20 Taa Haa
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
طٰہٰ ۚ﴿۱﴾
Taa-Haa
20:1 Toa Ha

مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکَ الۡقُرۡاٰنَ لِتَشۡقٰۤی ۙ﴿۲﴾
Maaa anzalnaa 'alaikal Qoer-aana lietashqaaa
20:2 Wij hebben de Koran niet op jou neergedaalt om jou verdrietig te maken.

اِلَّا تَذۡکِرَۃً لِّمَنۡ یَّخۡشٰی ۙ﴿۳﴾
Illaa tazkieratal liemay yaghshaa
20:3 Maar (het is) als een herinnerring voor degenen die (Allah) vrezen.

تَنۡزِیۡلًا مِّمَّنۡ خَلَقَ الۡاَرۡضَ وَ السَّمٰوٰتِ الۡعُلٰی ؕ﴿۴﴾
Tanzieelam miemman ghalaqal arda was samaawaatiel 'oelaa
20:4 (Het is) een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen geschapen heeft.

اَلرَّحۡمٰنُ عَلَی الۡعَرۡشِ اسۡتَوٰی ﴿۵﴾
Ar-Rahmaanoe 'alal 'Arshies tawaa
20:5 De meest Barmhartige 'Istawa' (steeg op) de troon (op een manier die bij Zijn Majesteit past). (Notitie: zie ook 10:3.)

لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا وَ مَا تَحۡتَ الثَّرٰی ﴿۶﴾
Lahoe maa fies samaawaatie wa maa fiel ardie wa maa bainahoemaa wa maa tahtassaraa
20:6 Tot Hem behoort al datgeen wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt. En ook wat zich tussen beide en onder de grond bevindt.

وَ اِنۡ تَجۡہَرۡ بِالۡقَوۡلِ فَاِنَّہٗ یَعۡلَمُ السِّرَّ وَ اَخۡفٰی ﴿۷﴾
Wa ien tadjhar bielqawlie fa-iennahoe ya'lamoes sierra wa aghfaa
20:7 En als je hardop spreekt (Hij weet ervan). Waarlijk, Hij weet wat er in het geheim gezegd wordt en zelfs wat nog dieper verborgen is.

اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ لَہُ الۡاَسۡمَآءُ الۡحُسۡنٰی ﴿۸﴾
Allaahoe laaa ielaaha iellaa hoewa lahoel asmaa'oel hoesnaa
20:8 Allah, er is geen (andere) deïteit/godheid dan Hem. Tot Hem behoren de meest mooie namen. (Notitie: zie ook 17:110)

وَ ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ مُوۡسٰی ۘ﴿۹﴾
Wa hal ataaka hadieesoe Moesa
20:9 Heeft het verhaal van Moesa jou bereikt?

اِذۡ رَاٰ نَارًا فَقَالَ لِاَہۡلِہِ امۡکُثُوۡۤا اِنِّیۡۤ اٰنَسۡتُ نَارًا لَّعَلِّیۡۤ اٰتِیۡکُمۡ مِّنۡہَا بِقَبَسٍ اَوۡ اَجِدُ عَلَی النَّارِ ہُدًی ﴿۰۱﴾
Iz ra aa naaran faqaala lie ahliehiem koesoeo iennieee aanastoe naaral la'allieee aatieekoem mienhaa bieqabasien aw adjiedoe 'alan naarie hoedaa
20:10 Toen hij een vuur zag, zei hij tegen zijn familie: "Blijf hier. Voorzeker, ik zie een vuur. Misschien kan ik vuur voor jullie brengen of misschien vind ik bij het vuur leiding (mensen die mij kan leiden). (Notitie: zie ook 27:7 en 28:29).

فَلَمَّاۤ اَتٰىہَا نُوۡدِیَ یٰمُوۡسٰی ﴿۱۱﴾
Falammaaa ataahaa noedieya yaa Moesaa
20:11 Toen hij daar aankwam, werd hij geroepen: "O Moesa!"

اِنِّیۡۤ اَنَا رَبُّکَ فَاخۡلَعۡ نَعۡلَیۡکَ ۚ اِنَّکَ بِالۡوَادِ الۡمُقَدَّسِ طُوًی ﴿۲۱﴾
Innieee Ana Rabboeka faghla' na'laika iennaka bielwaadiel moeqaddasie Toewaa
20:12 "Voorzeker, Ik ben jouw Heer. Doe je schoenen uit, voorzeker, je bevindt zich in de heilige vallei Thuwa."

وَ اَنَا اخۡتَرۡتُکَ فَاسۡتَمِعۡ لِمَا یُوۡحٰی ﴿۳۱﴾
Wa anaghtartoeka fastamie' liemaa yoehaa
20:13 "Ik heb jou gekozen, dus luister naar datgeen wat geopenbaard wordt."

اِنَّنِیۡۤ اَنَا اللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّاۤ اَنَا فَاعۡبُدۡنِیۡ ۙ وَ اَقِمِ الصَّلٰوۃَ لِذِکۡرِیۡ ﴿۴۱﴾
Innanieee Anal laahoe laaa ielaaha iellaa Ana fa'boedniee wa aqiemies-salaata lieziekriee
20:14 "Voorzeker, Ik ben Allah. Er is geen deïteit/godheid dan Ik. Dus aanbid Mij en onderhoud de 'Salaat' (het gebed) om Mij te gedenken."

اِنَّ السَّاعَۃَ اٰتِیَۃٌ اَکَادُ اُخۡفِیۡہَا لِتُجۡزٰی کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا تَسۡعٰی ﴿۵۱﴾
Innas Saa'ata aatieyatoen akaadoe oeghfieehaa lietoedjzaa koelloe nafsien biemaa tas'aa
20:15 "Voorzeker, het uur (dag des oordeel) komt eraan. Ik sta op het punt om het te onthullen zodat ieder persoon beloond kan worden voor datgeen waarnaar hij streeft."

فَلَا یَصُدَّنَّکَ عَنۡہَا مَنۡ لَّا یُؤۡمِنُ بِہَا وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ فَتَرۡدٰی ﴿۶۱﴾
Falaa yasoeddannaka 'anhaa mal laa yoe'mienoe biehaa wattaba'a hawaahoe fatardaa
20:16 "Dus laat je daarom er niet van afleiden door degene die er niet in gelooft en zijn verlangens volgt, anders zul je vernietigd worden."

وَ مَا تِلۡکَ بِیَمِیۡنِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۷۱﴾
Wa maa tielka bie yamiee nieka yaa Moesaa
20:17 "Wat is datgeen in jouw rechterhand, O Moesa?"

قَالَ ہِیَ عَصَایَ ۚ اَتَوَکَّؤُا عَلَیۡہَا وَ اَہُشُّ بِہَا عَلٰی غَنَمِیۡ وَ لِیَ فِیۡہَا مَاٰرِبُ اُخۡرٰی ﴿۸۱﴾
Qaala hieya 'asaaya atawakka'oe alaihaa wa ahoeshshoe biehaa 'alaa ghanamiee wa lieya fieehaa ma aarieboe oeghraa
20:18 Hij (Moesa) zei: "Het is mijn staf. Ik leun erop en sla er bladeren mee af voor mijn schapen. En ik gebruik het ook voor andere dingen."

قَالَ اَلۡقِہَا یٰمُوۡسٰی ﴿۹۱﴾
Qaala alqiehaa yaa Moesaa
20:19 Hij zei: "Werp hem neer, O Moesa!"

فَاَلۡقٰہَا فَاِذَا ہِیَ حَیَّۃٌ تَسۡعٰی ﴿۰۲﴾
Fa-alqaahaa fa -iezaa hieya haiyatoen tas'aa
20:20 Dus wierp hij het. Aanschouw! Het werd een slang die snel bewoog.

قَالَ خُذۡہَا وَ لَا تَخَفۡ ٝ سَنُعِیۡدُہَا سِیۡرَتَہَا الۡاُوۡلٰی ﴿۱۲﴾
Qaala ghoezhaa wa laa ta ghaf sanoe'ieedoehaa sieeratahal oelaa
20:21 Hij zei: "Pak het en wees niet bang. Wij zullen het terugbrengen tot zijn voormalige toestand."

وَ اضۡمُمۡ یَدَکَ اِلٰی جَنَاحِکَ تَخۡرُجۡ بَیۡضَآءَ مِنۡ غَیۡرِ سُوۡٓءٍ اٰیَۃً اُخۡرٰی ﴿۲۲﴾
Wadmoem yadaka ielaa djanaahieka taghroedj baidaaa'a mien ghairie soeo'ien Aayatan oeghraa
20:22 "En zet je hand onder je oksel. Het zal wit (en schijnend) worden, zonder enige ziekte. Dit is een ander teken."

لِنُرِیَکَ مِنۡ اٰیٰتِنَا الۡکُبۡرٰی ﴿۳۲﴾
Lienoerieyaka mien Aayaatienal Koebra
20:23 "(Dit alles doen Wij) Zodat Wij jou (enkele) van Onze grootse tekenen kunnen laten zien."

اِذۡہَبۡ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿۴۲﴾
Izhab ielaa Fier'awna iennahoe taghaa
20:24 "Ga naar Farao! Voorzeker, hij overtreedt!"

قَالَ رَبِّ اشۡرَحۡ لِیۡ صَدۡرِیۡ ﴿۵۲﴾
Qaala Rabbiesh rah liee sadriee
20:25 Hij (Moesa) zei: "O mijn Heer! Verruim mijn borst."

وَ یَسِّرۡ لِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿۶۲﴾
Wa yassier lieee amriee
20:26 "En maak mijn taak makkelijk voor me."

وَ احۡلُلۡ عُقۡدَۃً مِّنۡ لِّسَانِیۡ ﴿۷۲﴾
Wahloel 'oeqdatan miellie saaniee
20:27 "En verwijder de knoop uit mijn tong." (Notitie: met andere woorden, maak het spreken makkelijk voor me. Zie ook 43:52.)

یَفۡقَہُوۡا قَوۡلِیۡ ﴿۸۲﴾
Yafqahoe qawliee
20:28 "Zodat ze mijn toespraak zullen begrijpen."

وَ اجۡعَلۡ لِّیۡ وَزِیۡرًا مِّنۡ اَہۡلِیۡ ﴿۹۲﴾
Wadj'al liee wazieeran mien ahliee
20:29 "En ken mij een helper toe, uit mijn familie,"

ہٰرُوۡنَ اَخِی ﴿۰۳﴾
Haaroena aghiee
20:30 "Haroen, mijn broeder."

اشۡدُدۡ بِہٖۤ اَزۡرِیۡ ﴿۱۳﴾
Oeshdoed biehieee azriee
20:31 "Versterk met behulp van hem mijn kracht."

وَ اَشۡرِکۡہُ فِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿۲۳﴾
Wa ashriek hoe fieee amriee
20:32 "En laat hem mijn taak delen."

کَیۡ نُسَبِّحَکَ کَثِیۡرًا ﴿۳۳﴾
Kai noesabbiehaka kasieeraa
20:33 "Zodat wij (samen) U veel kunnen verheerlijken,"

وَّ نَذۡکُرَکَ کَثِیۡرًا ﴿۴۳﴾
Wa nazkoeraka kasieeraa
20:34 "en U veel kunnen gedenken."

اِنَّکَ کُنۡتَ بِنَا بَصِیۡرًا ﴿۵۳﴾
Innaka koenta bienaa basieeraa
20:35 "Voorzeker, U ziet alles van en over ons."

قَالَ قَدۡ اُوۡتِیۡتَ سُؤۡلَکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۶۳﴾
Qaala qad oetieeta soe'laka yaa Moesaa
20:36 Hij (Allah) zei: "Waarlijk, jouw verzoek is ingewilligd, O Moesa!" (Notitie: zie ook 2:186, van het accepteren van het smeekgebed.)

وَ لَقَدۡ مَنَنَّا عَلَیۡکَ مَرَّۃً اُخۡرٰۤی ﴿۷۳﴾
Wa laqad manannaa 'alaika marratan oeghraaa
20:37 "En voorzeker, Wij hebben jou al eerder een gunst geschonken,"

اِذۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰۤی اُمِّکَ مَا یُوۡحٰۤی ﴿۸۳﴾
Iz awhainaaa ielaaa oemmieka maa yoehaaa
20:38 "toen Wij jouw moeder ingaven door middel van inspiratie."

اَنِ اقۡذِفِیۡہِ فِی التَّابُوۡتِ فَاقۡذِفِیۡہِ فِی الۡیَمِّ فَلۡیُلۡقِہِ الۡیَمُّ بِالسَّاحِلِ یَاۡخُذۡہُ عَدُوٌّ لِّیۡ وَ عَدُوٌّ لَّہٗ ؕ وَ اَلۡقَیۡتُ عَلَیۡکَ مَحَبَّۃً مِّنِّیۡ ۬ۚ وَ لِتُصۡنَعَ عَلٰی عَیۡنِیۡ ﴿۹۳﴾
'Anieqziefieehie fiet Taaboetie faqziefieehie fiel yammie fal yoel qiehiel yammoe bies saahielie ya'ghoezhoe 'adoewwoel liee wa 'adoewwoel lah; wa alqaitoe 'alaika mahabbatan mienniee wa lietoesna'a 'alaa 'ainiee
20:39 (Wij inspireerde haar:) "Leg hem in het zee en plaats het vervolgens in de zee. De zee zal het aan de kust brengen. Een vijand van Mij en van hem, zal hem dan meenemen. En Ik spreidde Mijn liefde over jou, zodat jij groot werd gebracht onder Mijn toezicht." (Notitie: iedereen die Moesa zag hield van hem.)

اِذۡ تَمۡشِیۡۤ اُخۡتُکَ فَتَقُوۡلُ ہَلۡ اَدُلُّکُمۡ عَلٰی مَنۡ یَّکۡفُلُہٗ ؕ فَرَجَعۡنٰکَ اِلٰۤی اُمِّکَ کَیۡ تَقَرَّ عَیۡنُہَا وَ لَا تَحۡزَنَ ۬ؕ وَ قَتَلۡتَ نَفۡسًا فَنَجَّیۡنٰکَ مِنَ الۡغَمِّ وَ فَتَنّٰکَ فُتُوۡنًا ۬۟ فَلَبِثۡتَ سِنِیۡنَ فِیۡۤ اَہۡلِ مَدۡیَنَ ۬ۙ ثُمَّ جِئۡتَ عَلٰی قَدَرٍ یّٰمُوۡسٰی ﴿۰۴﴾
Iz tamshieee oeghtoeka fataqoeloe hal adoelloekoem 'alaa may yakfoeloehoe faradja 'naaka ielaaa oemmieka kai taqarra 'ainoehaa wa laa tahzan; wa qatalta nafsan fanadjdjainaaka mienal ghammie wa fatannaaka foetoenaa; falabiesta sienieena fieee ahlie Madyana soemma djie'ta 'alaa qadariey yaa Moesa
20:40 (Gedenk) Toen jou zus (naar hen) ging en zei: "Zal ik u iemand laten zien die voor hem kan verzorgen? Dus hebben Wij jou aan jouw moeder terug gegeven, zodat ze niet zou huilen en treuren. En jij hebt een man gedood, maar Wij redden jou van de problemen. En Wij hebben jou beproeft met een zware beproeving. Vervolgens verbleef je enige jaren met de mensen van Madyan. Daarna kwam je op de vastgestelde tijd (naar Ons), O Moesa!" (Notitie: Moesa verliet Egypte op zijn 30ste jaar. Vervolgens, trouwde hij in Madyan en werkte daar acht jaren onder een verbond/contract en twee extra jaren uit vrije wil voor de vader van zijn vrouw, zie 28:27. Toen hij 40 jaar was (de vastgestelde tijd), begon zijn profeetschap en kreeg hij de eerste openbaringen. Ook profeet Mohammed v.z.m.h. kreeg zijn profeetschap op zijn veertigste jaar.)

وَ اصۡطَنَعۡتُکَ لِنَفۡسِیۡ ﴿۱۴﴾
Wastana' toeka lienafsiee
20:41 "En ik heb jou voor Mijzelf gekozen."

اِذۡہَبۡ اَنۡتَ وَ اَخُوۡکَ بِاٰیٰتِیۡ وَ لَا تَنِیَا فِیۡ ذِکۡرِیۡ ﴿۲۴﴾
Izhab anta wa aghoeka bie Aayaatiee wa laa tanieyaa fiee ziekriee
20:42 "Ga met mijn tekenen, jij en je broer! En verzwak niet in het gedenken van Mij."

اِذۡہَبَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿۳۴﴾
Izhabaaa ielaa Fier'awna iennahoe taghaa
20:43 "Ga jullie beiden naar Farao. Voorzeker, hij heeft overtreden."

فَقُوۡلَا لَہٗ قَوۡلًا لَّیِّنًا لَّعَلَّہٗ یَتَذَکَّرُ اَوۡ یَخۡشٰی ﴿۴۴﴾
Faqoelaa lahoe qawlal laiyienal la allahoe yatazakkkaroe 'aw yaghshaa
20:44 "En spreek op een aardig wijze met hem, zodat hij zich kan vermanen of zal vrezen."

قَالَا رَبَّنَاۤ اِنَّنَا نَخَافُ اَنۡ یَّفۡرُطَ عَلَیۡنَاۤ اَوۡ اَنۡ یَّطۡغٰی ﴿۵۴﴾
Qaalaa Rabbanaaa iennanaa naghaafoe ay yafroeta 'alainaaa aw ay yatghaa
20:45 Ze zeiden: "Onze Heer! Voorzeker, wij zijn bang dat hij ons direct zal straffen, of dat hij zware overschrijdende maatregelen zal nemen (tegen ons)."

قَالَ لَا تَخَافَاۤ اِنَّنِیۡ مَعَکُمَاۤ اَسۡمَعُ وَ اَرٰی ﴿۶۴﴾
Qaala laa taghaafaaa iennaniee ma'akoemaa asma'oe wa araa
20:46 Hij zei: "Wees niet bang! Voorzeker, Ik ben met jullie beiden. Ik hoor en Ik zie."

فَاۡتِیٰہُ فَقُوۡلَاۤ اِنَّا رَسُوۡلَا رَبِّکَ فَاَرۡسِلۡ مَعَنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۬ۙ وَ لَا تُعَذِّبۡہُمۡ ؕ قَدۡ جِئۡنٰکَ بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکَ ؕ وَ السَّلٰمُ عَلٰی مَنِ اتَّبَعَ الۡہُدٰی ﴿۷۴﴾
Faatieyaahoe faqoelaaa iennaa Rasoelaa Rabbieka fa arsiel ma'anaa Baniee Israaa'ieela wa laa toe'azziebhoem qad djie'naaka bie Aayatiem mier Rabbieka wassa laamoe 'alaa maniet taba'al hoedaa
20:47 "Ga dus naar hem toe, en zeg: "Voorzeker, wij beiden zijn boodschappers van jouw Heer. Stuur dus de kinderen van Israël met ons mee en martel hen niet. Waarlijk, we zijn met een teken van jouw heer gekomen. En vrede zal rusten op degene die de leiding volgt."

اِنَّا قَدۡ اُوۡحِیَ اِلَیۡنَاۤ اَنَّ الۡعَذَابَ عَلٰی مَنۡ کَذَّبَ وَ تَوَلّٰی ﴿۸۴﴾
Innaa qad oehieya ielainaaa annnal 'azaaba 'alaa man kaz zaba wa tawalla
20:48 "Voorzeker, het is aan ons geopenbaard, dat de straf over hem zal zijn die (Allah en de tekenen) verwerpt en zich (ervan) afkeert."

قَالَ فَمَنۡ رَّبُّکُمَا یٰمُوۡسٰی ﴿۹۴﴾
Qaala famar Rabboe koemaa yaa Moesa
20:49 Hij (Farao) zei: "Wie is dan jullie Heer, O Moesa?!"

قَالَ رَبُّنَا الَّذِیۡۤ اَعۡطٰی کُلَّ شَیۡءٍ خَلۡقَہٗ ثُمَّ ہَدٰی ﴿۰۵﴾
Qaala Rabboenal lazieee a'taa koella shai'ien ghalqahoe soemma hadaa
20:50 Hij zei: "Onze Heer is Degene Die aan elk iets zijn vorm heeft gegeven. Vervolgens heeft Hij het geleid."

قَالَ فَمَا بَالُ الۡقُرُوۡنِ الۡاُوۡلٰی ﴿۱۵﴾
Qaala famaa baaloel qoeroeniel oelaa
20:51 Hij (Farao) zei: "Hoe zit het met de oude generaties?"

قَالَ عِلۡمُہَا عِنۡدَ رَبِّیۡ فِیۡ کِتٰبٍ ۚ لَا یَضِلُّ رَبِّیۡ وَ لَا یَنۡسَی ﴿۲۵﴾
Qaala 'ielmoehaa 'ienda Rabiee fiee kietaab, laa yadielloe Rabbiee wa laa yansaa
20:52 Hij zei: "De kennis daarover is (slechts) bij mijn Heer in een boek. Mijn Heer maakt geen fouten, noch vergeet Hij."

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ مَہۡدًا وَّ سَلَکَ لَکُمۡ فِیۡہَا سُبُلًا وَّ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً ؕ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡ نَّبَاتٍ شَتّٰی ﴿۳۵﴾
Allaziee dja'ala lakoemoel arda mahdaw wa salaka lakoem fieehaa soeboelaw wa anzala mienas samaaa'ie maaa'an fa aghradjnaa biehieee azwaadjam mien nabaatien shatta
20:53 (Hij is) Degene Die voor jullie de aarde als een bed maakte en die daarop wegen voor jullie maakte en water vanuit de hemel doet neerdalen. Vervolgens doen Wij ermee paren van verschillende soorten planten voortkomen.

کُلُوۡا وَ ارۡعَوۡا اَنۡعَامَکُمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿۴۵﴾
Koeloe war'aw an'aamakoem; ienna fiee zaalieka la Aayaatiel lie oelien noehaa
20:54 Eet ervan en laat jullie vee ervan grazen. Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor de bezitters van verstand.

مِنۡہَا خَلَقۡنٰکُمۡ وَ فِیۡہَا نُعِیۡدُکُمۡ وَ مِنۡہَا نُخۡرِجُکُمۡ تَارَۃً اُخۡرٰی ﴿۵۵﴾
Mienhaa ghalaqnaakoem wa fieehaa noe'ieedoekoem wa mienhaa noeghriedjoekoem taaratan oeghraa
20:55 Uit haar (de aarde) hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie doen terugkeren (de dood). En op een andere\vastgestelde tijdstip zullen Wij jullie daar vanuit halen (de wederopstanding).

وَ لَقَدۡ اَرَیۡنٰہُ اٰیٰتِنَا کُلَّہَا فَکَذَّبَ وَ اَبٰی ﴿۶۵﴾
Wa laqad arainaahoe Aayaatienaa koellahaa fakaz zaba wa abaa
20:56 En Waarlijk, Wij hebben al Onze Tekenen aan hem (Farao) laten zien, maar hij ontkende (Allah) en weigerde (zich over te geven).

قَالَ اَجِئۡتَنَا لِتُخۡرِجَنَا مِنۡ اَرۡضِنَا بِسِحۡرِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۷۵﴾
Qaala adjie'tanaa lietoeghrie djanaa mien ardienaa biesiehrieka yaa Moesa
20:57 Hij (Farao) zei: "Ben jij naar ons gekomen met jouw magie om ons uit ons land te verjagen, O Moesa?!"

فَلَنَاۡتِیَنَّکَ بِسِحۡرٍ مِّثۡلِہٖ فَاجۡعَلۡ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَکَ مَوۡعِدًا لَّا نُخۡلِفُہٗ نَحۡنُ وَ لَاۤ اَنۡتَ مَکَانًا سُوًی ﴿۸۵﴾
Falanaatieyannaka biesiehriem miesliehiee fadj'al bainanaa wa bainaka maw'iedal laa noeghliefoehoe nahnoe wa laaa anta makaanan soewaa
20:58 "Wij zullen dan ook een soortgelijke magie voor jou produceren! Laten we dus een afspraak maken, die wij noch jij kan afzeggen, op een open plek (waar iedereen het kan getuigen)."

قَالَ مَوۡعِدُکُمۡ یَوۡمُ الزِّیۡنَۃِ وَ اَنۡ یُّحۡشَرَ النَّاسُ ضُحًی ﴿۹۵﴾
Qaala maw'iedoekoem yawmoez zieenatie wa ay yoehsharan naasoe doehaa
20:59 Hij (Moesa) zei: "Jullie afspraak is op de dag van het festival en laat de mensen vroeg in de middag bijeenkomen."

فَتَوَلّٰی فِرۡعَوۡنُ فَجَمَعَ کَیۡدَہٗ ثُمَّ اَتٰی ﴿۰۶﴾
Fatawallaa Fier'awnoe fadjdjama'a kaidahoe soemma ataa
20:60 Vervolgens, afzonderde Farao zich (met zijn raadgevers en magiërs) voor het maken van zijn plannen en kwam daarna terug (naar Moesa).

قَالَ لَہُمۡ مُّوۡسٰی وَیۡلَکُمۡ لَا تَفۡتَرُوۡا عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا فَیُسۡحِتَکُمۡ بِعَذَابٍ ۚ وَ قَدۡ خَابَ مَنِ افۡتَرٰی ﴿۱۶﴾
Qaala lahoem Moesaa wailakoem laa taftaroe 'alal laahie kazieban fa yoes hietakoem bie 'azaab, wa qad ghaaba manief taraa
20:61 Moesa zei tot hen (de magiërs): "Wee jullie! Verzin geen leugens tegen Allah! Hij zal jullie vernietigen met een zware straf. Waarlijk, hij die verzint zal falen!"

فَتَنَازَعُوۡۤا اَمۡرَہُمۡ بَیۡنَہُمۡ وَ اَسَرُّوا النَّجۡوٰی ﴿۲۶﴾
Fatanaaza'oeo amrahoem bainahoem wa asarroen nadjwaa
20:62 Vervolgens disputeerden ze (de magiërs) met elkaar in hun kwestie en hielden ze hun gesprekken geheim.

قَالُوۡۤا اِنۡ ہٰذٰىنِ لَسٰحِرٰنِ یُرِیۡدٰنِ اَنۡ یُّخۡرِجٰکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ بِسِحۡرِہِمَا وَ یَذۡہَبَا بِطَرِیۡقَتِکُمُ الۡمُثۡلٰی ﴿۳۶﴾
Qaaloeo ien haaazaanie lasaahieraanie yoerieedaanie ay yoeghriedjaakoem mien ardiekoem biesiehriehiemaa wa yazhabaa bietarieeqatiekoemoel moeslaa
20:63 Ze zeiden (tegen elkaar): "Voorzeker, deze twee magiërs (Moesa en Haroen) willen jullie met hun magie uit jullie land verdrijven en jullie beste levenswijze\systeem afschaffen."

فَاَجۡمِعُوۡا کَیۡدَکُمۡ ثُمَّ ائۡتُوۡا صَفًّا ۚ وَ قَدۡ اَفۡلَحَ الۡیَوۡمَ مَنِ اسۡتَعۡلٰی ﴿۴۶﴾
Fa adjmie'oe kaidakoem soemmma'toe saffaa; wa qad aflahal yawma manies ta'laa
20:64 "Dus maak jullie plannen en kom dan vervolgens in een rij (als een groep). Waarlijk, wie op deze dag zal winnen zal succes boeken."

قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِمَّاۤ اَنۡ تُلۡقِیَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ نَّکُوۡنَ اَوَّلَ مَنۡ اَلۡقٰی ﴿۵۶﴾
Qaaloe yaa Moesaaa iemmaaa an toelqieya wa iemmaaa an nakoena awala man alqaa
20:65 Ze zeiden: "O Moesa! Gooi jij eerst of zijn wij degenen die eerst moeten gooien?"

قَالَ بَلۡ اَلۡقُوۡا ۚ فَاِذَا حِبَالُہُمۡ وَ عِصِیُّہُمۡ یُخَیَّلُ اِلَیۡہِ مِنۡ سِحۡرِہِمۡ اَنَّہَا تَسۡعٰی ﴿۶۶﴾
Qaala bal alqoe fa iezaa hiebaaloehoem wa 'iesieyyoehoem yoeghaiyaloe ielaihie mien siehriehiem annahaa tas'aa
20:66 Hij zei: "Gooi maar!" Vervolgens aanschouw! Hun touwen en staven leken voor hem (Moesa) te bewegen door hun magie.

فَاَوۡجَسَ فِیۡ نَفۡسِہٖ خِیۡفَۃً مُّوۡسٰی ﴿۷۶﴾
Fa awdjasa fiee nafsiehiee ghieefatam Moesa
20:67 Moesa voelde dus een angst in hem opkomen.

قُلۡنَا لَا تَخَفۡ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡاَعۡلٰی ﴿۸۶﴾
Qoelnaa laa taghaf iennaka antal a'laa
20:68 Wij zeiden: "Vrees niet! Voorzeker, je zult de overhand krijgen."

وَ اَلۡقِ مَا فِیۡ یَمِیۡنِکَ تَلۡقَفۡ مَا صَنَعُوۡا ؕ اِنَّمَا صَنَعُوۡا کَیۡدُ سٰحِرٍ ؕ وَ لَا یُفۡلِحُ السَّاحِرُ حَیۡثُ اَتٰی ﴿۹۶﴾
Wa alqie maa fiee yamiee nieka talqaf maa sana'oe; iennamaa sana'oe kaidoe saahier; wa laa yoefliehoes saahieroe haisoe ataa
20:69 "Gooi wat in jouw rechterhand is! Het zal datgeen wat ze gemaakt hebben opslokken. Voorzeker, dat wat ze gemaakt hebben, is alleen maar een magische truc. Het maakt niet uit hoe bekwaam de magiër ook is, hij zal nooit succes boeken."

فَاُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سُجَّدًا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ ہٰرُوۡنَ وَ مُوۡسٰی ﴿۰۷﴾
Fa oelqieyas saharatoe soedjdjadan qaaloeo aamannaa bie Rabbie Haaroena wa Moesa
20:70 Dus werden de magiërs prostreerend op hun knieën geworpen. Ze zeiden: "Wij geloven in de Heer van Haroen en Moesa,"

قَالَ اٰمَنۡتُمۡ لَہٗ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ؕ اِنَّہٗ لَکَبِیۡرُکُمُ الَّذِیۡ عَلَّمَکُمُ السِّحۡرَ ۚ فَلَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ وَّ لَاُصَلِّبَنَّکُمۡ فِیۡ جُذُوۡعِ النَّخۡلِ ۫ وَ لَتَعۡلَمُنَّ اَیُّنَاۤ اَشَدُّ عَذَابًا وَّ اَبۡقٰی ﴿۱۷﴾
Qaala aamantoem lahoe qabla an aazana lakoem; iennahoe lakabieeroekoemoel laziee 'allama koemoes siehra fala oeqattie'anna aidieyakoem wa ardjoelakoem mien ghielaafiew wa la oesalliebannakoem fiee djoezoe'ien naghlie wa lata'lamoenna aiyoenaaa ashaddoe 'azaabaw wa abqaa
20:71 Hij (Farao) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming gaf? Voorzeker, hij die jullie magie onderwezen heeft, is jullie bevelhebber! Dus, ik zal jullie handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken! En ik zal jullie kruisigen aan de stammen van de dadelpalmen! Jullie zullen zeker weten wie strenger en meer volhoudend is in het straffen."

قَالُوۡا لَنۡ نُّؤۡثِرَکَ عَلٰی مَا جَآءَنَا مِنَ الۡبَیِّنٰتِ وَ الَّذِیۡ فَطَرَنَا فَاقۡضِ مَاۤ اَنۡتَ قَاضٍ ؕ اِنَّمَا تَقۡضِیۡ ہٰذِہِ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿۲۷﴾
Qaaloe lan noe'sieraka 'alaa maa djaaa'anaa mienal baiyienaatie wallaziee fataranaa faqdiemaaa anta qaad; iennamaa taqdiee haaziehiel hayaatad doenyaa
20:72 Ze zeiden: "Nooit zullen wij voor jou kiezen boven de duidelijke tekenen die tot ons is gekomen en boven Degene Die ons geschapen heeft! Dus doe maar wat je wil. Jij kan alleen bepalen met betrekking tot het wereldse leven."

اِنَّـاۤ اٰمَنَّا بِرَبِّنَا لِیَغۡفِرَ لَنَا خَطٰیٰنَا وَ مَاۤ اَکۡرَہۡتَنَا عَلَیۡہِ مِنَ السِّحۡرِ ؕ وَ اللّٰہُ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۳۷﴾
Innaaa aamannaa bie Rabbienaa lieyaghfiera lanaa ghataayaanaa wa maaa akrahtanaa 'alaihie mienas siehr; wallaahoe ghairoew wa abqaa
20:73 "Voorzeker, wij geloven in onze Heer, hopend dat Hij onze zonden vergeeft en de magie vergeeft die jij ons gedwongen hebt te doen. En Allah is de beste en de eeuwig blijvende."

اِنَّہٗ مَنۡ یَّاۡتِ رَبَّہٗ مُجۡرِمًا فَاِنَّ لَہٗ جَہَنَّمَ ؕ لَا یَمُوۡتُ فِیۡہَا وَ لَا یَحۡیٰی ﴿۴۷﴾
Innahoe may ya'tie Rabbahoe moedjrieman fa ienna lahoe djahannama laa yamoetoe fieehaa wa laa yahyaa
20:74 "Voorzeker, degene die naar zijn Heer als een misdadiger komt, de hel zal voor hem zijn. Hij zal er niet in dood gaan, noch zal hij erin kunnen leven."

وَ مَنۡ یَّاۡتِہٖ مُؤۡمِنًا قَدۡ عَمِلَ الصّٰلِحٰتِ فَاُولٰٓئِکَ لَہُمُ الدَّرَجٰتُ الۡعُلٰی ﴿۵۷﴾
Wa may ya'tiehiee moe'mienan qad 'amielas saaliehaatie fa oelaaa'ieka lahoemoed daradjaatoel 'oelaa
20:75 "Maar wie als een gelovige naar Hem toekomt en goede daden heeft verricht, dan waarlijk voor hen zijn er hoge rangen,"

جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ وَ ذٰلِکَ جَزٰٓؤُا مَنۡ تَزَکّٰی ﴿۶۷﴾
djannaatoe 'Adnien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe ghaaliedieena fieehaa; wa zaalieka djazaaa'oe man tazakka
20:76 "(En) tuinen van Eden waaronder rivieren stromen, eeuwig vertoevend erin. Dat is de beloning voor degene die zichzelf reinigt."

وَ لَقَدۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی ۬ۙ اَنۡ اَسۡرِ بِعِبَادِیۡ فَاضۡرِبۡ لَہُمۡ طَرِیۡقًا فِی الۡبَحۡرِ یَبَسًا ۙ لَّا تَخٰفُ دَرَکًا وَّ لَا تَخۡشٰی ﴿۷۷﴾
Wa laqad awhainaaa ielaa Moesaaa an asrie bie'iebaadiee fadrieb lahoem tarieeqan fiel bahrie yabasal laa taghaafoe darakaw wa laa taghshaa
20:77 En waarlijk, Wij inspireerden aan Moesa: "Reis in de nacht met Mijn slaven en sla (met je staf) een droge weg door de zee voor hen. Wees niet bang om overmeesterd te worden en wees niet angstig."

فَاَتۡبَعَہُمۡ فِرۡعَوۡنُ بِجُنُوۡدِہٖ فَغَشِیَہُمۡ مِّنَ الۡیَمِّ مَا غَشِیَہُمۡ ﴿۸۷﴾
Fa atba'ahoem Fier'awnoe biedjoenoediehiee faghashieyahoem mienal yammmie maa ghashie yahoem
20:78 Vervolgens achtervolgde Farao hen met zijn leger. Echter het zeewater sloot hen volledig in.

وَ اَضَلَّ فِرۡعَوۡنُ قَوۡمَہٗ وَ مَا ہَدٰی ﴿۹۷﴾
wa adalla fier'awnoe qawmahoe wa maa hadaa
20:79 En Farao liet zijn volk dwalen en leidde hen niet.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ قَدۡ اَنۡجَیۡنٰکُمۡ مِّنۡ عَدُوِّکُمۡ وَ وٰعَدۡنٰکُمۡ جَانِبَ الطُّوۡرِ الۡاَیۡمَنَ وَ نَزَّلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ﴿۰۸﴾
Yaa Banieee Israaa'ieela qad andjainaakoem mien 'adoew wiekoem wa wa'adnaakoem djaaniebat Toeriel aimana wa nazzalnaa 'alaikoemoel Manna was Salwaa
20:80 O Kinderen van Israël! Waarlijk, Wij verlosten jullie van jullie vijand. En aan de rechterkant van de berg Thoer sloten Wij een verbond met jullie. En Wij deden Manna en Kwartels voor jullie neerdalen.

کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ وَ لَا تَطۡغَوۡا فِیۡہِ فَیَحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبِیۡ ۚ وَ مَنۡ یَّحۡلِلۡ عَلَیۡہِ غَضَبِیۡ فَقَدۡ ہَوٰی ﴿۱۸﴾
Koeloe mien taiyiebaatie maa razaqnaakoem wa laa tatghaw fieehie fa yahiella 'alaikoem ghadabiee wa may yahliel 'alaihie ghadabiee faqad hawaa
20:81 Eet van de goede dingen, waarmee Wij jullie voorzien van hebben. En wees niet buitensporig daarin, anders zal Mijn toorn op jullie treffen. En wie getroffen wordt door Mijn toorn, voorzeker, is vernietigd.

وَ اِنِّیۡ لَغَفَّارٌ لِّمَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا ثُمَّ اہۡتَدٰی ﴿۲۸﴾
Wa ienniee la Ghaffaaroel lieman taaba wa aamana wa 'amiela saaliehan soemmah tadaa
20:82 Echter, Ik ben de meest Vergevensgezinde voor degene die berouw heeft, gelooft, goede daden verricht en dan op de rechte pad blijftlopen.

وَ مَاۤ اَعۡجَلَکَ عَنۡ قَوۡمِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۳۸﴾
Wa maaa a'djalaka 'an qawmieka yaa Moesa
20:83 (Allah zei:) "En waarom ging jij zo snel weg van jouw volk, O Mozes?"

قَالَ ہُمۡ اُولَآءِ عَلٰۤی اَثَرِیۡ وَ عَجِلۡتُ اِلَیۡکَ رَبِّ لِتَرۡضٰی ﴿۴۸﴾
Qaala hoem oelaaa'ie 'alaaa asariee wa 'adjieltoe ielaika Rabbie lietardaa
20:84 Hij zei: "Ze komen achter me aan. Ik heb me gehaast naar U, zodat U tevreden zult zijn (op mij)."

قَالَ فَاِنَّا قَدۡ فَتَنَّا قَوۡمَکَ مِنۡۢ بَعۡدِکَ وَ اَضَلَّہُمُ السَّامِرِیُّ ﴿۵۸﴾
Qaala fa iennaa qad fatannaa qawmaka miem ba'dieka wa adallahoemoes Saamierieyy
20:85 Hij (Allah) zei: "Waarlijk, Wij hebben jouw volk op de proef gesteld nadat je wegging. En de Samiri heeft hen doen dwalen."

فَرَجَعَ مُوۡسٰۤی اِلٰی قَوۡمِہٖ غَضۡبَانَ اَسِفًا ۬ۚ قَالَ یٰقَوۡمِ اَلَمۡ یَعِدۡکُمۡ رَبُّکُمۡ وَعۡدًا حَسَنًا ۬ؕ اَفَطَالَ عَلَیۡکُمُ الۡعَہۡدُ اَمۡ اَرَدۡتُّمۡ اَنۡ یَّحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَخۡلَفۡتُمۡ مَّوۡعِدِیۡ ﴿۶۸﴾
Faradja'a Moesaaa ielaa qawmiehiee ghadbaana asiefaa; qaala yaa qawmie alam ya'iedkoem Rabboekoem wa'dan hasanaa; afataala 'alaikoemoel 'ahdoe am arattoem ay yahiella 'alaikoem ghadaboem mier Rabbiekoem fa aghlaftoem maw'iediee
20:86 Vervolgens, keerde Moesa terug naar zijn volk, woedend en teleurgesteld/bedroeft. Hij zei: O mijn volk! Heeft jullie Heer jullie geen goede belofte (het paradijs) gedaan?! Duurt het voor jullie te lang voordat de belofte vervuld wordt?! Of verlangen jullie dat de woede van jullie Heer jullie zal treffen?! Dus hebben jullie daarom mijn instructies verworpen?!

قَالُوۡا مَاۤ اَخۡلَفۡنَا مَوۡعِدَکَ بِمَلۡکِنَا وَ لٰکِنَّا حُمِّلۡنَاۤ اَوۡزَارًا مِّنۡ زِیۡنَۃِ الۡقَوۡمِ فَقَذَفۡنٰہَا فَکَذٰلِکَ اَلۡقَی السَّامِرِیُّ ﴿۷۸﴾
Qaaloe maaa aghlafnaa maw'iedaka biemalkienna wa laakienna hoemmielnaaa awzaaram mien zieenatiel qawmie faqazafnaahaa fakazaalieka alqas Saamierieyy
20:87 Ze zeiden: "Wij hebben de belofte met jou niet zomaar verbroken. We waren namelijk belast met de sieraden van de mensen, dus gooiden we ze (in het vuur) net zoals de Samiri dat deed." (Notitie: De sieraden waren van de Egyptenaren die in bruikleen waren gegeven aan de Israëliërs. Gezien het gestolen sieraden waren van de Egyptenaren, moesten ze eerst de sieraden weg doen voordat ze Allah konden ontmoeten. Moesa was hiervan niet op de hoogte.)

فَاَخۡرَجَ لَہُمۡ عِجۡلًا جَسَدًا لَّہٗ خُوَارٌ فَقَالُوۡا ہٰذَاۤ اِلٰـہُکُمۡ وَ اِلٰہُ مُوۡسٰی ۬ فَنَسِیَ ﴿۸۸﴾
Fa aghradja lahoem 'iedjlan djasadal lahoe ghoewaaroen faqaaloe haazaaa ielaahoekoem wa ielaahoe Moesaa fanasiee
20:88 Vervolgens maakte hij voor ons een kalfsbeeld (ervan). Het maakte een loeiend geluid. En ze (de mensen die het aanbaden) zeiden: "Dit is jullie god en de god van Moesa, echter hij is het (zelf) vergeten."

اَفَلَا یَرَوۡنَ اَلَّا یَرۡجِعُ اِلَیۡہِمۡ قَوۡلًا ۬ۙ وَّ لَا یَمۡلِکُ لَہُمۡ ضَرًّا وَّ لَا نَفۡعًا ﴿۹۸﴾
Afalaa yarawna allaa yardjie'oe ielaihiem qawlaw wa laa yamliekoe lahoem darraw wa laa naf'aa
20:89 Zagen ze dan niet dat het niet tegen hen terug kon praten? En dat het geen nadeel, noch enig voordeel voor hen had?

وَ لَقَدۡ قَالَ لَہُمۡ ہٰرُوۡنُ مِنۡ قَبۡلُ یٰقَوۡمِ اِنَّمَا فُتِنۡتُمۡ بِہٖ ۚ وَ اِنَّ رَبَّکُمُ الرَّحۡمٰنُ فَاتَّبِعُوۡنِیۡ وَ اَطِیۡعُوۡۤا اَمۡرِیۡ ﴿۰۹﴾
Wa laqad qaala lahoem Haaroenoe mien qabloe yaa qawmie iennamaa foetientoem biehiee wa ienna Rabbakoemoer Rahmaanoe fattabie'oeniee wa atiee'oeo amriee
20:90 En waarlijk, Haroen had eerder tegen hen gezegd: "O mijn volk! Jullie worden alleen op de proef gesteld ermee. Voorzeker, jullie Heer is de meest Barmhartige. Dus volg mij en gehoorzaam mijn bevelen!"

قَالُوۡا لَنۡ نَّبۡرَحَ عَلَیۡہِ عٰکِفِیۡنَ حَتّٰی یَرۡجِعَ اِلَیۡنَا مُوۡسٰی ﴿۱۹﴾
Qaaloe lan nabraha 'alaihie 'aakiefieena hattaa yardjie'a ielainaa Moesaa
20:91 Ze zeiden: "Nooit zullen wij stoppen met het aanbidden ervan totdat Moesa (weer) naar ons terugkeert."

قَالَ یٰہٰرُوۡنُ مَا مَنَعَکَ اِذۡ رَاَیۡتَہُمۡ ضَلُّوۡۤا ﴿۲۹﴾
Qaala Yaa Haaroenoe maa mana 'aka iez ra aitahoem dalloeo
20:92 Hij (Moesa) zei: "O Haroen! Wat hield jou tegen toen jij hen zag dwalen,

اَلَّا تَتَّبِعَنِ ؕ اَفَعَصَیۡتَ اَمۡرِیۡ ﴿۳۹﴾
Allaa tattabie'anie afa'asaita amriee
20:93 om mijn bevel niet op te volgen? Heb jij dus mijn bevel geweigerd?!

قَالَ یَبۡنَؤُمَّ لَا تَاۡخُذۡ بِلِحۡیَتِیۡ وَ لَا بِرَاۡسِیۡ ۚ اِنِّیۡ خَشِیۡتُ اَنۡ تَقُوۡلَ فَرَّقۡتَ بَیۡنَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ وَ لَمۡ تَرۡقُبۡ قَوۡلِیۡ ﴿۴۹﴾
Qaala yabna'oemma laa ta'ghoez bie liehyatiee wa laa bie ra'siee ienniee ghashieetoe an taqoela farraqta baina Banieee Israaa'ieela wa lam tarqoeb qawliee
20:94 Hij (Haroen) zei: "Zoon van mijn moeder! Grijp mij niet bij mijn baard of bij mijn hoofd! Voorzeker, ik vreesde dat jij zou zeggen dat ik de verdeeldheid zou hebben veroorzaakt tussen de kinderen van Israël en dat ik jouw woord niet heb gerespecteerd."

قَالَ فَمَا خَطۡبُکَ یٰسَامِرِیُّ ﴿۵۹﴾
Qaala famaa ghatboeka yaa Saamierieyy
20:95 Hij (Moesa) zei: "Wat is jouw verhaal dan, O Samiri?"

قَالَ بَصُرۡتُ بِمَا لَمۡ یَبۡصُرُوۡا بِہٖ فَقَبَضۡتُ قَبۡضَۃً مِّنۡ اَثَرِ الرَّسُوۡلِ فَنَبَذۡتُہَا وَ کَذٰلِکَ سَوَّلَتۡ لِیۡ نَفۡسِیۡ ﴿۶۹﴾
Qaala basoertoe biemaa lam yabsoeroe biehiee faqabadtoe qabdatam mien asarier Rasoelie fanabaztoehaa wa kazaalieka sawwalat liee nafsiee
20:96 Hij (Samiri) zei: "Ik zag iets wat zij niet zagen. Dus nam ik een handvol (van stof) uit de spoor die nagelaten was door de boodschapper (Gabriël/Jibriel). Vervolgens, gooide ik het (over de kalf). Mijn eigen ik (ego) vertelde mij dat (om het te doen)."

قَالَ فَاذۡہَبۡ فَاِنَّ لَکَ فِی الۡحَیٰوۃِ اَنۡ تَقُوۡلَ لَا مِسَاسَ ۪ وَ اِنَّ لَکَ مَوۡعِدًا لَّنۡ تُخۡلَفَہٗ ۚ وَ انۡظُرۡ اِلٰۤی اِلٰـہِکَ الَّذِیۡ ظَلۡتَ عَلَیۡہِ عَاکِفًا ؕ لَنُحَرِّقَنَّہٗ ثُمَّ لَنَنۡسِفَنَّہٗ فِی الۡیَمِّ نَسۡفًا ﴿۷۹﴾
Qaala fazhab fa ienna laka fiel hayaatie an taqoela laa miesaasa wa ienna laka maw'iedal lan toeghlafahoe wanzoer ielaaa ielaahiekal laziee zalta 'alaihie 'aakiefaa; la noeharrieqannahoe thoemma la nansiefannahoe fiel yammie nasfaa
20:97 Hij (Moesa) zei: "Ga dan weg! Voorzeker, voor jou is er in het leven dat je zult zeggen raak (me) niet aan! En voorzeker, voor jou is er een afspraak waaraan je niet kan ontkomen. En kijk naar jouw afgod waaraan jij trouw bent gebleven. Zonder enige twijfel Wij zullen het verbranden en de as in de zee gooien!" (Notitie: Moesa heeft zijn mensen die schuldig waren aan de afgoderij, op gedragen om zich zelf te doden, zie 2:54. Het feit dat Moesa geen straf op de Samiri op legt en hem dus met rust laat, maar wel dreigt met zijn toekomstige afspraak en zijn afgod vernietigd, zegt dat er iets speciaal met de Samiri is. Ook het feit dat de Samiri dingen ziet die anderen niet zien, geven aan dat hij een speciaal persoon is. Er zijn bepaalde theorieën op basis van overleveringen en de bovengenoemde verzen, die aanduiden dat de Samiri eigenlijk Dajjal is. De Samiri was geboren in het land Summeria, waarschijnlijk kreeg hij daarom de titel "de Samiri". Zijn moeder overleed en werd als baby aan zijn lot overgelaten. Allah gebood de engel Jibriel, die ook bekend staat als de boodschapper en de engel die leven brengt, om hem op te voedden. Echter leiding komt van Allah. Net zoals de satan, heeft de Samiri gekozen voor afgoderij. Allah heeft hem de kracht en de middelen gegeven en hem als een beproeving gemaakt voor de mensheid. Net zoals hij de kinderen van Israël misleid heeft, zal hij de gehele mensheid misleiden. Vervolgens zal er een tijd komen waarbij hij door Isa (Jezus), die ook nog leeft, gedood.

اِنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ وَسِعَ کُلَّ شَیۡءٍ عِلۡمًا ﴿۸۹﴾
Innamaaa ielaahoe koemoel laahoel laziee laa ielaaha iellaa Hoe; wasie'a koella shai'ien ielmaa
20:98 Voorzeker, jullie deïteit/godheid is alleen Allah, er is geen (andere) deïteit/godheid dan Hem. Hij omvat alles op basis van kennis.

کَذٰلِکَ نَقُصُّ عَلَیۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ مَا قَدۡ سَبَقَ ۚ وَ قَدۡ اٰتَیۡنٰکَ مِنۡ لَّدُنَّا ذِکۡرًا ﴿۹۹﴾
Kazaalieka naqoessoe 'alaika mien anbaaa'ie maa qad sabaq; wa qad aatainaaka miel ladoennaa Ziekraa
20:99 Dus geven Wij jou (O Mohammed v.z.m.h.) enige informatie met betrekking tot wat er eerder is gebeurd. Voorzeker Wij hebben jou een herinnering gegeven.

مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡہُ فَاِنَّہٗ یَحۡمِلُ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وِزۡرًا ﴿۰۰۱﴾
Man a'rada 'anhoe, fa iennahoe yahmieloe Yawmal Qieyaamatie wiezraa
20:100 Hij, die zich ervan afwendt, dan voorzeker, hij zal een last dragen op de dag van de wederopstanding.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہِ ؕ وَ سَآءَ لَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ حِمۡلًا ﴿۱۰۱﴾
ghaaliedieena fieehie wa saaa'a lahoem Yawmal Qieyaamatie hiemlaa
20:101 Ze zullen er eeuwig in vertoeven. En zeer ellendig is de last voor hun op de dag van de wederopstanding!

یَّوۡمَ یُنۡفَخُ فِی الصُّوۡرِ وَ نَحۡشُرُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ یَوۡمَئِذٍ زُرۡقًا ﴿۲۰۱﴾
Yawma yoenfaghoe fiessoerie wa nahshoeroel moedjriemieena Yawma 'iezien zoerqaa
20:102 Op de dag (des oordeel) zal er geblazen worden in de trompet. En Wij zullen de misdadigers verzamelen, met blauwe ogen van blindheid.

یَّتَخَافَتُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا عَشۡرًا ﴿۳۰۱﴾
Yataghaafatoena bainahoem iel labiestoem iellaa 'ashraa
20:103 Ze zullen fluisteren onder elkaar: "Jullie hebben alleen er maar tien (dagen op) verbleven."

نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ اِذۡ یَقُوۡلُ اَمۡثَلُہُمۡ طَرِیۡقَۃً اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا یَوۡمًا ﴿۴۰۱﴾
nahnoe a'lamoe biemaa yaqoeloena iez yaqoeloe amsaloehoem tarieeqatan iellabiestoem iellaa yawmaa
20:104 Wij weten heel goed wat ze zullen zeggen, wanneer de beste onder hen met kennis en wijsheid zal zeggen: "Jullie hebben er alleen maar één dag (op) verbleven."

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡجِبَالِ فَقُلۡ یَنۡسِفُہَا رَبِّیۡ نَسۡفًا ﴿۵۰۱﴾
Wa yas'aloenaka 'aniel djiebaalie faqoel yansiefoehaa Rabbiee nasfaa
20:105 En ze vragen jou over de bergen. Zeg dan: "Mijn Heer zal ze doen vernietigen tot stof."

فَیَذَرُہَا قَاعًا صَفۡصَفًا ﴿۶۰۱﴾
Fa yazaroehaa qaa'an safsafaa
20:106 "Vervolgens laat Hij het als een geëgaliseerde vlakte achter,"

لَّا تَرٰی فِیۡہَا عِوَجًا وَّ لَاۤ اَمۡتًا ﴿۷۰۱﴾
Laa taraa fieehaa 'iewadjaw wa laaa amtaa
20:107 "waarop je geen enkel bochten of hobbels zult zien."

یَوۡمَئِذٍ یَّتَّبِعُوۡنَ الدَّاعِیَ لَا عِوَجَ لَہٗ ۚ وَ خَشَعَتِ الۡاَصۡوَاتُ لِلرَّحۡمٰنِ فَلَا تَسۡمَعُ اِلَّا ہَمۡسًا ﴿۸۰۱﴾
Yawma ieziey yattabie'oenad daa'ieya laa 'iewadja lahoe wa ghasha'atiel aswaatoe lier Rahmaanie falaa tasma'oe iellaa hamsaa
20:108 Op die dag zullen ze de oproeper volgen, er is geen afwijking ervan mogelijk. De stemmen zullen nederig worden voor de meest Barmhartige. Je zult niets anders horen dan een fluisterend geluid.

یَوۡمَئِذٍ لَّا تَنۡفَعُ الشَّفَاعَۃُ اِلَّا مَنۡ اَذِنَ لَہُ الرَّحۡمٰنُ وَ رَضِیَ لَہٗ قَوۡلًا ﴿۹۰۱﴾
Yawma 'ieziel laa tanfa'oesh shafaa'atoe iellaa man aziena lahoer Rahmaanoe wa radieya lahoe qawlaa
20:109 Op die dag zal bemiddeling geen nut hebben behalve voor degene aan wie de Barmhartige toestemming geeft en voor degene waarvan de bemiddeling Hem behaagt.

یَعۡلَمُ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ وَ لَا یُحِیۡطُوۡنَ بِہٖ عِلۡمًا ﴿۰۱۱﴾
Ya'lamoe maa bainaa aidieehiem wa maa ghalfahoem wa laa yoehieetoena biehiee 'ielmaa
20:110 Hij weet wat voor hen is en wat achter hen is terwijl ze niets kunnen omvatten van Zijn Kennis.

وَ عَنَتِ الۡوُجُوۡہُ لِلۡحَیِّ الۡقَیُّوۡمِ ؕ وَ قَدۡ خَابَ مَنۡ حَمَلَ ظُلۡمًا ﴿۱۱۱﴾
Wa 'anatiel woedjoehoe liel Haiyiel Qaiyoemie wa qad ghaaba man hamala zoelmaa
20:111 En de gezichten zullen nederig worden voor "Al-Hay"(de Eeuwiglevende, Die geen begin en een einde heeft), "Al-Qayoom" (de Onderhourder, Voorziener, Degenen die de leiding heeft over alles). Waarlijk, degenen die slechtheid dragen zullen verliezen. (Notitie: Al-Qayoom betekent Degene die de leiding neemt over alles en datgeen wat bestaat onderhoudt, ondersteunt en beschermt. Hij is het die de levens van de schepping ondersteunt en alle omstandigheden van het universum beheert. Hij overziet alles: zorgt ervoor, bewaart het, waakt erover, beheert het op de manier en voor het doel dat Hij wil.)

وَ مَنۡ یَّعۡمَلۡ مِنَ الصّٰلِحٰتِ وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَلَا یَخٰفُ ظُلۡمًا وَّ لَا ہَضۡمًا ﴿۲۱۱﴾
Wa may ya'mal mienas saaliehaatie wa hoewa moe'mienoen falaa yaghaafoe zoelmaw wa laa hadmaa
20:112 En hij die goede daden verricht en gelovig is, zal niet bang zijn voor onrecht, noch voor enige beperking (van zijn beloning).

وَ کَذٰلِکَ اَنۡزَلۡنٰہُ قُرۡاٰنًا عَرَبِیًّا وَّ صَرَّفۡنَا فِیۡہِ مِنَ الۡوَعِیۡدِ لَعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ اَوۡ یُحۡدِثُ لَہُمۡ ذِکۡرًا ﴿۳۱۱﴾
Wa kazaalieka anzalnaahoe Qoer-aanan 'Arabieyyaw wa sarrafnaa fiee hie mienal wa'ieedie la'allahoem yattaqoena aw yoehdiesoe lahoem ziekraa
20:113 En dus hebben Wij het neergezonden, de Koran in het Arabisch. Wij hebben de waarschuwingen erin uitgelegd, zodat ze kunnen vrezen of zodat het hen laat nadenken.

فَتَعٰلَی اللّٰہُ الۡمَلِکُ الۡحَقُّ ۚ وَ لَا تَعۡجَلۡ بِالۡقُرۡاٰنِ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ یُّقۡضٰۤی اِلَیۡکَ وَحۡیُہٗ ۫ وَ قُلۡ رَّبِّ زِدۡنِیۡ عِلۡمًا ﴿۴۱۱﴾
Fata'aalal laahoel Maliekoel Haqq; wa laa ta'djal biel Qoeraanie mien qablie ay yoeqdaaa ielaika wahyoehoe wa qoer Rabbie ziedniee 'ielmaa
20:114 En Verheven is Allah, de ware Koning. En haast je niet met de Koran, voordat zijn openbaring aan jou (in zijn geheel) voltooid is. En zeg: "Mijn Heer! Doe mij toenemen in kennis." (Notitie: Deze vers gaat over de compleetheid over de Koran. De versnummer is 114 en de Koran heeft ook 114 Surahs, zie ook 6:114).

وَ لَقَدۡ عَہِدۡنَاۤ اِلٰۤی اٰدَمَ مِنۡ قَبۡلُ فَنَسِیَ وَ لَمۡ نَجِدۡ لَہٗ عَزۡمًا ﴿۵۱۱﴾
Wa laqad 'ahiednaaa ielaaa Aadama mien qabloe fanasieya wa lam nadjied lahoe 'azmaa
20:115 En waarlijk, Wij hadden in het verleden een verbond met Adam gesloten, echter hij was het vergeten. We vonden geen standvastigheid in hem.

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اَبٰی ﴿۶۱۱﴾
Wa iez qoelnaa lielma laaa'iekaties djoedoe lie Aadama fasadjadoeo iellaaa Iblieesa; abaa
20:116 En (gedenk) toen Wij tot de Engelen Zeiden: "Prostreer voor Adam!" Toen prostreerden ze, behalve iblies. Hij weigerde.

فَقُلۡنَا یٰۤـاٰدَمُ اِنَّ ہٰذَا عَدُوٌّ لَّکَ وَ لِزَوۡجِکَ فَلَا یُخۡرِجَنَّکُمَا مِنَ الۡجَنَّۃِ فَتَشۡقٰی ﴿۷۱۱﴾
Faqoelnaa yaaa Aadamoe ienna haazaa 'adoewwoel laka wa liezawdjieka falaa yoeghriedjan nakoemaa mienal djannatie fatashqaa
20:117 Vervolgens zeiden Wij: "O Adam! Voorzeker, deze is een vijand voor jou en voor jouw vrouw. Dus laat hem jullie niet uit de tuin doen verdrijven, anders zal je lijden."

اِنَّ لَکَ اَلَّا تَجُوۡعَ فِیۡہَا وَ لَا تَعۡرٰی ﴿۸۱۱﴾
Innaa laka allaa tadjoe'a fieeha wa laa ta'raa
20:118 "Voorzeker, je zal daar geen honger hebben, noch zal je er naakt zijn."

وَ اَنَّکَ لَا تَظۡمَؤُا فِیۡہَا وَ لَا تَضۡحٰی ﴿۹۱۱﴾
Wa annaka laa tazma'oe fieehaa wa laa tadhaa
20:119 "Noch zal je er dorst hebben en noch zal je het heet hebben door de hitte van de zon."

فَوَسۡوَسَ اِلَیۡہِ الشَّیۡطٰنُ قَالَ یٰۤـاٰدَمُ ہَلۡ اَدُلُّکَ عَلٰی شَجَرَۃِ الۡخُلۡدِ وَ مُلۡکٍ لَّا یَبۡلٰی ﴿۰۲۱﴾
Fa waswasa ielaihiesh Shaitaanoe qaala yaaa Aadamoe hal adoelloeka 'alaa shadjaratiel ghoeldie wa moelkiel laa yablaa
20:120 Vervolgens fluisterde de satan hem in, hij zei: "O Adam! zal ik jou leiden naar de boom van eeuwig leven en een koninkrijk dat niet zal vergaan?"

فَاَکَلَا مِنۡہَا فَبَدَتۡ لَہُمَا سَوۡاٰتُہُمَا وَ طَفِقَا یَخۡصِفٰنِ عَلَیۡہِمَا مِنۡ وَّرَقِ الۡجَنَّۃِ ۫ وَ عَصٰۤی اٰدَمُ رَبَّہٗ فَغَوٰی ﴿۱۲۱﴾
Fa akalaa mienhaa fabadat lahoemaa saw aatoehoemaa wa tafieqaa yaghsiefaanie 'alaihiemaa miew waraqiel djannah; wa 'asaaa Aadamoe Rabbahoe faghawaa
20:121 Toen aten ze beide ervan. Dus werd hun schaamte zichtbaar en ze begonnen bladeren van de tuin op hen vast te maken. Dus Adam was zijn Heer ongehoorzaam en werd dus dwalend.

ثُمَّ اجۡتَبٰہُ رَبُّہٗ فَتَابَ عَلَیۡہِ وَ ہَدٰی ﴿۲۲۱﴾
Soemmadj tabbahoe Rabboehoe fataaba 'alaihie wa hadaa
20:122 Daarna verkoos zijn Heer hem en wendde Hij naar hem en leidde hem. (Notitie: zie ook 2:37 en 7:23)

قَالَ اہۡبِطَا مِنۡہَا جَمِیۡعًۢا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ فَاِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ مِّنِّیۡ ہُدًی ۬ۙ فَمَنِ اتَّبَعَ ہُدَایَ فَلَا یَضِلُّ وَ لَا یَشۡقٰی ﴿۳۲۱﴾
Qaalah bieta mienhaa djamiee'am ba'doekoem lieba'dien 'adoeww; fa iemmaa ya'tieyannakoem mienniee hoedan famaniet taba'a hoedaaya falaa yadielloe wa laa yashqaa
20:123 Hij (Allah) zei: "Daal allen eruit af! Sommige van jullie zullen vijanden zijn voor anderen. Wanneer de leiding van Mij tot jullie komt, dan zal wie Mijn leiding volgt niet afdwalen en noch lijden." (Notitie: zie ook 2:36, 7:24-25.)

وَ مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡ ذِکۡرِیۡ فَاِنَّ لَہٗ مَعِیۡشَۃً ضَنۡکًا وَّ نَحۡشُرُہٗ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ اَعۡمٰی ﴿۴۲۱﴾
Wa man a'rada 'an Ziekriee fa ienna lahoe ma'ieeshatan dan-kaw wa nahshoeroehoe Yawmal Qieyaamatie a'maa
20:124 En wie zich afwendt van het gedenken van Mij, dan voorzeker voor hem is er een moeilijke leven. Op de dag van de wederopstanding, zullen Wij hem in een blinde toestand verzamelen.

قَالَ رَبِّ لِمَ حَشَرۡتَنِیۡۤ اَعۡمٰی وَ قَدۡ کُنۡتُ بَصِیۡرًا ﴿۵۲۱﴾
Qaala Rabbie liema hashar taniee a'maa wa qad koentoe basieeraa
20:125 Hij zal zeggen: "Mijn Heer! U heeft me blind opgewekt, terwijl ik kon zien."

قَالَ کَذٰلِکَ اَتَتۡکَ اٰیٰتُنَا فَنَسِیۡتَہَا ۚ وَکَذٰلِکَ الۡیَوۡمَ تُنۡسٰی ﴿۶۲۱﴾
Qaala kazaalieka atatka Aayaatoenaa fanasieetahaa wa kazaaliekal Yawma toensaa
20:126 Hij (Allah) zal zeggen: "Op dezelfde wijze, hoe jij Onze tekenen vergat die tot jou gekomen waren, zal jij vandaag dus vergeten worden."

وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِیۡ مَنۡ اَسۡرَفَ وَ لَمۡ یُؤۡمِنۡۢ بِاٰیٰتِ رَبِّہٖ ؕ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَشَدُّ وَ اَبۡقٰی ﴿۷۲۱﴾
Wa kazaalieka nadjziee man asrafa wa lam yoe'mien bie Aayaatie Rabbieh; wa la'azaaboel Aaghieratie ashaddoe wa abqaa
20:127 En zo vergelden Wij, hij die overtreedt en niet in de tekenen van zijn Heer gelooft. En waarlijk de straf in het hiernamaals is vele malen pijnlijker en meer langdurig van aard.

اَفَلَمۡ یَہۡدِ لَہُمۡ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنَ الۡقُرُوۡنِ یَمۡشُوۡنَ فِیۡ مَسٰکِنِہِمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿۸۲۱﴾
Afalam yahdie lahoem kam ahlaknaa qablahoem mienal qoeroenie yamshoena fiee masaakieniehiem; ienna fiee zaalieka la Aayaatiel lie oeliennoehaa
20:128 Zijn de hoeveelheden van de oude generaties die We hebben vernietigd en waarvan ze (nu) door hun woningen wandelen, dan geen leidraad voor hen? Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor de mensen met verstand.

وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ لَکَانَ لِزَامًا وَّ اَجَلٌ مُّسَمًّی ﴿۹۲۱﴾
Wa law laa Kaliematoen sabaqat mier Rabbieka lakaana liezaamaw wa 'adjaloen moesammaa
20:129 En als het woord (de dag des oordeels) door jou Heer niet was vastgesteld, dan zou het (de straf) voor hen (direct) bepaald zijn.

فَاصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ قَبۡلَ طُلُوۡعِ الشَّمۡسِ وَ قَبۡلَ غُرُوۡبِہَا ۚ وَ مِنۡ اٰنَآیِٔ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡ وَ اَطۡرَافَ النَّہَارِ لَعَلَّکَ تَرۡضٰی ﴿۰۳۱﴾
Fasbier 'alaa maa yaqoeloena wa sabbieh biehamdie Rabbieka qabla toeloe'iesh shamsie wa qabla ghoeroebiehaa wa mien aanaaa'iel lailie fasabbieh wa atraafan nahaarie la 'allaka tardaa
20:130 Wees dus geduldig over datgeen wat ze zeggen en verheerlijk jouw Heer met dank en eer, voor de zonsopgang (fajr) en voor de zonsondergang (asr), en gedurende de nacht, en gedurende het begin van de dag tot aan het einde dag (Zohr). Zodat jij tevreden kan zijn. (Notitie: zie ook 11:114 en 17:78. Over de trevenheid zie 19:55)

وَ لَا تَمُدَّنَّ عَیۡنَیۡکَ اِلٰی مَا مَتَّعۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡہُمۡ زَہۡرَۃَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۬ۙ لِنَفۡتِنَہُمۡ فِیۡہِ ؕ وَ رِزۡقُ رَبِّکَ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۱۳۱﴾
Wa laa tamoeddanna 'ainaika ielaa ma matta'na biehieee azwadjam mienhoem zahratal hayaatied doenya lienaftienahoem fieeh; wa riezqoe Rabbieka ghairoew wa abqaa
20:131 En kijk niet met uitpuilende ogen naar datgeen wat Wij hen als genieting van het wereldse leven hebben gegeven, om hen te beproeven. En voorziening van jouw Heer is beter en eeuwig durend. (Notitie: zie ook 93:5)

وَ اۡمُرۡ اَہۡلَکَ بِالصَّلٰوۃِ وَ اصۡطَبِرۡ عَلَیۡہَا ؕ لَا نَسۡـَٔلُکَ رِزۡقًا ؕ نَحۡنُ نَرۡزُقُکَ ؕ وَ الۡعَاقِبَۃُ لِلتَّقۡوٰی ﴿۲۳۱﴾
Wa'moer ahlaka bies Salaatie wastabier 'alaihaa laa nas'aloeka riezqaa; nahnoe narzoeqoek; wal 'aaqiebatoe liettaqwaa
20:132 En beveel jouw familie de 'Salaat' (contact te maken met Allah, het gebed) te verrichten en standvastig er in te zijn. Wij vragen jou niet om (een) voorziening, het is Wij die jou (voorzieningen) verschaffen. Het goede einde is voor de godvrezende (Notitie: zie 2:2-5)

وَ قَالُوۡا لَوۡ لَا یَاۡتِیۡنَا بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ اَوَ لَمۡ تَاۡتِہِمۡ بَیِّنَۃُ مَا فِی الصُّحُفِ الۡاُوۡلٰی ﴿۳۳۱﴾
Wa qaaloe law laa ya'tieenaa bie aayatien mier Rabbieh; awa lam ta'tiehiem baiyienatoe maa fies soehoefiel oelaa
20:133 En ze (de ongelovigen) zeggen: "Waarom brengt hij geen teken van zijn Heer voor ons?" Hebben ze geen bewijs gekregen in de voorafgaande geschriften?

وَ لَوۡ اَنَّـاۤ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ بِعَذَابٍ مِّنۡ قَبۡلِہٖ لَقَالُوۡا رَبَّنَا لَوۡ لَاۤ اَرۡسَلۡتَ اِلَیۡنَا رَسُوۡلًا فَنَتَّبِعَ اٰیٰتِکَ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ نَّذِلَّ وَ نَخۡزٰی ﴿۴۳۱﴾
Wa law annaaa ahlaknaahoem bie 'azaabien mien qabliehiee laqaaloe Rabbanaa law laaa arsalta ielainaa Rasoelan fanattabie'a Aayaatieka mien qablie an naziella wa naghzaa
20:134 En als Wij hen hadden vernietigd door een straf nog voordat dit (de openbaring) had plaatsgevonden, dan zouden de zeker hebben gezegd: "Onze Heer! Waarom heeft U geen boodschapper naar ons gestuurd? Zodat wij U tekenen konden volgen, voordat wij vernederd en onteert waren."

قُلۡ کُلٌّ مُّتَرَبِّصٌ فَتَرَبَّصُوۡا ۚ فَسَتَعۡلَمُوۡنَ مَنۡ اَصۡحٰبُ الصِّرَاطِ السَّوِیِّ وَ مَنِ اہۡتَدٰی ﴿۵۳۱﴾
Qoel koelloem moetarabbiesoen fa tarabbasoe fa sa ta'lamoena man Ashaaboes Sieraaties Sawieyyie wa manieh tadaa
20:135 Zeg: "Iedereen wacht, dus wacht maar af. Jullie zullen dan weten wie het rechte pad bewandelt en wie geleid wordt."


www.heiligekoran.nl