moersaloem mier Rabbieh; qaaloeo iennaa biemaaa oersiela biehiee moe'mienoen
7:75 De hoogmoedige leiders van zijn volk zeiden tegen de gelovigen die onderdrukt werden: "Weten jullie dat Salih degene is die gezonden is door zijn Heer?" Ze zeiden: "voorzeker, wij geloven in datgeen wat aan hem is geopenbaard."

قَالَ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡۤا اِنَّا بِالَّذِیۡۤ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۶۷﴾
Qaalal lazieenas takbaroeo iennaa biellazieee aamanntoem biehiee kaafieroen
7:76 Degenen die hoogmoedig waren, zeiden: "Voorzeker, wij geloven niet in hetgeen waar jullie in geloven."

فَعَقَرُوا النَّاقَۃَ وَ عَتَوۡا عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہِمۡ وَ قَالُوۡا یٰصٰلِحُ ائۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۷۷﴾
Fa'aqaroen naaqata wa'ataw 'an amrie Rabbiehiem wa qaaloe yaa Saaliehoe' tienaa biemaa ta'iedoenaaa ien koenta mienal moersalieen
7:77 Vervolgens verlamde ze de vrouwelijke kameel. Dus waren ze ongehoorzaam voor het gebod van hun Heer. En ze zeiden: "O Salih! Breng ons maar wat je ons beloofd hebt als jij tot de boodschappers behoort."

فَاَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿۸۷﴾
Fa aghazat hoemoer radjfatoe fa asbahoe fiee daariehiem djaasiemieen
7:78 Dus greep de aardbeving hen en ze vielen dood neer, uitgestrekt in hun huizen.

فَتَوَلّٰی عَنۡہُمۡ وَ قَالَ یٰقَوۡمِ لَقَدۡ اَبۡلَغۡتُکُمۡ رِسَالَۃَ رَبِّیۡ وَ نَصَحۡتُ لَکُمۡ وَ لٰکِنۡ لَّا تُحِبُّوۡنَ النّٰصِحِیۡنَ ﴿۹۷﴾
Fa tawalla 'anhoem wa qaala yaa qawmie laqad ablaghtoekoem Riesaalata Rabbiee wa nasahtoe lakoem wa laakiel laa toehiebboenan naasiehieen
7:79 Dus ging hij (Shalih) weg van hen en zei: "O mijn volk! Waarlijk, ik heb voor jullie de boodschap van mijn Heer overgebracht. En ik adviseerde jullie ermee, maar jullie hielden niet van de raadplegers."

وَ لُوۡطًا اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اَتَاۡتُوۡنَ الۡفَاحِشَۃَ مَا سَبَقَکُمۡ بِہَا مِنۡ اَحَدٍ مِّنَ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۰۸﴾
Wa Loetan iez qaala lieqawmiehieee ata'toenal faahieshata maa sabaqakoem biehaa mien ahadiem mienal 'aalamieen
7:80 En (gedenk) Loeth (Lot), toen hij tot zijn volk zei: "Bedrijven jullie zo een onzedelijkheid die door niemand op de wereld eerder is begaan?!"

اِنَّکُمۡ لَتَاۡتُوۡنَ الرِّجَالَ شَہۡوَۃً مِّنۡ دُوۡنِ النِّسَآءِ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ مُّسۡرِفُوۡنَ ﴿۱۸﴾
Innakoem lata'toenar riedjaala shahwatam mien doenien niesaaa'; bal antoemqawmoem moesriefoen
7:81 Voorwaar, jullie benaderen de mannen met lust in plaats van de vrouwen. Nee! Jullie zijn een volk dat een grote onzedelijkheid begaan.

وَ مَا کَانَ جَوَابَ قَوۡمِہٖۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اَخۡرِجُوۡہُمۡ مِّنۡ قَرۡیَتِکُمۡ ۚ اِنَّہُمۡ اُنَاسٌ یَّتَطَہَّرُوۡنَ ﴿۲۸﴾
Wa maa kaana djawaaba qawmiehiee iellaa an qaaloeo aghriedjoehoem mien qaryatiekoem iennahoem oenaasoey yatatahharoen
7:82 En het enige antwoord van zijn volk was dat ze zeiden: "Verdrijf hen uit jullie stad. Voorzeker, ze zijn mensen die zichzelf rein houden."

فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اِلَّا امۡرَاَتَہٗ ۫ۖ کَانَتۡ مِنَ الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۳۸﴾
Fa andjainaahoe wa ahlahoeo iellam ra atahoe kaanat mienal ghaabierieen
7:83 Dus redden Wij hem en zijn familie, behalve zijn vrouw. Ze behoorde (ook) tot de groep die achter bleven.

وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ مَّطَرًا ؕ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۴۸﴾
Wa 'amtarnaa 'alaihiem mataran fanzoer kaifa kaana aaqiebatoel moedjriemieen
7:84 En Wij bestendigden hen vanuit de hemel. Dus zie hoe het einde was van de misdadigers.

وَ اِلٰی مَدۡیَنَ اَخَاہُمۡ شُعَیۡبًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ قَدۡ جَآءَتۡکُمۡ بَیِّنَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَوۡفُوا الۡکَیۡلَ وَ الۡمِیۡزَانَ وَ لَا تَبۡخَسُوا النَّاسَ اَشۡیَآءَہُمۡ وَ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ بَعۡدَ اِصۡلَاحِہَا ؕ ذٰلِکُمۡ خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۸﴾
Wa ielaa Madyana aghaahoem Shoe'aybaa; qaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoehoe qad djaaa'atkoem baiyienatoem mier Rabbiekoem fa awfoel kaila walmieezaana wa laa tabghasoen naasa ashyaa'ahoem wa laa toefsiedoe fiel ardie ba'da ieslaahiehaa; zaaliekoem ghairoel lakoem ien koentoem moe'mienieen
7:85 En tot het volk Midian (zonden Wij) Shoe'aib. Hij zei: "O mijn Volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarlijk, er is een duidelijke bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen. Dus geef de volledigheid in maat en gewicht en beroof geen mensen van hun dingen en zaai geen verderf op aarde na zijn hervorming (door Allah's boodschap). Dat is beter voor jullie als jullie geloven." (Notitie: Midian is een volk dat in het noordwesten van Arabië leefde.)

وَ لَا تَقۡعُدُوۡا بِکُلِّ صِرَاطٍ تُوۡعِدُوۡنَ وَ تَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ مَنۡ اٰمَنَ بِہٖ وَ تَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ۚ وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ کُنۡتُمۡ قَلِیۡلًا فَکَثَّرَکُمۡ ۪ وَ انۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۶۸﴾
Wa laa taq'oedoe biekoellie sieraatien toe'iedoena wa tasoeddoena 'an sabieeliel laahie man aamana biehiee wa tabghoenahaa 'iewadjaa; waz koeroeo iez koentoem qalieelan fakassarakoem wanzoeroe kaifa kaana 'aaqiebatoel moefsiedieen
7:86 "En zit niet op elke pad, die de gelovigen bewandelen voor (het vinden van) Allah, te dreigen en te verhinderen, zoekend om het krom te maken. Gedenk toen jullie met zijn weinigen waren, en dat Hij jullie heeft doen toenemen. En zie hoe het einde was van de misdadigers."

وَ اِنۡ کَانَ طَآئِفَۃٌ مِّنۡکُمۡ اٰمَنُوۡا بِالَّذِیۡۤ اُرۡسِلۡتُ بِہٖ وَ طَآئِفَۃٌ لَّمۡ یُؤۡمِنُوۡا فَاصۡبِرُوۡا حَتّٰی یَحۡکُمَ اللّٰہُ بَیۡنَنَا ۚ وَ ہُوَ خَیۡرُ الۡحٰکِمِیۡنَ ﴿۷۸﴾
Wa In kaana taaa'iefatoem mien-koem aamanoe biellazieee oersieltoe biehiee wa taaa'iefatoel lam yoe'mienoe fasbieroe hattaa yahkoemal laahoe bainanaa; wa Hoewa ghairoel haakiemieen (End djoez 8)
7:87 En als er een groep van jullie is, die gelooft in hetgeen waarmee ik gezonden ben, en een ander groep die er niet in gelooft, wees dan (beide) geduldig totdat Allah tussen ons oordeelt. En Hij is de Hakiem" (De enige echte rechter en levert altijd gerechtigheid voor elke situatie).

قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ لَنُخۡرِجَنَّکَ یٰشُعَیۡبُ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَکَ مِنۡ قَرۡیَتِنَاۤ اَوۡ لَتَعُوۡدُنَّ فِیۡ مِلَّتِنَا ؕ قَالَ اَوَ لَوۡ کُنَّا کٰرِہِیۡنَ ﴿۸۸﴾
Qaalal mala oel lazieenas takbaroe mien qawmiehiee lanoeghriedjannaka yaa Shoe'aiboe wallazieena aamanoe ma'aka mien qaryatienaaa aw lata'oe doenna fiee miellatienaa; qaala awa law koennaa kaariehieen
7:88 De hoogmoedige leiders van zijn volk zeiden: "O Shoe'aib en degenen die met jou geloven! Wij zullen jullie zeker uit onze stad verdrijven! Of anders moeten jullie terugkeren naar onze geloofsopvatting." Hij zei: "Zelfs als wij er enorme afkeer van (jullie daden) hebben?"

قَدِ افۡتَرَیۡنَا عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اِنۡ عُدۡنَا فِیۡ مِلَّتِکُمۡ بَعۡدَ اِذۡ نَجّٰنَا اللّٰہُ مِنۡہَا ؕ وَ مَا یَکُوۡنُ لَنَاۤ اَنۡ نَّعُوۡدَ فِیۡہَاۤ اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ رَبُّنَا ؕ وَسِعَ رَبُّنَا کُلَّ شَیۡءٍ عِلۡمًا ؕ عَلَی اللّٰہِ تَوَکَّلۡنَا ؕ رَبَّنَا افۡتَحۡ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَ قَوۡمِنَا بِالۡحَقِّ وَ اَنۡتَ خَیۡرُ الۡفٰتِحِیۡنَ ﴿۹۸﴾
Qadief tarainaa 'alal laahie kazieban ien 'oednaa fiee miellatiekoem ba'da iez nadjdjaanal laahoe mienhaa; wa maa yakoenoe lanaaa an na'oeda fieehaaa iellaaa ay yashaaa'al laahoe Rabboenaa; wasie'a Rabboenaa koella shai'ien 'ielmaa; 'alal laahie tawakkalnaa; Rabbanaf tah bainanaa wa baina qawmienaa bielhaqqie wa Anta ghairoel faatiehieen
7:89 "Voorzeker, als wij terugkeren naar jullie geloofsopvatting, dan zouden we een leugen moeten verzinnen tegen Allah, nadat Hij ons ervan gered heeft. En het (de keuze) is niet aan ons om terugkeren, behalve als Allah, onze Heer, het wil. Onze Heer omvat alles in kennis. Op Allah alleen zetten we onze vertrouwen. Onze Heer, beslis tussen ons en onze volk in waarheid! U bent de beste der rechters.

وَ قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ لَئِنِ اتَّبَعۡتُمۡ شُعَیۡبًا اِنَّکُمۡ اِذًا لَّخٰسِرُوۡنَ ﴿۰۹﴾
Wa qaalal mala oel lazieena kafaroe mien qawmiehiee la'ieniet taba'toem Shoe'aiban iennakoem iezal laghaasieroen
7:90 En de ongelovige leiders van zijn volk zeiden: "Als jullie Shoe'aib volgen, dan zullen jullie zeker verliezen!"

فَاَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿۱۹﴾
Fa aghazat hoemoer radjfatoe fa asbahoe fiee daariehiem djaasiemieen
7:91 Toen greep de aardbeving hen en ze vielen dood neer, uitgestrekt in hun huizen.

الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا شُعَیۡبًا کَاَنۡ لَّمۡ یَغۡنَوۡا فِیۡہَا ۚۛ اَلَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا شُعَیۡبًا کَانُوۡا ہُمُ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۲۹﴾
Allazieena kazzaboe Shoe'aiban ka al lam yaghnaw fieehaa; allazieena kazzaboe Shoe'aiban kaanoe hoemoel ghaasierieen
7:92 Het was net als of degenen, die Shoe'aib verwierpen, er niet op (de aarde) geleefd hadden. Degenen die Shoe'aib verwierpen, waren dus de verliezers.

فَتَوَلّٰی عَنۡہُمۡ وَ قَالَ یٰقَوۡمِ لَقَدۡ اَبۡلَغۡتُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ نَصَحۡتُ لَکُمۡ ۚ فَکَیۡفَ اٰسٰی عَلٰی قَوۡمٍ کٰفِرِیۡنَ ﴿۳۹﴾
Fatawalla 'anhoem wa qaala yaa qawmie laqad ablaghtoekoem Riesaalaatie Rabbiee wa nasahtoe lakoem fakaifa aasaa'alaa qawmien kaafierieen
7:93 Hij (Shoe'aib) ging weg van hen en zei: "O mijn volk! Waarlijk, ik heb aan jullie de boodschap van mijn Heer verkondigd en ermee geadviseerd. Hoe kan ik dan verdrietig zijn voor mensen die niet geloven?"

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا فِیۡ قَرۡیَۃٍ مِّنۡ نَّبِیٍّ اِلَّاۤ اَخَذۡنَاۤ اَہۡلَہَا بِالۡبَاۡسَآءِ وَ الضَّرَّآءِ لَعَلَّہُمۡ یَضَّرَّعُوۡنَ ﴿۴۹﴾
Wa maaa arsalnaa fiee qaryatiem mien Nabieyyien iellaaa aghaznaaa ahlahaa biel ba'saaa'ie waddarraaa'ie la'allahoem yaddarra'oen
7:94 En wanneer Wij een profeet zonden naar een stad, dan grepen Wij hen met tegenspoed en moeilijkheden, zodat ze nederig konden worden. (Notitie: zie ook 35:24)

ثُمَّ بَدَّلۡنَا مَکَانَ السَّیِّئَۃِ الۡحَسَنَۃَ حَتّٰی عَفَوۡا وَّ قَالُوۡا قَدۡ مَسَّ اٰبَآءَنَا الضَّرَّآءُ وَ السَّرَّآءُ فَاَخَذۡنٰہُمۡ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۵۹﴾
Soemma baddalnaa makaa nas saiyie'atiel hasanata hattaa 'afaw wa qaaloe qad massa aabaa'anad darraaa'oe wassarraaa'oe fa aghaznaahoem baghtataw wa hoem laa yash'oeroen
7:95 Vervolgens, vervingen Wij het slechte door het goede totdat ze toenamen (in aantal en in rijkdom) en ze zeiden:" Voorzeker, onze voorvaders hadden ook tegenspoed en voorspoed meegemaakt." (Notitie: En ze vielen dus terug in het patroon van ongeloof) Dus grepen Wij hen plotseling, terwijl ze het niet zagen aankomen.

وَ لَوۡ اَنَّ اَہۡلَ الۡقُرٰۤی اٰمَنُوۡا وَ اتَّقَوۡا لَفَتَحۡنَا عَلَیۡہِمۡ بَرَکٰتٍ مِّنَ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ وَ لٰکِنۡ کَذَّبُوۡا فَاَخَذۡنٰہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۶۹﴾
Wa law anna ahlal qoeraaa aamanoe wattaqaw lafatahnaa 'alaihiem barakaatiem mienas samaaa'ie wal ardie wa laakien kazzaboe fa aghaznaahoem biemaa kaanoe yaksieboen
7:96 En als de mensen van steden hadden geloofd en Allah hadden gevreesd, dan hadden Wij voor hen zeker de zegeningen van de hemel en aarde geopend. Echter ze verwerpen (de tekenen) van Allah, dus grepen Wij hen voor wat ze verdiend hebben.

اَفَاَمِنَ اَہۡلُ الۡقُرٰۤی اَنۡ یَّاۡتِیَہُمۡ بَاۡسُنَا بَیَاتًا وَّ ہُمۡ نَآئِمُوۡنَ ﴿۷۹﴾
Afa amiena ahloel qoeraaa ay ya'tieyahoem ba'soenaa bayaataw wa hoem naaa'iemoen
7:97 Voelden de mensen van de steden zich veilig terwijl Onze straf 's nacht kwam toen ze sliepen?

اَوَ اَمِنَ اَہۡلُ الۡقُرٰۤی اَنۡ یَّاۡتِیَہُمۡ بَاۡسُنَا ضُحًی وَّ ہُمۡ یَلۡعَبُوۡنَ ﴿۸۹﴾
Awa amiena ahloel qoeraaa ay ya'tieyahoem ba'soenaa doehaw wa hoem yal'aboen
7:98 Of voelden de mensen van de steden zich veilig terwijl Onze straf overdag kwam toen ze speelden?

اَفَاَمِنُوۡا مَکۡرَ اللّٰہِ ۚ فَلَا یَاۡمَنُ مَکۡرَ اللّٰہِ اِلَّا الۡقَوۡمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۹۹﴾
Afa amienoe makral laah; falaa ya'manoe makral laahie iellal qawmoel ghaasieroen
7:99 Voelden ze dan zich veilig voor Allah's plan? Niemand voelt zich veilig voor Allah's plan, behalve de verliezers.

اَوَ لَمۡ یَہۡدِ لِلَّذِیۡنَ یَرِثُوۡنَ الۡاَرۡضَ مِنۡۢ بَعۡدِ اَہۡلِہَاۤ اَنۡ لَّوۡ نَشَآءُ اَصَبۡنٰہُمۡ بِذُنُوۡبِہِمۡ ۚ وَ نَطۡبَعُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ فَہُمۡ لَا یَسۡمَعُوۡنَ ﴿۰۰۱﴾
Awa lam yahdie liellazieena yariesoenal arda miem ba'die ahliehaaa al law nashaaa'oe asabnaahoem biezoenoebiehiem; wa natba'oe 'alaa qoeloebiehiem fahoem laa yasma'oen
7:100 Is het niet duidelijk geworden, voor de mensen die de aarde erven, dat als Wij het willen dan kunnen Wij hen treffen voor hun zonden of dat Wij een zegel op hun harten kunnen plaatsen, zodat ze niet begrijpen.

تِلۡکَ الۡقُرٰی نَقُصُّ عَلَیۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآئِہَا ۚ وَ لَقَدۡ جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ ۚ فَمَا کَانُوۡا لِیُؤۡمِنُوۡا بِمَا کَذَّبُوۡا مِنۡ قَبۡلُ ؕ کَذٰلِکَ یَطۡبَعُ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۱۰۱﴾
Tielkal qoeraa naqoessoe 'alaika mien ambaaa'iehaa; wa laqad djaaa'at hoem Roesoeloehoem bielbaiyienaatie famaa kaanoe lieyoe'mienoe biemaa kazzaboe mien qabl; kazaalieka yatba'oel laahoe 'alaa qoeloebiel kaafierieen
7:101 Dit waren de steden, Wij verkondigen de gebeurtenissen ervan aan jou (Mohammed). En zonder enige twijfel, hun boodschappers kwamen met duidelijke bewijzen, echter ze geloofden er niet in. Daarom plaatste Allah een zegel op de harten van de ongelovigen.

وَ مَا وَجَدۡنَا لِاَکۡثَرِہِمۡ مِّنۡ عَہۡدٍ ۚ وَ اِنۡ وَّجَدۡنَاۤ اَکۡثَرَہُمۡ لَفٰسِقِیۡنَ ﴿۲۰۱﴾
Wa maa wadjadnaa lie aksariehiem mien 'ahd; wa iew wadjadnaaa aksarahoem lafaasieqieen
7:102 En Wij troffen voor de meeste van hen geen enkel verbond aan (dat aan gegaan was met Allah). Echter wat Wij aantroffen was provocerende ongehoorzaamheid.

ثُمَّ بَعَثۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ مُّوۡسٰی بِاٰیٰتِنَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ فَظَلَمُوۡا بِہَا ۚ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۳۰۱﴾
Soemma ba'asnaa miem ba'diehiem Moesaa bie Aayaatienaaa ielaa Fier'awana wa mala'iehiee fazalamoe biehaa fanzoer kaifa kaana 'aaqiebatoel moefsiedieen
7:103 Na hen (de voorgaande boodschappers), zonden Wij Moesa (Mozes) met Onze tekenen naar Farao en zijn ministers. Echter ze (Farao en zijn ministers) waren onrechtvaardig tegen hen (Moesa en Haroen). Zie dan hoe het einde was van de misdadigers.

وَ قَالَ مُوۡسٰی یٰفِرۡعَوۡنُ اِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۰۱﴾
Wa qaala Moesaa yaa Fier'awnoe iennieee Rasoeloem mier Rabbiel 'aalamieen
7:104 En Moesa zei: "O Farao! Voorzeker, Ik ben een boodschapper van de Heer der werelden."

حَقِیۡقٌ عَلٰۤی اَنۡ لَّاۤ اَقُوۡلَ عَلَی اللّٰہِ اِلَّا الۡحَقَّ ؕ قَدۡ جِئۡتُکُمۡ بِبَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَرۡسِلۡ مَعِیَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۵۰۱﴾
Haqieeqoen 'alaaa al laaa aqoela 'alal laahie iellal haqq; qad djie'toekoem biebaiyienatiem mier Rabbiekoem fa arsiel ma'ieya Banieee Israaa'ieel
7:105 "Het is mij geboden om niets anders dan de waarheid over Allah te zeggen. Waarlijk, ik ben tot jou met een duidelijke teken van jouw Heer gekomen. Dus geef mij de kinderen van Israël."

قَالَ اِنۡ کُنۡتَ جِئۡتَ بِاٰیَۃٍ فَاۡتِ بِہَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۶۰۱﴾
Qaala ien koennta djie'ta bie Aayatien fa'tiebiehaa ien koennta mienas saadieqieen
7:106 Hij (Farao) zei: "Als jij met een teken bent gekomen, breng het dan, als jij de waarheid spreekt!"

فَاَلۡقٰی عَصَاہُ فَاِذَا ہِیَ ثُعۡبَانٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۷۰۱﴾
Fa alqaa 'asaahoe fa iezaa hieya soe'baanoem moebieen
7:107 Dus wierp hij (Moesa) zijn staf en het werd direct een echte slang.

وَّ نَزَعَ یَدَہٗ فَاِذَا ہِیَ بَیۡضَآءُ لِلنّٰظِرِیۡنَ ﴿۸۰۱﴾
Wa naza'a yadahoe fa iezaa hieya baidaaa'oe liennaazierieen
7:108 En hij (Moesa) liet zijn hand zien en het werd direct wit voor de toeschouwers.

قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِ فِرۡعَوۡنَ اِنَّ ہٰذَا لَسٰحِرٌ عَلِیۡمٌ ﴿۹۰۱﴾
Qaalal mala-oe mien qawmie Fier'awna ienna haazaa lasaahieroen 'alieem
7:109 De leiders van Farao's mensen zeiden: "Voorzeker, dit is zeker een zeer goede tovenaar."

یُّرِیۡدُ اَنۡ یُّخۡرِجَکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ ۚ فَمَا ذَا تَاۡمُرُوۡنَ ﴿۰۱۱﴾
Yoerieedoe ay yoeghriedjakoem mien ardiekoem famaazaa ta'moeroen
7:110 (Farao zei:) "Hij wil ons uit ons land verdrijven! Wat is jullie advies?"

قَالُوۡۤا اَرۡجِہۡ وَ اَخَاہُ وَ اَرۡسِلۡ فِی الۡمَدَآئِنِ حٰشِرِیۡنَ ﴿۱۱۱﴾
Qaaloeo ardjieh wa aghaahoe wa arsiel fielmadaaa'ienie haashierieen
7:111 Ze zeiden: "Verleen hem en zijn broer uitstel. En stuur naar de steden oproepers."

یَاۡتُوۡکَ بِکُلِّ سٰحِرٍ عَلِیۡمٍ ﴿۲۱۱﴾
Ya'toeka biekoellie saahierien 'alieem
7:112 "Ze zullen dan elke waardige tovenaar tot jou brengen."

وَ جَآءَ السَّحَرَۃُ فِرۡعَوۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّ لَنَا لَاَجۡرًا اِنۡ کُنَّا نَحۡنُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۳۱۱﴾
Wa djaaa'as saharatoe Fier'awna qaaloe ienna lanaa la adjdjran ien koennaa nahnoel ghaaliebieen
7:113 En de tovenaars kwamen tot Farao. Ze zeiden: "Is er voor ons daadwerkelijk een beloning, als wij de winnaars zijn?"

قَالَ نَعَمۡ وَ اِنَّکُمۡ لَمِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿۴۱۱﴾
Qaala na'am wa iennakoem lamienal moeqarrabieen
7:114 Hij (Farao) zei: "Ja, en voorzeker, jullie zullen zeker behoren tot degenen die dichtbij me zijn."

قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِمَّاۤ اَنۡ تُلۡقِیَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ نَّکُوۡنَ نَحۡنُ الۡمُلۡقِیۡنَ ﴿۵۱۱﴾
Qaaloe yaa Moesaaa iemmaaa an toelqieya wa iemmaaa an nakoena nahnoel moelqieen
7:115 Ze zeiden: "O Moesa! Gooi jij eerst of moeten wij eerst gooien?"

قَالَ اَلۡقُوۡا ۚ فَلَمَّاۤ اَلۡقَوۡا سَحَرُوۡۤا اَعۡیُنَ النَّاسِ وَ اسۡتَرۡہَبُوۡہُمۡ وَ جَآءُوۡ بِسِحۡرٍ عَظِیۡمٍ ﴿۶۱۱﴾
Qaala alqoe falam maaa alqaw saharoeo a'yoenannaasie wastarhaboehoem wa djaaa'oe biesiehrien 'azieem
7:116 Hij (Moesa) zei: "Gooi maar!" Nadat ze dus gooiden, betoverden ze de ogen van de mensen en maakten ze hen bang. En ze voerde een geweldige magische show uit.

وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اَنۡ اَلۡقِ عَصَاکَ ۚ فَاِذَا ہِیَ تَلۡقَفُ مَا یَاۡفِکُوۡنَ ﴿۷۱۱﴾
Wa awhainaaa ielaa Moesaaa an alqie 'asaaka fa iezaa hieya talqafoe maa ya'fiekoen
7:117 En Wij inspireerde Moesa: "Werp jouw staf!" En (het werd een slang en) slikte datgeen wat ze aan valsheid hadden gemaakt, direct op.

فَوَقَعَ الۡحَقُّ وَ بَطَلَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۸۱۱﴾
Fawaqa'al haqqoe wa batala maa kaanoe ya'maloen
7:118 Dus werd de waarheid tot stand gebracht en wat ze (de tovenaars) deden, had geen invloed meer.

فَغُلِبُوۡا ہُنَالِکَ وَ انۡقَلَبُوۡا صٰغِرِیۡنَ ﴿۹۱۱﴾
Faghoelieboe hoenaalieka wanqalaboe saaghierieen
7:119 Ze waren dus ter plekke verslagen en keerden vernederd terug.

وَ اُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سٰجِدِیۡنَ ﴿۰۲۱﴾
Wa oelqieyas saharatoe saadjiedieen
7:120 En de tovenaars prostreerde zich.

قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۲۱﴾
Qaaloe aamannaa bie Rabbiel 'aalamieen
7:121 Ze zeiden: "Wij geloven in de Heer van de Werelden!"

رَبِّ مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۲۲۱﴾
Rabbie Moesaa wa Haaroen
7:122 "De Heer van Moesa en Haroen."

قَالَ فِرۡعَوۡنُ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ۚ اِنَّ ہٰذَا لَمَکۡرٌ مَّکَرۡتُمُوۡہُ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ لِتُخۡرِجُوۡا مِنۡہَاۤ اَہۡلَہَا ۚ فَسَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۲۱﴾
Qaala Fier'awnoe aamantoem biehiee qabla an aazana lakoem; ienna haaza lamakroem makartoemoehoe fielmadieenatie lietoeghriedjoe mienhaaa ahlahaa fasawfa ta'lamoen
7:123 Farao zei: "Geloven jullie in Hem, voordat ik jullie toestemming heb gegeven? Voorzeker, dit is zeker een complot, die jij (Moesa) in de stad hebt verspreid, zodat jij de mensen eruit kan drijven. Echter spoedig zal jij te weten komen."

لَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ ثُمَّ لَاُصَلِّبَنَّکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۴۲۱﴾
La oeqattie'anna aidieyakoem wa ardjoelakoem mien ghielaafien soemma la oesalliebannakoem adjma'ieen
7:124 "Ik zal zeker jullie handen en voeten kruisgewijs afhakken. Vervolgens zal ik jullie allen kruisigen!"

قَالُوۡۤا اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا مُنۡقَلِبُوۡنَ ﴿۵۲۱﴾
Qaaloe iennaaa ielaa Rabbienaa moenqalieboen
7:125 Ze (de tovenaars) zeiden: "Voorzeker, tot onze Heer keren wij terug."

وَ مَا تَنۡقِمُ مِنَّاۤ اِلَّاۤ اَنۡ اٰمَنَّا بِاٰیٰتِ رَبِّنَا لَمَّا جَآءَتۡنَا ؕ رَبَّنَاۤ اَفۡرِغۡ عَلَیۡنَا صَبۡرًا وَّ تَوَفَّنَا مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۶۲۱﴾
Wa maa tanqiemoe miennaaa iellaaa an aamannaa bie Aayaatie Rabbienaa lammaa djaaa'atnaa; Rabbanaaa afriegh 'alainaa sabraw wa tawaffanaa moesliemieen
7:126 En jij neemt alleen wraak op ons, omdat we in de tekenen van onze Heer geloven toen die tot ons kwam. Onze Heer! Schenk ons geduld en laat ons sterven als Moslims (iemand die zich overgegeven heeft)."

وَ قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِ فِرۡعَوۡنَ اَتَذَرُ مُوۡسٰی وَ قَوۡمَہٗ لِیُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ یَذَرَکَ وَ اٰلِہَتَکَ ؕ قَالَ سَنُقَتِّلُ اَبۡنَآءَہُمۡ وَ نَسۡتَحۡیٖ نِسَآءَہُمۡ ۚ وَ اِنَّا فَوۡقَہُمۡ قٰہِرُوۡنَ ﴿۷۲۱﴾
Wa qaalal mala-oe mien qawmie Fier'awna atazaroe Moesaa wa qawmahoe lieyoefsiedoe fiel ardie wa yazaraka wa aaliehatak; qaala sanoeqattieloe abnaaa 'ahoem wa nastahyiee niesaaa'ahoem wa iennaa fawqahoem qaahieroen
7:127 En de leiders van Farao's mensen zeiden: "Zal jij Moesa en zijn volk vrijlaten, zodat ze verderf op aarde zullen zaaien, door het verlaten van jou en jouw goden? Hij zei: "Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen laten leven. En voorzeker, wij zijn de bezetters,onderdrukkers,machthebbers over hen."

قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہِ اسۡتَعِیۡنُوۡا بِاللّٰہِ وَ اصۡبِرُوۡا ۚ اِنَّ الۡاَرۡضَ لِلّٰہِ ۟ۙ یُوۡرِثُہَا مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ ؕ وَ الۡعَاقِبَۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۸۲۱﴾
Qaala Moesaa lieqawmiehies ta'ieenoe biellaahie wasbieroe iennal arda liellaahie yoeriesoehaa may yashaaa'oe mien 'iebaadiehiee wal 'aaqiebatoe lielmoettaqieen
7:128 Moesa zei tot zijn volk: "Zoek hulp bij Allah en wees geduldig. Voorzeker, de aarde is van Allah. Hij laat het erven door wie van zijn dienaren Hij wil. En het goede einde is voor de Moettaqoens (2:2).

قَالُوۡۤا اُوۡذِیۡنَا مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ تَاۡتِیَنَا وَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جِئۡتَنَا ؕ قَالَ عَسٰی رَبُّکُمۡ اَنۡ یُّہۡلِکَ عَدُوَّکُمۡ وَ یَسۡتَخۡلِفَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرَ کَیۡفَ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۲۱﴾
Qaaloe oezieenaa mien qablie an ta'tieyanaa wa miem ba'die maa djie'tanaa; qaala 'asaa Rabboekoem ay yoehlieka 'adoewwakoem wa yastaghlie fakoem fiel ardie fayanzoera kaifa ta'maloen
7:129 Ze zeiden: "Wij zijn mishandelt (door hen) voordat jij (Moesa) tot ons kwam en wij zijn mishandelt (door hen) nadat jij tot ons kwam. Hij zei: "Hopelijk zal jullie Heer jullie vijanden vernietigen en jullie als opvolgers (van generaties) op de aarde maken, om te zien hoe jullie het doen.

وَ لَقَدۡ اَخَذۡنَاۤ اٰلَ فِرۡعَوۡنَ بِالسِّنِیۡنَ وَ نَقۡصٍ مِّنَ الثَّمَرٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَذَّکَّرُوۡنَ ﴿۰۳۱﴾
Wa laqad aghaznaaa Aala Fier'awna bies sienieena wa naqsiem mienas samaraatie la'allahoem yazzakkaroen
7:130 En voorzeker, Wij grepen het volk van Farao met jaren van hongersnood en een tekort aan fruit/oogst, zodat ze zich konden vermanen.

فَاِذَا جَآءَتۡہُمُ الۡحَسَنَۃُ قَالُوۡا لَنَا ہٰذِہٖ ۚ وَ اِنۡ تُصِبۡہُمۡ سَیِّئَۃٌ یَّطَّیَّرُوۡا بِمُوۡسٰی وَ مَنۡ مَّعَہٗ ؕ اَلَاۤ اِنَّمَا طٰٓئِرُہُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۳۱﴾
Fa iezaa djaaa'at hoemoel hasanatoe qaaloe lanaa haaziehiee wa ien toesiebhoem saiyie'atoey yattaiyaroe bie Moesaa wa mam ma'ah; alaaa iennamaa taaa'ieroehoem 'iendal laahie wa laakienna aksarahoem laa ya'lamoen
7:131 Echter wanneer tot hen het goede kwam, zeiden ze: "Dit komt door ons." En wanneer het slechte hen trof, schreven ze het toe aan Moesa en zijn volgelingen. Aanschouw! Hun tegenspoed ligt slechts bij Allah alleen, maar de meesten van hen weten het niet.

وَ قَالُوۡا مَہۡمَا تَاۡتِنَا بِہٖ مِنۡ اٰیَۃٍ لِّتَسۡحَرَنَا بِہَا ۙ فَمَا نَحۡنُ لَکَ بِمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲۳۱﴾
Wa qaaloe mahmaa taatienaa biehiee mien Aayatiel lietas'haranaa biehaa famaa nahnoe laka biemoe'mienieen
7:132 En ze zeiden: "Wat voor teken je dan ook voor ons brengt, om ons ermee te betoveren, we zullen niet in je geloven."

فَاَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمُ الطُّوۡفَانَ وَ الۡجَرَادَ وَ الۡقُمَّلَ وَ الضَّفَادِعَ وَ الدَّمَ اٰیٰتٍ مُّفَصَّلٰتٍ ۟ فَاسۡتَکۡبَرُوۡا وَ کَانُوۡا قَوۡمًا مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿۳۳۱﴾
Fa arsalnaa 'alaihiemoet toefaana waldjaraada walqoem mala waddafaadie'a waddama Aayaatiem moefassalaatien fastakbaroe wa kaanoe qawmam moedjriemieen
7:133 Dus zonden Wij op hun als grote tekenen de overstroming, de sprinkhanenplaag, de luizenplaag, de kikkerplaag en het bloed. Ondanks deze (tekenen) toonden ze hoogmoed en ze waren een zeer misdadig volk.

وَ لَمَّا وَقَعَ عَلَیۡہِمُ الرِّجۡزُ قَالُوۡا یٰمُوۡسَی ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ بِمَا عَہِدَ عِنۡدَکَ ۚ لَئِنۡ کَشَفۡتَ عَنَّا الرِّجۡزَ لَنُؤۡمِنَنَّ لَکَ وَ لَنُرۡسِلَنَّ مَعَکَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۴۳۱﴾
Wa lammaa waqa'a 'alaihiemoer riedjzoe qaaloe ya Moesad-oe lanaa rabbaka biemaa 'ahieda 'iendaka la'ien kashafta 'annar riedjza lanoe 'mienanna laka wa lanoersielanna ma'aka Baniee Israaa'ieel
7:134 En toen de straf (de plagen) op hen viel, zeiden ze: "O Moesa! Roep voor ons jou Heer aan door middel van jouw verbond met Hem. Als je de straf van ons verwijdert, dan zullen we je zeker geloven en we zullen de kinderen van Israël met jou laten gaan."

فَلَمَّا کَشَفۡنَا عَنۡہُمُ الرِّجۡزَ اِلٰۤی اَجَلٍ ہُمۡ بٰلِغُوۡہُ اِذَا ہُمۡ یَنۡکُثُوۡنَ ﴿۵۳۱﴾
Falammaa kashafnaa 'anhoemoer riedjza ielaaa adjalien hoem baalieghoehoe iezaa hoem yan-koesoen
7:135 Echter, toen Wij na een periode, die ze moesten uitzitten, de straf voor hen hadden verwijderd, verbraken ze hun woord.

فَانۡتَقَمۡنَا مِنۡہُمۡ فَاَغۡرَقۡنٰہُمۡ فِی الۡیَمِّ بِاَنَّہُمۡ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ کَانُوۡا عَنۡہَا غٰفِلِیۡنَ ﴿۶۳۱﴾
Fantaqamnaa mienhoem fa'aghraqnaahoem Fiel'yammie Bie Annahoem kazzaboe bie Aayaatienaa wa kaanoe 'anhaa ghaafielieen
7:136 Dus vergolden Wij hen. Wij verdronken hen in de zee, omdat ze Onze tekenen verwierpen en ze waren er achteloos over.

وَ اَوۡرَثۡنَا الۡقَوۡمَ الَّذِیۡنَ کَانُوۡا یُسۡتَضۡعَفُوۡنَ مَشَارِقَ الۡاَرۡضِ وَ مَغَارِبَہَا الَّتِیۡ بٰرَکۡنَا فِیۡہَا ؕ وَ تَمَّتۡ کَلِمَتُ رَبِّکَ الۡحُسۡنٰی عَلٰی بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۬ۙ بِمَا صَبَرُوۡا ؕ وَ دَمَّرۡنَا مَا کَانَ یَصۡنَعُ فِرۡعَوۡنُ وَ قَوۡمُہٗ وَ مَا کَانُوۡا یَعۡرِشُوۡنَ ﴿۷۳۱﴾
Wa awrasnal qawmal lazieena kaanoe yoestad'afoena mashaarieqal ardie wa maghaarie bahal latiee baaraknaa fieehaa wa tammat kaliematoe Rabbiekal hoesnaa 'alaa Banieee Israaa'ieela biemaa sabaroe wa dammarnaa maa kaana yasna'oe Fier'awnoe wa qawmoehoe wa maa kaanoe ya'rieshoen
7:137 En Wij maakten degenen die als zwak werden gezien erfgenamen van het oostelijke deel en het westelijke deel van het land, welke Wij zegenden. Het woord van jouw Heer werd de waarheid, het beste voor de kinderen van Israël omdat ze geduldig waren. En Wij vernietigden datgeen wat Farao en zijn mensen gemaakt en gebouwd hadden. (Notitie: het gedeelte wat gezegend is Sham, 17:1)

وَ جٰوَزۡنَا بِبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ الۡبَحۡرَ فَاَتَوۡا عَلٰی قَوۡمٍ یَّعۡکُفُوۡنَ عَلٰۤی اَصۡنَامٍ لَّہُمۡ ۚ قَالُوۡا یٰمُوۡسَی اجۡعَلۡ لَّنَاۤ اِلٰـہًا کَمَا لَہُمۡ اٰلِـہَۃٌ ؕ قَالَ اِنَّکُمۡ قَوۡمٌ تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۸۳۱﴾
Wa djaawaznaa bie Bannieee Israaa'ieelal bahra fa ataw 'alaa qawmiey ya'koefoena 'alaaa asnaamiel lahoem; qaaloe yaa Moesadj'al lanaa ielaahan kamaa lahoem aaliehah; qaala iennakoem qawmoen tadjhaloen
7:138 En Wij leiden de kinderen van Israël dwars door de zee. Vervolgens kwamen ze tot een volk dat toegewijd was aan het aanbidden van hun beelden. Ze (Israëlers) zeiden: O Moesa! Maak voor ons een god net zoals zij goden hebben. Hij zei: "Voorzeker, jullie zijn een volk zonder verstand."

اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ مُتَبَّرٌ مَّا ہُمۡ فِیۡہِ وَ بٰطِلٌ مَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۳۱﴾
Innaa haaa'oelaaa'ie moetabbaroem maa hoem fieehie wa baatieloem maa kaanoe ya'maloen
7:139 "Voorwaar, deze mensen zullen vernietigd worden voor wat ze doen. En het is nutteloos wat ze doen."

قَالَ اَغَیۡرَ اللّٰہِ اَبۡغِیۡکُمۡ اِلٰـہًا وَّ ہُوَ فَضَّلَکُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۰۴۱﴾
Qaala a-ghairal laahie abghieekoem ielaahaw wa Hoewa faddalakoem 'alal 'aalamieen
7:140 Hij zei: "Moet ik een andere deïteit zoeken voor jullie dan Allah, terwijl Hij jullie uitverkoren heeft boven de anderen (mensen) van de werelden?"

وَ اِذۡ اَنۡجَیۡنٰکُمۡ مِّنۡ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ یَسُوۡمُوۡنَکُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ ۚ یُقَتِّلُوۡنَ اَبۡنَآءَکُمۡ وَ یَسۡتَحۡیُوۡنَ نِسَآءَکُمۡ ؕ وَ فِیۡ ذٰلِکُمۡ بَلَآءٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَظِیۡمٌ ﴿۱۴۱﴾
Wa iez andjainaakoem mien Aalie Fier'awna yasoemoe nakoem soeo'al 'azaab, yoeqattieloena abnaaa'akoem wa yastahyoena niesaaa'akoem; wa fiee zaaliekoem balaaa'oem mier Rabbiekoem 'azieem
7:141 "En (gedenk) toen Wij (Allah) jullie redden van Farao's mensen, die jullie de ergste mishandeling toebrachten. Ze doden jullie zonen en lieten jullie dochters leven. Daarin was een grote beproeving van jullie Heer."

وَ وٰعَدۡنَا مُوۡسٰی ثَلٰثِیۡنَ لَیۡلَۃً وَّ اَتۡمَمۡنٰہَا بِعَشۡرٍ فَتَمَّ مِیۡقَاتُ رَبِّہٖۤ اَرۡبَعِیۡنَ لَیۡلَۃً ۚ وَ قَالَ مُوۡسٰی لِاَخِیۡہِ ہٰرُوۡنَ اخۡلُفۡنِیۡ فِیۡ قَوۡمِیۡ وَ اَصۡلِحۡ وَ لَا تَتَّبِعۡ سَبِیۡلَ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۲۴۱﴾
Wa waa'adnaa Moesaa salaasieena lailataw wa at mamnaahaa bie'ashriem fatamma mieeqaatoe Rabbiehiee arba'ieena lailah; wa qaala Moesaa lieaghieehie Haaroenagh loefniee fiee qawmiee wa aslieh wa laa tattabie' sabieelal moefsiedieen
7:142 En Wij kenden Moesa dertig nachten toe en Wij maakten deze compleet met tien extra (nachten). Dus werd de bepaalde termijn van veertig nachten met zijn Heer vast gesteld. En Moesa zei tot zijn broer Haroen: "Neem mijn plaats in voor (het leiden) mijn volk, doe goed en volg niet de weg van de misdadigers."

وَ لَمَّا جَآءَ مُوۡسٰی لِمِیۡقَاتِنَا وَ کَلَّمَہٗ رَبُّہٗ ۙ قَالَ رَبِّ اَرِنِیۡۤ اَنۡظُرۡ اِلَیۡکَ ؕ قَالَ لَنۡ تَرٰىنِیۡ وَ لٰکِنِ انۡظُرۡ اِلَی الۡجَبَلِ فَاِنِ اسۡتَقَرَّ مَکَانَہٗ فَسَوۡفَ تَرٰىنِیۡ ۚ فَلَمَّا تَجَلّٰی رَبُّہٗ لِلۡجَبَلِ جَعَلَہٗ دَکًّا وَّ خَرَّ مُوۡسٰی صَعِقًا ۚ فَلَمَّاۤ اَفَاقَ قَالَ سُبۡحٰنَکَ تُبۡتُ اِلَیۡکَ وَ اَنَا اَوَّلُ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۴۱﴾
Wa lammaa djaaa'a Moesa liemieeqaatienaa wa kallamahoe Rabboehoe qaala Rabbie arienieee anzoer ielaik; qaala lan taraaniee wa laakienienzoer ielal djabalie fa ieniestaqarra makaanahoe fasawfa taraaniee; falammaa tadjallaa Rabboehoe lieldjabalie dja'alahoe dakkaw wa gharra Moesaa sa'ieqaa; falammaaa afaaqa qaala Soebhaanaka toebtoe ielaika wa ana awwaloel moe'mienieen
7:143 En toen kwam Moesa naar Onze toegekende plek en zijn Heer sprak tot hem. Hij zei: "O mijn Heer! Geef mij de mogelijkheid om U te zien." Hij zei:" Nooit zul je Mij kunnen zien. Kijk naar deze berg als deze op zijn plek blijft dan zul je Mij zien." Echter toen zijn Heer zijn glorie toonde aan de berg, maakte Hij het tot stof en Moesa viel bewusteloos neer. En toen hij weer bijkwam zei hij: "Alle glorie komt to u! Ik keer mijzelf in berouw tot U en ik ben de eerste van de gelovigen." (Notitie: Allah accepteert het gebed van Moesa en bewijst dat het niet mogelijk is om Hem te zien. Zie ook 6:103. Echter in het hiernamaals is het wel mogelijk 75:23)

قَالَ یٰمُوۡسٰۤی اِنِّی اصۡطَفَیۡتُکَ عَلَی النَّاسِ بِرِسٰلٰتِیۡ وَ بِکَلَامِیۡ ۫ۖ فَخُذۡ مَاۤ اٰتَیۡتُکَ وَ کُنۡ مِّنَ الشّٰکِرِیۡنَ ﴿۴۴۱﴾
Qaala yaa Moesaaa iennies tafaitoeka 'alan naasie bie Riesaalaatiee wa bie kalaamiee faghoez maaa aataitoeka wa koem mienash shaakierieen
7:144 Hij (Allah) zei: "O Moesa! Waarlijk, Ik heb jou uitverkoren boven de mensen door middel van Mijn boodschappen en met Mijn woorden (directe gesprekken met Allah). Dus neem wat Ik aan je gegeven heb en wees dankbaar."

وَ کَتَبۡنَا لَہٗ فِی الۡاَلۡوَاحِ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ مَّوۡعِظَۃً وَّ تَفۡصِیۡلًا لِّکُلِّ شَیۡءٍ ۚ فَخُذۡہَا بِقُوَّۃٍ وَّ اۡمُرۡ قَوۡمَکَ یَاۡخُذُوۡا بِاَحۡسَنِہَا ؕ سَاُورِیۡکُمۡ دَارَ الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۵۴۱﴾
Wa katabnaa lahoe fiel alwaahie mien-koellie shai'iem maw'iezaaw wa tafsieelal liekoellie shai'ien faghoezhaa bieqoewwatiew wa'moer qawmaka ya'ghoezoe bie ahsaniehaa; sa'oerieekoem daaral faasieqieen
7:145 En Wij schreven voor hem op (stenen) tabletten de geboden voor als leidraad en uitleg voor alles (de Thora). "Pak het dus stevig aan en beveel je mensen het beste er uit te nemen. Ik zal jou de verblijfplaats van de provocerende ongehoorzame mensen laten zien."

سَاَصۡرِفُ عَنۡ اٰیٰتِیَ الَّذِیۡنَ یَتَکَبَّرُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ ؕ وَ اِنۡ یَّرَوۡا کُلَّ اٰیَۃٍ لَّا یُؤۡمِنُوۡا بِہَا ۚ وَ اِنۡ یَّرَوۡا سَبِیۡلَ الرُّشۡدِ لَا یَتَّخِذُوۡہُ سَبِیۡلًا ۚ وَ اِنۡ یَّرَوۡا سَبِیۡلَ الۡغَیِّ یَتَّخِذُوۡہُ سَبِیۡلًا ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ کَانُوۡا عَنۡہَا غٰفِلِیۡنَ ﴿۶۴۱﴾
Sa asriefoe 'an Aayaatieyal lazieena yatakabbaroena fiel ardie bieghairiel haqq; wa ieny-yaraw koella Aayatiel laa yoe'mienoe biehaa wa ieny-yaraw sabieelar roeshdie laa yattaghiezoehoe sabieelaw wa ieny-yaraw sabieelal ghaiyie yattaghiezoehoe sabieelaa; zaalieka bie annahoem kazzaboe bie Aayaatienaa wa kaanoe 'anhaa ghaafielieen
7:146 Ik (Allah) zal degene die onterecht hoogmoedig zijn op aarde, van Mijn tekenen afwenden. En ook al zouden ze alle tekenen zien, dan nog zouden ze er niet in geloven. En als ze het pad van de rechtvaardigheid zien, dan nemen ze het niet als een weg. Echter als ze het pad van de dwaling zien, zullen ze het nemen als een weg. Dat is dus omdat ze Onze tekenen verwierpen en ze er achteloos over waren.

وَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ لِقَآءِ الۡاٰخِرَۃِ حَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ ؕ ہَلۡ یُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۷۴۱﴾
Wallazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wa lieqaaa'iel Aaghieratie habietat 'amaaloehoem; hal yoedjzawna iellaa maa kaanoe ya'maloen
7:147 En van degenen die Onze tekenen en de ontmoeting in hiernamaals (dag des oordeels) verwerpen, hun daden zijn waardeloos. Denken ze dat ze beloond worden voor iets anders dan hun daden?

وَ اتَّخَذَ قَوۡمُ مُوۡسٰی مِنۡۢ بَعۡدِہٖ مِنۡ حُلِیِّہِمۡ عِجۡلًا جَسَدًا لَّہٗ خُوَارٌ ؕ اَلَمۡ یَرَوۡا اَنَّہٗ لَا یُکَلِّمُہُمۡ وَ لَا یَہۡدِیۡہِمۡ سَبِیۡلًا ۘ اِتَّخَذُوۡہُ وَ کَانُوۡا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۸۴۱﴾
Wattaghaza qawmoe Moesaa miem ba'diehiee mien hoelieyyiehiem 'iedjlan djasadal lahoe ghoewaar; alam yaraw annahoe laa yoekalliemoehoem wa laa yahdieehiem sabieelaa; iettaghazoehoe wa kaanoe zaaliemieen
7:148 En na het vertrek van Moesa (voor de ontmoeting van zijn Heer) nam zijn volk een kalf, dat ze van hun sieraden gemaakt hadden en een loeiend geluid maakte, ter aanbidding. Zagen ze niet dat het niet kon spreken tot hen en hen niet kon leiden naar een weg? Ze namen het voor aanbidding en ze waren misdadigers.

وَ لَمَّا سُقِطَ فِیۡۤ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ رَاَوۡا اَنَّہُمۡ قَدۡ ضَلُّوۡا ۙ قَالُوۡا لَئِنۡ لَّمۡ یَرۡحَمۡنَا رَبُّنَا وَ یَغۡفِرۡ لَنَا لَنَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۹۴۱﴾
Wa lammaa soeqieta fieee aidieehiem wa ra aw annahoem qad dalloe qaaloe la'iel lam yarhamnaa Rabboenaa wa yaghfier lanaa lanakoenanna mienal ghaasierieen
7:149 En toen ze (de nutteloosheid ervan) realiseerde en ze zagen dat ze inderdaad afgedwaald waren, zeiden ze:" Als ons Heer ons geen genade schenkt en ons niet vergeeft, dan zijn we zeker de verliezers."

وَ لَمَّا رَجَعَ مُوۡسٰۤی اِلٰی قَوۡمِہٖ غَضۡبَانَ اَسِفًا ۙ قَالَ بِئۡسَمَا خَلَفۡتُمُوۡنِیۡ مِنۡۢ بَعۡدِیۡ ۚ اَعَجِلۡتُمۡ اَمۡرَ رَبِّکُمۡ ۚ وَ اَلۡقَی الۡاَلۡوَاحَ وَ اَخَذَ بِرَاۡسِ اَخِیۡہِ یَجُرُّہٗۤ اِلَیۡہِ ؕ قَالَ ابۡنَ اُمَّ اِنَّ الۡقَوۡمَ اسۡتَضۡعَفُوۡنِیۡ وَ کَادُوۡا یَقۡتُلُوۡنَنِیۡ ۫ۖ فَلَا تُشۡمِتۡ بِیَ الۡاَعۡدَآءَ وَ لَا تَجۡعَلۡنِیۡ مَعَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۰۵۱﴾
Wa lammaa radja'a Moesaaa ielaa qawmiehiee ghadbaana asiefan qaala bie'samaa ghalaftoemoeniee mien ba'diee 'a-'adjieltoem amra Rabbiekoem wa alqal alwaaha wa aghaza biera'sie aghieehie yadjoerroehoe ielaiyh; qaalab na oemma iennal qawmas tad'afoeniee wa kadoe yaqtoe loenaniee; falaa toeshmiet bieyal a'daaa'a wa laa tadj'alniee ma'al qawmiez zaaliemieen
7:150 En toen Moesa tot zijn volk terugkeerde, boos en teleurgesteld, zei hij: "Slecht is wat jullie gedaan hebben gedurende mijn afwezigheid! Willen jullie het oordeel van jullie Heer verhaasten?" En hij de gooide de tabletten neer en greep Haroen bij zijn hoofd en trok hem naar zich toe. Hij (Haroen) zei: "O zoon van mijn moeder! Waarlijk, het volk beschouwde me zwak en ze hadden mij bijna gedood. Dus vermaak de vijand niet (door mij te vernederen). En plaats me niet tussen de misdadigers." (Notitie zien ook 20:92-94)

قَالَ رَبِّ اغۡفِرۡ لِیۡ وَ لِاَخِیۡ وَ اَدۡخِلۡنَا فِیۡ رَحۡمَتِکَ ۫ۖ وَ اَنۡتَ اَرۡحَمُ الرّٰحِمِیۡنَ ﴿۱۵۱﴾
Qaala Rabbieghfierliee wa lie aghiee wa adghielnaa fiee rahmatieka wa Anta arhamoer raahiemieen
7:151 Hij (Moesa) zei: "O Mijn Heer! Vergeef mij en mijn broer en sta ons toe tot Uw Barmhartigheid. U bent de meest Barmhartige, de Erbarmer." (Notitie: Moesa vraagt vergiffenis voor zijn gedrag ten op zichte van de tabletten en naar zijn broer Haroen.)

اِنَّ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوا الۡعِجۡلَ سَیَنَالُہُمۡ غَضَبٌ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ وَ ذِلَّۃٌ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُفۡتَرِیۡنَ ﴿۲۵۱﴾
Innal lazieenat taghazoel 'iedjla-sa yanaaloehoem ghadaboem mier Rabbiehiem wa ziellatoen fiel hayaatied doenyaa; wa kazaalieka nadjziel moeftarieen
7:152 Voorzeker, voor degenen die het kalf ter aanbidding namen, de toorn van hun Heer zal over hen komen en ook de vernedering gedurende het wereldse leven. En zo belonen we degenen die (de valsheid) verzinnen.

وَ الَّذِیۡنَ عَمِلُوا السَّیِّاٰتِ ثُمَّ تَابُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِہَا وَ اٰمَنُوۡۤا ۫ اِنَّ رَبَّکَ مِنۡۢ بَعۡدِہَا لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۳۵۱﴾
Wallazieena 'amieloes saiyieaatie soemma taaboe mien ba'diehaa wa aamanoeo ienna Rabbaka mien ba'diehaa la Ghafoeroer Rahieem
7:153 Voorzeker, degenen die de slechte daden verrichtte en vervolgens berouw toonde en gelooft, voorzeker, (weet dat) jouw Heer zeer vergevensgezind is, meest Barmhartig. (Notitie zie ook 2:54)

وَ لَمَّا سَکَتَ عَنۡ مُّوۡسَی الۡغَضَبُ اَخَذَ الۡاَلۡوَاحَ ۚۖ وَ فِیۡ نُسۡخَتِہَا ہُدًی وَّ رَحۡمَۃٌ لِّلَّذِیۡنَ ہُمۡ لِرَبِّہِمۡ یَرۡہَبُوۡنَ ﴿۴۵۱﴾
Wa lammaa sakata 'an Moesal ghadaboe aghazal alwaaha wa fiee noesghatiehaa hoedaw wa rahmatoel liel lazieena hoem lie Rabbiehiem yarhaboen
7:154 En toen Moesa na zijn woede gekalmeerd was, nam hij de tabletten (de Thora). En in de inscriptie ervan was leiding en barmhartigheid voor degenen die hun Heer vrezen.

وَ اخۡتَارَ مُوۡسٰی قَوۡمَہٗ سَبۡعِیۡنَ رَجُلًا لِّمِیۡقَاتِنَا ۚ فَلَمَّاۤ اَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ قَالَ رَبِّ لَوۡ شِئۡتَ اَہۡلَکۡتَہُمۡ مِّنۡ قَبۡلُ وَ اِیَّایَ ؕ اَتُہۡلِکُنَا بِمَا فَعَلَ السُّفَہَآءُ مِنَّا ۚ اِنۡ ہِیَ اِلَّا فِتۡنَتُکَ ؕ تُضِلُّ بِہَا مَنۡ تَشَآءُ وَ تَہۡدِیۡ مَنۡ تَشَآءُ ؕ اَنۡتَ وَلِیُّنَا فَاغۡفِرۡ لَنَا وَ ارۡحَمۡنَا وَ اَنۡتَ خَیۡرُ الۡغٰفِرِیۡنَ ﴿۵۵۱﴾
Waghtaara Moesaa qawmahoe sab'ieena radjoelal lie mieeqaatienaa falammaa aghazat hoemoer radjfatoe qaala Rabbie law shie'ta ahlaktahoem mien qabloe wa ieyyaay; 'a toehliekoena biemaa fa'alas soefahaaa'oe mienaa ien hieya iellaa fietnatoeka toedielloe biehaa man tashaaa'oe wa tahdiee man tashaaa; Anta walieyyoenaa faghfier lanaa warhamnaa wa Anta ghairoel ghaafierieen
7:155 En Moesa koos zeventig van zijn mannen voor Onze afspraak. Toen de aardbeving hen greep, zei hij: "O mijn Heer! Als u het wilde, kon U hen en mij eerder vernietigd hebben. Wilt U ons vernietigen voor wat de dwazen van ons gedaan hebben? Het was niets anders dan Uw beproeving. U laat degenen die U wilt ermee dwalen en U leidt wie U wilt. U bent de Beschermer, dus vergeef ons en heb genade op ons. U bent de beste der Vergevers." (Notitie: zie ook 2:55)

وَ اکۡتُبۡ لَنَا فِیۡ ہٰذِہِ الدُّنۡیَا حَسَنَۃً وَّ فِی الۡاٰخِرَۃِ اِنَّا ہُدۡنَاۤ اِلَیۡکَ ؕ قَالَ عَذَابِیۡۤ اُصِیۡبُ بِہٖ مَنۡ اَشَآءُ ۚ وَ رَحۡمَتِیۡ وَسِعَتۡ کُلَّ شَیۡءٍ ؕ فَسَاَکۡتُبُہَا لِلَّذِیۡنَ یَتَّقُوۡنَ وَ یُؤۡتُوۡنَ الزَّکٰوۃَ وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ بِاٰیٰتِنَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۶۵۱﴾
Waktoeb lanaa fiee haazie hied doenyaa hasanataw wa fiel Aaghieratie iennaa hoednaaa ielaik; qaala 'azaabiee oesieeboe biehiee man ashaaa'oe wa rahmatiee wasie'at koella shai'; fasa aktoeboehaa liel lazieena yattaqoena wa yoe'toenaz Zakaata wal lazieena hoem bie Aayaatienaa yoe'mienoen
7:156 "En ken het goede voor ons toe in deze wereld en in het hiernamaals. Voorzeker, we hebben ons tot u (in berouw) gekeerd." Hij (Allah) zei: "Mijn straf ken Ik toe aan wie Ik wil, echter Mijn barmhartigheid omvat alles. En dus ken ik die toe aan degenen die Taqwa (godvrezendheid) hebben, zakaat geven en die in Onze tekenen geloven."

اَلَّذِیۡنَ یَتَّبِعُوۡنَ الرَّسُوۡلَ النَّبِیَّ الۡاُمِّیَّ الَّذِیۡ یَجِدُوۡنَہٗ مَکۡتُوۡبًا عِنۡدَہُمۡ فِی التَّوۡرٰىۃِ وَ الۡاِنۡجِیۡلِ ۫ یَاۡمُرُہُمۡ بِالۡمَعۡرُوۡفِ وَ یَنۡہٰہُمۡ عَنِ الۡمُنۡکَرِ وَ یُحِلُّ لَہُمُ الطَّیِّبٰتِ وَ یُحَرِّمُ عَلَیۡہِمُ الۡخَبٰٓئِثَ وَ یَضَعُ عَنۡہُمۡ اِصۡرَہُمۡ وَ الۡاَغۡلٰلَ الَّتِیۡ کَانَتۡ عَلَیۡہِمۡ ؕ فَالَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِہٖ وَ عَزَّرُوۡہُ وَ نَصَرُوۡہُ وَ اتَّبَعُوا النُّوۡرَ الَّذِیۡۤ اُنۡزِلَ مَعَہٗۤ ۙ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۷۵۱﴾
Allazieena yattabie'oenar Rasoelan Nabieyyal oemmieyyal laziee yadjiedoenahoe maktoeban 'iendahoem fiet Tawraatie wal Indjieelie ya' moeroehoem bielma'roefie wa yanhaahoem 'aniel moen-karie wa yoehielloe lahoemoel taiyiebaatie wa yoeharriemoe 'alaihiemoel ghabaaa'iesa wa yada'oe 'anhoem iesrahoem wal aghlaalal latiee kaanat 'alaihiem; fallazieena aamanoe biehiee wa 'azzaroehoe wa nasaroehoe wattaba'oen noeral lazieee oenziela ma'ahoeo oelaaa'ieka hoemoel moefliehoen
7:157 "(En ook) degenen die de boodschapper (Mohammed v.z.m.h.) volgen, de profeet die niet lezen noch schrijven kan. Ze vinden hem vermeld in de Thora en de Indjiel (Evangelie). Hij beveelt hen het goede en verbied hen het slechte. En hij maakt voor hen het reine wettig en maakt het onreine onwettig. En hij haalt de lasten en de belemmeringen weg (van Allah's verbond). Dus degenen die in hem geloven en hem respecteren en hem helpen en het licht volgen, wat met hem nedergedaald is (de Koran), zij zijn degenen die groeien in succes." (Notitie: Eén van de tekenen is de komst van de profeet Mohammed. De voorgaande profeten hebben Mohammed v.z.m.h. erkent, dus ook Moesa, zie 3:81. Zijn beschrijving in de Thora en Indjiel is zo gedetailleerd, dat ze Hem zullen herkennen zoals ze hun zonen herkennen, zie 2:146 en 48:29. Dus ook Moesa heeft deze teken verkondigt aan zijn volk.)

قُلۡ یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اِنِّیۡ رَسُوۡلُ اللّٰہِ اِلَیۡکُمۡ جَمِیۡعَۨا الَّذِیۡ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ۪ فَاٰمِنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہِ النَّبِیِّ الۡاُمِّیِّ الَّذِیۡ یُؤۡمِنُ بِاللّٰہِ وَ کَلِمٰتِہٖ وَ اتَّبِعُوۡہُ لَعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿۸۵۱﴾
Qoel yaaa aiyoehan naasoe ienniee Rasoeloel laahie ielaikoem djamiee'aniel laziee lahoe moelkoes samaawaatie wal ardie laaa ielaaha iellaa Hoewa yoehyiee wa yoemieetoe fa aamienoe biellaahie wa Rasoeliehien Nabieyyiel oemmiey yiel laziee yoe'mienoe biellaahie wa Kaliemaatiehiee wattabie'oehoe la'allakoem tahtadoen
7:158 Zeg (Mohammed): "Mensen! Voorzeker, ik ben gezonden voor jullie allen als boodschapper van Allah, Degene aan Wie het koninkrijk van de hemelen en de aarde toebehoort. Er is geen enkel andere godheid/deïteit dan Hem. Hij geeft leven en doet sterven. Dus geloof in Allah en Zijn boodschapper, de ongeletterde profeet, degene die in Allah en Zijn woorden gelooft. Volg hem dus zodat jullie geleid kunnen worden."

وَ مِنۡ قَوۡمِ مُوۡسٰۤی اُمَّۃٌ یَّہۡدُوۡنَ بِالۡحَقِّ وَ بِہٖ یَعۡدِلُوۡنَ ﴿۹۵۱﴾
Wa mien qawmie Moesaaa oemmatoey yahdoena bielhaqqie wa biehiee ya'dieloen
7:159 En van het volk van Moesa, is er een gemeenschap die de leiding geeft op basis van de waarheid en die daardoor rechtvaardigheid vestigt (in de samenleving).

وَ قَطَّعۡنٰہُمُ اثۡنَتَیۡ عَشۡرَۃَ اَسۡبَاطًا اُمَمًا ؕ وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اِذِ اسۡتَسۡقٰىہُ قَوۡمُہٗۤ اَنِ اضۡرِبۡ بِّعَصَاکَ الۡحَجَرَ ۚ فَانۡۢبَجَسَتۡ مِنۡہُ اثۡنَتَا عَشۡرَۃَ عَیۡنًا ؕ قَدۡ عَلِمَ کُلُّ اُنَاسٍ مَّشۡرَبَہُمۡ ؕ وَ ظَلَّلۡنَا عَلَیۡہِمُ الۡغَمَامَ وَ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡہِمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ؕ کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ ؕ وَ مَا ظَلَمُوۡنَا وَ لٰکِنۡ کَانُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۰۶۱﴾
Wa qatta' naahoemoes natai 'ashrata asbaatan oemamaa; wa awhainaa ielaa Moesaaa iezies tasqaahoe qawmoehoeo anied rieb bie'asaakal hadjara fambadjasat mienhoes nata 'ashrata 'ainan qad 'aliema koelloe oenaasiem mashrabahoem; wa zallalnaa 'alaihiemoel ghamaama wa anzalnaa 'alaihiemoel manna was Salwaa koeloe mien taiyiebaatie maa razaqnaakoem; wa maa zalamoenaa wa laakien kaanoeo anfoesahoem yazliemoen
7:160 En Wij verdeelden hen in twaalf stammen als leefgemeenschappen. En Wij inspireerde Moesa, toen zijn volk hem om water vroeg: "Sla met jouw staf op de steen." Vervolgens stroomden er twaalf waterbronnen eruit (zie ook 2:60). Voorzeker, elke stam wist waar zijn drink-plek was. En Wij beschutte hen met wolken en Wij zonden (vanuit de hemel) Manna en Kwartels op hen neer. "Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie mee voorzien hebben." En ze deden Ons geen onrecht aan, maar ze deden zichzelf onrecht aan." (Notitie: Manna en Kwartel zijn een soort voedsel dat vanuit de hemel kwam.)

وَ اِذۡ قِیۡلَ لَہُمُ اسۡکُنُوۡا ہٰذِہِ الۡقَرۡیَۃَ وَ کُلُوۡا مِنۡہَا حَیۡثُ شِئۡتُمۡ وَ قُوۡلُوۡا حِطَّۃٌ وَّ ادۡخُلُوا الۡبَابَ سُجَّدًا نَّغۡفِرۡ لَکُمۡ خَطِیۡٓـٰٔتِکُمۡ ؕ سَنَزِیۡدُ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۶۱﴾
Wa iez qieela lahoemoeskoenoe haaziehiel qaryata wa koeloe mienhaa haisoe shie'toem wa qoeloe hiettatoew wadghoeloel baaba soedjdjadan naghfier lakoem ghatieee'aatiekoem; sanazieedoel moehsienieen
7:161 En (gedenk) toen er tot hen werd gezegd: "Leef in deze stad en eet ervan waar jullie ook wensen. En zeg:"Vergeving!", en treedt de poort prostreerend binnen. Wij zullen jullie zonden vergeven. Wij doen de gunsten toenemen voor de mensen die goed doen." (Notitie: zie ook 2:58)

فَبَدَّلَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا مِنۡہُمۡ قَوۡلًا غَیۡرَ الَّذِیۡ قِیۡلَ لَہُمۡ فَاَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ رِجۡزًا مِّنَ السَّمَآءِ بِمَا کَانُوۡا یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۲۶۱﴾
Fabaddalal lazieena zalamoe mienhoem qawlan ghairal laziee qieela lahoem fa arsalnaa 'alaihiem riedjzan mienas samaaa'ie biemaa kaanoe yazliemoen
7:162 Echter veranderde de slechte onder hen, het woord (van Allah) met iets anders dan tot hen was gezegd. Dus zonden Wij een straf uit de hemel op hen, omdat ze misdadigers waren.

وَ سۡـَٔلۡہُمۡ عَنِ الۡقَرۡیَۃِ الَّتِیۡ کَانَتۡ حَاضِرَۃَ الۡبَحۡرِ ۘ اِذۡ یَعۡدُوۡنَ فِی السَّبۡتِ اِذۡ تَاۡتِیۡہِمۡ حِیۡتَانُہُمۡ یَوۡمَ سَبۡتِہِمۡ شُرَّعًا وَّ یَوۡمَ لَا یَسۡبِتُوۡنَ ۙ لَا تَاۡتِیۡہِمۡ ۚۛ کَذٰلِکَ ۚۛ نَبۡلُوۡہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَفۡسُقُوۡنَ ﴿۳۶۱﴾
Was'alhoem 'aniel qaryatiel latiee kaanat haadieratal bahrie iez ya'doena fies Sabtie iez ta'tieehiem hieetaanoehoem yawma Sabtiehiem shoerra'aw wa yawma laa yasbietoena laa ta'tieehiem; kazaalieka nabloehoem biemaa kaanoe yafsoeqoen
7:163 En vraag hen over de stad die aan zee lag, waar de Sabbat werd overtreden. Op de dag van de Sabbat kwamen de vissen tot hen en waren ze dus duidelijk zichtbaar. Echter op de dagen wanneer er geen Sabbat was, kwamen ze niet tot hen. Wij beproefde hen dus omdat ze provocerend ongehoorzaam waren.

وَ اِذۡ قَالَتۡ اُمَّۃٌ مِّنۡہُمۡ لِمَ تَعِظُوۡنَ قَوۡمَۨا ۙ اللّٰہُ مُہۡلِکُہُمۡ اَوۡ مُعَذِّبُہُمۡ عَذَابًا شَدِیۡدًا ؕ قَالُوۡا مَعۡذِرَۃً اِلٰی رَبِّکُمۡ وَ لَعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ ﴿۴۶۱﴾
Wa iez qaalat oemmatoem mienhoem liema ta'iezoena qaw maniel laahoe moehliekoehoem aw moe'azzieboehoem 'azaaban shadieedan qaaloe ma'zieratan ielaa Rabbiekoem wa la'allahoem yattaqoen
7:164 En gedenk toen een groep van hen zeiden: "Waarom verkondigen jullie naar mensen die Allah toch zal vernietigen of zal bestraffen met een zware straf? Ze zeiden: "Om niet beschuldigd te kunnen worden (door de ongelovigen) bij jullie Heer en zodat ze rechtvaardig kunnen worden."

فَلَمَّا نَسُوۡا مَا ذُکِّرُوۡا بِہٖۤ اَنۡجَیۡنَا الَّذِیۡنَ یَنۡہَوۡنَ عَنِ السُّوۡٓءِ وَ اَخَذۡنَا الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا بِعَذَابٍۭ بَئِیۡسٍۭ بِمَا کَانُوۡا یَفۡسُقُوۡنَ ﴿۵۶۱﴾
Falammaa nasoe maa zoekkieroe biehiee andjainal lazieena yanhawna 'anies soeo'ie wa aghaznal lazieena zalamoe bie'azaabiem ba'ieesiem biemaa kaanoe yafsoeqoen
7:165 En toen ze de herinnering/waarschuwing vergaten, redden Wij degenen die het kwade verboden en Wij grepen de misdadigers met een grote straf omdat ze provocerend ongehoorzaam waren.

فَلَمَّا عَتَوۡا عَنۡ مَّا نُہُوۡا عَنۡہُ قُلۡنَا لَہُمۡ کُوۡنُوۡا قِرَدَۃً خٰسِئِیۡنَ ﴿۶۶۱﴾
Falammaa 'ataw 'ammaa noehoe 'anhoe qoelna lahoem koenoe qieradatan ghaasie'ieen
7:166 Dus op het moment dat ze alle grenzen te buiten gingen, en deden wat verboden was, zeiden Wij tot hen: "Wees vernederde apen!" (Notitie: zie ook 5:60)

وَ اِذۡ تَاَذَّنَ رَبُّکَ لَیَبۡعَثَنَّ عَلَیۡہِمۡ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ مَنۡ یَّسُوۡمُہُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ ؕ اِنَّ رَبَّکَ لَسَرِیۡعُ الۡعِقَابِ ۚۖ وَ اِنَّہٗ لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۷۶۱﴾
Wa iez ta azzana Rabboeka la yab'asannna 'alaihiem ielaa Yawmiel Qieyaamatie may yasoemoehoem soeo'al 'azaab; ienna Rabbaka lasariee'oel 'ieqaabie wa iennahoe la Ghafoeroer Rahieem
7:167 En jouw Heer verklaarde dat Hij zeker mensen zal zenden tegen hen tot aan de dag des oordeels, die hen zwaar zullen straffen. Voorzeker, jouw Heer is snel in het vergelden, echter Hij is zeker de Meest Vergevensgezinde, de meest Barmhartige.

وَ قَطَّعۡنٰہُمۡ فِی الۡاَرۡضِ اُمَمًا ۚ مِنۡہُمُ الصّٰلِحُوۡنَ وَ مِنۡہُمۡ دُوۡنَ ذٰلِکَ ۫ وَ بَلَوۡنٰہُمۡ بِالۡحَسَنٰتِ وَ السَّیِّاٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۸۶۱﴾
Wa qatta'naahoem fiel ardie oemaman mien hoemoes saaliehoena wa mien hoem doena zaalieka wa balawnaahoem biel hasanaatie was saiyie'aatie la'allahoem yardjie'oen
7:168 En Wij verdeelden hen op de wereld in verschillende leefgemeenschappen. Onder hen zijn er rechtvaardige mensen en onder hen zijn er die dat niet zijn. En Wij beproefde hen met het goede en het kwade, zodat ze terug konden keren (naar dankbaarheid en gedenken van hun heer).

فَخَلَفَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ خَلۡفٌ وَّرِثُوا الۡکِتٰبَ یَاۡخُذُوۡنَ عَرَضَ ہٰذَا الۡاَدۡنٰی وَ یَقُوۡلُوۡنَ سَیُغۡفَرُ لَنَا ۚ وَ اِنۡ یَّاۡتِہِمۡ عَرَضٌ مِّثۡلُہٗ یَاۡخُذُوۡہُ ؕ اَلَمۡ یُؤۡخَذۡ عَلَیۡہِمۡ مِّیۡثَاقُ الۡکِتٰبِ اَنۡ لَّا یَقُوۡلُوۡا عَلَی اللّٰہِ اِلَّا الۡحَقَّ وَ دَرَسُوۡا مَا فِیۡہِ ؕ وَ الدَّارُ الۡاٰخِرَۃُ خَیۡرٌ لِّلَّذِیۡنَ یَتَّقُوۡنَ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۹۶۱﴾
Faghalafa mien ba'diehiem ghalfoew wariesoel Kietaaba ya'ghoezoena 'arada haazal adnaa wa yaqoeloena sayoeghfaroe lanaa wa iey ya'tiehiem 'aradoen miesloehoe ya'ghoezoeh; alam yoe'ghaz 'alaihiem mieesaaqoel Kietaabie an laa yaqoeloe 'alal laahie iellal haqqa wa darasoe maa fieeh; wad Daaroel Aaghiertoe ghairoel liel lazieena yattaqoen; afalaa ta'qieloen
7:169 Vervolgens erfde na hen de opvolgende generaties het boek. Deze nemen echter de tijdelijke genietingen van het wereldse leven en ze zeggen: "Het zal ons vergeven worden." En als ze nogmaals het gelijke aanbod zouden krijgen (van de wereldse genietingen) dan zullen ze het weer aannemen (en dus de zelfde zonden begaan). Was er geen verbond met hen en het boek afgesloten, waarin er vermeld staat dat ze niets over Allah zullen zeggen dan de waarheid? En ze bestuderen wat erin staat. En het huis van het hiernamaals, dat bedoeld is voor de godvrezende, is beter. Waarom gebruiken jullie je verstand dan niet? (Notitie: Het gaat hier om zonden die bewust begaan worden en die gestimuleerd worden door het verkondigen van de leugen, dat Allah het hen zal vergeven, omdat ze denken de geliefden van Allah zijn 62:6 en 5:18.)

وَ الَّذِیۡنَ یُمَسِّکُوۡنَ بِالۡکِتٰبِ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ ؕ اِنَّا لَا نُضِیۡعُ اَجۡرَ الۡمُصۡلِحِیۡنَ ﴿۰۷۱﴾
Wallazieena yoemas siekoena biel Kietaabie wa aqaamoes Salaata iennaa laa noedieeoe'adjral moesliehieen
7:170 En degenen die zich vasthouden aan het boek en de 'Salaat' (het gebed) onderhouden, voorzeker, Wij zullen nooit de beloning van degenen die goede daden verrichten verloren doen gaan.

وَ اِذۡ نَتَقۡنَا الۡجَبَلَ فَوۡقَہُمۡ کَاَنَّہٗ ظُلَّۃٌ وَّ ظَنُّوۡۤا اَنَّہٗ وَاقِعٌۢ بِہِمۡ ۚ خُذُوۡا مَاۤ اٰتَیۡنٰکُمۡ بِقُوَّۃٍ وَّ اذۡکُرُوۡا مَا فِیۡہِ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۷۱﴾
Wa iez nataqnal djabala fawqahoem ka annahoe zoellatoew wa zannoeo annahoe waaqie'oen biehiem ghoezoe maaa aatainaakoem bieqoewwatiew wazkoeroe maa fieehie la'allakoem tattaqoen
7:171 En (gedenk) toen Wij de berg verhieven over hen heen alsof het een bedekking was en ze dachten dat het op hen zou vallen. (Wij zeiden:)" Hou stevig vast aan datgeen wat Wij jullie gegeven hebben. En gedenk wat er in is, zodat jullie Allah kunnen vrezen." (Notitie: zie ook, 4:154)

وَ اِذۡ اَخَذَ رَبُّکَ مِنۡۢ بَنِیۡۤ اٰدَمَ مِنۡ ظُہُوۡرِہِمۡ ذُرِّیَّتَہُمۡ وَ اَشۡہَدَہُمۡ عَلٰۤی اَنۡفُسِہِمۡ ۚ اَلَسۡتُ بِرَبِّکُمۡ ؕ قَالُوۡا بَلٰی ۚۛ شَہِدۡنَا ۚۛ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ اِنَّا کُنَّا عَنۡ ہٰذَا غٰفِلِیۡنَ ﴿۲۷۱﴾
Wa iez aghaza Rabboeka mien Banieee Aadama mien zoehoeriehiem zoerrieyyatahoem wa ashhadahoem 'alaa anfoesiehiem alastoe bie Rabbiekoem qaaloe balaa shahiednaaa; an taqoeloe Yawmal Qieyaamatie iennaa koennaa 'an haazaa ghaafielieen
7:172 En (gedenk) toen jouw Heer alle nakomelingen van Adam uit zijn rug nam en liet getuigen over hunzelf: "Ben Ik niet jullie Heer?" Ze zeiden: "Ja, wij getuigen." Zodat jullie op dag des oordeels niet kunnen zeggen: "Wij wisten hier niets van."

اَوۡ تَقُوۡلُوۡۤا اِنَّمَاۤ اَشۡرَکَ اٰبَآؤُنَا مِنۡ قَبۡلُ وَ کُنَّا ذُرِّیَّۃً مِّنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ۚ اَفَتُہۡلِکُنَا بِمَا فَعَلَ الۡمُبۡطِلُوۡنَ ﴿۳۷۱﴾
Aw taqoeloeo iennamaaa ashraka aabaaa 'oenaa mien qabloe wa koennaa zoerrieyyatan mien ba'diehiem 'a fa toehliekoenaa bie maa fa'alal moebtieloen
7:173 En dat jullie niet kunnen zeggen:" Onze voorvaders kenden slechts deelgenoten toe en wij zijn slechts nakomelingen van hen. Wilt U ons dan vernietigen voor hetgeen de vervalsers deden?"

وَ کَذٰلِکَ نُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ وَ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۴۷۱﴾
Wa kazaalieka noefassieloel Aayaatie wa la'allahoem yardjie'oen
7:174 En dus leggen Wij de Verzen uit, zodat ze terug kunnen keren (naar de dankbaarheid en aanbidding van hun Heer).

وَ اتۡلُ عَلَیۡہِمۡ نَبَاَ الَّذِیۡۤ اٰتَیۡنٰہُ اٰیٰتِنَا فَانۡسَلَخَ مِنۡہَا فَاَتۡبَعَہُ الشَّیۡطٰنُ فَکَانَ مِنَ الۡغٰوِیۡنَ ﴿۵۷۱﴾
Watloe 'alaihiem naba allazieee aatainaahoe Aayaatienaa fansalagha mienhaa fa atba'a hoesh Shaytaanoe fakaana mienal ghaawieen
7:175 En vertel hen het verhaal van degene aan wie Wij Onze tekenen gaven. Echter hij maakte zich ervan los. Dus volgde de satan hem en werd dus dwalend. (Notitie zie ook 43:36, )

وَ لَوۡ شِئۡنَا لَرَفَعۡنٰہُ بِہَا وَ لٰکِنَّہٗۤ اَخۡلَدَ اِلَی الۡاَرۡضِ وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ ۚ فَمَثَلُہٗ کَمَثَلِ الۡکَلۡبِ ۚ اِنۡ تَحۡمِلۡ عَلَیۡہِ یَلۡہَثۡ اَوۡ تَتۡرُکۡہُ یَلۡہَثۡ ؕ ذٰلِکَ مَثَلُ الۡقَوۡمِ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ۚ فَاقۡصُصِ الۡقَصَصَ لَعَلَّہُمۡ یَتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۶۷۱﴾
Wa law shie'naa larafa'naahoe biehaa wa laakien nahoeo aghlada ielal ardie wattaba'a hawaah; famasaloehoe kamasaliel kalbie ien tahmiel 'alaihie yalhas aw tatroek hoe yalhas; zaalieka masaloel qawmiel lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa; faqsoesiel qasasa la'allahoem yatafakkaroen
7:176 En als Wij het wilde, dan konden Wij hem zeker verheffen met deze (Onze tekenen). Echter hij hield zich vast aan het wereldse leven en volgende zijn ijdele begeerten. Zijn overeenkomst is net als die van een hond. Als je hem aanvalt, dan steekt hij zijn tong uit en als je hem met rust laat, dan steekt hij ook zijn tong uit. Dat is een gelijkenis van mensen die onze tekenen verwerpen. Dus vertel het verhaal, zodat ze erover na kunnen denken.

سَآءَ مَثَلَاۨ الۡقَوۡمُ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اَنۡفُسَہُمۡ کَانُوۡا یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۷۷۱﴾
Saaa'a masalaniel qawmoel lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wa anfoesahoem kaanoe yazliemoen
7:177 Zeer slecht is de vergelijking van mensen die Onze tekenen verwerpen en zichzelf onrecht aandoen.

مَنۡ یَّہۡدِ اللّٰہُ فَہُوَ الۡمُہۡتَدِیۡ ۚ وَ مَنۡ یُّضۡلِلۡ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۸۷۱﴾
May yahdiel laahoe fa hoewal moehtadiee wa may yoedliel fa oelaaa'ieka hoemoel ghaasieroen
7:178 Wie door Allah geleid wordt, is degenen die de leiding volgt. En degenen die Hij laat dwalen dat zijn de verliezers. (Zie ook 7:189)

وَ لَقَدۡ ذَرَاۡنَا لِجَہَنَّمَ کَثِیۡرًا مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ ۫ۖ لَہُمۡ قُلُوۡبٌ لَّا یَفۡقَہُوۡنَ بِہَا ۫ وَ لَہُمۡ اَعۡیُنٌ لَّا یُبۡصِرُوۡنَ بِہَا ۫ وَ لَہُمۡ اٰذَانٌ لَّا یَسۡمَعُوۡنَ بِہَا ؕ اُولٰٓئِکَ کَالۡاَنۡعَامِ بَلۡ ہُمۡ اَضَلُّ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡغٰفِلُوۡنَ ﴿۹۷۱﴾
Wa laqad zara'naa lie djahannama kasieeran mienal djiennie wal iensie lahoem qoeloeboel laa yafqahoena biehaa wa lahoem a'yoenoel laa yoebiesieroena biehaa wa lahoem aazaanoel laa yasma'oena biehaa; oelaaa'ieka kal an'aamie bal hoem adall; oelaaa'ieka hoemoel ghaafieloen
7:179 En voorzeker, Wij hebben veel van de djiens en de mensen voor de hel geschapen. Ze hebben harten, maar ze begrijpen er niet mee. En voor hen zijn er ogen, echter ze kijken er niet mee. En voor hen zijn er oren maar ze horen er niet mee. Ze zijn net als vee. Nee! Ze zijn verder afgedwaald. Ze zijn degenen die achteloos zijn (voor Allah's tekenen). (Notitie: Zie ook 2:171)

وَ لِلّٰہِ الۡاَسۡمَآءُ الۡحُسۡنٰی فَادۡعُوۡہُ بِہَا ۪ وَ ذَرُوا الَّذِیۡنَ یُلۡحِدُوۡنَ فِیۡۤ اَسۡمَآئِہٖ ؕ سَیُجۡزَوۡنَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۰۸۱﴾
Wa liellaahiel Asmaaa 'oel Hoesnaa fad'oehoe biehaa wa zaroel lazieena yoelhiedoena fieee Asmaaa'ieh; sa yoedjzawna maa kaanoe ya'maloen
7:180 En voor Allah zijn er de meest mooie namen. Dus roep Hem er mee aan. En laat degenen die ervan afwijken (misbruik, ontkennen, etc). Ze zullen vergolden worden voor wat ze doen.

وَ مِمَّنۡ خَلَقۡنَاۤ اُمَّۃٌ یَّہۡدُوۡنَ بِالۡحَقِّ وَ بِہٖ یَعۡدِلُوۡنَ ﴿۱۸۱﴾
Wa miemman ghalaqnaaa oemmatoey yahdoena bielhaqqie wa biehiee ya'dieloen
7:181 En onder degenen die Wij hebben geschapen is er een gemeenschap, die leiding geeft met de waarheid en daardoor rechtvaardigheid vestigt (in de samenleving).

وَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا سَنَسۡتَدۡرِجُہُمۡ مِّنۡ حَیۡثُ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۸۱﴾
Wallazieena kazzaboe bie Aayaatienaa sanastadriedjoehoem mien haisoe laa ya'lamoen
7:182 Maar degenen die Onze tekenen verwerpen, Wij zullen hen geleidelijk leiden (naar de straf) zodat ze het niet weten. (Notitie zie: 6:44-45)

وَ اُمۡلِیۡ لَہُمۡ ؕ۟ اِنَّ کَیۡدِیۡ مَتِیۡنٌ ﴿۳۸۱﴾
Wa oemliee lahoem; ienna kaidiee matieen
7:183 En Ik zal hen uitstel geven. Voorzeker, Mijn plan is hecht\sterk.

اَوَ لَمۡ یَتَفَکَّرُوۡا ٜ مَا بِصَاحِبِہِمۡ مِّنۡ جِنَّۃٍ ؕ اِنۡ ہُوَ اِلَّا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۴۸۱﴾
Awalam yatafakkaroe maa biesaahiebiehiem mien djiennah; ien hoewa iellaa nazieeroen moebieen
7:184 Denken ze niet na? Hun metgezel is niet geestelijk ziek. Hij is slechts een duidelijke waarschuwer.

اَوَ لَمۡ یَنۡظُرُوۡا فِیۡ مَلَکُوۡتِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا خَلَقَ اللّٰہُ مِنۡ شَیۡءٍ ۙ وَّ اَنۡ عَسٰۤی اَنۡ یَّکُوۡنَ قَدِ اقۡتَرَبَ اَجَلُہُمۡ ۚ فَبِاَیِّ حَدِیۡثٍۭ بَعۡدَہٗ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۵۸۱﴾
Awalam yanzoeroe fiee malakoeties samaawaatie wal ardie wa maa ghalaqal laahoe mien shai'iew wa an 'asaaa ay yakoena qadieqtaraba adjaloehoem fa bie ayyie hadieesien ba'dahoe yoe'mienoen
7:185 Kijken ze niet naar het koninkrijk van de hemelen en de aarde, en naar alles wat Allah geschapen heeft of dat misschien hun dood dichtbij is? En in welke boodschap\verklaring na deze, zullen ze dan geloven?

مَنۡ یُّضۡلِلِ اللّٰہُ فَلَا ہَادِیَ لَہٗ ؕ وَ یَذَرُہُمۡ فِیۡ طُغۡیَانِہِمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ﴿۶۸۱﴾
May yoedliel liellaahie falaa haadieya lah; wa yazaroehoem fiee toeghyaaniehiem ya'mahoen
7:186 En voor degene die Allah laat dwalen, is er geen leiding. En Hij laat hun verkeren in hun overtreding, blindelings dwalend. (Notitie: Iedereen heeft verklaart dat Allah de Heer is, zie 7:172. Allah verklaart hier dat door het verwerpen van Allah's tekenen (boodschap,etc) er geen andere leiding is en dat je daardoor dwaalt. Met andere woorden de verantwoordelijkheid van iemand die afgedwaald is ligt bij hem zelf en niet bij Allah. Zie ook 39-36).

یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ السَّاعَۃِ اَیَّانَ مُرۡسٰہَا ؕ قُلۡ اِنَّمَا عِلۡمُہَا عِنۡدَ رَبِّیۡ ۚ لَا یُجَلِّیۡہَا لِوَقۡتِہَاۤ اِلَّا ہُوَ ؕۘؔ ثَقُلَتۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ لَا تَاۡتِیۡکُمۡ اِلَّا بَغۡتَۃً ؕ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ کَاَنَّکَ حَفِیٌّ عَنۡہَا ؕ قُلۡ اِنَّمَا عِلۡمُہَا عِنۡدَ اللّٰہِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷۸۱﴾
Yas'aloenaka 'anies Saa'atie aiyaana moersaahaa qoel iennamaa 'ielmoehaa 'ienda Rabbiee laa yoedjallieehaa liewaqtiehaaa iellaa Hoe; saqoelat fies samaawaatie wal ard; laa ta'tieekoem iellaa baghtah; yas'aloenaka ka annaka hafieyyoen 'anhaa qoel iennamaa 'ielmoehaa 'iendal laahie wa laakienna aksaran naasie laa ya'lamoen
7:187 Ze vragen jou over het uur (de dag des oordeels): "Wanneer zal het plaatsvinden?" Zeg: "De kennis daarvan is alleen bij mijn Heer, niemand kan de tijd ervan onthullen, behalve Hij. De kwestie ligt zwaar in de hemelen en op de aarde. Het zal niet anders dan plotseling tot jullie komen." Ze vragen jou alsof jij er veel over weet. Zeg:"De kennis daarvan is alleen bij Allah, maar de meeste van de mensen weten het niet." (Notitie: zie ook 31:34)

قُلۡ لَّاۤ اَمۡلِکُ لِنَفۡسِیۡ نَفۡعًا وَّ لَا ضَرًّا اِلَّا مَا شَآءَ اللّٰہُ ؕ وَ لَوۡ کُنۡتُ اَعۡلَمُ الۡغَیۡبَ لَاسۡتَکۡثَرۡتُ مِنَ الۡخَیۡرِۚۖۛ وَ مَا مَسَّنِیَ السُّوۡٓءُ ۚۛ اِنۡ اَنَا اِلَّا نَذِیۡرٌ وَّ بَشِیۡرٌ لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۸۸۱﴾
Qoel laaa amliekoe lienafsiee naf'aw wa laa darran iellaa maa shaaa'al laah; wa law koentoe a'lamoel ghaiba lastaksartoe mienal ghairie wa maa massanieyas soe'; ien ana iellaa nazieeroew wa bashieeroel lieqawmiey yoe'mienoen
7:188 Zeg: "Ik heb geen enkel macht om mezelf voordeel of schaden toe te brengen, behalve wat Allah wil. En als ik kennis zou hebben van de Ghayb (het ongeziene), dan zou ik zeker voor mezelf het goede vermeerdert hebben en dan zou het kwade mij niet kunnen aanraken. Ik ben niets anders dan een waarschuwer en een brenger van het goede nieuws (paradijs) voor mensen die geloven. (Notitie: Zie ook 72:26)

ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ مِّنۡ نَّفۡسٍ وَّاحِدَۃٍ وَّ جَعَلَ مِنۡہَا زَوۡجَہَا لِیَسۡکُنَ اِلَیۡہَا ۚ فَلَمَّا تَغَشّٰہَا حَمَلَتۡ حَمۡلًا خَفِیۡفًا فَمَرَّتۡ بِہٖ ۚ فَلَمَّاۤ اَثۡقَلَتۡ دَّعَوَا اللّٰہَ رَبَّہُمَا لَئِنۡ اٰتَیۡتَنَا صَالِحًا لَّنَکُوۡنَنَّ مِنَ الشّٰکِرِیۡنَ ﴿۹۸۱﴾
Hoewal laziee ghalaqakoem mien nafsiew waahiedatiew wa dja'ala mienhaa zawdjahaa lieyas koena ielaihaa falammaa taghash shaahaa hamalat hamlan ghafieefan famarrat biehiee falammaaa asqalad da'a wallaaha Rabbahoemaa la'ien aataitana saaliehal lanakoenanna mienash shaakierieen
7:189 Hij is Degene Die jullie uit één enkele Nafs (persoon) heeft geschapen en daarvan maakte Hij zijn metgezel, zodat hij (de man) met haar (de vrouw) het leven kan delen. En wanneer hij haar bedekt, draagt ze een lichte last dat verder groeit. En wanneer ze zwaar wordt, roepen ze beide Allah, hun Heer, aan:" Als U ons een gezond\goed kind geeft, dan zullen we zeker dankbaar zijn."

فَلَمَّاۤ اٰتٰہُمَا صَالِحًا جَعَلَا لَہٗ شُرَکَآءَ فِیۡمَاۤ اٰتٰہُمَا ۚ فَتَعٰلَی اللّٰہُ عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۰۹۱﴾
Falammaaa aataahoemaa saaliehan dja'alaa lahoe shoerakaaa'a fieemaaa aataahoemaa; fata'aalal laahoe 'ammaa yoeshriekoen
7:190 Maar wanneer Hij hen een gezond\deugdzaam kind geeft, kennen ze Hem (Allah) deelgenoten toe van datgeen wat Hij hen heeft gegeven. Hoog verheven is Allah boven datgeen wat ze aan Hem toekenen.

اَیُشۡرِکُوۡنَ مَا لَا یَخۡلُقُ شَیۡئًا وَّ ہُمۡ یُخۡلَقُوۡنَ ﴿۱۹۱﴾
A yoeshriekoena maa laa yaghloeqoe shai'aw wa hoem yoeghlaqoen
7:191 Kennen ze deelgenoten\partners (aan Allah) toe, die niets kunnen scheppen en die zelf gecreëerd zijn?

وَ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ لَہُمۡ نَصۡرًا وَّ لَاۤ اَنۡفُسَہُمۡ یَنۡصُرُوۡنَ ﴿۲۹۱﴾
Wa laa yastatiee'oena lahoem nasraw wa laaa anfoesahoem yansoeroen
7:192 En die niet instaat zijn om hen enig hulp te bieden en zichzelf niet eens kunnen helpen?

وَ اِنۡ تَدۡعُوۡہُمۡ اِلَی الۡہُدٰی لَا یَتَّبِعُوۡکُمۡ ؕ سَوَآءٌ عَلَیۡکُمۡ اَدَعَوۡتُمُوۡہُمۡ اَمۡ اَنۡتُمۡ صَامِتُوۡنَ ﴿۳۹۱﴾
Wa ien tad'oehoem ielalhoedaa laa yattabie'oekoem; sawaaa'oen 'alaikoem a-da'awtoemoehoem 'am antoem saamietoen
7:193 En als jullie hen (de toegekende deelgenoten) tot leiding roepen, dan zullen ze jullie niet volgen. Het is hetzelfde voor jullie of jullie hen aanroepen of niet.

اِنَّ الَّذِیۡنَ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ عِبَادٌ اَمۡثَالُکُمۡ فَادۡعُوۡہُمۡ فَلۡیَسۡتَجِیۡبُوۡا لَکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۹۱﴾
Innal lazieena tad'oena mien doeniel laahie 'iebaadoen amsaaloekoem fad'oehoem fal yastadjieeboe lakoem ien koentoem saadieqieen
7:194 Voorwaar, de deelgenoten zijn slaven net als jullie. Dus roep hen aan en laat hen dan jullie antwoorden, als jullie streven naar de waarheid.

اَلَہُمۡ اَرۡجُلٌ یَّمۡشُوۡنَ بِہَاۤ ۫ اَمۡ لَہُمۡ اَیۡدٍ یَّبۡطِشُوۡنَ بِہَاۤ ۫ اَمۡ لَہُمۡ اَعۡیُنٌ یُّبۡصِرُوۡنَ بِہَاۤ ۫ اَمۡ لَہُمۡ اٰذَانٌ یَّسۡمَعُوۡنَ بِہَا ؕ قُلِ ادۡعُوۡا شُرَکَآءَکُمۡ ثُمَّ کِیۡدُوۡنِ فَلَا تُنۡظِرُوۡنِ ﴿۵۹۱﴾
'A lahoem ardjoeloey yamshoena biehaa 'am lahoem 'aidiey yabtieshoena biehaaa 'am lahoem a'yoenoey yoebsieroena biehaaa 'am lahoem aazaanoey yasma'oena biehaa; qoelied'oe shoerakaaa'akoem thoemma kieedoenie falaa toenzieroen
7:195 Hebben ze voeten om er op te lopen of hebben ze handen om er mee vast te houden? Of hebben ze ogen om ermee te zien, of hebben ze oren om ermee te horen? Zeg:" Roep jullie deelgenoten en plan een complot tegen mij en geef me geen uitstel."

اِنَّ وَلِیَِّۧ اللّٰہُ الَّذِیۡ نَزَّلَ الۡکِتٰبَ ۫ۖ وَ ہُوَ یَتَوَلَّی الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۶۹۱﴾
Inna walieyyieal laahoel laziee nazzalal Kietaaba wa Hoewa yatawallas saaliehieen
7:196 "Voorzeker, mijn beschermer is Allah, Degenen Die het boek (de Koran) heeft neergezonden. En Hij beschermt de rechtvaardigen."

وَ الَّذِیۡنَ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہٖ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ نَصۡرَکُمۡ وَ لَاۤ اَنۡفُسَہُمۡ یَنۡصُرُوۡنَ ﴿۷۹۱﴾
Wallazieena tad'oena mien doeniehiee laa yastatiee'oena nasrakoem wa laaa anfoesahoem yansoeroen
7:197 "En degenen die jullie naast Hem (Allah) aanroepen, zijn niet instaat om jullie te helpen, noch kunnen ze zichzelf helpen."

وَ اِنۡ تَدۡعُوۡہُمۡ اِلَی الۡہُدٰی لَا یَسۡمَعُوۡا ؕ وَ تَرٰىہُمۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَیۡکَ وَ ہُمۡ لَا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۸۹۱﴾
Wa ien tad'oehoem ielal hoedaa laa yasma'oe wa taraahoem yanzoeroena ielaika wa hoem laa yoebsieroen
7:198 En als jullie hen tot de leiding roepen horen ze jullie niet. En jullie zien hen naar jullie kijken, echter ze zien jullie niet.

خُذِ الۡعَفۡوَ وَ اۡمُرۡ بِالۡعُرۡفِ وَ اَعۡرِضۡ عَنِ الۡجٰہِلِیۡنَ ﴿۹۹۱﴾
ghoeziel 'afwa wa moer biel'oerfie wa A'ried 'aniel djaahielieen
7:199 Hou vast aan de vergiffenis en beveel tot fatsoenlijkheid en wendt je af van de verstandeloze.

وَ اِمَّا یَنۡزَغَنَّکَ مِنَ الشَّیۡطٰنِ نَزۡغٌ فَاسۡتَعِذۡ بِاللّٰہِ ؕ اِنَّہٗ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۰۰۲﴾
Wa iemmaa yanzaghannaka mienash Shaitaanie nazghoen fasta'iez biellaah; iennahoe Samiee'oen Alieem
7:200 En als er een kwade ingeving tot je komt van de satan, zoek dan je toevlucht bij Allah. Voorzeker, Hij is Samie'a (de Al-horende), Aliem (de Alwetende) (Notitie: zie ook 41:36).

اِنَّ الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا اِذَا مَسَّہُمۡ طٰٓئِفٌ مِّنَ الشَّیۡطٰنِ تَذَکَّرُوۡا فَاِذَا ہُمۡ مُّبۡصِرُوۡنَ ﴿۱۰۲﴾
Innal lazieenat taqaw iezaa massahoem taaa'iefoen mienash Shaitaanie tazakkaroe fa iezaa hoem moebsieroen
7:201 Voorzeker, degenen die (Allah) vrezen, wanneer er bij hen een kwade ingeving van de satan zich voordoet, dan gedenken ze (Allah) en vervolgens zien ze duidelijk de waarheid. (Notitie: zie ook 15:42)

وَ اِخۡوَانُہُمۡ یَمُدُّوۡنَہُمۡ فِی الۡغَیِّ ثُمَّ لَا یُقۡصِرُوۡنَ ﴿۲۰۲﴾
Wa ieghwaanoehoem yamoeddoenahoem fiel ghayyie thoemma laa yoeqsieroen
7:202 Echter, hun (duivelse) broeders verschaffen hen het slechte (en willen graag dat ze de fout begaan) en stoppen er niet mee. (Notitie, zie ook surah 114)

وَ اِذَا لَمۡ تَاۡتِہِمۡ بِاٰیَۃٍ قَالُوۡا لَوۡ لَا اجۡتَبَیۡتَہَا ؕ قُلۡ اِنَّمَاۤ اَتَّبِعُ مَا یُوۡحٰۤی اِلَیَّ مِنۡ رَّبِّیۡ ۚ ہٰذَا بَصَآئِرُ مِنۡ رَّبِّکُمۡ وَ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃٌ لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۳۰۲﴾
Wa iezaa lam ta'tiehiem bie aayatien qaaloe law ladjtabai tahaa; qoel iennamaaa attabie'oe maa yoehaaa ielaiya mier Rabbiee; haazaa basaaa'ieroe mier Rabbiekoem wa hoedaw wa rahmatoel lieqawmiey yoe'mienoen
7:203 En wanneer je niet met een vers tot hen komt, zeggen ze: "Waarom verzin je er niet één?" Zeg: "Ik volg slecht datgeen wat van mijn Heer tot mij geopenbaard is. Dit is een verlichting en een leiding van jullie Heer en de barmhartigheid voor een volk dat gelooft."

وَ اِذَا قُرِیَٔ الۡقُرۡاٰنُ فَاسۡتَمِعُوۡا لَہٗ وَ اَنۡصِتُوۡا لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۴۰۲﴾
Wa iezaa qoerie'al Qoeraanoe fastamie'oe lahoe wa ansietoe la 'allakoem toerhamoen
7:204 En wanneer de Koran gereciteerd wordt, luister er aandachtig naar en wees stil zodat jullie de barmhartigheid ervan kan verkrijgen.

وَ اذۡکُرۡ رَّبَّکَ فِیۡ نَفۡسِکَ تَضَرُّعًا وَّ خِیۡفَۃً وَّ دُوۡنَ الۡجَہۡرِ مِنَ الۡقَوۡلِ بِالۡغُدُوِّ وَ الۡاٰصَالِ وَ لَا تَکُنۡ مِّنَ الۡغٰفِلِیۡنَ ﴿۵۰۲﴾
Wazkoer Rabbaka fiee nafsieka tadarroe'aw wa ghieefataw wa doenal djahrie mienal qawlie bielghoedoewwie wal aasalie wa laa takoem mienal ghaafielieen
7:205 En gedenk jouw Heer met nederigheid en vrees in jezelf, zonder het uit te spreken, gedurende de ochtend en gedurende de avond. En wees niet achteloos (in het gedenken van Allah).

اِنَّ الَّذِیۡنَ عِنۡدَ رَبِّکَ لَا یَسۡتَکۡبِرُوۡنَ عَنۡ عِبَادَتِہٖ وَ یُسَبِّحُوۡنَہٗ وَ لَہٗ یَسۡجُدُوۡنَ ﴿۶۰۲﴾
Innal lazieena 'ienda Rabbieka laa yastakbieroena 'an 'iebaadatiehiee wa yoesabbiehoenahoe wa lahoe yasdjoedoen (make sadjda)
7:206 Voorzeker, degenen die dichtbij jouw Heer zijn (de engelen), ze keren zich niet in hoogmoed weg van Zijn aanbidding. En ze verheerlijken Hem en ze prostreren voor Hem. (Notitie: Prostratie/Sajdah Tilawat is vereist.)


www.heiligekoran.nl