21 Al-Anmbi'jaa (De profeten)
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
اِقۡتَرَبَ لِلنَّاسِ حِسَابُہُمۡ وَ ہُمۡ فِیۡ غَفۡلَۃٍ مُّعۡرِضُوۡنَ ۚ﴿۱﴾
Iqtaraba liennaasie hiesaaboehoem wa hoem fiee ghaflatiem moe'riedoen
21:1 De afrekening nadert de mensheid, terwijl ze onbezorgd ervoor afkeren.

مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ ذِکۡرٍ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ مُّحۡدَثٍ اِلَّا اسۡتَمَعُوۡہُ وَ ہُمۡ یَلۡعَبُوۡنَ ۙ﴿۲﴾
Maa ya'tieehiem mien ziekriem mier Rabbiehiem moehdasien iellas tama'oehoe wa hoem yal'aboen
21:2 Er komt geen nieuwe herinnering van hun Heer of ze bespotten het terwijl ze ernaar luisteren.

لَاہِیَۃً قُلُوۡبُہُمۡ ؕ وَ اَسَرُّوا النَّجۡوَی ٭ۖ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ٭ۖ ہَلۡ ہٰذَاۤ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ ۚ اَفَتَاۡتُوۡنَ السِّحۡرَ وَ اَنۡتُمۡ تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۳﴾
Laahieyatan qoeloeboehoem; wa asarroen nadjwal lazieena zalamoe hal haazaaa iellaa basharoem miesloekoem 'afa ta'toenas siehra wa antoem toebsieroen
21:3 Ironie/bespotterij is vervuld in hun harten. De onrechtplegers verbergen hun geheime gesprekken: "Deze is toch niet anders dan een mens zoals jullie? Dus willen jullie de magie benaderen terwijl jullie het zelf kunnen zien (dat het magie is)?" (Notitie: zie ook 25:41, 15:6)

قٰلَ رَبِّیۡ یَعۡلَمُ الۡقَوۡلَ فِی السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ ۫ وَ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۴﴾
Qaala Rabbiee ya'lamoel qawla fies samaaa'ie wal ardie wa Hoewas Samiee'oel 'Alieem
21:4 Hij (Mohammed v.z.m.h.) zei: "Mijn Heer weet wat er in de hemelen en op de aarde gezegd wordt. Hij is Al-Samieu (de Alhorende), Al-Aliem (de Alwetende)."

بَلۡ قَالُوۡۤا اَضۡغَاثُ اَحۡلَامٍۭ بَلِ افۡتَرٰىہُ بَلۡ ہُوَ شَاعِرٌ ۚۖ فَلۡیَاۡتِنَا بِاٰیَۃٍ کَمَاۤ اُرۡسِلَ الۡاَوَّلُوۡنَ ﴿۵﴾
Bal qaaloeo adghaasoe ahlaamien bal ieftaraahoe bal hoewa shaa'ieroen fal ya'tienaa bie Aayatien kamaa oersielal awwaloen
21:5 Nee! Ze zeggen:"(Het zijn) Verwarde dromen. Nee, hij heeft het verzonnen. Nee, hij is een dichter. Laat hem dus een teken brengen net zoals wat gezonden werd aan de voormalige (boodschappers)."

مَاۤ اٰمَنَتۡ قَبۡلَہُمۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ اَہۡلَکۡنٰہَا ۚ اَفَہُمۡ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۶﴾
Maaa aaamanat qablahoem mien qaryatien ahlaknaahaa a-fahoem yoe'mienoen
21:6 Geen enkel stad die Wij vernietigden van de generatie vóór hen, geloofden. Zullen zij dan geloven?

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا قَبۡلَکَ اِلَّا رِجَالًا نُّوۡحِیۡۤ اِلَیۡہِمۡ فَسۡـَٔلُوۡۤا اَہۡلَ الذِّکۡرِ اِنۡ کُنۡتُمۡ لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷﴾
Wa maaa arsalnaa qablaka iellaa riedjaalan noehieee ielaihiem fas'aloe ahlaz ziekrie ien koentoem laa ta'lamoen
21:7 En voorafgaand aan jou zonden Wij alleen mannen aan wie Wij openbaarden. Dus vraag het aan de mensen die de vermaning hebben gekregen (Joden, Christenen, etc) als jullie het niet weten. (Notitie: zie ook 16:43)

وَ مَا جَعَلۡنٰہُمۡ جَسَدًا لَّا یَاۡکُلُوۡنَ الطَّعَامَ وَ مَا کَانُوۡا خٰلِدِیۡنَ ﴿۸﴾
Wa maa dja'alnaahoem djasadal laa ya'koeloenat ta'aama wa maa kaanoe ghaaliedieen
21:8 En Wij maakten hen niet als lichamen die geen voedsel consumeerde en niet als onsterfelijken.

ثُمَّ صَدَقۡنٰہُمُ الۡوَعۡدَ فَاَنۡجَیۡنٰہُمۡ وَ مَنۡ نَّشَآءُ وَ اَہۡلَکۡنَا الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۹﴾
Soemma sadaqnaa hoemoel wa'da fa-andjainaahoem wa man nashaaa'oe wa ahlaknal moesriefieen
21:9 Vervolgens, vervulden Wij de belofte voor hen. Wij redde hen en degenen waarvan Wij het wilden. En Wij vernietigenden de overtreders.

لَقَدۡ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکُمۡ کِتٰبًا فِیۡہِ ذِکۡرُکُمۡ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Laqad anzalnaaa ielaikoem Kietaaban fieehie ziekroekoem afalaa ta'qieloen
21:10 Zonder twijfel, Wij hebben aan jullie een boek neergezonden, waarin jullie eer (als volk) zich bevindt. Waarom denken jullie dan niet na? (Notitie: De Arabieren waren trots op hun taal en cultuur, echter hun taal en cultuur waren niet bekend onder de andere wereld bevolkingen. Maar door de komst van de Koran is hun taal en cultuur wereld wijdt verspreid. Zie ook 14:4).

وَ کَمۡ قَصَمۡنَا مِنۡ قَرۡیَۃٍ کَانَتۡ ظَالِمَۃً وَّ اَنۡشَاۡنَا بَعۡدَہَا قَوۡمًا اٰخَرِیۡنَ ﴿۱۱﴾
Wa kam qasamnaa mien qaryatien kaanat zaaliemataw wa ansha' naa ba'dahaa qawman aagharieen
21:11 En hoeveel van de onrechtvaardigen van een stad hebben Wij niet vernietigd en deden Wij na hen een andere volk doen voortkomen?!

فَلَمَّاۤ اَحَسُّوۡا بَاۡسَنَاۤ اِذَا ہُمۡ مِّنۡہَا یَرۡکُضُوۡنَ ﴿۲۱﴾
Falammaaa ahassoe ba'sanaaa iezaa hoem mienhaa yarkoedoen
21:12 Toen ze Onze kracht zagen, zie hoe ze ervan vluchtten.

لَا تَرۡکُضُوۡا وَ ارۡجِعُوۡۤا اِلٰی مَاۤ اُتۡرِفۡتُمۡ فِیۡہِ وَ مَسٰکِنِکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تُسۡـَٔلُوۡنَ ﴿۳۱﴾
Laa tarkoedoe wardjie'oeo ielaa maaa oetrieftoem fieehie wa masaakieniekoem la'allakoem toes'aloen
21:13 Vlucht niet, maar keer terug naar het luxe wat aan jullie gegeven was en naar jullie huizen, zodat jullie ondervraagd kunnen worden.

قَالُوۡا یٰوَیۡلَنَاۤ اِنَّا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۴۱﴾
Qaaloe yaa wailanaaa iennaa koennaa zaaliemieen
21:14 Ze zeiden: "Wee ons! Waarlijk, we waren onrechtplegers!

فَمَا زَالَتۡ تِّلۡکَ دَعۡوٰىہُمۡ حَتّٰی جَعَلۡنٰہُمۡ حَصِیۡدًا خٰمِدِیۡنَ ﴿۵۱﴾
Famaa zaalat tielka da'waahoem hattaa dja'alnaahoem hasieedan ghaamiedieen
21:15 En hun gejammer hield niet op totdat Wij hen als een geoogst veld maakten, helemaal uitgestorven.

وَ مَا خَلَقۡنَا السَّمَآءَ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا لٰعِبِیۡنَ ﴿۶۱﴾
Wa maa ghalaqnas samaaa'a wal arda wa maa bainahoemaa laa'iebieen
21:16 En Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tussen is, niet (met het doel) om Ons te vermaken. (Notitie: zie ook 51:56)

لَوۡ اَرَدۡنَاۤ اَنۡ نَّتَّخِذَ لَہۡوًا لَّاتَّخَذۡنٰہُ مِنۡ لَّدُنَّاۤ ٭ۖ اِنۡ کُنَّا فٰعِلِیۡنَ ﴿۷۱﴾
Law aradnaaa an nattaghieza lahwal lat taghaznaahoe miel ladoennaaa ien koennaa faa'ielieen
21:17 Als Wij het wilden om Onszelf te amuseren, dan zouden Wij het zeker in Onszelf kunnen vinden, indien Wij (überhaupt) zoiets zouden doen.

بَلۡ نَقۡذِفُ بِالۡحَقِّ عَلَی الۡبَاطِلِ فَیَدۡمَغُہٗ فَاِذَا ہُوَ زَاہِقٌ ؕ وَ لَکُمُ الۡوَیۡلُ مِمَّا تَصِفُوۡنَ ﴿۸۱﴾
Bal naqziefoe bielhaqqie 'alal baatielie fa yadmaghoehoe fa iezaa hoewa zaahieq; wa lakoemoel wailoe miemmaa tasiefoen
21:18 Nee, Wij smijten de waarheid (monotheïsme) naar de valsheid (polytheïsme), zodat het vernietigd wordt! Aanschouw het verdwijnt! En voor jullie is de vernietiging voor datgeen wat jullie toekennen (aan Allah). (Notitie zie ook 17:81)

وَ لَہٗ مَنۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ مَنۡ عِنۡدَہٗ لَا یَسۡتَکۡبِرُوۡنَ عَنۡ عِبَادَتِہٖ وَ لَا یَسۡتَحۡسِرُوۡنَ ﴿۹۱﴾
Wa lahoe man fies samaawaatie wal ard; wa man 'iendahoe laa yastakbieroena 'an 'iebaada tiehiee wa laa yastahsieroen
21:19 Aan Hem behoort alles wat er in de hemelen en op de aarde is. En degenen dichtbij Hem (de engelen), ze zijn niet hoogmoedig om Hem te aanbidden, noch worden ze moe.

یُسَبِّحُوۡنَ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ لَا یَفۡتُرُوۡنَ ﴿۰۲﴾
Yoesabbiehoena laila wannahaara laa yaftoeroen
21:20 Ze verheerlijken Hem dag en nacht. Ze verslappen er niet in.

اَمِ اتَّخَذُوۡۤا اٰلِہَۃً مِّنَ الۡاَرۡضِ ہُمۡ یُنۡشِرُوۡنَ ﴿۱۲﴾
Amiet taghazoeo aaliehatam mienal ardie hoem yoenshieroen
21:21 Of hebben zij (de ongelovigen) goden (ter aanbidding) genomen die de doden uit de aarde doen opwekken?

لَوۡ کَانَ فِیۡہِمَاۤ اٰلِہَۃٌ اِلَّا اللّٰہُ لَفَسَدَتَا ۚ فَسُبۡحٰنَ اللّٰہِ رَبِّ الۡعَرۡشِ عَمَّا یَصِفُوۡنَ ﴿۲۲﴾
Law kaana fieehiemaaa aaliehatoen iellal laahoe lafasadataa; fa-Soebhaanal laahie Rabbiel 'Arshie 'ammaa yasiefoen
21:22 Als er in beide (hemel en aarde) andere deïteiten/godheden naast Allah waren, dan zouden ze zeker vergaan zijn. Dus alle glorie behoort Hem toe en hoog verheven is Hij, Heer van de "Arsh" (troon), boven datgeen wat ze aan Hem toekennen.

لَا یُسۡـَٔلُ عَمَّا یَفۡعَلُ وَ ہُمۡ یُسۡـَٔلُوۡنَ ﴿۳۲﴾
Laa yoes'aloe 'ammaa yaf'aloe wa hoem yoes'aloen
21:23 Hij kan niet ondervraagd worden voor datgeen wat Hij doet, maar zij zullen worden ondervraagd.

اَمِ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً ؕ قُلۡ ہَاتُوۡا بُرۡہَانَکُمۡ ۚ ہٰذَا ذِکۡرُ مَنۡ مَّعِیَ وَ ذِکۡرُ مَنۡ قَبۡلِیۡ ؕ بَلۡ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ۙ الۡحَقَّ فَہُمۡ مُّعۡرِضُوۡنَ ﴿۴۲﴾
Amiet taghazoe mien doeniehiee aaliehatan qoel haatoe boerhaanakoem haaza ziekroe mam ma'ieya wa ziekroe man qabliee; bal aksaroehoem laa ya'lamoenal haqqa fahoem moe'riedoen
21:24 Of hebben zij naast Hem (Allah) goden (ter aanbidding) genomen? Zeg: "Breng jullie bewijzen. Dit (de Koran) is een herinnering voor degenen die bij me zijn (de Umma tot aan de dag des oordeels) en een herinnering voor degenen die vóór mij tijd de boeken hebben gehad (o.a. Torah en Indjiel). Maar de meesten van hen kennen de waarheid niet, daarom zijn ze afkerig (om het te accepteren).

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ مِنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا نُوۡحِیۡۤ اِلَیۡہِ اَنَّہٗ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّاۤ اَنَا فَاعۡبُدُوۡنِ ﴿۵۲﴾
Wa maaa arsalnaa mien qablieka mier Rasoelien iellaa noehieee ielaihie annahoe laaa ielaaha iellaaa Ana fa'boedoen
21:25 En Wij zonden geen enkel boodschapper vóór jou zonder dat Wij aan hem openbaarden:" Er is geen deïteit/godheid behalve Mij (Allah), dus aanbid Mij (alleen)."

وَ قَالُوا اتَّخَذَ الرَّحۡمٰنُ وَلَدًا سُبۡحٰنَہٗ ؕ بَلۡ عِبَادٌ مُّکۡرَمُوۡنَ ﴿۶۲﴾
Wa qaaloet taghazar Rahmaanoe waladaa; Soebhaanahoe bal 'iebaadoem moekramoen
21:26 En ze zeggen: "De meest Barmhartige heeft zich een zoon toegekend." Alle glorie komt Hem toe en hoog verheven is Hij! Nee, ze zijn slechts geëerde dienaren!

لَا یَسۡبِقُوۡنَہٗ بِالۡقَوۡلِ وَ ہُمۡ بِاَمۡرِہٖ یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Laa yasbieqoenahoe biel qawlie wa hoem bie amriehiee ya'maloen
21:27 Ze spreken (verkondigen) niet voordat Hij heeft gesproken. En ze handelen (alleen) op Zijn bevel. (Notitie: hier wordt gerefereerd naar de engelen.)

یَعۡلَمُ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ وَ لَا یَشۡفَعُوۡنَ ۙ اِلَّا لِمَنِ ارۡتَضٰی وَ ہُمۡ مِّنۡ خَشۡیَتِہٖ مُشۡفِقُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Ya'lamoe maa baina aidieehiem wa maa ghalfahoem wa laa yashfa'oena iellaa liemanier tadaa wa hoem mien ghash yatiehiee moeshfieqoen
21:28 Hij weet wat zich vóór hen bevindt en wat zich achter hen bevindt. En ze (de engelen) kunnen niet bemiddelen voor iemand zonder dat Hij daar toestemming voor geeft. Ze zijn voortdurend in vrees voor Hem en angstig.

وَ مَنۡ یَّقُلۡ مِنۡہُمۡ اِنِّیۡۤ اِلٰہٌ مِّنۡ دُوۡنِہٖ فَذٰلِکَ نَجۡزِیۡہِ جَہَنَّمَ ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۹۲﴾
Wa may yaqoel mienhoem iennieee ielaahoem mien doeniehiee fazaalieka nadjzieehie djahannam; kazaalieka nadjziez zaaliemieen
21:29 En wie dan ook van hen zegt: "Ik ben naast Hem een godheid", dan zullen Wij hem vergelden met de Hel. Zo vergelden Wij de onrechtvaardigen.

اَوَ لَمۡ یَرَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَنَّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ کَانَتَا رَتۡقًا فَفَتَقۡنٰہُمَا ؕ وَ جَعَلۡنَا مِنَ الۡمَآءِ کُلَّ شَیۡءٍ حَیٍّ ؕ اَفَلَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۰۳﴾
Awalam yaral lazieena kafaroeo annas samaawaatie wal arda kaanataa ratqan fafataqnaa hoemaa wa dja'alnaa mienal maaa'ie koella shai'ien haiyien afalaa yoe'mienoen
21:30 Zien de ongelovigen niet dat de hemel en aarde één geheel was en dat Wij hen vervolgens scheidden? En dat Wij van het water alle levende dingen maakten? Willen ze dan niet geloven?

وَ جَعَلۡنَا فِی الۡاَرۡضِ رَوَاسِیَ اَنۡ تَمِیۡدَ بِہِمۡ ۪ وَ جَعَلۡنَا فِیۡہَا فِجَاجًا سُبُلًا لَّعَلَّہُمۡ یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۱۳﴾
Wa dja'alnaa fiel ardie rawaasieya an tamieeda biehiem wa dja'alnaa fieehaa fiedjaadjan soeboelal la'allahoem yahtadoen
21:31 En Wij hebben op de aarde stevig gevestigde bergen geplaatst, zodat het (de aarde) niet met hen beeft. En Wij hebben daarop brede wegen geplaatst. Zodat ze geleid kunnen worden. (Notitie: Zie ook 16:15, 20:53, 43:10, 78:6-7.)

وَ جَعَلۡنَا السَّمَآءَ سَقۡفًا مَّحۡفُوۡظًا ۚۖ وَّ ہُمۡ عَنۡ اٰیٰتِہَا مُعۡرِضُوۡنَ ﴿۲۳﴾
Wa dja'alnas samaaa'a saqfam mahfoezaw wa hoem 'an Aayaatiehaa moe'riedoen
21:32 En Wij maakten de hemel als een beschermende dak. Echter, ze wendden van zijn tekenen af.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ وَ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ ؕ کُلٌّ فِیۡ فَلَکٍ یَّسۡبَحُوۡنَ ﴿۳۳﴾
Wa Hoewal laziee ghalaqal laila wannahaara washshamsa wal qamara koelloen fiee falakiey yasbahoen
21:33 En Hij is Degene Die de nacht en de dag, de zon en de maan schiep. Elk van hen roteerd\zweeft in een baan.

وَ مَا جَعَلۡنَا لِبَشَرٍ مِّنۡ قَبۡلِکَ الۡخُلۡدَ ؕ اَفَا۠ئِنۡ مِّتَّ فَہُمُ الۡخٰلِدُوۡنَ ﴿۴۳﴾
Wa maa dja'alnaa liebashariem mien qabliekal ghoeld; afa iemmietta fahoemoel ghaaliedoen
21:34 En Wij hebben geen enkel mens, die vóór jou (tijd) geleefd heeft, onsterfelijk gemaakt. Dus als jij overlijd, zullen zij dan eeuwig leven?

کُلُّ نَفۡسٍ ذَآئِقَۃُ الۡمَوۡتِ ؕ وَ نَبۡلُوۡکُمۡ بِالشَّرِّ وَ الۡخَیۡرِ فِتۡنَۃً ؕ وَ اِلَیۡنَا تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۵۳﴾
Koelloe nafsien zaaa'ieqatoel mawt; wa nabloekoem bie sharrie walghairie fietnataw wa ielainaa toerdja'oen
21:35 Elke Nafs (persoon, eigen ik) zal de dood ervaren. Wij testen jullie met het slechte en het goede, als een beproeving. En tot Ons zullen jullie terug keren. (Notitie: zie ook 67:2.)

وَ اِذَا رَاٰکَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اِنۡ یَّتَّخِذُوۡنَکَ اِلَّا ہُزُوًا ؕ اَہٰذَا الَّذِیۡ یَذۡکُرُ اٰلِہَتَکُمۡ ۚ وَ ہُمۡ بِذِکۡرِ الرَّحۡمٰنِ ہُمۡ کٰفِرُوۡنَ ﴿۶۳﴾
Wa iezaa ra aakal lazieena kafaroeo ieny-yattaghiezoenaka iella hoezoewan; ahaazal laziee yazkoeroe aaliehatakoem wa hoem bie ziekrier Rahmaanie hoem kaafieroen
21:36 En wanneer de ongelovigen jou zien, dan nemen ze jou (niet serieus en zien ze jou) alleen als een object van bespotting (, zeggende): "Is hij degene die over jullie goden spreekt?" En ze blijven ongelovig bij het spreken over (de barmhartigheid van) de meest Barmhartige.

خُلِقَ الۡاِنۡسَانُ مِنۡ عَجَلٍ ؕ سَاُورِیۡکُمۡ اٰیٰتِیۡ فَلَا تَسۡتَعۡجِلُوۡنِ ﴿۷۳﴾
ghoelieqal iensaanoe mien 'adjal; sa oerieekoem Aayaatiee falaa tasta'djieloen
21:37 De mens is geschapen met een haastige karakter. Ik zal jullie mijn tekenen laten zien, dus vraag Mij niet om het te verhaasten.

وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہٰذَا الۡوَعۡدُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۸۳﴾
Wa yaqoeloena mataa haazal wa'doe ien koentoem saadieqieen
21:38 En ze zeggen: "Wanneer wordt deze belofte (dan) vervult, als je (zo) oprecht bent?"

لَوۡ یَعۡلَمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا حِیۡنَ لَا یَکُفُّوۡنَ عَنۡ وُّجُوۡہِہِمُ النَّارَ وَ لَا عَنۡ ظُہُوۡرِہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۹۳﴾
Law ya'lamoel lazieena kafaroe hieena laa yakoeffoena 'aw woedjoehiehiemoen Naara wa laa 'an zoehoeriehiem wa laa hoem yoensaroen
21:39 Hadden de ongelovigen maar het moment gekend dat ze niet in staat zullen zijn om het vuur van hun gezichten, noch van hun ruggen af te weren. En ze zullen niet worden geholpen.

بَلۡ تَاۡتِیۡہِمۡ بَغۡتَۃً فَتَبۡہَتُہُمۡ فَلَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ رَدَّہَا وَ لَا ہُمۡ یُنۡظَرُوۡنَ ﴿۰۴﴾
Bal ta'tieehiem baghtatan fatabhatoehoem falaa yastatiee'oena raddahaa wa laa hoem yoenzaroen
21:40 Nee! Het (dag des oordeels) zal plotseling tot hen komen en hen verassen. Ze zullen dan niet in staat zijn om het af te wenden, noch zal hen uitstel worden gegeven.

وَ لَقَدِ اسۡتُہۡزِئَ بِرُسُلٍ مِّنۡ قَبۡلِکَ فَحَاقَ بِالَّذِیۡنَ سَخِرُوۡا مِنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۱۴﴾
Wa laqadies toehzie'a bie-Roesoeliem mien qablieka fahaaqa biellazieena saghieroe mienhoem maa kaanoe biehiee yastahzie'oen
21:41 En waarlijk, de boodschappers vóór jou tijd, werden (ook) bespot. Vervolgens, werden de bespotters omsingelt door datgeen waarover ze spotten.

قُلۡ مَنۡ یَّکۡلَؤُکُمۡ بِالَّیۡلِ وَ النَّہَارِ مِنَ الرَّحۡمٰنِ ؕ بَلۡ ہُمۡ عَنۡ ذِکۡرِ رَبِّہِمۡ مُّعۡرِضُوۡنَ ﴿۲۴﴾
Qoel may yakla 'oekoem biellailie wannahaarie mienar Rahmaan; bal hoem 'an ziekrie Rabbiehiem moe'riedoen
21:42 Zeg: "Wie kan jullie dag en nacht beschermen tegen de (bestraffing van de) meest Barmhartige?" Nee! Ze keren zich af van het gedenken van hun Heer.

اَمۡ لَہُمۡ اٰلِہَۃٌ تَمۡنَعُہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِنَا ؕ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ نَصۡرَ اَنۡفُسِہِمۡ وَ لَا ہُمۡ مِّنَّا یُصۡحَبُوۡنَ ﴿۳۴﴾
Am lahoem aaliehatoen tamna'oehoem mien doenienaa; laa yastatiee'oena nasra anfoesiehiem wa laa hoem mienna yoes-haboen
21:43 Of hebben ze goden (genomen) om hen tegen Ons te beschermen? Ze (de afgoden) hebben geen macht om zichzelf te helpen, noch kunnen ze zichzelf tegen Ons verdedigen.

بَلۡ مَتَّعۡنَا ہٰۤؤُلَآءِ وَ اٰبَآءَہُمۡ حَتّٰی طَالَ عَلَیۡہِمُ الۡعُمُرُ ؕ اَفَلَا یَرَوۡنَ اَنَّا نَاۡتِی الۡاَرۡضَ نَنۡقُصُہَا مِنۡ اَطۡرَافِہَا ؕ اَفَہُمُ الۡغٰلِبُوۡنَ ﴿۴۴﴾
Bal matta'naa haaa'oelaaa'ie wa aabaaa'ahoem hattaa taala 'alaihiemoel 'oemoer; afalaa yarawna anna na'tiel arda nanqoesoehaa mien atraafiehaa; afahoemoel ghaalieboen
21:44 Nee, Wij gaven hen en hun vaders voorzieningen totdat ze oud werden. Zien ze dan niet dat Wij tot het land komen en dat Wij het reduceren aan de grenzen? Zullen zij dus de winnaars zijn?

قُلۡ اِنَّمَاۤ اُنۡذِرُکُمۡ بِالۡوَحۡیِ ۫ۖ وَ لَا یَسۡمَعُ الصُّمُّ الدُّعَآءَ اِذَا مَا یُنۡذَرُوۡنَ ﴿۵۴﴾
Qoel iennamaaa oenzieroekoem bielwahyie; wa laa yasma'oes soemmoed doe'aaa 'a iezaa maa yoenzaroen
21:45 Zeg: "Ik waarschuw jullie alleen op basis van de openbaring." Echter, de doven horen de oproep niet wanneer ze gewaarschuwd worden.

وَ لَئِنۡ مَّسَّتۡہُمۡ نَفۡحَۃٌ مِّنۡ عَذَابِ رَبِّکَ لَیَقُوۡلُنَّ یٰوَیۡلَنَاۤ اِنَّا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۶۴﴾
Wa la'ien massat hoem nafhatoen mien 'azaabie Rabbieka la yaqoeloenna yaawailanaaa iennnaa koennaa zaaliemieen
21:46 En als er een zeer lichte straf van jou Heer hen zou treffen, dan zouden ze zeker zeggen: "O wee ons! Voorzeker, wij waren onrechtplegers!"

وَ نَضَعُ الۡمَوَازِیۡنَ الۡقِسۡطَ لِیَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ فَلَا تُظۡلَمُ نَفۡسٌ شَیۡئًا ؕ وَ اِنۡ کَانَ مِثۡقَالَ حَبَّۃٍ مِّنۡ خَرۡدَلٍ اَتَیۡنَا بِہَا ؕ وَ کَفٰی بِنَا حٰسِبِیۡنَ ﴿۷۴﴾
Wa nada'oel mawaazieenal qiesta lie Yawmiel Qieyaamatie falaa toezlamoe nafsoen shai'aa; wa ien kaana miesqaala habbatiem mien ghardalien atainaa biehaa; wa kafaa bienaa haasiebieen
21:47 En op de dag des oordeels zullen Wij de weegschalen van rechtvaardigheid opstellen. Geen enkel Nafs (persoon) zal dan op geen enkel gebied onrecht worden aangedaan. Zelfs als er een gewicht van een mosterzaadje is (van onrecht of goede daad), zullen Wij het naar voren brengen. En Wij zijn voldoende als Berekenaar/Boekhouder.

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ الۡفُرۡقَانَ وَ ضِیَآءً وَّ ذِکۡرًا لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۸۴﴾
Wa laqad aatainaa Moesa wa haaroenal Foerqaana wa dieyaa'aw wa ziekral lielmoettaqieen
21:48 En waarlijk, Wij gaven Moesa (Mozes) en Harun (Aaron) de Foerqan (het onderscheidt tussen goed en kwaad), een licht (Torah) en een herinnering voor de Moetaqoen (rechtvaardigen, zie 2:2-5).

الَّذِیۡنَ یَخۡشَوۡنَ رَبَّہُمۡ بِالۡغَیۡبِ وَ ہُمۡ مِّنَ السَّاعَۃِ مُشۡفِقُوۡنَ ﴿۹۴﴾
Allazieena yaghshawna Rabbahoem bielghaibie wa hoem mienas Saa'atie moeshfieqoen
21:49 (Dat zijn) Degenen die hun Heer vrezen zonder (Hem) gezien te hebben. En ze vrezen het uur (de dag des oordeels).

وَ ہٰذَا ذِکۡرٌ مُّبٰرَکٌ اَنۡزَلۡنٰہُ ؕ اَفَاَنۡتُمۡ لَہٗ مُنۡکِرُوۡنَ ﴿۰۵﴾
Wa haazaa Ziekroem Moebaarakoen anzalnaah; afa antoem lahoe moen-kieroen
21:50 En dit is een gezegende herinnering (de Koran), welke Wij hebben geopenbaard. Zijn jullie dan de verwerpers ervan?

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَاۤ اِبۡرٰہِیۡمَ رُشۡدَہٗ مِنۡ قَبۡلُ وَ کُنَّا بِہٖ عٰلِمِیۡنَ ﴿۱۵﴾
Wa laqad aatainaaa Ibraahieema roeshdahoe mien qabloe wa koennaa biehiee 'aaliemieen
21:51 En waarlijk, Wij gaven Ibrahiem (Abraham) zijn wijsheid eerder (op jongere leeftijd) en we kennen hem goed.

اِذۡ قَالَ لِاَبِیۡہِ وَ قَوۡمِہٖ مَا ہٰذِہِ التَّمَاثِیۡلُ الَّتِیۡۤ اَنۡتُمۡ لَہَا عٰکِفُوۡنَ ﴿۲۵﴾
Iz qaala lie abieehie wa qawmiehiee maa haaziehiet tamaasieeloel latieee antoem lahaa 'aakiefoen
21:52 (Gedenk) toen hij tot zijn oom en zijn volk zei: "Zijn dit de beelden waar jullie aan toewijden (aanbidden)?" (Notitie zie m.b.t. oom 6:74, 12:3, 19:42)

قَالُوۡا وَجَدۡنَاۤ اٰبَآءَنَا لَہَا عٰبِدِیۡنَ ﴿۳۵﴾
Qaaloe wadjadnaaa aabaaa'anaa lahaa 'aabiedieen
21:53 Ze zeiden: "We zagen dat onze voorvaders hen aanbaden."

قَالَ لَقَدۡ کُنۡتُمۡ اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمۡ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۵﴾
Qaala laqad koentoem antoem wa aabaaa'oekoem fiee dalaalien moebieen
21:54 Hij (Ibrahiem) zei: "Waarlijk, jullie begaan en jullie voorvaders begingen een duidelijke fout."

قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا بِالۡحَقِّ اَمۡ اَنۡتَ مِنَ اللّٰعِبِیۡنَ ﴿۵۵﴾
Qaaloeo adjie'tanaa biel haqqie am anta mienal laa'iebieen
21:55 Ze zeiden: "Ben jij met de waarheid tot Ons gekomen of ben jij degene die (met ons) speelt?"

قَالَ بَلۡ رَّبُّکُمۡ رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ الَّذِیۡ فَطَرَہُنَّ ۫ۖ وَ اَنَا عَلٰی ذٰلِکُمۡ مِّنَ الشّٰہِدِیۡنَ ﴿۶۵﴾
Qaala bar Rabboekoem Rabboes samaawaatie wal ardiel laziee fatarahoenna wa ana 'alaa zaaliekoem mienash shaahiedieen
21:56 Hij zei "Nee! Jullie Heer is de Heer van de hemelen en de aarde, Degene Die hen heeft geschapen. En ik behoor tot degene die daarvan getuigen." (Notitie: In vers 18:51 wordt gesteld dat niemand getuige is van de schepping van hemelen en aarde. Echter, in vers 6:75 wordt gesteld dat Allah aan Ibrahiem de Koninkrijk van de hemelen en de aarde heeft laten zien. Vandaar dat Ibrahiem tot getuigen behoort ervan heboort.)

وَ تَاللّٰہِ لَاَکِیۡدَنَّ اَصۡنَامَکُمۡ بَعۡدَ اَنۡ تُوَلُّوۡا مُدۡبِرِیۡنَ ﴿۷۵﴾
Wa tallaahie la akieedanna asnaamakoem ba'da an toewalloe moedbierieen
21:57 "En (ik zweer) Bij Allah! Ik zal zeker iets met jullie standbeelden doen, nadat jullie vertrokken zijn."

فَجَعَلَہُمۡ جُذٰذًا اِلَّا کَبِیۡرًا لَّہُمۡ لَعَلَّہُمۡ اِلَیۡہِ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۸۵﴾
Fadja'alahoem djoezaazan iellaa kabieeral lahoem la'allahoem ielaihie yardjie'oen
21:58 Dus sloeg hij hen (de standbeelden) tot kleine stukjes behalve een grote van hen, zodat ze er naar terug konden keren (om het te ondervragen).

قَالُوۡا مَنۡ فَعَلَ ہٰذَا بِاٰلِہَتِنَاۤ اِنَّہٗ لَمِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۹۵﴾
Qaaloe man fa'ala haazaa bie aaliehatienaaa iennahoe lamienaz zaaliemieen
21:59 Ze zeiden: "Wie heeft dit tegen onze afgoden gedaan? Diegene is zonder twijfel een misdadiger!"

قَالُوۡا سَمِعۡنَا فَتًی یَّذۡکُرُہُمۡ یُقَالُ لَہٗۤ اِبۡرٰہِیۡمُ ﴿۰۶﴾
Qaaloe samie'naa fatay yazkoeroehoem yoeqaaloe lahoeo Ibraahieem
21:60 Ze zeiden: "Wij hoorden een jongen die (slecht) over hen sprak, hij heet Ibrahiem."

قَالُوۡا فَاۡتُوۡا بِہٖ عَلٰۤی اَعۡیُنِ النَّاسِ لَعَلَّہُمۡ یَشۡہَدُوۡنَ ﴿۱۶﴾
Qaaloe fa'toe biehiee 'alaaa a'yoenien naasie la'allahoem yash hadoen
21:61 Ze (de leiders) zeiden: "Breng hem dan voor de ogen van de mensen, zodat ze kunnen getuigen."

قَالُوۡۤا ءَاَنۡتَ فَعَلۡتَ ہٰذَا بِاٰلِہَتِنَا یٰۤـاِبۡرٰہِیۡمُ ﴿۲۶﴾
Qaaloeo 'a-anta fa'alta haazaa bie aaliehatienaa yaaa Ibraahieem
21:62 Ze zeiden: "Heb jij dit met onze goden gedaan, O Ibrahiem!?"

قَالَ بَلۡ فَعَلَہٗ ٭ۖ کَبِیۡرُہُمۡ ہٰذَا فَسۡـَٔلُوۡہُمۡ اِنۡ کَانُوۡا یَنۡطِقُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Qaala bal fa'alahoe kabieeroehoem haazaa fas'aloehoem ien kaanoe yantieqoen
21:63 Hij zei: "Nee! Hun hoofd-god (de belangrijkste god) heeft het gedaan. Vraag hen dus, als ze kunnen spreken!"

فَرَجَعُوۡۤا اِلٰۤی اَنۡفُسِہِمۡ فَقَالُوۡۤا اِنَّکُمۡ اَنۡتُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۴۶﴾
Faradja'oeo ielaaa anfoesiehiem faqaaloeo iennakoem antoemoez zaaliemoen
21:64 Vervolgens keerden ze (de leiders) zich tot henzelf (voor beraad) en zeiden: "Voorzeker, wij zijn de misdadigers."

ثُمَّ نُکِسُوۡا عَلٰی رُءُوۡسِہِمۡ ۚ لَقَدۡ عَلِمۡتَ مَا ہٰۤؤُلَآءِ یَنۡطِقُوۡنَ ﴿۵۶﴾
Soemma noekiesoe 'alaa roe'oesiehiem laqad 'aliemta maa haaa'oelaaa'ie yantieqoen
21:65 Vervolgens draaiden ze weer terug van gedachten (aan de toewijding van hun afgoden) (en zeiden):" Waarlijk, jij weet dat deze niet kunnen spreken!"

قَالَ اَفَتَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَا لَا یَنۡفَعُکُمۡ شَیۡئًا وَّ لَا یَضُرُّکُمۡ ﴿۶۶﴾
Qaala afata'boedoena mien doeniel laahie maa laa yanfa'oekoem shai'aw wa laa yadoerroekoem
21:66 Hij (Ibrahiem) zei: "Dus aanbidden jullie naast Allah iets, wat jullie geen enkel voordeel geeft, noch jullie schaden kan?"

اُفٍّ لَّکُمۡ وَ لِمَا تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۷۶﴾
Oeffiel lakoem wa liemaa ta'boedoena mien doeniel laah; afalaa ta'qieloen
21:67 "Foei jullie, en wat jullie naast Allah aanbidden! Denken jullie dan niet na!"

قَالُوۡا حَرِّقُوۡہُ وَ انۡصُرُوۡۤا اٰلِہَتَکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ فٰعِلِیۡنَ ﴿۸۶﴾
Qaaloe harrieqoehoe wansoeroeo aaliehatakoem ien koentoem faa'ielieen
21:68 Ze (de leiders) zeiden (tegen de mensen): "Verbrandt hem en steun jullie goden, als jullie mensen van daden zijn!"

قُلۡنَا یٰنَارُ کُوۡنِیۡ بَرۡدًا وَّ سَلٰمًا عَلٰۤی اِبۡرٰہِیۡمَ ﴿۹۶﴾
Qoelnaa yaa naaroe koeniee bardaw wa salaaman 'alaaa Ibraahieem
21:69 Wij (Allah) zeiden: "O vuur! Wees koel en ongevaarlijk voor Ibrahiem!"

وَ اَرَادُوۡا بِہٖ کَیۡدًا فَجَعَلۡنٰہُمُ الۡاَخۡسَرِیۡنَ ﴿۰۷﴾
Wa araadoe biehiee kaidan fadja'alnaahoemoel aghsarieen
21:70 En ze wilden hem kwaad doen, maar wij maakten hen tot de grootste verliezers.

وَ نَجَّیۡنٰہُ وَ لُوۡطًا اِلَی الۡاَرۡضِ الَّتِیۡ بٰرَکۡنَا فِیۡہَا لِلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۷﴾
Wa nadjdjainaahoe wa Loetan ielal ardiel latiee baaraknaa fieehaa liel 'aalamieen
21:71 En Wij redden hem en Loeth (Lot) en brachten hen naar het land, dat Wij voor alle mensen op de wereld gezegend hebben.

وَ وَہَبۡنَا لَہٗۤ اِسۡحٰقَ ؕ وَ یَعۡقُوۡبَ نَافِلَۃً ؕ وَ کُلًّا جَعَلۡنَا صٰلِحِیۡنَ ﴿۲۷﴾
Wa wahabnaa lahoeo Ishaaqa; wa Ya'qoeba naafielah; wa koellan dja'alnaa saaliehieen
21:72 En Wij schonken hem Izaak en Jakob als een extra geschenk. En Wij maakten ieder van hen rechtvaardig.

وَ جَعَلۡنٰہُمۡ اَئِمَّۃً یَّہۡدُوۡنَ بِاَمۡرِنَا وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡہِمۡ فِعۡلَ الۡخَیۡرٰتِ وَ اِقَامَ الصَّلٰوۃِ وَ اِیۡتَآءَ الزَّکٰوۃِ ۚ وَ کَانُوۡا لَنَا عٰبِدِیۡنَ ﴿۳۷﴾
Wa dja'alnaahoem a'iemmatay yahdoena bie amrienaa wa awhainaaa ielaihiem fie'lal ghairaatie wa ieqaamas Salaatie wa ieetaaa'az Zakaatie wa kaanoe lanaa 'aabiedieen
21:73 We maakten hen tot leiders, die de leiding verschaften door Ons gebod. Wij inspireerde hen om goede daden te doen, het gebed (de salaat) te onderhouden en de zakaat (arme belasting) te geven. Ze waren (zuivere) aanbidders van Ons.

وَ لُوۡطًا اٰتَیۡنٰہُ حُکۡمًا وَّ عِلۡمًا وَّ نَجَّیۡنٰہُ مِنَ الۡقَرۡیَۃِ الَّتِیۡ کَانَتۡ تَّعۡمَلُ الۡخَبٰٓئِثَ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمَ سَوۡءٍ فٰسِقِیۡنَ ﴿۴۷﴾
Wa Loetan aatainaahoe hoekmaw wa 'ielmaw wa nadjdjainaahoe mienal qaryatiel latiee kaanat ta'maloel ghabaaa'ies; iennahoem kaanoe qawma saw'ien faasieqieen
21:74 En Loeth, Wij gaven hem de gave om rechtvaardig te oordelen (wijsheid) en kennis. Wij redden hem van de stad die smerige daden verrichtten. Voorzeker, het was een slecht volk, provocerend ongehoorzaam.

وَ اَدۡخَلۡنٰہُ فِیۡ رَحۡمَتِنَا ؕ اِنَّہٗ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۵۷﴾
Wa adghalnaahoe fiee rahmatienaa iennahoe mienas saaliehieen
21:75 En Wij hebben hem tot Onze Barmhartigheid toegelaten. Voorzeker, hij was rechtvaardig.

وَ نُوۡحًا اِذۡ نَادٰی مِنۡ قَبۡلُ فَاسۡتَجَبۡنَا لَہٗ فَنَجَّیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗ مِنَ الۡکَرۡبِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۶۷﴾
Wa noehan iez naadaa mien qabloe fastadjabnaa lahoe fanadjdjainaahoe wa ahlahoe mienal karbiel 'azieem
21:76 En (gedenk) Noeh (Noach), toen hij (Ons) aanriep. Wij verhoorden hem, en hebben hem en zijn familie van een grote moeilijkheid gered.

وَ نَصَرۡنٰہُ مِنَ الۡقَوۡمِ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمَ سَوۡءٍ فَاَغۡرَقۡنٰہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۷۷﴾
Wa nasarnaahoe mienal qawmiel lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa; iennahoem kaanoe qawma saw'ien fa-aghraq naahoem adjma'ieen
21:77 En Wij hielpen hem tegen het volk dat Onze tekenen verwierp. Voorzeker, ze waren een slecht volk, dus hebben Wij ze allemaal verdronken.

وَ دَاوٗدَ وَ سُلَیۡمٰنَ اِذۡ یَحۡکُمٰنِ فِی الۡحَرۡثِ اِذۡ نَفَشَتۡ فِیۡہِ غَنَمُ الۡقَوۡمِ ۚ وَ کُنَّا لِحُکۡمِہِمۡ شٰہِدِیۡنَ ﴿۸۷﴾
Wa Daawoeda wa Soelaimaana iez yahkoemaanie fiel harsie iez nafashat fieehie ghanamoel qawmie wa koennaa liehoekmiehiem shaahiedieen
21:78 En (gedenk) Dawoed (David) en Soelaiman (Solomon), toen ze oordeelden over het akkerveld met schapen van (andere) mensen erop. Wij waren getuigen van hun oordeel.

فَفَہَّمۡنٰہَا سُلَیۡمٰنَ ۚ وَ کُلًّا اٰتَیۡنَا حُکۡمًا وَّ عِلۡمًا ۫ وَّ سَخَّرۡنَا مَعَ دَاوٗدَ الۡجِبَالَ یُسَبِّحۡنَ وَ الطَّیۡرَ ؕ وَ کُنَّا فٰعِلِیۡنَ ﴿۹۷﴾
Fafahhamnaahaa soelaimaan; wa koellan aatainaa hoekmaw wa'ielmaw wa sagh gharnaa ma'a Daawoedal djiebaala yoesabbiehna wattayr; wa koennaa faa'ielieen
21:79 En Wij lieten Soelaiman het (de kwestie) begrijpen. Aan elk gaven Wij de gave om rechtvaardig te oordelen en kennis. En Wij onderwierpen de bergen en de vogels om samen met Dawoed, Ons te verheerlijken. Wij waren het die (al deze dingen) gedaan hebben.

وَ عَلَّمۡنٰہُ صَنۡعَۃَ لَبُوۡسٍ لَّکُمۡ لِتُحۡصِنَکُمۡ مِّنۡۢ بَاۡسِکُمۡ ۚ فَہَلۡ اَنۡتُمۡ شٰکِرُوۡنَ ﴿۰۸﴾
Wa 'allamnaahoe san'ata laboesiel lakoem lietoehsienakoem mien ba'siekoem fahal antoem shaakieroen
21:80 En Wij leerden hem om metalen kledingstukken (maliënkolders) te maken om jullie te beschermen tijdens jullie gevechten. Zijn jullie dan dankbaar (ervoor)?

وَ لِسُلَیۡمٰنَ الرِّیۡحَ عَاصِفَۃً تَجۡرِیۡ بِاَمۡرِہٖۤ اِلَی الۡاَرۡضِ الَّتِیۡ بٰرَکۡنَا فِیۡہَا ؕ وَ کُنَّا بِکُلِّ شَیۡءٍ عٰلِمِیۡنَ ﴿۱۸﴾
Wa lie Soelaimaanar rieeha 'aasiefatan tadjriee bie amriehieee ielal ardiel latiee baaraknaa fieehaa; wa koennaa biekoellie shai'ien 'aaliemieen
21:81 En aan Soelaiman werd de wind onderworpen, die onder zijn bevel stormde over het land dat Wij gezegend hadden. Wij zijn op de hoogte van alle dingen.

وَ مِنَ الشَّیٰطِیۡنِ مَنۡ یَّغُوۡصُوۡنَ لَہٗ وَ یَعۡمَلُوۡنَ عَمَلًا دُوۡنَ ذٰلِکَ ۚ وَ کُنَّا لَہُمۡ حٰفِظِیۡنَ ﴿۲۸﴾
Wa mienash Shayaatieenie may yaghoesoena lahoe wa ya'maloena 'amalan doena zaalieka wa koenna lahoem haafiezieen
21:82 En van de satans (duivels onder de djiens) waren er sommigen die voor hem doken en daarnaast ander werk deden. Wij waren Wakers over hen.

وَ اَیُّوۡبَ اِذۡ نَادٰی رَبَّہٗۤ اَنِّیۡ مَسَّنِیَ الضُّرُّ وَ اَنۡتَ اَرۡحَمُ الرّٰحِمِیۡنَ ﴿۳۸﴾
Wa Ayyoeba iez naadaa Rabbahoeo anniee massanieyad doerroe wa Anta arhamoer raahiemieen
21:83 En (gedenk) Ayoeb (Job) toen hij tot zijn Heer riep: "Voorzeker, 'Doer' (ziekte) heeft mij getroffen. U bent de Erbarmer, de Meest Barmhartige." (Notitie: Zie ook 10:107 m.b.t. Doer.)

فَاسۡتَجَبۡنَا لَہٗ فَکَشَفۡنَا مَا بِہٖ مِنۡ ضُرٍّ وَّ اٰتَیۡنٰہُ اَہۡلَہٗ وَ مِثۡلَہُمۡ مَّعَہُمۡ رَحۡمَۃً مِّنۡ عِنۡدِنَا وَ ذِکۡرٰی لِلۡعٰبِدِیۡنَ ﴿۴۸﴾
Fastadjabnaa lahoe fakashaf naa maa biehiee mien doerriew wa aatainaahoe ahlahoe wa mieslahoem ma'ahoem rahmatan mien 'iendienaa wa ziekraa liel'aabiedieen
21:84 Daarop verhoorden Wij hem en verwijderden de ziekte van hem. Wij gaven hem zijn (nieuwe) familie en verdubbelde het aantal (kinderen) van hen, dit als barmhartigheid van Ons en als een lering voor de aanbidders.

وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِدۡرِیۡسَ وَ ذَاالۡکِفۡلِ ؕ کُلٌّ مِّنَ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۵۸﴾
Wa Ismaa'ieela wa Idrieesa wa Zal Kieflie koelloem mienas saabierieen
21:85 En (gedenk) Ismaiel, Idries en Dzoel-kifl. Allen waren geduldig.

وَ اَدۡخَلۡنٰہُمۡ فِیۡ رَحۡمَتِنَا ؕ اِنَّہُمۡ مِّنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۶۸﴾
Wa adghalnaahoem fiee rahmatienaa iennahoem mienas saaliehieen
21:86 Wij hebben hen tot Onze Barmhartigheid toegelaten. Voorzeker, ze waren rechtvaardig.

وَ ذَاالنُّوۡنِ اِذۡ ذَّہَبَ مُغَاضِبًا فَظَنَّ اَنۡ لَّنۡ نَّقۡدِرَ عَلَیۡہِ فَنَادٰی فِی الظُّلُمٰتِ اَنۡ لَّاۤ اِلٰہَ اِلَّاۤ اَنۡتَ سُبۡحٰنَکَ ٭ۖ اِنِّیۡ کُنۡتُ مِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۷۸﴾
Wa Zan Noenie iez zahaba moeghaadieban fa zannaa al lan naqdiera 'alaihie fanaadaa fiez zoeloemaatie al laaa ielaaha iellaaa Anta Soebhaanaka ienniee koentoe mienaz zaaliemieen
21:87 En (gedenk) 'Dzoennnoen' (Joenoes) toen hij kwaad wegging en dacht dat Wij geen macht over hem hadden. Vervolgens riep hij in de duisternissen (in de buik van de vis): "Er is geen godheid/deïteit dan U! Soebhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) en Hoogverheven bent U! Voorzeker, ik behoor tot de onrechtvaardigen!"(Notitie: Dzoennnoen betekent letterlijk de man van de vis\haai, met andere woorden er wordt hier gerefereerd naar Joenoes.)

فَاسۡتَجَبۡنَا لَہٗ ۙ وَ نَجَّیۡنٰہُ مِنَ الۡغَمِّ ؕ وَ کَذٰلِکَ نُــۨۡجِی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۸﴾
Fastadjabnaa lahoe wa nadjdjainaahoe mienal ghamm; wa kazaalieka noendjiel moe'mienieen
21:88 Daarop verhoorden Wij hem (aanvaardden zijn gebed) en redden hem van de moeilijkheid. Op die manier redden Wij de gelovigen. (Notitie: Deze vers stelt dat Allah helpt op basis van Dua's\smeekgebeden).

وَ زَکَرِیَّاۤ اِذۡ نَادٰی رَبَّہٗ رَبِّ لَا تَذَرۡنِیۡ فَرۡدًا وَّ اَنۡتَ خَیۡرُ الۡوٰرِثِیۡنَ ﴿۹۸﴾
Wa Zakarieyyaaa iez naadaa Rabbahoe Rabbie laa tazarniee fardaw wa Anta ghairoel waariesieen
21:89 En (gedenk) Zakariya, toen hij zijn tot zijn Heer riep: "Mijn Heer! Laat mij niet alleen achter (zonder een erfgenaam). U bent de ultieme Al-Waarithien (Degenen Die alles Erft)."

فَاسۡتَجَبۡنَا لَہٗ ۫ وَ وَہَبۡنَا لَہٗ یَحۡیٰی وَ اَصۡلَحۡنَا لَہٗ زَوۡجَہٗ ؕاِنَّہُمۡ کَانُوۡا یُسٰرِعُوۡنَ فِی الۡخَیۡرٰتِ وَ یَدۡعُوۡنَنَا رَغَبًا وَّ رَہَبًا ؕوَ کَانُوۡا لَنَا خٰشِعِیۡنَ ﴿۰۹﴾
Fastadjabnaa lahoe wa wahabnaa lahoe Yahyaa Wa aslahnaa lahoe zawdjah; iennahoem kaanoe yoesaarie'oena fiel ghairaatie wa yad'oenanaa raghabaw wa rahabaa; wa kaanoe lanaa ghaashie'ieen
21:90 Daarop verhoorden Wij hem en schonken Yahya (Johannes) aan hem. Wij genazen zijn vrouw voor hem (, om een kind te baren). Voorzeker, ze haastten zich in het verrichten van goede daden en riepen Ons aan met hoop en vrees. Ze stelden zich nederig en onderdanig voor Ons op.

وَ الَّتِیۡۤ اَحۡصَنَتۡ فَرۡجَہَا فَنَفَخۡنَا فِیۡہَا مِنۡ رُّوۡحِنَا وَ جَعَلۡنٰہَا وَ ابۡنَہَاۤ اٰیَۃً لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۹﴾
Wallatieee ahsanat fardjahaa fanafaghnaa fieehaa mien roehienaa wa dja'alnaahaa wabnahaaa Aayatan liel'aalamieen
21:91 En (gedenk Maryam/Maria), zij die waakte over haar kuisheid/maagdelijkheid. Wij bliezen in haar "mien" (van\via) Onze "Roeh" (geest\Gabriël). En Wij maakten haar en haar zoon een teken voor de werelden. (Notitie: zie ook 66:12)

اِنَّ ہٰذِہٖۤ اُمَّتُکُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً ۫ۖ وَّ اَنَا رَبُّکُمۡ فَاعۡبُدُوۡنِ ﴿۲۹﴾
Inna haaziehieee oemmatoekoem oemmataw waahiedataw wa Ana Rabboekoem fa'boedoen
21:92 Waarlijk! Deze Ummah (gemeenschap) behoort tot één Ummah en Ik ben jullie Heer, dus aanbidt mij.

وَ تَقَطَّعُوۡۤا اَمۡرَہُمۡ بَیۡنَہُمۡ ؕ کُلٌّ اِلَیۡنَا رٰجِعُوۡنَ ﴿۳۹﴾
Wa taqatta'oeo amrahoem bainahoem koelloen ielainaaa raadjie'oen
21:93 Echter, ze verbraken hun banden onder elkaar vanwege hun (geloofs-)kwestie. Allen zullen tot ons terugkeren!

فَمَنۡ یَّعۡمَلۡ مِنَ الصّٰلِحٰتِ وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَلَا کُفۡرَانَ لِسَعۡیِہٖ ۚ وَ اِنَّا لَہٗ کٰتِبُوۡنَ ﴿۴۹﴾
Famay ya'mal mienas saaliehaatie wa hoewa moe'mienoen falaa koefraana liesa'yiehiee wa iennaa lahoe kaatieboen
21:94 Wie dan goede daden verricht terwijl hij gelovig is (in de éénheid van Allah), (weet dan dat) zijn inspanning niet zal worden verworpen. Voorzeker, Wij zijn de vastlegger ervan.

وَ حَرٰمٌ عَلٰی قَرۡیَۃٍ اَہۡلَکۡنٰہَاۤ اَنَّہُمۡ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۵۹﴾
Wa haraamoen 'alaa qaryatien ahlaknaahaaa annahoem laa yardjie'oen
21:95 En er is een verbod van wederopbouw op een stad, die Wij vernietigd hebben, vastgesteld. Ze zullen niet terugkeren.

حَتّٰۤی اِذَا فُتِحَتۡ یَاۡجُوۡجُ وَ مَاۡجُوۡجُ وَ ہُمۡ مِّنۡ کُلِّ حَدَبٍ یَّنۡسِلُوۡنَ ﴿۶۹﴾
Hattaaa iezaa foetiehat Ya'djoedjoe wa Ma'djoedjoe wa hoem mien koellie hadabiey yansieloen
21:96 Totdat wanneer (de toegang voor) Yadjoed (Gog) en Madjoed (Magog) geopend wordt en ze vanuit elke hoogte neerdalen.

وَ اقۡتَرَبَ الۡوَعۡدُ الۡحَقُّ فَاِذَا ہِیَ شَاخِصَۃٌ اَبۡصَارُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ؕ یٰوَیۡلَنَا قَدۡ کُنَّا فِیۡ غَفۡلَۃٍ مِّنۡ ہٰذَا بَلۡ کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۷۹﴾
Waqtarabal wa'doel haqqoe fa-iezaa hieya shaaghiesatoen absaaroel lazieena kafaroe yaawailanaa qad koenna fiee ghaflatien mien haaza bal koennaa zaaliemieen
21:97 En als de ware belofte nadert (de dag des oordeels), aanschouw, de ogen van de ongelovigen zullen staren (denkende): "O, Wee ons! Waarlijk, we waren achteloos voor dit. Nee! Wij waren onrechtvaardig!"

اِنَّکُمۡ وَ مَا تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ حَصَبُ جَہَنَّمَ ؕ اَنۡتُمۡ لَہَا وٰرِدُوۡنَ ﴿۸۹﴾
Innakoem wa maa ta'boedoena mien doeniel laahie hasaboe djahannama antoem lahaa waariedoen
21:98 Voorzeker, jullie en wat jullie naast Allah aanbidden zijn brandstof voor de hel. Jullie zullen het binnentreden!

لَوۡ کَانَ ہٰۤؤُلَآءِ اٰلِہَۃً مَّا وَرَدُوۡہَا ؕ وَ کُلٌّ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۹۹﴾
Law kaana haaa'oelaaa'ie aaliehatan maa waradoehaa wa koelloen fieehaa ghaaliedoen
21:99 Als deze (echte) godheden/deïteiten waren, dan zouden ze het niet betreden. (Echter,) Allen zullen er voor altijd in verblijven.

لَہُمۡ فِیۡہَا زَفِیۡرٌ وَّ ہُمۡ فِیۡہَا لَا یَسۡمَعُوۡنَ ﴿۰۰۱﴾
Lahoem fieehaa zafieeroew wa hoem fieehaa laa yasma'oen
21:100 Daarin is voor hen het zuchten en ze zullen daar niet kunnen horen.

اِنَّ الَّذِیۡنَ سَبَقَتۡ لَہُمۡ مِّنَّا الۡحُسۡنٰۤی ۙ اُولٰٓئِکَ عَنۡہَا مُبۡعَدُوۡنَ ﴿۱۰۱﴾
Innal lazieena sabaqat lahoem miennal hoesnaaa oelaaa'ieka 'anhaa moeb'adoen
21:101 Voorzeker, degenen die al eerder het goede van Ons hebben gehad, zullen er ver vandaan zijn.

لَا یَسۡمَعُوۡنَ حَسِیۡسَہَا ۚ وَ ہُمۡ فِیۡ مَا اشۡتَہَتۡ اَنۡفُسُہُمۡ خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۰۱﴾
Laa yasma'oena hasiee sahaa wa hoem fiee mash tahat anfoesoehoem ghaaliedoen
21:102 Ze zullen niet het geringste geluid ervan (de hel) horen. Ze zullen eeuwig in vertoeven in datgeen wat de Nafs (de eigen ik) verlangt.

لَا یَحۡزُنُہُمُ الۡفَزَعُ الۡاَکۡبَرُ وَ تَتَلَقّٰہُمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ ؕ ہٰذَا یَوۡمُکُمُ الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۳۰۱﴾
Laa yahzoenoehoemoel faza'oel akbaroe wa tatalaq qaahoemoel malaaa'iekatoe haazaa Yawmoekoemoel laziee koentoem toe'adoen
21:103 De grote verschrikking (van de dag des oordeels) zal hen geen verdriet aandoen en de engelen zullen hun bezoeken (zeggende): "Dit is jullie dag, welke jullie beloofd was."

یَوۡمَ نَطۡوِی السَّمَآءَ کَطَیِّ السِّجِلِّ لِلۡکُتُبِ ؕ کَمَا بَدَاۡنَاۤ اَوَّلَ خَلۡقٍ نُّعِیۡدُہٗ ؕ وَعۡدًا عَلَیۡنَا ؕ اِنَّا کُنَّا فٰعِلِیۡنَ ﴿۴۰۱﴾
Yawma natwies samaaa'a kataiyies siedjiellie lielkoetoeb; kamaa bada'naa awwala ghalqien noe'ieedoeh; wa'dan 'alainaa; iennaa koenna faa'ielieen
21:104 (Dat is) de Dag waarop Wij de hemelen zullen oprollen zoals het oprollen van perkament tot een boekrol. Zoals Wij met de eerste schepping zijn begonnen, net zo zullen Wij het herhalen. Dit is een belofte van Ons. Voorzeker, Wij zijn de uitvoerder.

وَ لَقَدۡ کَتَبۡنَا فِی الزَّبُوۡرِ مِنۡۢ بَعۡدِ الذِّکۡرِ اَنَّ الۡاَرۡضَ یَرِثُہَا عِبَادِیَ الصّٰلِحُوۡنَ ﴿۵۰۱﴾
Wa laqad katabnaa fiez Zaboerie mien ba'diez ziekrie annal arda yariesoehaa 'iebaadie yas saaliehoen
21:105 En waarlijk, Wij hebben in de Zaboer geschreven, na het vermeld te hebben (in de Lauh Al-Mahfuz), dat Mijn dienaren de aarde zullen erven.

اِنَّ فِیۡ ہٰذَا لَبَلٰغًا لِّقَوۡمٍ عٰبِدِیۡنَ ﴿۶۰۱﴾
Inna fiee haaza labalaa ghal lieqawmien 'aabiedieen
21:106 Voorzeker, in deze (Koran) is zeker een boodschap voor een volk dat aanbidt.

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ اِلَّا رَحۡمَۃً لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۰۱﴾
Wa maaa arsalnaaka iellaa rahmatal liel'aalamieen
21:107 En Wij hebben jou (Mohammed v.z.m.h.) alleen als een barmhartigheid (van Allah) voor de werelden gezonden.

قُلۡ اِنَّمَا یُوۡحٰۤی اِلَیَّ اَنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمۡ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ۚ فَہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّسۡلِمُوۡنَ ﴿۸۰۱﴾
Qoel iennamaa yoehaa ielaiya annamaaa ielaahoekoem iellaahoew waahied, fahal antoem moesliemoen
21:108 Zeg: "Er is alleen geopenbaard aan mij dat jullie godheid/deïteit één god/deïteit is. Willen jullie je dan aan hem onderwerpen?"

فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَقُلۡ اٰذَنۡتُکُمۡ عَلٰی سَوَآءٍ ؕ وَ اِنۡ اَدۡرِیۡۤ اَقَرِیۡبٌ اَمۡ بَعِیۡدٌ مَّا تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۹۰۱﴾
Fa ien tawallaw faqoel aazantoekoem 'alaa sawaaa'; wa ien adrieee aqarieeboen am ba'ieedoen maa toe'adoen
21:109 Maar als ze zich afwenden (van de boodschap), zeg dan: "Ik heb het jullie allemaal duidelijk medegedeeld. Ik weet niet of datgeen wat jullie beloofd is (dag des oordeels), dichtbij of ver weg is."

اِنَّہٗ یَعۡلَمُ الۡجَہۡرَ مِنَ الۡقَوۡلِ وَ یَعۡلَمُ مَا تَکۡتُمُوۡنَ ﴿۰۱۱﴾
Innahoe ya'lamoel djahra mienal qawlie wa ya'lamoe maa taktoemoen
21:110 "Voorzeker, Hij weet wat er openlijk verklaard wordt en Hij weet wat jullie ervan verbergen."

وَ اِنۡ اَدۡرِیۡ لَعَلَّہٗ فِتۡنَۃٌ لَّکُمۡ وَ مَتَاعٌ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۱۱۱﴾
Wa ien adriee la'allahoe fietnatoel lakoem wa mataa'oen ielaahieen
21:111 "En ik weet het niet. Misschien is dit een beproeving voor jullie of een tijdelijk genieting."

قٰلَ رَبِّ احۡکُمۡ بِالۡحَقِّ ؕ وَ رَبُّنَا الرَّحۡمٰنُ الۡمُسۡتَعَانُ عَلٰی مَا تَصِفُوۡنَ ﴿۲۱۱﴾
Qaala Rabbieh koem biel haqq; wa Rabboenar Rahmaa noel moesta'aanoe 'alaa maa tasiefoen
21:112 Hij (Mohammed v.z.m.h.) zei: "Mijn Heer! Oordeel op basis van de waarheid! Onze Heer, is de meest Barmhartige, Degene naar Wiens hulp gezocht wordt tegen wat jullie (met Hem) associëren."


www.heiligekoran.nl