2 Al-Baqarah (De koe)
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
الٓـمّٓ ۚ﴿۱﴾
Alief-Laaam-Mieeem
2:1 Alief Laaam Mieeem.

ذٰلِکَ الۡکِتٰبُ لَا رَیۡبَ ۚۖۛ فِیۡہِ ۚۛ ہُدًی لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ۙ﴿۲﴾
Zaaliekal Kietaaboe laa raiba fieeh; hoedal lielmoettaqieen
2:2 Dat is het boek (Lawh Al-Mahfuz, de moeder van alle boeken), waarin geen twijfel is, (de openbaring ervan is) een leiding voor de Moettaqoens. (Notitie: Lawh Al-Mahfuz is het boek waarin alles staat vermeld. Dus alle gebeurtenissen, creatie, etc. Dit boek is niet gebonden aan tijd en vermeld dus ook alle toekomstige gebeurtenissen. Het wordt bewaakt en is alleen toegankelijk door Allah, zie 50:4. In deze vers wordt er verwezen naar een oplezing van een deel van de Lawh Al-Mahfuz, wat bekend staat als de Koran. Het Arabische woord Koran betekent oplezing en komt uit het werkwoord 'Qara' wat reciteren, oplezen en voordracht betekent. De Koran is bedoeld als leiding voor de Moettaqoens, dat zijn de mensen die 'Taqwa' hebben. Taqwa is de constante bewustzijn van de aanwezigheid van Allah, Zijn Barmhartigheid, de beloning en de straf van Allah, kortom godsvreesheid. Zie ook 3:14-15, 32:2, 10:37. Iemand die veel Taqwa heeft, zoek vaak contact met Allah.)

الَّذِیۡنَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡغَیۡبِ وَ یُقِیۡمُوۡنَ الصَّلٰوۃَ وَ مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ یُنۡفِقُوۡنَ ۙ﴿۳﴾
Allazieena yoe'mienoena bielghaibie wa yoeqieemoenas salaata wa miemmaa razaqnaahoem yoenfieqoen
2:3 (Dit zijn) degenen die in het ongeziene geloven, de "Salaat" (contact maken met Allah, het gebed) verrichten en uitgeven van datgeen waarmee Wij hen hebben voorzien. (Notitie: het woord "Salaat" wordt vaak vertaalt als de gebeden, echter elk vorm van contact zoeken met Allah is "Salaat".)

وَ الَّذِیۡنَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِمَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ مِنۡ قَبۡلِکَ ۚ وَ بِالۡاٰخِرَۃِ ہُمۡ یُوۡقِنُوۡنَ ؕ﴿۴﴾
Wallazieena yoe'mienoena biemaa oenziela ielaika wa maaa oenziela mien qablieka wa biel Aaghieratie hoem yoeqienoen
2:4 En degenen die geloven in wat aan jou (Mohammed v.z.m.h.) is geopenbaard en in datgeen wat vóór jou is geopenbaard en die sterk overtuigd zijn in het Hiernamaals.

اُولٰٓئِکَ عَلٰی ہُدًی مِّنۡ رَّبِّہِمۡ ٭ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۵﴾
Oelaaa'ieka 'alaa hoedam mier rabbiehiem wa oelaaa'ieka hoemoel moefliehoen
2:5 Zij zijn degenen die de leiding van hun Heer volgen en zij zijn degenen die groeien in succes.

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا سَوَآءٌ عَلَیۡہِمۡ ءَاَنۡذَرۡتَہُمۡ اَمۡ لَمۡ تُنۡذِرۡہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۶﴾
Innal lazieena kafaroe sawaaa'oen 'alaihiem 'a-anzar tahoem am lam toenzierhoem laa yoe'mienoen
2:6 Voorzeker, degenen die niet geloven, het is hetzelfde voor hen of jij hen waarschuwt of niet waarschuwt, ze zullen niet geloven.

خَتَمَ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ وَ عَلٰی سَمۡعِہِمۡ ؕ وَ عَلٰۤی اَبۡصَارِہِمۡ غِشَاوَۃٌ ۫ وَّ لَہُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۷﴾
ghatamal laahoe 'alaa qoeloebiehiem wa 'alaa sam'ie-hiem wa 'alaaa absaariehiem ghieshaa watoew wa lahoem 'azaaboen 'azieem
2:7 Allah heeft een zegel op hun harten en op hun gehoor geplaatst en over hun ogen is een sluier. Voor hen is er een grote straf.

وَ مِنَ النَّاسِ مَنۡ یَّقُوۡلُ اٰمَنَّا بِاللّٰہِ وَ بِالۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ مَا ہُمۡ بِمُؤۡمِنِیۡنَ ۘ﴿۸﴾
Wa mienan naasie maiy yaqoeloe aamannaa biellaahie wa biel yawmiel aaghierie wa maa hoem biemoe'mienieen
2:8 En er zijn mensen die zeggen: "Wij geloven in Allah en in de laatste dag", maar ze zijn geen gelovigen.

یُخٰدِعُوۡنَ اللّٰہَ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ۚ وَ مَا یَخۡدَعُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡفُسَہُمۡ وَ مَا یَشۡعُرُوۡنَ ؕ﴿۹﴾
Yoeghaadie'oenal laaha wallazieena aamanoe wa maa yaghda'oena iellaaa anfoesahoem wa maa yash'oeroen
2:9 Ze proberen Allah en degenen die geloven te misleiden, maar ze misleiden niemand dan zichzelf, maar ze beseffen het niet.

فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ ۙ فَزَادَہُمُ اللّٰہُ مَرَضًا ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌۢ ۬ۙ بِمَا کَانُوۡا یَکۡذِبُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Fiee qoeloebiehiem mara doen fazaadahoemoel laahoe maradah; wa lahoem 'azaaboen alieemoem biemaa kaanoe yakzieboen
2:10 In hun harten is er een ziekte, dus heeft Allah hun ziekte doen verergeren. Voor hen is er een pijnlijke straf, omdat ze de gewoonte hadden om te liegen.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ ۙ قَالُوۡۤا اِنَّمَا نَحۡنُ مُصۡلِحُوۡنَ ﴿۱۱﴾
Wa iezaa qieela lahoem laa toefsiedoe fiel ardie qaaloeo iennamaa nahnoe moesliehoen
2:11 En wanneer er tegen hen wordt gezegd: "Zaai geen corruptie\verderf op aarde", zeggen ze: "Wij scheppen alleen maar orde."

اَلَاۤ اِنَّہُمۡ ہُمُ الۡمُفۡسِدُوۡنَ وَ لٰکِنۡ لَّا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲۱﴾
Alaaa iennahoem hoemoel moefsiedoena wa laakiel laa yash'oeroen
2:12 Behoedt jezelf (van hen), voorzeker zij zijn degenen die verderf zaaien, maar ze beseffen het niet.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ اٰمِنُوۡا کَمَاۤ اٰمَنَ النَّاسُ قَالُوۡۤا اَنُؤۡمِنُ کَمَاۤ اٰمَنَ السُّفَہَآءُ ؕ اَلَاۤ اِنَّہُمۡ ہُمُ السُّفَہَآءُ وَ لٰکِنۡ لَّا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۱﴾
Wa iezaa qieela lahoem aamienoe kamaaa aamanan naasoe qaaloeo anoe'mienoe kamaaa aamanas soefahaaa'; alaaa iennahoem hoemoes soefahaaa'oe wa laakiel laa ya'lamoen
2:13 En wanneer tegen hen wordt gezegd: "Geloof zoals de mensen geloven", zeggen ze: "Zullen wij geloven zoals de dwazen geloven?" Behoed jezelf (van hen), voorzeker zij zijn de dwazen, maar ze hebben daar geen besef van.

وَ اِذَا لَقُوا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا ۚۖ وَ اِذَا خَلَوۡا اِلٰی شَیٰطِیۡنِہِمۡ ۙ قَالُوۡۤا اِنَّا مَعَکُمۡ ۙ اِنَّمَا نَحۡنُ مُسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Wa iezaa laqoel lazieena aamanoe qaaloeo aamannaa wa iezaa ghalaw ielaa shayaatieeniehiem qaaloeo iennaa ma'akoem iennamaa nahnoe moestahzie'oen
2:14 En wanneer ze de gelovigen ontmoeten, zeggen ze: "Wij geloven." Maar wanneer ze alleen zijn met hun satans (hypocrieten), dan zeggen ze: "Voorwaar, wij behoren tot jullie, wij spotten alleen (met hen)."

اَللّٰہُ یَسۡتَہۡزِئُ بِہِمۡ وَ یَمُدُّہُمۡ فِیۡ طُغۡیَانِہِمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ﴿۵۱﴾
Allahoe yastahzie'oe biehiem wa yamoeddoehoem fiee toeghyaaniehiem ya'mahoen
2:15 Allah spot met hen en laat hen blindelings in hun overtredingen verder afdwalen.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ اشۡتَرَوُا الضَّلٰلَۃَ بِالۡہُدٰی ۪ فَمَا رَبِحَتۡ تِّجَارَتُہُمۡ وَ مَا کَانُوۡا مُہۡتَدِیۡنَ ﴿۶۱﴾
Oelaaa'iekal lazieenash tara woed dalaalata bielhoedaa famaa rabiehat tiedjaaratoehoem wa maa kaanoe moehtadieen
2:16 Dit zijn degenen die het dwaalspoor hebben gekocht in plaats van de leiding, daarom brengt hun handel geen profijt op. Ze behoren niet tot de recht-geleide\oprechte mensen.

مَثَلُہُمۡ کَمَثَلِ الَّذِی اسۡتَوۡقَدَ نَارًا ۚ فَلَمَّاۤ اَضَآءَتۡ مَا حَوۡلَہٗ ذَہَبَ اللّٰہُ بِنُوۡرِہِمۡ وَ تَرَکَہُمۡ فِیۡ ظُلُمٰتٍ لَّا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۷۱﴾
Masaloehoem kamasaliellazies tawqada naaran falammaaa adaaa'at maa hawlahoe zahabal laahoe bienoeriehiem wa tarakahoem fiee zoeloemaatiel laa yoebsieroen
2:17 Een vergelijking met hen is als iemand die een vuur aanstak. Wanneer datgeen wat om hem heen is verlicht werd, ontnam Allah hun licht en liet hen in duisternissen achter, zodat ze niets zien. (Notitie: duisternis wordt gezien als een levensomgeving wat geen vruchten afwerpt.)

صُمٌّۢ بُکۡمٌ عُمۡیٌ فَہُمۡ لَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۸۱﴾
Soemmoem boekmoen 'oemyoen fahoem laa yardjie'oen
2:18 Doof, stom, en blind zijn zij, daarom zullen ze niet terugkeren.

اَوۡ کَصَیِّبٍ مِّنَ السَّمَآءِ فِیۡہِ ظُلُمٰتٌ وَّ رَعۡدٌ وَّ بَرۡقٌ ۚ یَجۡعَلُوۡنَ اَصَابِعَہُمۡ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ مِّنَ الصَّوَاعِقِ حَذَرَ الۡمَوۡتِ ؕ وَ اللّٰہُ مُحِیۡطٌۢ بِالۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۹۱﴾
Aw kasaiyiebiem mienas samaaa'ie fieehie zoeloemaatoew wa ra'doew wa barq, yadj'aloena asaabie'ahoem fieee aazaaniehiem mienas sawaa'ieqie hazaral mawt' wallaahoe moehieetoem bielkaafierieen
2:19 Of als een zware regenbui vanuit de hemel begeleid met duisternissen, donder en bliksem. Uit doodsangst voor de donder, stoppen ze hun vingers in hun oren. En Allah omsingelt de ongelovigen (op elk gebied).

یَکَادُ الۡبَرۡقُ یَخۡطَفُ اَبۡصَارَہُمۡ ؕ کُلَّمَاۤ اَضَآءَ لَہُمۡ مَّشَوۡا فِیۡہِ ٭ۙ وَ اِذَاۤ اَظۡلَمَ عَلَیۡہِمۡ قَامُوۡا ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ لَذَہَبَ بِسَمۡعِہِمۡ وَ اَبۡصَارِہِمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۰۲﴾
Yakaadoel barqoe yaghtafoe absaarahoem koellamaaa adaaa'a lahoem mashaw fieehie wa iezaaa azlama 'alaihiem qaamoe; wa law shaaa'al laahoe lazahaba biesam'iehiem wa absaariehiem; iennal laaha 'alaa koellie shai'ien Qadieer
2:20 Bijna ontneemt de bliksem hun gezichtsvermogen. Elke keer wanneer het verlicht, lopen ze erin en wanneer het weer donker wordt staan ze stil. En als Allah het had gewild, dan zou Hij hun gehoor en gezichtsvermogen hebben ontnomen. Zonder twijfel, Allah is over alles Al-Qadier (Degene Die in staat is om alles te doen wat Hij wil).

یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اعۡبُدُوۡا رَبَّکُمُ الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ وَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۲﴾
Yaaa aiyoehan naasoe'boedoe Rabbakoemoel laziee ghalaqakoem wallazieena mien qabliekoem la'allakoem tattaqoen
2:21 O mensen, aanbid jullie Heer, Degenen Die jullie en eerdere generaties heeft geschapen, zodat jullie rechtvaardig worden.

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ فِرَاشًا وَّ السَّمَآءَ بِنَآءً ۪ وَّ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَاَخۡرَجَ بِہٖ مِنَ الثَّمَرٰتِ رِزۡقًا لَّکُمۡ ۚ فَلَا تَجۡعَلُوۡا لِلّٰہِ اَنۡدَادًا وَّ اَنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۲﴾
Allaziee dja'ala lakoemoel arda fieraashaw wassamaaa'a bienaaa 'aw wa anzala mienassamaaa'ie maaa'an fa aghradja biehiee mienas samaraatie riezqal lakoem falaa tadj'aloe liellaahie andaadaw wa antoem ta'lamoen
2:22 (Hij is Allah, Degene) Die de aarde als een rustplaats (bed) en de hemel als een bedekking voor jullie heeft gemaakt. En Die water uit de hemel doet neerdalen, vervolgens brengt Hij daarmee vruchten voort als levensonderhoud voor jullie. Dus ken geen gelijke toe aan Allah, terwijl jullie het weten.

وَ اِنۡ کُنۡتُمۡ فِیۡ رَیۡبٍ مِّمَّا نَزَّلۡنَا عَلٰی عَبۡدِنَا فَاۡتُوۡا بِسُوۡرَۃٍ مِّنۡ مِّثۡلِہٖ ۪ وَ ادۡعُوۡا شُہَدَآءَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۳۲﴾
Wa ien koentoem fiee raibiem miemmaa nazzalnaa 'alaa 'abdienaa fatoe bie Soeratiem miem miesliehiee wad'oe shoehadaaa'akoem mien doeniel laahie ien koentoem saadieqieen
2:23 En als jullie in twijfel verkeren over datgeen wat Wij aan Onze dienaar hebben neergezonden, produceer dan een gelijkwaardig 'Soerah' (hoofdstuk). En roep jullie helper buiten Allah aan, als jullie streven naar de waarheid.

فَاِنۡ لَّمۡ تَفۡعَلُوۡا وَ لَنۡ تَفۡعَلُوۡا فَاتَّقُوا النَّارَ الَّتِیۡ وَقُوۡدُہَا النَّاسُ وَ الۡحِجَارَۃُ ۚۖ اُعِدَّتۡ لِلۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۲﴾
Fail lam taf'aloe wa lan taf'aloe fattaqoen Naaral latiee waqoedoehan naasoe walhiedjaaratoe oe'ieddat lielkaafierieen
2:24 Als jullie het niet doen, en jullie zullen het nooit in staat zijn, vrees dan het vuur waarin mensen en stenen als brandstof zijn, wat voor de ongelovigen klaar is gemaakt.

وَ بَشِّرِ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ اَنَّ لَہُمۡ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ؕ کُلَّمَا رُزِقُوۡا مِنۡہَا مِنۡ ثَمَرَۃٍ رِّزۡقًا ۙ قَالُوۡا ہٰذَا الَّذِیۡ رُزِقۡنَا مِنۡ قَبۡلُ ۙ وَ اُتُوۡا بِہٖ مُتَشَابِہًا ؕ وَ لَہُمۡ فِیۡہَاۤ اَزۡوَاجٌ مُّطَہَّرَۃٌ ٭ۙ وَّ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Wa bashshieriel lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie anna lahoem djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe koellamaa roezieqoe mienhaa mien samaratier riezqan qaaloe haazal laziee roezieqnaa mien qabloe wa oetoe biehiee moetashaabiehaa, wa lahoem fieehaaa azwaadjoem moetahhara toew wa hoem fieehaa ghaaliedoen
2:25 En verkondig het goede nieuws aan hen die geloven en goede daden verrichten, dat er voor hen tuinen zijn waaronder rivieren stromen. Iedere keer wanneer ze daaruit van fruit worden voorzien, zullen ze zeggen: "Dit is waarmee we eerder voorzien werden (als voedsel op aarde)." En aan hen zullen (de dingen) daaruit zo gegeven worden dat het herkenbaar is. En voor hen zijn er rein gemaakte echtgenoten. Ze zullen voor altijd daar vertoeven.

اِنَّ اللّٰہَ لَا یَسۡتَحۡیٖۤ اَنۡ یَّضۡرِبَ مَثَلًا مَّا بَعُوۡضَۃً فَمَا فَوۡقَہَا ؕ فَاَمَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فَیَعۡلَمُوۡنَ اَنَّہُ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۚ وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَیَقُوۡلُوۡنَ مَا ذَاۤ اَرَادَ اللّٰہُ بِہٰذَا مَثَلًا ۘ یُضِلُّ بِہٖ کَثِیۡرًا ۙ وَّ یَہۡدِیۡ بِہٖ کَثِیۡرًا ؕ وَ مَا یُضِلُّ بِہٖۤ اِلَّا الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۶۲﴾
Innal laaha laa yastahyieee ay yadrieba masalam maa ba'oedatan famaa fawqahaa; faammal lazieena aamanoe faya'lamoena annahoel haqqoe mier rabbiehiem wa ammal lazieena kafaroe fayaqoeloena maazaaa araadal laahoe biehaazaa masalaa; yoedielloe biehiee kasieeraw wa yahdiee biehiee kasieeraa; wa maa yoedielloe biehieee iellal faasieqieen
2:26 Voorwaar, Allah schaamt niet om een vergelijking van een mug, of zelfs iets nog onbeduidend, te geven. Diegenen die geloven weten dat het de waarheid van hun Heer is. En de ongelovigen zullen zeggen: "Wat bedoelt Allah met deze vergelijking?" Hij doet velen ermee dwalen en Hij leidt er velen mee. Hij laat alleen de mensen die provocerend ongehoorzaam zijn, ermee dwalen.

الَّذِیۡنَ یَنۡقُضُوۡنَ عَہۡدَ اللّٰہِ مِنۡۢ بَعۡدِ مِیۡثَاقِہٖ ۪ وَ یَقۡطَعُوۡنَ مَاۤ اَمَرَ اللّٰہُ بِہٖۤ اَنۡ یُّوۡصَلَ وَ یُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Allazieena yanqoedoena 'ahdal laahie miem ba'die mieesaaqiehiee wa yaqta'oena maaa amaral laahoe biehieee ay yoesala wa yoefsiedoena fiel ard; oelaaa'ieka hoemoel ghaasieroen
2:27 (Dat zijn) degenen die het verbond met Allah verbreken na de bekrachtiging ervan. En die datgeen verbreken wat Allah bevolen heeft verbonden te blijven en die verderf zaaien op de aarde. Zij zijn de (uiteindelijke) verliezers.

کَیۡفَ تَکۡفُرُوۡنَ بِاللّٰہِ وَ کُنۡتُمۡ اَمۡوَاتًا فَاَحۡیَاکُمۡ ۚ ثُمَّ یُمِیۡتُکُمۡ ثُمَّ یُحۡیِیۡکُمۡ ثُمَّ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Kaifa takfoeroena biellaahie wa koentoem amwaatan fa ahyaakoem soemma yoemieetoekoem soemma yoehyieekoem soemmaa ielaihie toerdja'oen
2:28 Hoe kunnen jullie niet in Allah geloven, ondanks dat Hij jullie het leven schonk terwijl jullie niet bestonden? Hij zal jullie doen sterven, vervolgens zal Hij jullie opwekken en daarna zullen jullie tot Hem terugkeren.

ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ لَکُمۡ مَّا فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا ٭ ثُمَّ اسۡتَوٰۤی اِلَی السَّمَآءِ فَسَوّٰىہُنَّ سَبۡعَ سَمٰوٰتٍ ؕ وَ ہُوَ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۹۲﴾
Hoewal laziee ghalaqa lakoem maa fiel ardie djamiee'an soemmas tawaaa ielas samaaa'ie fasaw waahoenna sab'a samaa waat; wa Hoewa biekoellie shai'ien Alieem
2:29 Hij is Allah, Degenen Die alles op de aarde voor jullie heeft geschapen. Vervolgens wendde Hij Zich tot de hemel en vormde deze tot zeven hemelen. Hij bevat de totale kennis over alles.

وَ اِذۡ قَالَ رَبُّکَ لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اِنِّیۡ جَاعِلٌ فِی الۡاَرۡضِ خَلِیۡفَۃً ؕ قَالُوۡۤا اَتَجۡعَلُ فِیۡہَا مَنۡ یُّفۡسِدُ فِیۡہَا وَ یَسۡفِکُ الدِّمَآءَ ۚ وَ نَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِکَ وَ نُقَدِّسُ لَکَ ؕ قَالَ اِنِّیۡۤ اَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۰۳﴾
Wa iez qaala rabboeka liel malaaa'iekatie ienniee djaa'ieloen fiel ardie ghalieefatan qaaloeo atadj'aloe fieehaa may yoefsiedoe fieehaa wa yasfiekoed diemaaa'a wa nahnoe noesabbiehoe biehamdieka wa noeqaddiesoe laka qaala iennieee a'lamoe maa laa ta'lamoen
2:30 En (gedenk) toen jullie Heer tegen de engelen zei: "Voorwaar, Ik ga op aarde een 'Ghalifa' (een entiteit waaruit vele generaties op generaties zal ontstaan) plaatsen", zeiden ze: "Gaat U iemand erop plaatsen die er verderf zal zaaien en bloed zal vergieten, terwijl wij U verheerlijken met Uw lof en U heiligen?" Hij zei: "Er is geen twijfel, Ik weet wat jullie niet weten." (Notitie: Ghalifa kan niet vertaald worden als stedehouder/gevolmachtigden/gemachtigde van Allah, gezien Allah Al-Qayoem is (de Onderhouder, Voorziener, Degenen die de leiding heeft over alles). Iemand die onderhoudt, voorziet, en de leiding heeft over alles, heeft geen gemachtigde nodig, noch staat Hij dingen toe als Hij dat niet wil. Wanneer het zo vertaalt wordt is het in tegenstrijd met vers 2:255.)

وَ عَلَّمَ اٰدَمَ الۡاَسۡمَآءَ کُلَّہَا ثُمَّ عَرَضَہُمۡ عَلَی الۡمَلٰٓئِکَۃِ ۙ فَقَالَ اَنۡۢبِـُٔوۡنِیۡ بِاَسۡمَآءِ ہٰۤؤُلَآءِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Wa 'allama Aadamal asmaaa'a koellahaa soemma 'aradahoem 'alal malaaa'iekatie faqaala ambie'oeniee bieas maaa'ie haaa'oelaaa'ie ien koentoem saadieqieen
2:31 En Hij onderwees Adam alle namen. Vervolgens toonde Hij deze aan de engelen en zei: "Maak mij de namen van deze bekend als jullie streven naar de waarheid."

قَالُوۡا سُبۡحٰنَکَ لَا عِلۡمَ لَنَاۤ اِلَّا مَا عَلَّمۡتَنَا ؕ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡعَلِیۡمُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۲۳﴾
Qaaloe soebhaanaka laa 'ielma lanaaa iellaa maa 'allamtanaaa iennaka antal'alieemoel hakieem
2:32 Ze zeiden: "Subhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) bent U! We hebben geen kennis behalve wat U ons heeft onderwezen. Zonder twijfel, U bent Al-Aliem (de Alwetende), Al-Hakiem (de Alwijze)."

قَالَ یٰۤاٰدَمُ اَنۡۢبِئۡہُمۡ بِاَسۡمَآئِہِمۡ ۚ فَلَمَّاۤ اَنۡۢبَاَہُمۡ بِاَسۡمَآئِہِمۡ ۙ قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکُمۡ اِنِّیۡۤ اَعۡلَمُ غَیۡبَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۙ وَ اَعۡلَمُ مَا تُبۡدُوۡنَ وَ مَا کُنۡتُمۡ تَکۡتُمُوۡنَ ﴿۳۳﴾
Qaala yaaa Aadamoe ambie' hoem bieasmaaa'iehiem falammaa amba ahoem bie asmaaa'iehiem qaala alam aqoel lakoem iennieee a'lamoe ghaibas samaawaatie wal ardie wa a'lamoe maa toebdoena wa maa koentoem taktoemoen
2:33 Hij zei: "O Adam, informeer hen de namen." Nadat hij hen had geïnformeerd over hun namen, zei Hij (Allah): “Heb Ik jullie niet gezegd, dat Ik de "Ghayb" (hetgeen wat niet direct kan worden waargenomen) van de hemelen en de aarde ken? En dat Ik weet, wat jullie onthullen en wat jullie verbergen?"

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اَبٰی وَ اسۡتَکۡبَرَ ٭۫ وَ کَانَ مِنَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۳﴾
Wa iez qoelnaa lielmalaaa'ie katies djoedoe lieAadama fasadjadoeo iellaaa Iblieesa abaa wastakbara wa kaana mienal kaafierieen
2:34 En (gedenk) toen Wij tot de engelen zeiden: "Prostreer voor Adam". Ze prostreerden, behalve iblies. Hij weigerde en was hoogmoedig en werd tot de groep van ongelovigen.

وَ قُلۡنَا یٰۤاٰدَمُ اسۡکُنۡ اَنۡتَ وَ زَوۡجُکَ الۡجَنَّۃَ وَ کُلَا مِنۡہَا رَغَدًا حَیۡثُ شِئۡتُمَا ۪ وَ لَا تَقۡرَبَا ہٰذِہِ الشَّجَرَۃَ فَتَکُوۡنَا مِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۵۳﴾
Wa qoelnaa yaaa Aadamoes koen anta wa zawdjoekal djannata wa koelaa mienhaa raghadan haisoe shie'toemaa wa laa taqrabaa haaziehiesh shadjarata fatakoenaa mienaz zaaliemieen
2:35 En Wij zeiden: "O Adam, vertoef in de tuin, jij en je vrouw, en eet daaruit overvloedig waar jullie ook wensen, maar nader deze boom niet, anders zullen jullie tot de onrechtplegers behoren."

فَاَزَلَّہُمَا الشَّیۡطٰنُ عَنۡہَا فَاَخۡرَجَہُمَا مِمَّا کَانَا فِیۡہِ ۪ وَ قُلۡنَا اہۡبِطُوۡا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ وَ لَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ مُسۡتَقَرٌّ وَّ مَتَاعٌ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۶۳﴾
Fa azallahoemash Shaitaanoe 'anhaa fa aghradjahoemaa miemmaa kaanaa fiee wa qoelnah bietoe ba'doekoem lieba'dien 'adoewwoew wa lakoem fiel ardie moestaqarroew wa mataa'oen ielaa hieen
2:36 Maar de satan deed hen daaruit glijden, en bracht hen dus uit de toestand waarin ze waren. En Wij zeiden: "Daal af (van de positie)! Jullie zullen elkaars vijanden zijn. De aarde is een tijdelijke verblijfplaats en een levensvoorziening voor jullie."

فَتَلَقّٰۤی اٰدَمُ مِنۡ رَّبِّہٖ کَلِمٰتٍ فَتَابَ عَلَیۡہِ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۷۳﴾
Fatalaqqaaa Aadamoe mier Rabbiehiee Kaliemaatien fataaba 'alaihie; iennahoe Hoewat Tawwaaboer Rahieem
2:37 Toen ontving Adam woorden van zijn Heer. Dus wendde Hij zich genadig tot hem, voorzeker Hij is At-Tawwaab (Degenen die het meeste het berouw aanvaard), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen). (Notitie: zie 7:23, de woorden die Adam ontving).

قُلۡنَا اہۡبِطُوۡا مِنۡہَا جَمِیۡعًا ۚ فَاِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ مِّنِّیۡ ہُدًی فَمَنۡ تَبِعَ ہُدَایَ فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۸۳﴾
Qoelnah bietoe mienhaa djamiee 'an fa iemmaa ya'tieyannakoem mienniee hoedan faman tabie'a hoedaaya falaa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahza noen
2:38 Wij zeiden: "Daal allen eruit af! En wanneer Mijn leiding tot jullie komt, dan zal er geen angst voor hen zijn die mijn leiding zal volgen en ze zullen niet treuren."

وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۹۳﴾
Wallazieena kafaroe wa kaz zaboeo bie aayaatienaa oelaaa'ieka Ashaaboen Naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
2:39 "En degenen die niet geloven en die onze tekenen verwerpen\negeren, zij zijn de bewoners van het vuur. Zij zullen er eeuwig in vertoeven."

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتِیَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتُ عَلَیۡکُمۡ وَ اَوۡفُوۡا بِعَہۡدِیۡۤ اُوۡفِ بِعَہۡدِکُمۡ ۚ وَ اِیَّایَ فَارۡہَبُوۡنِ ﴿۰۴﴾
Yaa Banieee Israaa'ieelaz koeroe nie'matieyal latieee an'amtoe 'alaikoem wa awfoe bie'Ahdieee oefie bie ahdiekoem wa ieyyaaya farhaboen
2:40 O Kinderen van Israël! Gedenk Mijn gunst die Ik jullie heb geschonken. En bekrachtig Mijn verbond, Ik zal het verbond met jullie behouden, en vrees Mij alleen.

وَ اٰمِنُوۡا بِمَاۤ اَنۡزَلۡتُ مُصَدِّقًا لِّمَا مَعَکُمۡ وَ لَا تَکُوۡنُوۡۤا اَوَّلَ کَافِرٍۭ بِہٖ ۪ وَ لَا تَشۡتَرُوۡا بِاٰیٰتِیۡ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ۫ وَّ اِیَّایَ فَاتَّقُوۡنِ ﴿۱۴﴾
Wa aamienoe biemaaa anzaltoe moesaddieqal liemaa ma'akoem wa laa takoenoeo awwala kaafieriem biehiee wa laa tashtaroe bie Aayaatiee samanan qalieelaw wa ieyyaaya fattaqoen
2:41 En geloof in datgeen wat Ik heb neergezonden (de Koran), het bevestigt datgeen wat jullie al hebben. En wees niet de eerste die er niet in geloven. En verruil Mijn tekenen niet voor een kleine prijs. En vrees Mij alleen.

وَ لَا تَلۡبِسُوا الۡحَقَّ بِالۡبَاطِلِ وَ تَکۡتُمُوا الۡحَقَّ وَ اَنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۴﴾
Wa laa talbiesoel haqqa bielbaatielie wa taktoemoel haqqa wa antoem ta'lamoen
2:42 En meng de waarheid niet met onzin en verberg de waarheid niet terwijl jullie het weten (dat het de waarheid is).

وَ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتُوا الزَّکٰوۃَ وَ ارۡکَعُوۡا مَعَ الرّٰکِعِیۡنَ ﴿۳۴﴾
Wa aqieemoes salaata wa aatoez zakaata warka'oe ma'ar raakie'ieen
2:43 En onderhoud "Salaat" (het contact maken met Allah, het gebed), geef de zakaat (arme belasting) en prostreer samen met hen die prostreren.

اَتَاۡمُرُوۡنَ النَّاسَ بِالۡبِرِّ وَ تَنۡسَوۡنَ اَنۡفُسَکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ تَتۡلُوۡنَ الۡکِتٰبَ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۴۴﴾
Ataamoeroenan naasa bielbierrie wa tansawna anfoesakoem wa antoem tatloenal Kietaab; afalaa ta'qieloen
2:44 Gebieden jullie de mensen tot rechtvaardigheid, terwijl jullie jezelf vergeten ondanks dat jullie het boek lezen? Gebruiken jullie geen verstand?

وَ اسۡتَعِیۡنُوۡا بِالصَّبۡرِ وَ الصَّلٰوۃِ ؕ وَ اِنَّہَا لَکَبِیۡرَۃٌ اِلَّا عَلَی الۡخٰشِعِیۡنَ ﴿۵۴﴾
Wasta'ieenoe biessabrie was Salaah; wa iennahaa lakabiee ratoen iellaa alal ghaashie'ieen
2:45 En zoek hulp met behulp van geduld en het gebed. Voorwaar, het is erg zwaar, behalve voor de mensen die nederig zijn.

الَّذِیۡنَ یَظُنُّوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّلٰقُوۡا رَبِّہِمۡ وَ اَنَّہُمۡ اِلَیۡہِ رٰجِعُوۡنَ ﴿۶۴﴾
Allazieena yazoennoena annahoem moelaaqoe Rabbiehiem wa annahoem ielaihie raadjie'oen
2:46 (Dat zijn) degene die ervan overtuigd zijn dat ze hun Heer zullen ontmoeten en dat ze tot hem zullen terugkeren.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتِیَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتُ عَلَیۡکُمۡ وَ اَنِّیۡ فَضَّلۡتُکُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۴﴾
Yaa Banieee Israaa'ieelaz koeroe nie'matieyal latieee an'amtoe 'alaikoem wa anniee faddaltoekoem 'alal 'aalamieen
2:47 O Kinderen van Israël, gedenk Mijn gunst die Ik aan jullie bewees, en dat Ik jullie bevoorrechtte over de werelden.

وَ اتَّقُوۡا یَوۡمًا لَّا تَجۡزِیۡ نَفۡسٌ عَنۡ نَّفۡسٍ شَیۡئًا وَّ لَا یُقۡبَلُ مِنۡہَا شَفَاعَۃٌ وَّ لَا یُؤۡخَذُ مِنۡہَا عَدۡلٌ وَّ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۸۴﴾
Wattaqoe Yawmal laa tadjziee nafsoen 'an nafsien shai'aw wa laa yoeqbaloe mienhaa shafaa'atoew wa laa yoe'ghazoe mienhaa 'adloew wa laa hoem yoensaroen
2:48 En vrees de dag waarop een 'Nafs' (persoon, eigen ik), een andere 'Nafs' niet kan helpen. En er zal geen bemiddeling van haar geaccepteerd worden, noch zal er een vergoeding van haar worden aangenomen. En ze zullen niet worden geholpen.

وَ اِذۡ نَجَّیۡنٰکُمۡ مِّنۡ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ یَسُوۡمُوۡنَکُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ یُذَبِّحُوۡنَ اَبۡنَآءَکُمۡ وَ یَسۡتَحۡیُوۡنَ نِسَآءَکُمۡ ؕ وَ فِیۡ ذٰلِکُمۡ بَلَآ ءٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَظِیۡمٌ ﴿۹۴﴾
Wa iez nadjdjainaakoem mien Aalie Fier'awna yasoemoenakoem soeo'al azaabie yoezabbiehoena abnaaa'akoem wa yastahyoena niesaaa'akoem; wa fiee zaaliekoem balaaa'oem mier Rabbiekoem 'azieem
2:49 En (gedenk) toen Wij jullie van Farao's mensen redde, die jullie vreselijke marteling toebracht, jullie zonen afslachtte en jullie vrouwen in leven lieten. Daarin was een grote beproeving van jullie Heer.

وَ اِذۡ فَرَقۡنَا بِکُمُ الۡبَحۡرَ فَاَنۡجَیۡنٰکُمۡ وَ اَغۡرَقۡنَاۤ اٰلَ فِرۡعَوۡنَ وَ اَنۡتُمۡ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿۰۵﴾
Wa iez faraqnaa biekoemoel bahra fa andjainaakoem wa agh-raqnaaa Aala Fier'awna wa antoem tanzoeroen
2:50 En (gedenk) toen Wij voor jullie de zee kliefden/openden en daarna jullie redden. Terwijl jullie toekeken, deden Wij Farao's mensen verdrinken.

وَ اِذۡ وٰعَدۡنَا مُوۡسٰۤی اَرۡبَعِیۡنَ لَیۡلَۃً ثُمَّ اتَّخَذۡتُمُ الۡعِجۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ وَ اَنۡتُمۡ ظٰلِمُوۡنَ ﴿۱۵﴾
Wa iez waa'adnaa Moesaaa arba'ieena lailatan soemmattaghaztoemoel 'iedjla miem ba'diehiee wa antoem zaaliemoen
2:51 En (gedenk) toen Wij Moesa (Mozes) veertig nachten deden toekennen, namen jullie na zijn vetrek het kalf (ter aanbidding). Jullie waren misdadigers.

ثُمَّ عَفَوۡنَا عَنۡکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۲۵﴾
Soemma 'afawnaa 'an-koem miem ba'die zaalieka la'allakoem tashkoeroen
2:52 Vervolgens, vergaven Wij jullie, zodat jullie dankbaar konden zijn.

وَ اِذۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ وَ الۡفُرۡقَانَ لَعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿۳۵﴾
Wa iez aatainaa Moesal kietaaba wal Foerqaana la'allakoem tahtadoen
2:53 Wij gaven Moesa het boek (de Thora) en de 'Foerqan' (de norm van goed en kwaad), zodat jullie de leiding konden volgen.

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہٖ یٰقَوۡمِ اِنَّکُمۡ ظَلَمۡتُمۡ اَنۡفُسَکُمۡ بِاتِّخَاذِکُمُ الۡعِجۡلَ فَتُوۡبُوۡۤا اِلٰی بَارِئِکُمۡ فَاقۡتُلُوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ ؕ ذٰلِکُمۡ خَیۡرٌ لَّکُمۡ عِنۡدَ بَارِئِکُمۡ ؕ فَتَابَ عَلَیۡکُمۡ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۴۵﴾
Wa iez qaala Moesaa lieqawmiehiee yaa qawmie iennakoem zalamtoem anfoesakoem biettieghaa ziekoemoel 'iedjla fatoeboeo ielaa Baarie'iekoem faqtoeloeo anfoesakoem zaaliekoem ghairoel lakoem 'ienda Baarie'iekoem fataaba 'alaikoem; iennahoe Hoewat Tawwaaboer Rahieem
2:54 En (gedenk) toen Moesa tot zijn volk zei: "Mijn volk! Jullie hebben jezelf onrecht aangedaan door het kalf (ter aanbidding) te nemen. Dus wend in berouw tot jullie Heer en dood jezelf. Dat is beter voor jullie in het aanzicht van jullie Schepper." Toen aanvaarde Hij jullie berouw. Voorwaar Hij is At-Tawwab (de vaak Vergevende, de meest berouw Aanvaardende), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen).

وَ اِذۡ قُلۡتُمۡ یٰمُوۡسٰی لَنۡ نُّؤۡمِنَ لَکَ حَتّٰی نَرَی اللّٰہَ جَہۡرَۃً فَاَخَذَتۡکُمُ الصّٰعِقَۃُ وَ اَنۡتُمۡ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿۵۵﴾
Wa iez qoeltoem yaa Moesaa lan noe'miena laka hattaa naral laaha djahratan fa aghazat koemoes saa'ieqatoe wa antoem tanzoeroen
2:55 En (gedenk) toen jullie zeiden: "O Moesa, we zullen u nooit geloven totdat wij Allah duidelijk zien". Dus greep de bliksem jullie, terwijl jullie toekeken.

ثُمَّ بَعَثۡنٰکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَوۡتِکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۶۵﴾
Soemma ba'asnaakoem miem ba'die mawtiekoem la'allakoem tashkoeroen
2:56 Vervolgens, wekten Wij jullie na de dood op, zodat jullie dankbaar konden zijn.

وَ ظَلَّلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡغَمَامَ وَ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ؕ کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ ؕ وَ مَا ظَلَمُوۡنَا وَ لٰکِنۡ کَانُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۷۵﴾
Wa zallalnaa 'alaikoemoel ghamaama wa anzalnaa 'alaikoemoel Manna was Salwaa koeloe mien taiyiebaatie maa razaqnaakoem wa maa zalamoenaa wa laakien kaanoeo anfoesahoem yazliemoen
2:57 En Wij gaven jullie schaduw door middel van wolken. Wij deden Manna en Kwartels voor jullie neerdalen. Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie hebben voorzien. Ze deden Ons geen onrecht aan, maar ze deden zichzelf onrecht aan.

وَ اِذۡ قُلۡنَا ادۡخُلُوۡا ہٰذِہِ الۡقَرۡیَۃَ فَکُلُوۡا مِنۡہَا حَیۡثُ شِئۡتُمۡ رَغَدًا وَّ ادۡخُلُوا الۡبَابَ سُجَّدًا وَّ قُوۡلُوۡا حِطَّۃٌ نَّغۡفِرۡ لَکُمۡ خَطٰیٰکُمۡ ؕ وَ سَنَزِیۡدُ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۸۵﴾
Wa iez qoelnad ghoeloe haaziehiel qaryata fakoeloe mienhaa haisoe shie'toem raghadaw wadghoeloel baaba soedjdjadaw wa qoeloe hiettatoen naghfier lakoem ghataayaakoem; wa sanazieedoel moehsienieen
2:58 En (gedenk) toen Wij zeiden: "Ga deze stad binnen en eet overvloedig waar jullie ook wensen". Betreed de poort in prostratie binnen en zeg (verkondig het woord): "Vergeving! Wij (Allah) zullen jullie zonden vergeven en Wij zullen de weldoeners belonen."

فَبَدَّلَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا قَوۡلًا غَیۡرَ الَّذِیۡ قِیۡلَ لَہُمۡ فَاَنۡزَلۡنَا عَلَی الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا رِجۡزًا مِّنَ السَّمَآءِ بِمَا کَانُوۡا یَفۡسُقُوۡنَ ﴿۹۵﴾
Fabaddalal lazieena zalamoe qawlan ghairal laziee qieela lahoem fa anzalnaa 'alal lazieena zalamoe riedjzam mienas samaaa'ie biemaa kaanoe yafsoeqoen
2:59 Maar de onrechtplegers veranderde het woord met iets anders dan datgeen wat tot hen was gezegd. Daarom zonden Wij een straf vanuit de hemel voor degenen die onrecht pleegden. Ze waren provocerend ongehoorzaam.

وَ اِذِ اسۡتَسۡقٰی مُوۡسٰی لِقَوۡمِہٖ فَقُلۡنَا اضۡرِبۡ بِّعَصَاکَ الۡحَجَرَ ؕ فَانۡفَجَرَتۡ مِنۡہُ اثۡنَتَاعَشۡرَۃَ عَیۡنًا ؕ قَدۡ عَلِمَ کُلُّ اُنَاسٍ مَّشۡرَبَہُمۡ ؕ کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا مِنۡ رِّزۡقِ اللّٰہِ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۰۶﴾
Wa iezies tasqaa Moesaa lieqawmiehiee faqoelnad rieb bie'asaakal hadjara fanfadjarat mienhoesnataaa 'ashrata 'aynan qad 'aliema koelloe oenaasiem mash rabahoem koeloe washraboe mier riezqiel laahie wa laa ta'saw fiel ardie moefsiedieen
2:60 En (gedenk) toen Moesa water vroeg voor zijn volk. Wij zeiden: "Sla met jouw staf op de steen". Daarna gutste er twaalf waterbronnen ervan (de steen) uit. Iedere stam kende zijn drinkplaats. Eet en drink van de Allah's voorzieningen en handel niet met de kwade intentie om verderf op de aarde te zaaien.

وَ اِذۡ قُلۡتُمۡ یٰمُوۡسٰی لَنۡ نَّصۡبِرَ عَلٰی طَعَامٍ وَّاحِدٍ فَادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُخۡرِجۡ لَنَا مِمَّا تُنۡۢبِتُ الۡاَرۡضُ مِنۡۢ بَقۡلِہَا وَ قِثَّآئِہَا وَ فُوۡمِہَا وَ عَدَسِہَا وَ بَصَلِہَا ؕ قَالَ اَتَسۡتَبۡدِلُوۡنَ الَّذِیۡ ہُوَ اَدۡنٰی بِالَّذِیۡ ہُوَ خَیۡرٌ ؕ اِہۡبِطُوۡا مِصۡرًا فَاِنَّ لَکُمۡ مَّا سَاَلۡتُمۡ ؕ وَ ضُرِبَتۡ عَلَیۡہِمُ الذِّلَّۃُ وَ الۡمَسۡکَنَۃُ ٭ وَ بَآءُوۡ بِغَضَبٍ مِّنَ اللّٰہِ ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَانُوۡا یَکۡفُرُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ یَقۡتُلُوۡنَ النَّبِیّٖنَ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ بِمَا عَصَوۡا وَّ کَانُوۡا یَعۡتَدُوۡنَ ﴿۱۶﴾
Wa iez qoeltoem yaa Moesaa lan nasbiera 'alaa ta'aamiew waahiedien fad'oe lanaa rabbaka yoeghriedj lanaa miemmaa toembietoel ardoe miembaqliehaa wa qies saaa'iehaa wa foemiehaa wa 'adasiehaa wa basaliehaa qaala atastabdieloenal laziee hoewa adnaa biellaziee hoewa ghayr; iehbietoe miesran fa ienna lakoem maa sa altoem; wa doeriebat 'alaihiemoez ziellatoe walmaskanatoe wa baaa'oe bieghadabiem mienal laah; zaalieka bie annahoem kaano yakfoeroena bie aayaatiel laahie wa yaqtoeloenan Nabieyyieena bieghairiel haqq; zaalieka biemaa 'asaw wa kaanoe ya'tadoen
2:61 En (gedenk) toen jullie zeiden: "O Moesa, nooit zullen we (het eten van) één soort voedsel verdragen. Bid dus voor ons tot jouw Heer om datgeen voort te brengen wat de aarde doet groeien van haar bonen, haar komkommers, haar knoflook, haar linzen en haar uien." Hij zei: "Willen jullie het betere verruilen met iets wat minderwaardig is? Ga naar een stad, voorzeker, daar is hetgeen waar jullie om vroegen." En ze werden geslagen met vernedering en ellende, en ze wekte op henzelf Allah's toorn op. Dat was omdat ze constant Allah's tekenen verwierpen en zonder enig recht de profeten doodden. Dat was omdat ze niet gehoorzaamden en overtredingen begingen.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ الَّذِیۡنَ ہَادُوۡا وَ النَّصٰرٰی وَ الصّٰبِئِیۡنَ مَنۡ اٰمَنَ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَلَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۪ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۶﴾
Innal lazieena aamanoe wallazieena haadoe wan nasaaraa was Saabie'ieena man aamana biellaahie wal yawmiel aaghierie wa 'amiela saaliehan falahoem adjroehoem 'ienda Rabbiehiem wa laa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
2:62 Zonder twijfel, voor degenen die geloofden (in de eerdere profeten), voor degenen die jood, christen, of sabiër werden en die geloofden in Allah en in de laatste dag, en die goede daden deden, voor hen is hun beloning bij hun Heer. Er is geen vrees voor hen (op de dag des oordeels), noch zullen ze treuren. (Notitie: het gaat hier om degenen die bekeert zijn tot het monotheïsme en niet afgedwaald zijn.)

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَکُمۡ وَ رَفَعۡنَا فَوۡقَکُمُ الطُّوۡرَ ؕ خُذُوۡا مَاۤ اٰتَیۡنٰکُمۡ بِقُوَّۃٍ وَّ اذۡکُرُوۡا مَا فِیۡہِ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Wa iez aghaznaa mieesaaqakoem wa rafa'naa fawqakoemoet Toera ghoezoe maaa aatainaakoem bieqoewwatiew wazkoeroe maa fieehie la'allakoem tattaqoen
2:63 En (gedenk) toen Wij jullie verbond accepteerden, en Wij de berg over jullie deden vergroten. (Wij zeiden:) "Houdt stevig vast aan datgeen wat Wij jullie hebben gegeven. En gedenk wat er in staat, misschien krijgen jullie 'Taqwa' (constante bewustzijn van de aanwezigheid van Allah)."

ثُمَّ تَوَلَّیۡتُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ ۚ فَلَوۡ لَا فَضۡلُ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ وَ رَحۡمَتُہٗ لَکُنۡتُمۡ مِّنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Soemma tawallaitoem miem ba'die zaalieka falawlaa fadloel laahie 'alaikoem wa rahmatoehoe lakoentoem mienal ghaasierieen
2:64 Toen wendden jullie je zelfs daarna af. Dus als Allah's genade en zijn Barmhartigheid niet over jullie was geweest, dan zouden jullie zeker tot de verliezers behoren.

وَ لَقَدۡ عَلِمۡتُمُ الَّذِیۡنَ اعۡتَدَوۡا مِنۡکُمۡ فِی السَّبۡتِ فَقُلۡنَا لَہُمۡ کُوۡنُوۡا قِرَدَۃً خٰسِئِیۡنَ ﴿۵۶﴾
Wa laqad 'aliemtoemoel lazieena'-tadaw mien-koem fies Sabtie faqoelnaa lahoem koenoe qieradatan ghaasie'ieen
2:65 Waarlijk, jullie wisten wie van jullie de Sabbat overtraden (ondanks dat deden jullie niets, zie 2:85). Wij zeiden tot hen: "Wees vernederde apen!"

فَجَعَلۡنٰہَا نَکَالًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہَا وَ مَا خَلۡفَہَا وَ مَوۡعِظَۃً لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۶۶﴾
Fadja'alnaahaa nakaalal liemaa baina yadiehaa wa maa ghalfahaa wa maw'iezatal lielmoettaqieen
2:66 Dus maakten Wij het (de straf) tot een afschrikmiddel voor degene die met hen waren en voor degene die na hen kwamen. Het is een vermaning voor de Moettaqoens (zie 2:2-5).

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہٖۤ اِنَّ اللّٰہَ یَاۡمُرُکُمۡ اَنۡ تَذۡبَحُوۡا بَقَرَۃً ؕ قَالُوۡۤا اَتَتَّخِذُنَا ہُزُوًا ؕ قَالَ اَعُوۡذُ بِاللّٰہِ اَنۡ اَکُوۡنَ مِنَ الۡجٰہِلِیۡنَ ﴿۷۶﴾
Wa iez qaala Moesaa lieqawmiehieee iennal laaha yaamoeroekoem an tazbahoe baqaratan qaaloeo atattaghiezoenna hoezoewan qaala a'oezoe biellaahie an akoena mienal djaahielieen
2:67 En (gedenk) toen Moesa tot zijn volk zei: "Allah beveelt jullie een koe te slachten". Ze zeiden: "Spot u met ons?" Hij antwoordde: "Ik zoek mijn toevlucht bij Allah tegen de onwetendheid."

قَالُوا ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُبَیِّنۡ لَّنَا مَا ہِیَ ؕ قَالَ اِنَّہٗ یَقُوۡلُ اِنَّہَا بَقَرَۃٌ لَّا فَارِضٌ وَّ لَا بِکۡرٌ ؕ عَوَانٌۢ بَیۡنَ ذٰلِکَ ؕ فَافۡعَلُوۡا مَا تُؤۡمَرُوۡنَ ﴿۸۶﴾
Qaaloed-'oe lanaa rabbaka yoebaiyiel lanaa maa hiee; qaala iennahoe yaqoeloe iennahaa baqaratoel laa faariedoew wa laa biekroen 'awaanoem baina zaalieka faf'aloe maa toe'maroen
2:68 Ze zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, om duidelijk te maken welke het is." Hij (Moesa) zei:" Hij (Allah) zegt, het is een koe noch oud noch jong, rond de middelbare leeftijd. Dus doe wat jullie bevolen is."

قَالُوا ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُبَیِّنۡ لَّنَا مَا لَوۡنُہَا ؕ قَالَ اِنَّہٗ یَقُوۡلُ اِنَّہَا بَقَرَۃٌ صَفۡرَآءُ ۙ فَاقِعٌ لَّوۡنُہَا تَسُرُّ النّٰظِرِیۡنَ ﴿۹۶﴾
Qaaloed-'oe lanaa Rabbaka yoebaiyiel lanaa maa lawnoehaa; qaala iennahoe yaqoeloe iennahaa baqaratoen safraaa'oe faaqie'oel lawnoehaa tasoerroennaazierieen
2:69 Ze zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, om duidelijk te maken wat haar kleur is." Hij (Moesa) zei:" Hij (Allah) zegt, het is een koe helder geel van kleur, die de kijker blij maakt."

قَالُوا ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ یُبَیِّنۡ لَّنَا مَا ہِیَ ۙ اِنَّ الۡبَقَرَ تَشٰبَہَ عَلَیۡنَا ؕ وَ اِنَّاۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ لَمُہۡتَدُوۡنَ ﴿۰۷﴾
Qaaloed-'oe lanaa Rabbaka yoebaiyiel lanaa maa hieya iennal baqara tashaabaha 'alainaa wa iennaaa ien shaaa'al laahoe lamoehtadoen
2:70 Ze zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, om duidelijk te maken welke het is. Voorwaar, de koeien lijken op elkaar. En als Allah het wil, dan zullen we zeker behoren tot de mensen die naar het rechte pad zijn geleid."

قَالَ اِنَّہٗ یَقُوۡلُ اِنَّہَا بَقَرَۃٌ لَّا ذَلُوۡلٌ تُثِیۡرُ الۡاَرۡضَ وَ لَا تَسۡقِی الۡحَرۡثَ ۚ مُسَلَّمَۃٌ لَّا شِیَۃَ فِیۡہَا ؕ قَالُوا الۡـٰٔنَ جِئۡتَ بِالۡحَقِّ ؕ فَذَبَحُوۡہَا وَ مَا کَادُوۡا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۱۷﴾
Qaala iennahoe yaqoeloe iennahaa baqaratoel laa zaloeloen toesieeroel arda wa laa tasqiel harsa moesallamatoellaa shieyata fieehaa; qaaloel 'aana djieta bielhaqq; fazabahoehaa wa maa kaado yaf'aloen
2:71 Hij (Moesa) zei: "Waarlijk, Hij zegt dat het een koe is, die niet getraind is om de aarde te ploegen en de velden te irrigeren. Eén die gaaf is zonder vlekken." Ze zeiden: "Nu bent u met de volledige beschrijving gekomen." Dus slachtten ze haar, maar bijna hadden ze het niet gedaan.

وَ اِذۡ قَتَلۡتُمۡ نَفۡسًا فَادّٰرَءۡتُمۡ فِیۡہَا ؕ وَ اللّٰہُ مُخۡرِجٌ مَّا کُنۡتُمۡ تَکۡتُمُوۡنَ ﴿۲۷﴾
Wa iez qataltoem nafsan faddaara'toem fieehaa wallaahoe moeghriedjoem maa koentoem taktoemoen
2:72 En (gedenk) toen jullie een mens doodde, vervolgens redetwistte jullie erover. Maar Allah is de onthuller van wat jullie probeerde te verbergen.

فَقُلۡنَا اضۡرِبُوۡہُ بِبَعۡضِہَا ؕ کَذٰلِکَ یُحۡیِ اللّٰہُ الۡمَوۡتٰی ۙ وَ یُرِیۡکُمۡ اٰیٰتِہٖ لَعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۳۷﴾
Faqoelnad rieboehoe bieba'diehaa; kazaalieka yoehyiel laa hoel mawtaa wa yoerieekoem aayaatiehiee la'allakoem ta'qieloen
2:73 Wij zeiden: "Sla hem (de dode mens) met een deel van haar (de koe)". Zo doet Allah de doden herleven en toont Hij jullie Zijn tekenen. Misschien zullen jullie je verstand gebruiken.

ثُمَّ قَسَتۡ قُلُوۡبُکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ فَہِیَ کَالۡحِجَارَۃِ اَوۡ اَشَدُّ قَسۡوَۃً ؕ وَ اِنَّ مِنَ الۡحِجَارَۃِ لَمَا یَتَفَجَّرُ مِنۡہُ الۡاَنۡہٰرُ ؕ وَ اِنَّ مِنۡہَا لَمَا یَشَّقَّقُ فَیَخۡرُجُ مِنۡہُ الۡمَآءُ ؕ وَ اِنَّ مِنۡہَا لَمَا یَہۡبِطُ مِنۡ خَشۡیَۃِ اللّٰہِ ؕوَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۷﴾
Soemma qasat qoeloeboekoem miem ba'die zaalieka fahieya kalhiedjaaratie aw-ashaadoe qaswah; wa ienna mienal hiedjaaratie lamaa yatafadjdjaroe mienhoel anhaar; wa ienna mienhaa lamaa yash shaqqaqoe fayaghroedjoe mienhoel maaa'; wa ienna mienhaa lamaa yahbietoe mien ghashyatiel laa; wa mal laahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
2:74 Daarna werden jullie harten hard. Ze werden net als stenen of zelfs harder dan dat. Er zijn (namelijk) stenen waaruit rivieren ontspringen. En er zijn stenen die splijten zodat er water uitstroomt. En er zijn stenen die prostreren uit vrees voor Allah. Allah is niet onwetend met datgeen wat jullie doen.

اَفَتَطۡمَعُوۡنَ اَنۡ یُّؤۡمِنُوۡا لَکُمۡ وَ قَدۡ کَانَ فَرِیۡقٌ مِّنۡہُمۡ یَسۡمَعُوۡنَ کَلٰمَ اللّٰہِ ثُمَّ یُحَرِّفُوۡنَہٗ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا عَقَلُوۡہُ وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۵۷﴾
Afatatma'oena ay yoe'mienoe lakoem wa qad kaana farieeqoem mienhoem yasma'oena Kalaamal laahie soemma yoeharrie foenahoe miem ba'die maa'aqaloehoe wa hoem ya'lamoen
2:75 Hopen jullie dat ze (de Joden) in jullie zullen geloven, terwijl er een groep van hen het woord van Allah heeft gehoord en deze het met opzet verdraaide nadat ze het hadden begrepen?

وَ اِذَا لَقُوا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا ۚۖ وَ اِذَا خَلَا بَعۡضُہُمۡ اِلٰی بَعۡضٍ قَالُوۡۤا اَتُحَدِّثُوۡنَہُمۡ بِمَا فَتَحَ اللّٰہُ عَلَیۡکُمۡ لِیُحَآجُّوۡکُمۡ بِہٖ عِنۡدَ رَبِّکُمۡ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۶۷﴾
Wa iezaa laqoel lazieena aamanoe qaaloeo aamannaa wa iezaaghalaa ba'doehoem ielaa ba'dien qaaloeo atoehaddiesoenahoem biemaa fatahal laahoe 'alaikoem lieyoehaadjdjoekoem biehiee 'ienda rabbiekoem; afalaa ta'qieloen
2:76 En wanneer ze de gelovigen ontmoeten, zeggen ze: "Wij geloven", maar wanneer ze elkaar in het geheim ontmoeten, zeggen ze: "Willen jullie hen vertellen wat Allah jullie heeft geopenbaard, zodat ze het als argument tegen jullie gebruiken, bij jullie Heer? Begrijpen jullie dan niet?"

اَ وَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ اَنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ مَا یُسِرُّوۡنَ وَ مَا یُعۡلِنُوۡنَ ﴿۷۷﴾
Awalaa ya'lamoena annal laaha ya'lamoe maa yoesierroena wa maa yoe'lienoen
2:77 Weten ze niet dat Allah weet wat ze verbergen en wat ze bekendmaken?

وَ مِنۡہُمۡ اُمِّیُّوۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ الۡکِتٰبَ اِلَّاۤ اَمَانِیَّ وَ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا یَظُنُّوۡنَ ﴿۸۷﴾
Wa mienhoem oemmieyyoena laa ya'lamoenal kietaaba iellaaa amaanieyya wa ien hoem iellaa yazoennoen
2:78 En onder hen zijn er ongeletterde die het boek (de Thora) niet kennen. Ze kennen het geloof alleen door middel van hun wenselijke gedachten. Ze doen niets anders dan gissen.

فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ یَکۡتُبُوۡنَ الۡکِتٰبَ بِاَیۡدِیۡہِمۡ ٭ ثُمَّ یَقُوۡلُوۡنَ ہٰذَا مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ لِیَشۡتَرُوۡا بِہٖ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ؕ فَوَیۡلٌ لَّہُمۡ مِّمَّا کَتَبَتۡ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ وَیۡلٌ لَّہُمۡ مِّمَّا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۹۷﴾
Fawailoel liellazieena yaktoeboenal kietaaba bie aidiehiem soemma yaqoeloena haazaa mien 'iendiel laahie lieyashtaroe biehiee samanan qalieelan fawailoel lahoem miemmaa katabat aydieehiem wa wailoel lahoem miemmaa yaksieboen
2:79 Ellende rust op degenen die het boek met hun eigen handen schrijven en vervolgens zeggen: "Dit komt van Allah", om het voor een kleine prijs te verruilen/verkopen. Dus ellende rust op hen voor datgeen wat hun handen hebben geschreven. En ellende rust op hen voor wat ze ermee verdienen.

وَ قَالُوۡا لَنۡ تَمَسَّنَا النَّارُ اِلَّاۤ اَیَّامًا مَّعۡدُوۡدَۃً ؕ قُلۡ اَتَّخَذۡتُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ عَہۡدًا فَلَنۡ یُّخۡلِفَ اللّٰہُ عَہۡدَہٗۤ اَمۡ تَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۰۸﴾
Wa qaaloe lan tamassanan Naaroe iellaaa ayyaamam ma'doe dah; qoel attaghaztoem 'iendal laahie 'ahdan falay yoeghliefal laahoe 'ahdahoeo am taqoeloena 'alal laahie maa laa ta'lamoen
2:80 En ze zeggen: "Het vuur zal ons niet aanraken, behalve voor enkele dagen." Zeg: "Hebben jullie een verbond met Allah gesloten? Allah zal nooit zijn verbond verbreken. Of zeggen jullie iets over Allah, wat jullie niet weten?"

بَلٰی مَنۡ کَسَبَ سَیِّئَۃً وَّ اَحَاطَتۡ بِہٖ خَطِیۡٓــَٔتُہٗ فَاُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۱۸﴾
Balaa man kasaba sayyie'ataw wa ahaatat biehiee ghatieee'atoehoe fa-oelaaa'ieka Ashaaboen Naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
2:81 Nee, wie het slechte heeft verdiend en door zijn zonde is omringd, zij zijn de bewoners van het vuur. Ze zullen daarin eeuwig vertoeven.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۸﴾
Wallazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie oelaaa'ieka Ashaaboel djannatie hoem fieeha ghaaliedoen
2:82 En degenen die geloven en goede daden verrichtten, zij zijn de bewoners van het paradijs. Ze zullen daarin eeuwig vertoeven.

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ لَا تَعۡبُدُوۡنَ اِلَّا اللّٰہَ ۟ وَ بِالۡوَالِدَیۡنِ اِحۡسَانًا وَّ ذِی ‌الۡقُرۡبٰی وَ الۡیَتٰمٰی وَ الۡمَسٰکِیۡنِ وَ قُوۡلُوۡا لِلنَّاسِ حُسۡنًا وَّ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتُوا الزَّکٰوۃَ ؕ ثُمَّ تَوَلَّیۡتُمۡ اِلَّا قَلِیۡلًا مِّنۡکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ مُّعۡرِضُوۡنَ ﴿۳۸﴾
Wa iez aghaznaa mieesaaqa Banieee Israaa'ieela laa ta'boedoena iellal laaha wa biel waaliedainie iehsaanaw wa ziel qoerbaa walyataamaa walmasaakieenie wa qoeloe liennaasie hoesnaw wa aqieemoes salaata wa aatoezZakaata soemma tawallaitoem iellaa qalieelam mien-koem wa antoem moe'riedoen
2:83 En (gedenk) toen Wij het verbond aan de kinderen van Israël toewezen: "Jullie zullen niets aanbidden, behalve Allah. En wees goed voor de ouders, de bloedverwanten, de wezen, en de behoeftigen. En spreek vriendelijk naar de mensen toe, verricht de 'Salaat' (maak contact met Allah, het gebed) en geef de zakaat." Maar jullie keerden zich er van af, behalve een klein aantal van jullie. Jullie waren afkerig.

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَکُمۡ لَا تَسۡفِکُوۡنَ دِمَآءَکُمۡ وَ لَا تُخۡرِجُوۡنَ اَنۡفُسَکُمۡ مِّنۡ دِیَارِکُمۡ ثُمَّ اَقۡرَرۡتُمۡ وَ اَنۡتُمۡ تَشۡہَدُوۡنَ ﴿۴۸﴾
Wa iez aghaznaa mieesaa qakoem laa tasfiekoena diemaaa'akoem wa laa toeghriedjoena anfoesakoem mien dieyaariekoem soemma aqrartoem wa antoem tashhadoen
2:84 En (gedenk) toen Wij het verbond toewezen: "Vergiet elkaars bloed niet en verdrijf elkaar niet uit jullie huizen". Daarop bekrachtigden jullie het (verbond) en jullie getuigden erover.

ثُمَّ اَنۡتُمۡ ہٰۤـؤُلَآءِ تَقۡتُلُوۡنَ اَنۡفُسَکُمۡ وَ تُخۡرِجُوۡنَ فَرِیۡقًا مِّنۡکُمۡ مِّنۡ دِیَارِہِمۡ ۫ تَظٰہَرُوۡنَ عَلَیۡہِمۡ بِالۡاِثۡمِ وَ الۡعُدۡوَانِ ؕ وَ اِنۡ یَّاۡتُوۡکُمۡ اُسٰرٰی تُفٰدُوۡہُمۡ وَ ہُوَ مُحَرَّمٌ عَلَیۡکُمۡ اِخۡرَاجُہُمۡ ؕ اَفَتُؤۡمِنُوۡنَ بِبَعۡضِ الۡکِتٰبِ وَ تَکۡفُرُوۡنَ بِبَعۡضٍ ۚ فَمَا جَزَآءُ مَنۡ یَّفۡعَلُ ذٰلِکَ مِنۡکُمۡ اِلَّا خِزۡیٌ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ یُرَدُّوۡنَ اِلٰۤی اَشَدِّ الۡعَذَابِ ؕ وَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۵۸﴾
Soemma antoem haaa'oelaaa'ie taqtoeloena anfoesakoem wa toeghriedjoena farieeqam mien-koem mien dieyaariehiem tazaaharoena 'alaihiem biel iesmie wal'oedwaanie wa iey yaatoekoem oesaaraa toefaadoehoem wahoewa moeharramoen 'alaikoem ieghraadjoehoem; afatoe' mie-noena bieba'diel Kietaabie wa takfoeroena bieba'd; famaa djazaaa'oe may yaf'aloe zaalieka mien-koem iellaa ghiezyoen fiel hayaatied-doenyaa wa yawmal qieyaamatie yoeraddoena ielaaa ashaddiel 'azaab; wa mal laahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
2:85 Vervolgens, zijn jullie degenen die elkaar doden en anderen uit huizen verdrijven. Jullie ondersteunen elkaar in het zondigen en in het overtreden. En indien ze (de misdadigers die mensen uit huizen verdrijven) als gevangenen tot jullie komen, kopen jullie hen vrij, terwijl hun uitdrijving (op anderen) jullie verboden was verklaard. Geloven jullie alleen in een gedeelte van het boek en niet in een ander gedeelte? Wat zou de beloning moeten zijn voor degene die dit doen, behalve dan schande in het wereldse leven. Op de dag van wederopstanding zullen ze worden terug gebracht tot de zwaarste bestraffing. En Allah is niet onwetend over wat jullie doen.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ اشۡتَرَوُا الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا بِالۡاٰخِرَۃِ ۫ فَلَا یُخَفَّفُ عَنۡہُمُ الۡعَذَابُ وَ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۶۸﴾
Oelaaa'iekal lazieenash tarawoel hayaatad doenyaa biel aaghieratie falaa yoeghaffafoe 'anhoemoel 'azaaboe wa laa hoem yoensaroen
2:86 Zij zijn degenen die het wereldse leven hebben gekocht in plaats van het hiernamaals. De straf zal niet verlicht worden, noch is er bemiddeling voor hen.

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ وَ قَفَّیۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہٖ بِالرُّسُلِ ۫ وَ اٰتَیۡنَا عِیۡسَی ابۡنَ مَرۡیَمَ الۡبَیِّنٰتِ وَ اَیَّدۡنٰہُ بِرُوۡحِ الۡقُدُسِ ؕ اَفَکُلَّمَا جَآءَکُمۡ رَسُوۡلٌۢ بِمَا لَا تَہۡوٰۤی اَنۡفُسُکُمُ اسۡتَکۡبَرۡتُمۡ ۚ فَفَرِیۡقًا کَذَّبۡتُمۡ ۫ وَ فَرِیۡقًا تَقۡتُلُوۡنَ ﴿۷۸﴾
Wa laqad aatainaa Moesal Kietaaba wa qaffainaa miem ba'diehiee bier Roesoelie wa aatainaa 'Eesab-na-Maryamal baiyienaatie wa ayyadnaahoe bie Roehiel Qoedoes; afakoellamaa djaaa'akoem Rasoeloem biemaa laa tahwaaa anfoesoekoemoes takbartoem fafarieeqan kazzabtoem wa farieeqan taqtoeloen
2:87 En voorzeker Wij gaven Moesa het boek en Wij deden boodschappers na hem opvolgen. En Wij gaven Isa (Jezus), de zoon van Maryam (Maria), de duidelijke bewijzen. En Wij versterkten hem met de heilige geest (Djiebriel/Gabriël). "Is het niet waar dat, wanneer er een boodschapper tot jullie kwam met datgeen wat jullie niet behaagden, jullie arrogant handelden? Een aantal van hen hebben jullie afgestoten\verworpen en een aantal van hen hebben jullie gedood."

وَ قَالُوۡا قُلُوۡبُنَا غُلۡفٌ ؕ بَلۡ لَّعَنَہُمُ اللّٰہُ بِکُفۡرِہِمۡ فَقَلِیۡلًا مَّا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۸۸﴾
Wa qaaloe qoeloeboenaa ghoelf; bal la'anahoemoel laahoe biekoefriehiem faqalieelam maa yoe'mienoen
2:88 Ze zeiden: "Onze harten zijn bedekt". Nee! Allah heeft ze vervloekt vanwege hun ongeloof. Daarom gelovigen ze alleen maar een beetje.

وَ لَمَّا جَآءَہُمۡ کِتٰبٌ مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ مُصَدِّقٌ لِّمَا مَعَہُمۡ ۙ وَ کَانُوۡا مِنۡ قَبۡلُ یَسۡتَفۡتِحُوۡنَ عَلَی الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ۚۖ فَلَمَّا جَآءَہُمۡ مَّا عَرَفُوۡا کَفَرُوۡا بِہٖ ۫ فَلَعۡنَۃُ اللّٰہِ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۹۸﴾
Wa lammaa djaaa'ahoem Kietaaboem mien 'iendiel laahie moesaddieqoel liemaa ma'ahoem wa kaanoe mien qabloe yastaftiehoena 'alal lazieena kafaroe falammaa djaaa'ahoem maa 'arafoe kafaroe bieh; fala 'natoel laahie 'alal kaafierieen
2:89 En wanneer een boek van Allah tot hen kwam, het bevestigde datgeen wat ze hebben, -ondanks dat ze gebeden hebben voor de overwinning op de ongelovigen (door de komst van de laatste profeet)-, dan geloofden ze er niet in, terwijl ze weten dat het de waarheid is. De vloek van Allah rust op de ongelovigen.

بِئۡسَمَا اشۡتَرَوۡا بِہٖۤ اَنۡفُسَہُمۡ اَنۡ یَّکۡفُرُوۡا بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ بَغۡیًا اَنۡ یُّنَزِّلَ اللّٰہُ مِنۡ فَضۡلِہٖ عَلٰی مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ ۚ فَبَآءُوۡ بِغَضَبٍ عَلٰی غَضَبٍ ؕ وَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ عَذَابٌ مُّہِیۡنٌ ﴿۰۹﴾
Bie'samash taraw biehieee anfoesahoem ay yakfoeroe biemaaa anzalal laahoe baghyan ay yoenazzielal laahoe mien fadliehiee 'alaa may yashaaa'oe mien iebaadiehiee fabaaa'oe bieghadabien 'alaa ghadab; wa lielkaafierieena 'azaaboem moehieen
2:90 Afschuwelijk is datgene (de prijs) waarvoor ze zichzelf hebben verkocht. Ze geloven niet in datgeen wat Allah heeft geopenbaard, uit afgunst (voor de boodschappers). Dit omdat Allah zijn barmhartigheid (de openbaring) neerzendt op wie van zijn dienaren Hij wil. Zo hebben ze toorn op toorn op zichzelf toegekend. En voor de ongelovigen is er een vernederende bestraffing.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمۡ اٰمِنُوۡا بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ قَالُوۡا نُؤۡمِنُ بِمَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡنَا وَ یَکۡفُرُوۡنَ بِمَا وَرَآءَہٗ ٭ وَ ہُوَ الۡحَقُّ مُصَدِّقًا لِّمَا مَعَہُمۡ ؕ قُلۡ فَلِمَ تَقۡتُلُوۡنَ اَنۡۢبِیَآءَ اللّٰہِ مِنۡ قَبۡلُ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۹﴾
Wa iezaa qieela lahoem aamienoe biemaaa anzalal laahoe qaaloe noe'mienoe biemaaa oenziela 'alainaa wa yakfoeroena biemaa waraaa'ahoe wa hoewal haqqoe moesaddieqal liemaa ma'ahoem; qoel faliema taqtoeloena Ambieyaaa'al laahie mien qabloe ien koentoem moe'mienieen
2:91 En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Geloof in wat Allah heeft geopenbaard", zeggen ze: "Wij geloven in wat aan ons is geopenbaard". En ze geloven niet in wat er naast hen (aan andere volken) is geopenbaard, terwijl het de waarheid is, en terwijl het datgeen bevestigt wat ze hebben (de Thora). Zeg: "Waarom hebben jullie dan Allah's profeten eerder gedood, als jullie gelovigen zijn?"

وَ لَقَدۡ جَآءَکُمۡ مُّوۡسٰی بِالۡبَیِّنٰتِ ثُمَّ اتَّخَذۡتُمُ الۡعِجۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ وَ اَنۡتُمۡ ظٰلِمُوۡنَ ﴿۲۹﴾
Wa laqad djaaa'akoem Moesa bielbaiyienaatie soemmat taghaztoemoel 'iedjla miem ba'diehiee wa antoem zaaliemoen
2:92 En voorzeker, Moesa kwam tot jullie met de duidelijke bewijzen, maar na zijn vertrek namen jullie het kalf (ter aanbidding) en pleegden onrecht.

وَ اِذۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَکُمۡ وَ رَفَعۡنَا فَوۡقَکُمُ الطُّوۡرَ ؕ خُذُوۡا مَاۤ اٰتَیۡنٰکُمۡ بِقُوَّۃٍ وَّ اسۡمَعُوۡا ؕ قَالُوۡا سَمِعۡنَا وَ عَصَیۡنَا ٭ وَ اُشۡرِبُوۡا فِیۡ قُلُوۡبِہِمُ الۡعِجۡلَ بِکُفۡرِہِمۡ ؕ قُلۡ بِئۡسَمَا یَاۡمُرُکُمۡ بِہٖۤ اِیۡمَانُکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۹﴾
Wa iez aghaznaa mieesaaqakoem wa rafa'naa fawqa koemoet Toera ghoezoe maaa aatainaakoem bieqoewwatiew wasma'oe qaaloe samie'naa wa 'asainaa wa oeshrieboe fiee qoeloebiehiemoel 'iedjla biekoefriehiem; qoel bie'samaa yaamoeroekoem biehieee ieemaanoekoem ien koentoem moe'mienieen
2:93 En (gedenk) toen Wij het verbond met jullie aangingen. Wij deden de berg over jullie vergroten (zeggende:) "Hou stevig vast aan datgeen wat Wij jullie hebben gegeven en luister (ernaar)." Ze zeiden: "We hebben het gehoord, maar we zullen niet gehoorzamen." En hun harten waren doordrenkt met (liefde voor) het kalf vanwege hun ongeloof. Zeg: "Als jullie gelovig zijn, dan is het zeer afschuwelijk wat jullie geloof jullie beveelt te doen."

قُلۡ اِنۡ کَانَتۡ لَکُمُ الدَّارُ الۡاٰخِرَۃُ عِنۡدَ اللّٰہِ خَالِصَۃً مِّنۡ دُوۡنِ النَّاسِ فَتَمَنَّوُا الۡمَوۡتَ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴۹﴾
Qoel ien kaanat lakoemoed Daaroel Aaghieratoe 'iendal laahie ghaaliesatam mien doenien naasie fatamannawoel mawta ien koentoem saadieqieen
2:94 Zeg: "Als het paradijs alleen voor jullie bestemd is, met de uitzondering van de mensheid, wenst dan de dood, als jullie streven naar de waarheid".

وَ لَنۡ یَّتَمَنَّوۡہُ اَبَدًۢا بِمَا قَدَّمَتۡ اَیۡدِیۡہِمۡ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌۢ بِالظّٰلِمِیۡنَ ﴿۵۹﴾
Wa lay yatamannawhoe abadam biemaa qaddamat aydieehiem; wallaahoe 'alieemoem biezzaaliemieen
2:95 En nooit zullen ze het (de dood) wensen, vanwege datgeen wat hun handen hebben voortgebracht. En Allah weet alles over de onrechtplegers.

وَ لَتَجِدَنَّہُمۡ اَحۡرَصَ النَّاسِ عَلٰی حَیٰوۃٍ ۚۛ وَ مِنَ الَّذِیۡنَ اَشۡرَکُوۡا ۚۛ یَوَدُّ اَحَدُہُمۡ لَوۡ یُعَمَّرُ اَلۡفَ سَنَۃٍ ۚ وَ مَا ہُوَ بِمُزَحۡزِحِہٖ مِنَ الۡعَذَابِ اَنۡ یُّعَمَّرَ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِمَا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۶۹﴾
Wa latadjiedannahoem ahrasannaasie 'alaa hayaatiew wa mienal lazieena ashrakoe; yawaddoe ahadoehoem law yoe'ammaroe alfa sanatiew wa maa hoewa bie moezahziehiehiee mienal 'azaabie ay yoe'ammar; wallaahoe basieeroem biemaa ya'maloen
2:96 En jij (Mohammed v.z.m.h.) zult merken dat ze van alle mensen, het leven het meest begeren, zelfs meer dan de godenaanbidders. Ieder van hen zou willen dat hem een leven van duizend jaar werd geschonken. Echter, de bestraffing zal niet verwijdert worden, ook al zouden ze het geschonken krijgen. Allah ziet wat ze doen.

قُلۡ مَنۡ کَانَ عَدُوًّا لِّجِبۡرِیۡلَ فَاِنَّہٗ نَزَّلَہٗ عَلٰی قَلۡبِکَ بِاِذۡنِ اللّٰہِ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ وَ ہُدًی وَّ بُشۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۷۹﴾
Qoel man kaana 'adoewwal lie djiebrieela fa-iennahoe nazzalahoe 'alaa qalbieka bie iezniel laahie moesaddieqal liemaa baina yadaihie wa hoedaw wa boeshraa lielmoe'mienieen
2:97 Zeg: "Wie een vijand van Djiebril (Gabriël) is, voorzeker, (weet dan dat) hij hem (de Koran) in jouw hart heeft geopenbaard. Dit met de toestemming van Allah, als bevestiging van datgeen wat er vóór (geopenbaard) was (Thora en Indjiel), als leiding, en als goed nieuws voor de gelovigen (de aankondiging van het paradijs)".

مَنۡ کَانَ عَدُوًّا لِّلّٰہِ وَ مَلٰٓئِکَتِہٖ وَ رُسُلِہٖ وَ جِبۡرِیۡلَ وَ مِیۡکٰىلَ فَاِنَّ اللّٰہَ عَدُوٌّ لِّلۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۸۹﴾
Man kaana 'adoewwal liellaahie wa malaaa'iekatiehiee wa Roesoeliehiee wa djiebrieela wa Mieekaala fa iennal laaha 'adoewwoel lielkaafierieen
2:98 En (weet) wie een vijand is voor Allah, voor zijn engelen, voor zijn boodschappers, voor Djiebriel (Gabriël) en voor Miekail, voorzeker, weet dan dat Allah een vijand is voor de ongelovigen.

وَ لَقَدۡ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکَ اٰیٰتٍۭ بَیِّنٰتٍ ۚ وَ مَا یَکۡفُرُ بِہَاۤ اِلَّا الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿۹۹﴾
Wa laqad anzalnaaa ielaika Aayaatiem baiyienaatiew wa maa yakfoeroe biehaaa iellal faasieqoen
2:99 Wij hebben duidelijke verzen aan jou (Mohammed v.z.m.h.) geopenbaard. Niemand verwerpt ze behalve degenen die provocerende ongehoorzaam zijn.

اَوَ کُلَّمَا عٰہَدُوۡا عَہۡدًا نَّبَذَہٗ فَرِیۡقٌ مِّنۡہُمۡ ؕ بَلۡ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۰۰۱﴾
Awa koellamaa 'aahadoe ahdan nabazahoe farieeqoem mienhoem; bal aksaroehoem laa yoe'mienoen
2:100 Was het niet zo dat telkens wanneer Wij een verbond aangingen, een deel van hen het (verbond) verwierpen? Nee, de meeste van hen geloven niet.

وَ لَمَّا جَآءَہُمۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ مُصَدِّقٌ لِّمَا مَعَہُمۡ نَبَذَ فَرِیۡقٌ مِّنَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ ٭ۙ کِتٰبَ اللّٰہِ وَرَآءَ ظُہُوۡرِہِمۡ کَاَنَّہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۰۱﴾
Wa lammaa djaaa'ahoem Rasoeloem mien 'iendiel laahie moesaddieqoel liemaa ma'ahoem nabaza farieeqoem mienal lazieena oetoel Kietaaba Kietaabal laahie waraaa'a zoehoeriehiem ka annahoem laa ya'lamoen
2:101 En wanneer er een boodschapper van Allah tot hen kwam, die bevestigde wat bij hen was (de Thora), gooide een deel van de schriftgeleerden Allah's boek achter hun ruggen. En deden net alsof ze van niets wisten.

وَ اتَّبَعُوۡا مَا تَتۡلُوا الشَّیٰطِیۡنُ عَلٰی مُلۡکِ سُلَیۡمٰنَ ۚ وَ مَا کَفَرَ سُلَیۡمٰنُ وَ لٰکِنَّ الشَّیٰطِیۡنَ کَفَرُوۡا یُعَلِّمُوۡنَ النَّاسَ السِّحۡرَ ٭ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ عَلَی الۡمَلَکَیۡنِ بِبَابِلَ ہَارُوۡتَ وَ مَارُوۡتَ ؕ وَ مَا یُعَلِّمٰنِ مِنۡ اَحَدٍ حَتّٰی یَقُوۡلَاۤ اِنَّمَا نَحۡنُ فِتۡنَۃٌ فَلَا تَکۡفُرۡ ؕ فَیَتَعَلَّمُوۡنَ مِنۡہُمَا مَا یُفَرِّقُوۡنَ بِہٖ بَیۡنَ الۡمَرۡءِ وَ زَوۡجِہٖ ؕ وَ مَا ہُمۡ بِضَآرِّیۡنَ بِہٖ مِنۡ اَحَدٍ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ وَ یَتَعَلَّمُوۡنَ مَا یَضُرُّہُمۡ وَ لَا یَنۡفَعُہُمۡ ؕ وَ لَقَدۡ عَلِمُوۡا لَمَنِ اشۡتَرٰىہُ مَا لَہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ مِنۡ خَلَاقٍ ۟ؕ وَ لَبِئۡسَ مَا شَرَوۡا بِہٖۤ اَنۡفُسَہُمۡ ؕ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۰۱﴾
Wattaba'oe maa tatloesh Shayaatieenoe 'alaa moelkie Soelaimaana wa maa kafara Soelaimaanoe wa laakiennash Shayattieena kafaroe yoe'al liemoenan naasas siehra wa maaa oenziela 'alal malakainie bie Baabiela Haaroeta wa Maaroet; wa maa yoe'alliemaanie mien ahadien hattaa yaqoelaaa iennamaa nahnoe fietnatoen falaa takfoer fayata'al lamoena mienhoemaa maa yoefarrieqoena biehiee bainal mar'ie wa zawdjieh; wa maa hoem biedaaarrieena biehiee mien ahadien iellaa bie-iezniellah; wa yata'allamoena maa yadoerroehoem wa laa yanfa'oehoem; wa laqad 'aliemoe lamaniesh taraahoe maa lahoe fiel Aaghieratie mien ghalaaq; wa labie'sa maa sharaw biehieee anfoesahoem; law kaanoe ya'lamoen
2:102 En ze volgden wat de satans voorlazen in Soelaiman's koninkrijk. Soelaiman was niet ongelovig, maar de satans waren ongelovig. Ze onderwezen de mensen magie (Sihr) en (ze onderwezen) datgeen wat bekend was gemaakt in Babylon aan de twee engelen, Haroet en Maroet. Beide engelen zeiden, voordat ze iemand onderwezen: “Wij zijn alleen een beproeving. Dus wees niet ongelovig." Maar ze leerden van hen (de satans) datgeen wat een scheiding tussen een man en zijn echtgenote veroorzaakte. Echter, ze konden er niemand mee schaden zonder de toestemming van Allah. Ze leerden alleen wat schade teweeg bracht en niet wat hen profijt opleverden. Zonder enige twijfel, ze wisten dat er voor degene die het (de magie) koopt er geen enkel aandeel (van het paradijs) is in het hiernamaals. Het is afschuwelijk waarvoor ze zichzelf hebben verkochten. Wisten ze het maar!

وَ لَوۡ اَنَّہُمۡ اٰمَنُوۡا وَ اتَّقَوۡا لَمَثُوۡبَۃٌ مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ خَیۡرٌ ؕ لَوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۰۱﴾
Wa law annahoem aamanoe wattaqaw lamasoebatoem mien 'iendiellaahie ghairoen law kaanoe ya'lamoen
2:103 En indien ze in Allah geloofd en gevreesd hadden, dan zou de beloning van Allah zeker beter zijn geweest. Wisten ze het maar!

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَقُوۡلُوۡا رَاعِنَا وَ قُوۡلُوا انۡظُرۡنَا وَ اسۡمَعُوۡا ؕ وَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۴۰۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe laa taqoeloe raa'ienaa wa qoeloen zoernaa wasma'oe; wa lielkaafierieena 'azaaboen alieem
2:104 O jullie die geloven, zeg niet "Raïna", maar zeg "Oenzhoerna" en geef gehoor." Voor de ongelovigen is er een pijnlijke straf. (Notitie: Raïna en Oenzhoerna hebben dezelfde betekenis in het Arabisch, echter Raïna heeft een andere betekenis in het Hebreeuws en werd daarom gebruikt door de Joden om de Mohammed v.z.m.h. belachelijk te maken. Zie ook 4:46.)

مَا یَوَدُّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ وَ لَا الۡمُشۡرِکِیۡنَ اَنۡ یُّنَزَّلَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ خَیۡرٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ یَخۡتَصُّ بِرَحۡمَتِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ ذُو الۡفَضۡلِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۵۰۱﴾
Maa yawaddoel lazieena kafaroe mien ahliel kietaabie wa lal moeshriekieena ai-yoenazzala 'alaikoem mien ghairiem mier Rabbiekoem; wallaahoe yaghtassoe bierahmatiehiee mai-yashaaa; wallaahoe zoel fadliel'azieem
2:105 De ongelovigen onder de mensen van het boek (Thora) en de godenaanbidders, haten dat het goede van jouw Heer aan jou wordt neergezonden. Allah geeft zijn Barmhartigheid aan wie van zijn dienaren Hij wil. En Allah is de bezitter van geweldige beloningen.

مَا نَنۡسَخۡ مِنۡ اٰیَۃٍ اَوۡ نُنۡسِہَا نَاۡتِ بِخَیۡرٍ مِّنۡہَاۤ اَوۡ مِثۡلِہَا ؕ اَلَمۡ تَعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۶۰۱﴾
Maa nansagh mien aayatien aw noensiehaa na-tie bieghairiem mienhaaa aw miesliehaaa; alam ta'lam annal laaha 'alaa koellie shai'ien qadieer
2:106 Als Wij een vers doen afschaffen of doen vergeten, dan brengen Wij iets beter of gelijkwaardig ervoor in de plaats. Ben je niet op de hoogte dat Allah de ultieme macht\zeggenschap heeft over alles?

اَلَمۡ تَعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۷۰۱﴾
Alam ta'lam annallaaha lahoe moelkoes samaawaatie wal ard; wa maa lakoem mien doeniel laahie miew walieyyiew wa laa nasieer
2:107 Weet je dan niet dat het koninkrijk van de hemelen en de aarde van Allah is? En er is voor jullie buiten Allah geen helper of geen beschermer.

اَمۡ تُرِیۡدُوۡنَ اَنۡ تَسۡـَٔلُوۡا رَسُوۡلَکُمۡ کَمَا سُئِلَ مُوۡسٰی مِنۡ قَبۡلُ ؕ وَ مَنۡ یَّتَبَدَّلِ الۡکُفۡرَ بِالۡاِیۡمَانِ فَقَدۡ ضَلَّ سَوَآءَ السَّبِیۡلِ ﴿۸۰۱﴾
Am toerieedoena an tas'aloe Rasoelakoem kamaa soe'iela Moesa mien qabl; wa may yatabaddaliel koefra biel ieemaanie faqad dalla sawaaa'as sabieel
2:108 Of wensen jullie jouw boodschapper te ondervragen zoals Moesa vroeger werd ondervraagd? En wie zijn geloof verruilt voor ongeloof, dan is hij zonder twijfel afgedwaald van het rechte pad.

وَدَّ کَثِیۡرٌ مِّنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ لَوۡ یَرُدُّوۡنَکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ اِیۡمَانِکُمۡ کُفَّارًا ۚۖ حَسَدًا مِّنۡ عِنۡدِ اَنۡفُسِہِمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡحَقُّ ۚ فَاعۡفُوۡا وَ اصۡفَحُوۡا حَتّٰی یَاۡتِیَ اللّٰہُ بِاَمۡرِہٖ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۹۰۱﴾
Wadda kasieeroem mien ahliel kietaabie law yaroeddoe nakoem miem ba'die ieemaaniekoem koeffaaran hasadam mien 'iendie anfoesiehiem miem ba'die maa tabaiyana lahoemoel haqqoe fa'foe wasfahoe hattaa yaa tieyallaahoe bie amrieh; iennal laaha 'alaa koellie shai'ien qadieer
2:109 Velen van de mensen van het Schrift wensen dat ze jullie weer tot ongelovigen konden maken nadat jullie geloven. Dit uit jaloersheid in hunzelf, nadat de waarheid hen duidelijk is geworden. Maar vergeef en vergeet totdat Allah met zijn bevel komt. Voorzeker, Allah is almachtig over alles.

وَ اَقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتُوا الزَّکٰوۃَ ؕ وَ مَا تُقَدِّمُوۡا لِاَنۡفُسِکُمۡ مِّنۡ خَیۡرٍ تَجِدُوۡہُ عِنۡدَ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۰۱۱﴾
Wa aqieemoes salaata wa aatoez zakaah; wa maa toeqaddiemoe lie anfoesiekoem mien ghairien tadjiedoehoe 'iendal laah; iennal laaha biemaa ta'maloena basieer
2:110 En onderhoud de 'Salaat' (het contact maken met Allah, het gebed) en geef de zakaat. En datgeen wat jullie ook maar aan goede daden hebben gedaan, jullie zullen het (de beloning ervan) bij Allah aantreffen. Voorwaar, Allah is Al-Basier (Al-Ziende) over wat jullie doen.

وَ قَالُوۡا لَنۡ یَّدۡخُلَ الۡجَنَّۃَ اِلَّا مَنۡ کَانَ ہُوۡدًا اَوۡ نَصٰرٰی ؕ تِلۡکَ اَمَانِیُّہُمۡ ؕ قُلۡ ہَاتُوۡا بُرۡہَانَکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۱۱﴾
Wa qaaloe lay yadghoelal djannata iellaa man kaana Hoedan aw Nasaaraa; tielka amaanieyyoehoem; qoel haatoe boerhaa nakoem ien koentoem saadieqieen
2:111 En ze (de joden en de christenen) zeiden: "Niemand zal het paradijs betreden, behalve de joden of christenen". Dat zijn hun wenselijke gedachten. Zeg: “Breng jullie bewijzen als jullie streven naar de waarheid."

بَلٰی ٭ مَنۡ اَسۡلَمَ وَجۡہَہٗ لِلّٰہِ وَ ہُوَ مُحۡسِنٌ فَلَہٗۤ اَجۡرُہٗ عِنۡدَ رَبِّہٖ ۪ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۱۱﴾
Balaa man aslama wadjhahoe liellaahie wa hoewa moehsienoen falahoeo adjroehoe 'ienda rabbiehiee wa laa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
2:112 Zeer zeker! Wie zijn gezicht keert tot Allah en hij is iemand die goed doet, voor hem is zijn beloning bij zijn Heer. En er zal geen angst over hen zijn en ze zullen niet treuren.

وَ قَالَتِ الۡیَہُوۡدُ لَیۡسَتِ النَّصٰرٰی عَلٰی شَیۡءٍ ۪ وَّ قَالَتِ النَّصٰرٰی لَیۡسَتِ الۡیَہُوۡدُ عَلٰی شَیۡءٍ ۙ وَّ ہُمۡ یَتۡلُوۡنَ الۡکِتٰبَ ؕ کَذٰلِکَ قَالَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ مِثۡلَ قَوۡلِہِمۡ ۚ فَاللّٰہُ یَحۡکُمُ بَیۡنَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فِیۡمَا کَانُوۡا فِیۡہِ یَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۳۱۱﴾
Wa qaalatiel Yahoedoe laisatien Nasaaraa 'alaa shai'ienw-wa qaalatien Nasaaraaa laisatiel Yahoedoe 'alaa shai'ienw'wa hoem yatloenal Kietaab; kazaalieka qaalal lazieena la ya'lamoena miesla qawliehiem; fallaahoe yahkoemoe bainahoem Yawmal Qieyaamatie fieemaa kaanoe fieehie yaghtaliefoen
2:113 En de Joden zeiden: "De christenen bevatten niets (van de openbaring)". En de christenen zeiden: "De joden bevatten niets (van de waarheid)." Ondanks, dat ze het boek lezen (en dus kennis hebben van de openbaring). Het zelfde werd gezegd door degene die geen kennis hebben (afgoddienaren). Op de dag des oordeels, zal Allah over hen oordeel treffen in datgeen waarin ze verschillen.

وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنۡ مَّنَعَ مَسٰجِدَ اللّٰہِ اَنۡ یُّذۡکَرَ فِیۡہَا اسۡمُہٗ وَ سَعٰی فِیۡ خَرَابِہَا ؕ اُولٰٓئِکَ مَا کَانَ لَہُمۡ اَنۡ یَّدۡخُلُوۡہَاۤ اِلَّا خَآئِفِیۡنَ ۬ؕ لَہُمۡ فِی الدُّنۡیَا خِزۡیٌ وَّ لَہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۴۱۱﴾
Wa man azlamoe miemmam-mana'a masaadjiedal laahie ai-yoezkara fieehas moehoe wa sa'aa fiee gharaabiehaaa; oelaaa'ieka maa kaana lahoem ay yadghoeloehaaa iellaa ghaaa'iefieen; lahoem fieddoenyaa ghiezyoew wa lahoem fiel aaghieratie 'azaaboen 'azieem
2:114 En wie is er meer onrechtvaardig dan iemand die verhindert om Allah's naam genoemd te worden in de Moskeeën en streeft om het te vernietigen. Ze behoren deze alleen in vrees te betreden. Voor hen is er op de wereld een vernedering en in het Hiernamaals een geweldige straf.

وَ لِلّٰہِ الۡمَشۡرِقُ وَ الۡمَغۡرِبُ ٭ فَاَیۡنَمَا تُوَلُّوۡا فَثَمَّ وَجۡہُ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۵۱۱﴾
Wa liellaahiel mashrieqoe walmaghrieb; fa aynamaa toewalloe fasamma wadjhoellaah; iennal laaha waasie'oen Alieem
2:115 En aan Allah behoren het oosten en het westen. Dus waar jullie ook keren Allah's aanzicht is daar. Voorzeker, Allah is Al-Waasi (Allesomvattend), Al-Aliem (Alwetend).

وَ قَالُوا اتَّخَذَ اللّٰہُ وَلَدًا ۙ سُبۡحٰنَہٗ ؕ بَلۡ لَّہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ کُلٌّ لَّہٗ قٰنِتُوۡنَ ﴿۶۱۱﴾
Wa qaaloet taghazal laahoe waladan soebhaanahoe bal lahoe maa fies samaawaatie wal ardie koelloel lahoe qaanietoen
2:116 En ze (de christenen) zeiden: "Allah heeft Zich een zoon genomen". "Subhaan" (de ultieme perfectie zonder enige tekortkoming) is Hij! Nee! Aan Hem behoort wat er in de hemelen en op de aarde is. Allen zijn Hem nederig gehoorzaam.

بَدِیۡعُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اِذَا قَضٰۤی اَمۡرًا فَاِنَّمَا یَقُوۡلُ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۷۱۱﴾
Badieee'oes samaawaatie wal ardie wa iezaa qadaaa amran fa iennamaa yaqoeloe lahoe koen fayakoen
2:117 (Hij is) de Schepper van de hemelen en de aarde. En wanneer Hij over een zaak een besluit neemt, dan zegt Hij alleen: "Wees", en het wordt voltooid.

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ لَا یَعۡلَمُوۡنَ لَوۡ لَا یُکَلِّمُنَا اللّٰہُ اَوۡ تَاۡتِیۡنَاۤ اٰیَۃٌ ؕ کَذٰلِکَ قَالَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّثۡلَ قَوۡلِہِمۡ ؕ تَشَابَہَتۡ قُلُوۡبُہُمۡ ؕ قَدۡ بَیَّنَّا الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یُّوۡقِنُوۡنَ ﴿۸۱۱﴾
Wa qaalal lazieena laa ya'lamoena law laa yoekalliemoenal laahoe aw taatieenaaa aayah; kazaalieka qaalal lazieena mien qabliehiem miesla qawliehiem; tashaabahat qoeloeboehoem; qad baiyannal aayaatie lieqawmiey yoeqienoen
2:118 En degenen die niet weten, zeiden: "Waarom spreekt Allah niet tot ons of waarom komt er geen teken tot ons?" Net zo spraken degenen die voor hen waren. Hun harten zijn gelijk. Zonder twijfel, Wij hebben de tekenen duidelijk gemaakt voor een volk dat sterk overtuigd is.

اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ بِالۡحَقِّ بَشِیۡرًا وَّ نَذِیۡرًا ۙ وَّ لَا تُسۡئَلُ عَنۡ اَصۡحٰبِ الۡجَحِیۡمِ ﴿۹۱۱﴾
Innaaa arsalnaaka bielhaqqie bashieeraw wa nazieeraw wa laa toes'aloe 'an Ashaabiel djahieem
2:119 Voorzeker, Wij hebben jou (Mohammed v.z.m.h.) met de waarheid gezonden, als een brenger van goed nieuws en als een waarschuwer. En je zult niet worden ondervraagd over de mensen van de hel.

وَ لَنۡ تَرۡضٰی عَنۡکَ الۡیَہُوۡدُ وَ لَا النَّصٰرٰی حَتّٰی تَتَّبِعَ مِلَّتَہُمۡ ؕ قُلۡ اِنَّ ہُدَی اللّٰہِ ہُوَ الۡہُدٰی ؕ وَ لَئِنِ اتَّبَعۡتَ اَہۡوَآءَہُمۡ بَعۡدَ الَّذِیۡ جَآءَکَ مِنَ الۡعِلۡمِ ۙ مَا لَکَ مِنَ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا نَصِیۡرٍ ﴿۰۲۱﴾
Wa lan tardaa 'an-kal Yahoedoe wa lan Nasaaraa hattaa tattabie'a miellatahoem; qoel ienna hoedal laahie hoewalhoedaa; wa la'ieniet taba'ta ahwaaa'ahoem ba'dal laziee djaaa'aka mienal 'ielmiemaa laka mienal laahie miew walieyyiew wa laa nasieer
2:120 En de Joden en de christenen zullen nooit met jou (Mohammed v.z.m.h.) tevreden zijn, totdat je hun geloofsopvatting volgt. Zeg: "Voorzeker de Leiding van Allah, dat is de Leiding". En als je hun verlangens volgt, nadat de kennis tot je is gekomen, dan zal er geen bescherming en hulp zijn van Allah.

اَلَّذِیۡنَ اٰتَیۡنٰہُمُ الۡکِتٰبَ یَتۡلُوۡنَہٗ حَقَّ تِلَاوَتِہٖ ؕ اُولٰٓئِکَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ ؕ وَ مَنۡ یَّکۡفُرۡ بِہٖ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۱۲۱﴾
Allazieena aatainaahoemoel Kietaaba yatloenahoe haqqa tielaawatiehieee oelaaa'ieka yoe'mienoena bieh; wa may yakfoer biehiee fa oelaaa'ieka hoemoel ghaasieroen
2:121 Degenen aan wie Wij het Schrift hebben gegeven, lezen het zoals het gelezen moet worden. Ze geloven erin. En wie er niet in gelooft, ze zijn de verliezers.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتِیَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتُ عَلَیۡکُمۡ وَ اَنِّیۡ فَضَّلۡتُکُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۲۲۱﴾
Yaa Banieee Israaa'ieelaz-koeroe nie'matieyal latieee an'amtoe 'alaikoem wa anniee faddaltoekoem 'alal 'aalamieen
2:122 O Kinderen van Israël, herinner Mijn gunst die ik jullie geschonken heb en dat Ik jullie boven de wereldbewoners heb verkozen.

وَ اتَّقُوۡا یَوۡمًا لَّا تَجۡزِیۡ نَفۡسٌ عَنۡ نَّفۡسٍ شَیۡئًا وَّ لَا یُقۡبَلُ مِنۡہَا عَدۡلٌ وَّ لَا تَنۡفَعُہَا شَفَاعَۃٌ وَّ لَا ہُمۡ یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۳۲۱﴾
Wattaqoe yawmal laa tadjziee nafsoen 'an nafsien shai 'aw wa laa yoeqbaloe mienhaa 'adloew wa laa tanfa'oehaa shafaa 'atoew wa laa hoem yoensaroen
2:123 En vrees de Dag waarop een 'Nafs' (persoon/eigen ik), een andere 'Nafs' niet kan helpen. En er zal geen vergoeding van haar aangenomen worden, noch zal er bemiddeling voor haar geaccepteerd worden. En ze zullen niet worden geholpen.

وَ اِذِ ابۡتَلٰۤی اِبۡرٰہٖمَ رَبُّہٗ بِکَلِمٰتٍ فَاَتَمَّہُنَّ ؕ قَالَ اِنِّیۡ جَاعِلُکَ لِلنَّاسِ اِمَامًا ؕ قَالَ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِیۡ ؕ قَالَ لَا یَنَالُ عَہۡدِی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۲۱﴾
Wa iezieb talaaa Ibraahieema Rabboehoe bie Kaliemaatien fa atammahoenna qaala Inniee djaa'ieloeka liennaasie Imaaman qaala wa mien zoerrieyyatiee qaala laa yanaaloe 'ahdiez zaaliemieen
2:124 En (gedenk) toen Ibrahiem (Abraham) beproefd werd door zijn Heer met bevelen, en Hij deze (beproevingen) doorstond. Hij (Allah) zei: "Voorzeker, Ik zal u tot een 'imaam' (voorbeeld) maken voor de mensheid". Hij (Ibrahiem) zei: "En ook van mijn nageslacht?" Hij (Allah) antwoordde: "Mijn verbond bevat geen onrechtplegers".

وَ اِذۡ جَعَلۡنَا الۡبَیۡتَ مَثَابَۃً لِّلنَّاسِ وَ اَمۡنًا ؕ وَ اتَّخِذُوۡا مِنۡ مَّقَامِ اِبۡرٰہٖمَ مُصَلًّی ؕ وَ عَہِدۡنَاۤ اِلٰۤی اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ اَنۡ طَہِّرَا بَیۡتِیَ لِلطَّآئِفِیۡنَ وَ الۡعٰکِفِیۡنَ وَ الرُّکَّعِ السُّجُوۡدِ ﴿۵۲۱﴾
Wa iez dja'alnal Baita masaabatal liennaasie wa amnaw wattaghiezoe miem Maqaamie Ibraahieema moesallaaa; wa 'ahiednaaa ielaaa Ibraahieema wa Ismaa'ieela an tahhieraa Baitieya liettaaa'iefieena wal'aakiefieena warroekka'ies soedjoed
2:125 En (gedenk) toen Wij het Huis (de Kabah) tot een verzamelpunt voor de mensheid en een veilige plaats maakten. En neem de plaats waar Ibrahiem stond als een gebedsplaats. En Wij maakten een verbond met Ibrahiem en Ismaiel: "Reinigt Mijn huis voor diegenen die de Tawaaf verrichten, degenen die zich afzonderen voor aanbidding, degenen die zich buigen, en degenen die zich prostreren".

وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ رَبِّ اجۡعَلۡ ہٰذَا بَلَدًا اٰمِنًا وَّ ارۡزُقۡ اَہۡلَہٗ مِنَ الثَّمَرٰتِ مَنۡ اٰمَنَ مِنۡہُمۡ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ ؕ قَالَ وَ مَنۡ کَفَرَ فَاُمَتِّعُہٗ قَلِیۡلًا ثُمَّ اَضۡطَرُّہٗۤ اِلٰی عَذَابِ النَّارِ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۶۲۱﴾
Wa iez qaala Ibraahieemoe Rabbiedj 'al haazaa baladan aamienaw warzoeq ahlahoe mienas samaraatie man aamana mienhoem biellaahie wal yawmiel aaghierie qaala wa man kafara fa-oemattie'oehoe qalieelan soemma adtarroehoeo ielaa 'azaabien Naarie wa bie'salmasieer
2:126 En (gedenk) toen Ibrahiem zei: "Mijn Heer, maak dit een veilige stad en voorzie haar bewoners, die geloven in Allah en in het Hiernamaals, met vruchten". Hij (Allah) zei: "En voor de ongelovigen zal ik ook genietingen voor een korte tijd schenken, daarna zal Ik hen drijven naar de bestraffing van het vuur. En afschuwelijk is deze bestemming!

وَ اِذۡ یَرۡفَعُ اِبۡرٰہٖمُ الۡقَوَاعِدَ مِنَ الۡبَیۡتِ وَ اِسۡمٰعِیۡلُ ؕ رَبَّنَا تَقَبَّلۡ مِنَّا ؕ اِنَّکَ اَنۡتَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۷۲۱﴾
Wa iez yarfa'oe Ibraahieemoel qawaa'ieda mienal Baitiewa Ismaa'ieeloe Rabbanaa taqabbal miennaa iennaka Antas Samiee'oel Alieem
2:127 En (gedenk) toen Ibrahiem samen met Ismaiel het fundament van het Huis maakte (zeggende): "Onze Heer, aanvaard het van ons. Voorzeker, U bent de Alhorende, de Alwetende."

رَبَّنَا وَ اجۡعَلۡنَا مُسۡلِمَیۡنِ لَکَ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِنَاۤ اُمَّۃً مُّسۡلِمَۃً لَّکَ ۪ وَ اَرِنَا مَنَاسِکَنَا وَ تُبۡ عَلَیۡنَا ۚ اِنَّکَ اَنۡتَ التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۸۲۱﴾
Rabbanaa wadj'alnaa moesliemainie laka wa mien zoerrieyyatienaaa oemmatam moesliematal laka wa arienaa manaasiekanaa wa toeb 'alainaa iennaka antat Tawwaaboer Rahieem
2:128 "Onze Heer, maak ons beide als overgegevenen aan U en maak onze nakomelingen tot een volk dat zich overgegeven heeft aan U. En onderwijs ons de manieren van aanbidding en wees genadig tot ons. Voorwaar, U bent de Meest Berouw aanvaardend, de Meest Barmhartig."

رَبَّنَا وَ ابۡعَثۡ فِیۡہِمۡ رَسُوۡلًا مِّنۡہُمۡ یَتۡلُوۡا عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتِکَ وَ یُعَلِّمُہُمُ الۡکِتٰبَ وَ الۡحِکۡمَۃَ وَ یُزَکِّیۡہِمۡ ؕ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۹۲۱﴾
Rabbanaa wab'as fieehiem Rasoelam mienhoem yatloe 'alaihiem aayaatieka wa yoe'alliemoehoemoel Kietaaba wal Hiekmata wa yoezakkieehiem; iennaka Antal 'Azieezoel Hakieem
2:129 "Onze Heer! En doe een boodschapper onder hen verrijzen, die Uw verzen aan hen voordraagt, die hen het Schrift en 'Al-Hikmah' (Allah's wetgeving, ethiek, etiquette, de Sunnah, de praktisatie van aanbidding) onderwijst, en die hen reinigt. Voorwaar, U bent de Almachtige, de Alwijze".

وَ مَنۡ یَّرۡغَبُ عَنۡ مِّلَّۃِ اِبۡرٰہٖمَ اِلَّا مَنۡ سَفِہَ نَفۡسَہٗ ؕ وَ لَقَدِ اصۡطَفَیۡنٰہُ فِی الدُّنۡیَا ۚ وَ اِنَّہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ لَمِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۰۳۱﴾
Wa may yarghaboe 'am-Miellatie Ibraahieema iellaa man safieha nafsah; wa laqadies tafainaahoe fied-doenyaa wa iennahoe fiel aaghieratie lamienas saaliehieen
2:130 En niemand keert zich af van Ibrahiem's geloofsopvatting, behalve degene die zichzelf voor de gek houdt. En voorzeker, Wij hebben hem in deze wereld gekozen, en in het Hiernamaals zal hij zeker onder de oprechten zijn.

اِذۡ قَالَ لَہٗ رَبُّہٗۤ اَسۡلِمۡ ۙ قَالَ اَسۡلَمۡتُ لِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۳۱﴾
Iz qaala lahoe Rabboehoeo asliem qaala aslamtoe lie Rabbiel 'aalamieen
2:131 En (gedenk) toen zijn Heer tot hem zei: "Onderwerp jezelf". Hij zei: "Ik heb mezelf onderworpen aan de Heer van de Werelden".

وَ وَصّٰی بِہَاۤ اِبۡرٰہٖمُ بَنِیۡہِ وَ یَعۡقُوۡبُ ؕ یٰبَنِیَّ اِنَّ اللّٰہَ اصۡطَفٰی لَکُمُ الدِّیۡنَ فَلَا تَمُوۡتُنَّ اِلَّا وَ اَنۡتُمۡ مُّسۡلِمُوۡنَ ﴿۲۳۱﴾
Wa wassaa biehaaa Ibraahieemoe banieehie wa Ya'qoeb, yaa banieyya iennal laahas tafaa lakoemoed dieena falaa tamoetoenna iellaa wa antoem moesliemoen
2:132 En Ibrahiem gaf deze erfenis aan zijn zonen en Jakob deed het ook: "O mijn zonen Allah heeft voor jullie het geloof gekozen. Dus sterf niet voordat jullie jezelf aan Allah hebben overgegeven."

اَمۡ کُنۡتُمۡ شُہَدَآءَ اِذۡ حَضَرَ یَعۡقُوۡبَ الۡمَوۡتُ ۙ اِذۡ قَالَ لِبَنِیۡہِ مَا تَعۡبُدُوۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِیۡ ؕ قَالُوۡا نَعۡبُدُ اِلٰہَکَ وَ اِلٰـہَ اٰبَآئِکَ اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ اِلٰـہًا وَّاحِدًا ۚۖ وَّ نَحۡنُ لَہٗ مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۳۳۱﴾
Am koentoem shoehadaaa'a iez hadara Ya'qoebal mawtoe iez qaala liebanieehie maa ta'boedoena miem ba'diee qaaloe na'boedoe ielaahaka wa ielaaha aabaaa'ieka Ibraahieema wa Ismaa'ieela wa Ishaaqa Ilaahaw waahiedaw wa nahnoe lahoe moesliemoen
2:133 Of waren jullie getuigen toen de dood bij Jakob kwam en hij zei tegen zijn zonen: "Wat zullen jullie na mij aanbidden?" Ze zeiden: "Wij zullen uw deïteit aanbidden, de deïteit\godheid van uw voorvaders, Ibrahiem, Ismaiel en Izaak, de Deïteit\Godheid die één is. En wij hebben ons aan Hem overgegeven".

تِلۡکَ اُمَّۃٌ قَدۡ خَلَتۡ ۚ لَہَا مَا کَسَبَتۡ وَ لَکُمۡ مَّا کَسَبۡتُمۡ ۚ وَ لَا تُسۡـَٔلُوۡنَ عَمَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۳۱﴾
Tielka oemmatoen qad ghalat lahaa maa kasabat wa lakoem maa kasabtoem wa laa toes'aloena 'ammaa kaanoe ya'maloen
2:134 Dit was een gemeenschap die heen is gegaan. Voor hen is wat ze verdienden en voor jullie is wat jullie verdienen. En jullie worden niet gevraagd over wat ze deden.

وَ قَالُوۡا کُوۡنُوۡا ہُوۡدًا اَوۡ نَصٰرٰی تَہۡتَدُوۡا ؕ قُلۡ بَلۡ مِلَّۃَ اِبۡرٰہٖمَ حَنِیۡفًا ؕ وَ مَا کَانَ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۵۳۱﴾
Wa qaaloe koenoe Hoedan aw Nasaaraa tahtadoe; qoel bal Miellata Ibraahieema Hanieefaw wa maa kaana mienal moeshriekieen
2:135 En ze zeiden: "Wees Jood of Christen, dan zullen jullie worden geleid". Zeg: "Nee! Wij volgen de geloofsopvatting van Ibrahiem, een pure monotheïst. En hij was geen afgoddienaar.

قُوۡلُوۡۤا اٰمَنَّا بِاللّٰہِ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡنَا وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلٰۤی اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ وَ الۡاَسۡبَاطِ وَ مَاۤ اُوۡتِیَ مُوۡسٰی وَ عِیۡسٰی وَ مَاۤ اُوۡتِیَ النَّبِیُّوۡنَ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۚ لَا نُفَرِّقُ بَیۡنَ اَحَدٍ مِّنۡہُمۡ ۫ۖ وَ نَحۡنُ لَہٗ مُسۡلِمُوۡنَ ﴿۶۳۱﴾
Qoeloeo aamannaa biellaahie wa maaa oenziela ielainaa wa maaa oenziela ielaaa Ibraahieema wa Ismaa'ieela wa Ishaaqa wa Ya'qoeba wal Asbaatie wa maa-oetieya Moesa wa 'Eesaa wa maaa oetieyan Nabieyyoena mier Rabbiehiem laa noefarrieqoe baina ahadiem mienhoem wa nahnoe lahoe moesliemoen
2:136 Zeg: "Wij geloven in Allah en wat aan ons is geopenbaard (via de profeet Mohammed) en wat geopenbaard is aan Ibrahiem, Ismaiel, Izaak, Jakob en Jakobs nakomelingen (Al-Asbaat). En (wij geloven) wat gegeven is aan Moesa, Isa en aan de (andere) profeten door hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen hen en wij hebben ons aan Hem (Allah) overgegeven.

فَاِنۡ اٰمَنُوۡا بِمِثۡلِ مَاۤ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ فَقَدِ اہۡتَدَوۡا ۚ وَ اِنۡ تَوَلَّوۡا فَاِنَّمَا ہُمۡ فِیۡ شِقَاقٍ ۚ فَسَیَکۡفِیۡکَہُمُ اللّٰہُ ۚ وَ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۷۳۱﴾
Fa ien aamanoe biemieslie maaa aamantoem biehiee faqadieh tadaw wa ien tawallaw fa iennamaa hoem fiee shieqaaq; fasayakfieekahoemoel laah; wa Hoewas Samiee'oel Alieem
2:137 Als ze geloven zoals jullie geloven, dan zijn ze inderdaad goed geleid. Maar indien ze zich afwenden, dan verkeren ze in conflict (met hunzelf). Allah is voldoende voor jullie (als beschermer) tegen hen. En Hij is de Alhorende, de Alwetende.

صِبۡغَۃَ اللّٰہِ ۚ وَ مَنۡ اَحۡسَنُ مِنَ اللّٰہِ صِبۡغَۃً ۫ وَّ نَحۡنُ لَہٗ عٰبِدُوۡنَ ﴿۸۳۱﴾
Siebghatal laahie wa man ahsanoe mienal laahie siebghataw wa nahnoe lahoe 'aabiedoen
2:138 Neem de natuurlijke instinct (in het aanbidden) van Allah. En wie kan er een beter instinct dan Allah geven? En wij zijn aanbidders van Hem.

قُلۡ اَتُحَآجُّوۡنَنَا فِی اللّٰہِ وَ ہُوَ رَبُّنَا وَ رَبُّکُمۡ ۚ وَ لَنَاۤ اَعۡمَالُنَا وَ لَکُمۡ اَعۡمَالُکُمۡ ۚ وَ نَحۡنُ لَہٗ مُخۡلِصُوۡنَ ﴿۹۳۱﴾
Qoel atoehaaadjdjoenanaa fiel laahie wa Hoewa Rabboenaa wa Rabboekoem wa lanaa a'maaloenaa wa lakoem a'maaloekoem wa nahnoe lahoe moeghliesoen
2:139 Zeg: "Discussiëren jullie met ons over Allah, terwijl Hij onze Heer en jullie Heer is? En wij zijn verantwoordelijk voor onze daden, en jullie zijn verantwoordelijk voor jullie daden. Dus Wij wenden ons tot Hem in oprechtheid".

اَمۡ تَقُوۡلُوۡنَ اِنَّ اِبۡرٰہٖمَ وَ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ وَ الۡاَسۡبَاطَ کَانُوۡا ہُوۡدًا اَوۡ نَصٰرٰی ؕ قُلۡ ءَاَنۡتُمۡ اَعۡلَمُ اَمِ اللّٰہُ ؕ وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنۡ کَتَمَ شَہَادَۃً عِنۡدَہٗ مِنَ اللّٰہِ ؕ وَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۰۴۱﴾
Am taqoeloena ienna Ibraahieema wa Ismaa'ieela wa Ishaaqa wa Ya'qoeba wal asbaata kaanoe Hoedan aw Nasaaraa; qoel 'a-antoem a'lamoe amiel laah; wa man azlamoe miemman katama shahaadatan 'iendahoe mienallaah; wa mallaahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
2:140 Of zeggen jullie (Joden en Christenen) dat Ibrahiem, Ismaiel, Izaak, Jakob en de nakomelingen van Jakob, Joden of Christenen waren? Zeg: "Weten jullie het of weet Allah het beter?" En wie is er meer onrechtvaardiger dan degene die een getuigenis die hij verkregen heeft van Allah, verborgen houdt. En Allah is niet onbewust omtrent wat jullie doen.

تِلۡکَ اُمَّۃٌ قَدۡ خَلَتۡ ۚ لَہَا مَا کَسَبَتۡ وَ لَکُمۡ مَّا کَسَبۡتُمۡ ۚ وَ لَا تُسۡـَٔلُوۡنَ عَمَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۴۱﴾
Tielka oemmatoen qad ghalat lahaa maa kasabat wa lakoem maa kasabtoem wa laa toes'aloena 'ammaa kaano ya'maloen ( 16, End djoez 1)
2:141 Dit was een gemeenschap die heen is gegaan. Voor hen is wat ze hebben verdiend, en voor jullie is wat jullie hebben verdiend. En jullie zullen niet worden ondervraagd over datgeen wat ze deden.

سَیَقُوۡلُ السُّفَہَآءُ مِنَ النَّاسِ مَا وَلّٰىہُمۡ عَنۡ قِبۡلَتِہِمُ الَّتِیۡ کَانُوۡا عَلَیۡہَا ؕ قُلۡ لِّلّٰہِ الۡمَشۡرِقُ وَ الۡمَغۡرِبُ ؕ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۲۴۱﴾
Sayaqoeloes soefahaaa'oe mienan naasie maa wallaahoem 'an Qieblatiehiemoel latiee kaanoe 'alaihaa; qoel liellaahiel mashrieqoe walmaghrieb; yahdiee may yashaaa'oe ielaa Sieraatiem Moestaqieem
2:142 De dwazen onder de mensen zullen zeggen: "Wat heeft hen zich doen afkeren van hun "Qiblah" (gebedsrichting) die ze eerst hanteerde?" Zeg: Aan Allah behoort het oosten en het westen. Hij leidt wie Hij wil naar een rechte pad".

وَ کَذٰلِکَ جَعَلۡنٰکُمۡ اُمَّۃً وَّسَطًا لِّتَکُوۡنُوۡا شُہَدَآءَ عَلَی النَّاسِ وَ یَکُوۡنَ الرَّسُوۡلُ عَلَیۡکُمۡ شَہِیۡدًا ؕ وَ مَا جَعَلۡنَا الۡقِبۡلَۃَ الَّتِیۡ کُنۡتَ عَلَیۡہَاۤ اِلَّا لِنَعۡلَمَ مَنۡ یَّتَّبِعُ الرَّسُوۡلَ مِمَّنۡ یَّنۡقَلِبُ عَلٰی عَقِبَیۡہِ ؕ وَ اِنۡ کَانَتۡ لَکَبِیۡرَۃً اِلَّا عَلَی الَّذِیۡنَ ہَدَی اللّٰہُ ؕ وَ مَا کَانَ اللّٰہُ لِیُضِیۡعَ اِیۡمَانَکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِالنَّاسِ لَرَءُوۡفٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۳۴۱﴾
Wa kazaalieka dja'alnaakoem oemmataw wasatal lietakoenoe shoehadaaa'a 'alan naasie wa yakoenar Rasoeloe 'alaikoem shahieedaa; wa maa dja'alnal qieblatal latiee koenta 'alaihaaa iellaa liena'lama may yattabie'oer Rasoela miemmay yanqalieboe 'alaa 'aqiebayh; wa ien kaanat lakabieeratan iellaa 'alal lazieena hadal laah; wa maa kaanal laahoe lieyoediee'a ieemaanakoem; iennal laaha biennaasie la Ra'oefoer Rahieem
2:143 Daarom maakten Wij jullie tot een volk dat centraal is gevestigd, zodat jullie tegen de mensheid zullen getuigen en dat de boodschapper (Mohammed v.z.m.h.) een getuige zal zijn voor jullie. En Wij hebben de "Qiblah", die jullie eerst hanteerde, alleen gemaakt om duidelijk te maken wie de boodschapper volgt en wie op zijn hielen omkeert (naar het ongeloof). Zonder twijfel, het was een zware beproeving, behalve voor degenen die geleid zijn door Allah. En Allah zal jullie geloofsovertuiging niet verloren doen gaan. Voorzeker, Allah is "Raoef" (de meest Vriendelijke), Ar-Rahiem (Barmhartig voor de gelovigen).

قَدۡ نَرٰی تَقَلُّبَ وَجۡہِکَ فِی السَّمَآءِ ۚ فَلَنُوَلِّیَنَّکَ قِبۡلَۃً تَرۡضٰہَا ۪ فَوَلِّ وَجۡہَکَ شَطۡرَ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ ؕ وَ حَیۡثُ مَا کُنۡتُمۡ فَوَلُّوۡا وُجُوۡہَکُمۡ شَطۡرَہٗ ؕ وَ اِنَّ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ لَیَعۡلَمُوۡنَ اَنَّہُ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ؕ وَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۴۱﴾
Qad naraa taqalloeba wadjhieka fies samaaa'ie fala noewallieyannaka qieblatan tardaahaa; fawallie wadjhaka shatral Masdjiediel haaraam; wa haisoe maa koentoem fawalloe woedjoehakoem shatrah; wa iennal lazieena oetoel Kietaaba laya'lamoena annahoel haqqoe mier Rabbiehiem; wa mal laahoe bieghaafielien 'ammaa ya'maloen
2:144 Waarlijk, Wij zagen dat jij je gezicht keert naar de hemel. Daarom zullen Wij je toewenden naar de gebedsrichting die jou behaagt. Richt je gezicht in de richting van masdjied al Haram (de heilige moskee in Mekka). En waar jullie je ook mogen bevinden richt jullie gezichten in die richting (ter aanbidding). Zonder twijfel, degenen aan wie het boek was gegeven, weten zeker dat het de waarheid van hun Heer is. Allah is bewust van datgeen wat ze doen.

وَ لَئِنۡ اَتَیۡتَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ بِکُلِّ اٰیَۃٍ مَّا تَبِعُوۡا قِبۡلَتَکَ ۚ وَ مَاۤ اَنۡتَ بِتَابِعٍ قِبۡلَتَہُمۡ ۚ وَ مَا بَعۡضُہُمۡ بِتَابِعٍ قِبۡلَۃَ بَعۡضٍ ؕ وَ لَئِنِ اتَّبَعۡتَ اَہۡوَآءَہُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَکَ مِنَ الۡعِلۡمِ ۙ اِنَّکَ اِذًا لَّمِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۵۴۱﴾
Wa la'ien ataital lazieena oetoel kietaaba biekoellie aayatiem maa tabie'oe Qieblatak; wa maaa anta bietaabie'ien Qieblatahoem; wa maa ba'doehoem bietaabie''ien Qieblata ba'd; wa la'ieniet taba'ta ahwaaa'ahoem miem ba'die maa djaaa'aka mienal 'ielmie iennaka iezal lamienaz zaaliemieen
2:145 En zelfs indien je alle tekenen geeft aan degenen aan wie het boek was gegeven, dan nog zullen ze jouw gebedsrichting niet volgen. Jij bent geen volger van hun gebedsrichting, noch zullen sommige van hen (ooit) een andere gebedsrichting volgen. En indien je hun verlangens had gevolgd, nadat de kennis tot jou is gekomen, dan zou je zeker tot de onrechtplegers behoren.

اَلَّذِیۡنَ اٰتَیۡنٰہُمُ الۡکِتٰبَ یَعۡرِفُوۡنَہٗ کَمَا یَعۡرِفُوۡنَ اَبۡنَآءَہُمۡ ؕ وَ اِنَّ فَرِیۡقًا مِّنۡہُمۡ لَیَکۡتُمُوۡنَ الۡحَقَّ وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۴۱﴾
Allazieena aatainaahoemoel kietaaba ya'riefoenahoe kamaa ya'riefoena abnaaa'ahoem wa ienna farieeqam mienhoem layaktoemoenal haqqa wa hoem ya'lamoen
2:146 Degenen aan wie Wij het boek (Thora, Indjiel) hebben gegeven, herkennen hem (Mohammed) zoals ze hun eigen zonen herkennen. Zonder twijfel, een groep onder hen verbergt de waarheid ondanks dat ze het weten.

اَلۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکَ فَلَا تَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمُمۡتَرِیۡنَ ﴿۷۴۱﴾
Alhaqqoe mier Rabbieka falaa takoenana mienal moemtarieen
2:147 De waarheid komt van jouw Heer dus twijfel niet.

وَ لِکُلٍّ وِّجۡہَۃٌ ہُوَ مُوَلِّیۡہَا فَاسۡتَبِقُوا الۡخَیۡرٰتِ ؕ؃ اَیۡنَ مَا تَکُوۡنُوۡا یَاۡتِ بِکُمُ اللّٰہُ جَمِیۡعًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۸۴۱﴾
Wa liekoelliew wiedjhatoen hoewa moewallieehaa fastabieqoel ghairaat; ayna maa takoenoe yaatie biekoemoellaahoe djamiee'aa; iennal laaha 'alaa koellie shai'ien qadieer
2:148 En voor een ieder is er een (gebedsrichting) richting waar hij zich naar toewendt. Dus haast jullie in het doen van het goede. Waar jullie je ook mogen bevinden, Allah zal jullie bij elkaar brengen (ter aanbidding). Zonder twijfel, Allah is Machtig (AL-Qadier) over elk iets.

وَ مِنۡ حَیۡثُ خَرَجۡتَ فَوَلِّ وَجۡہَکَ شَطۡرَ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ ؕ وَ اِنَّہٗ لَلۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکَ ؕ وَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۴۱﴾
Wa mien haisoe gharadjta fawallie wadjhaka shatral Masdjiediel Haraam; wa iennahoe lalhaqqoe mier Rabbiek; wa mallaahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
2:149 En waar je ook begint (ter aanbidding), keer je gezicht naar de richting van masdjied al Haram (de heilige moskee in Mekka). Het is zonder twijfel de waarheid van jouw Heer. Allah is bewust van datgeen wat jullie doen.

وَ مِنۡ حَیۡثُ خَرَجۡتَ فَوَلِّ وَجۡہَکَ شَطۡرَ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ ؕ وَ حَیۡثُ مَا کُنۡتُمۡ فَوَلُّوۡا وُجُوۡہَکُمۡ شَطۡرَہٗ ۙ لِئَلَّا یَکُوۡنَ لِلنَّاسِ عَلَیۡکُمۡ حُجَّۃٌ ٭ۙ اِلَّا الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا مِنۡہُمۡ ٭ فَلَا تَخۡشَوۡہُمۡ وَ اخۡشَوۡنِیۡ ٭ وَ لِاُتِمَّ نِعۡمَتِیۡ عَلَیۡکُمۡ وَ لَعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿۰۵۱﴾
Wa mien haisoe gharadjta fawallie wadjhaka shatral Masdjiediel Haraam; wa haisoe maa koentoem fawalloe woedjoehakoem shatrahoe lie'allaa yakoena liennaasie 'alaikoem hoedjdjatoen iellal lazieena zalamoe mienhoem falaa taghshawhoem waghshawniee wa lieoetiemma nie'matiee 'alaikoem wa la'allakoem tahtadoen
2:150 En waar je (Mohammed v.z.m.h.) ook begint (ter aanbidding), keer je gezicht naar de richting van masdjied al Haram. En waar jullie (gelovigen) je ook mogen bevinden, richt jullie gezichten naar die richting, zodat de mensen geen enkel argument tegen jullie kunnen hebben, behalve de misdadigers onder hen. Dus vrees hen niet, maar vrees Mij en gedenk dat ik Mij gunst voor jullie heb vervolmaakt, zodat jullie geleid kunnen worden.

کَمَاۤ اَرۡسَلۡنَا فِیۡکُمۡ رَسُوۡلًا مِّنۡکُمۡ یَتۡلُوۡا عَلَیۡکُمۡ اٰیٰتِنَا وَ یُزَکِّیۡکُمۡ وَ یُعَلِّمُکُمُ الۡکِتٰبَ وَ الۡحِکۡمَۃَ وَ یُعَلِّمُکُمۡ مَّا لَمۡ تَکُوۡنُوۡا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۵۱﴾
kamaaa arsalnaa fieekoem Rasoelam mien-koem yatloe 'alaikoem aayaatiena wa yoezakkieekoem wa yoe'allie moekoemoel kietaaba wal hiekmata wa yoe'alliemoekoem maa lam takoenoe ta'lamoen
2:151 Net als (de gunst dat) Wij een Boodschapper uit jullie (eigen volk) voor jullie stuurde. Die Onze verzen voorleest, die jullie reinigt, die jullie het boek, en de wijsheid (de soennah) onderwijst. En hij onderwijst jullie wat jullie niet wisten.

فَاذۡکُرُوۡنِیۡۤ اَذۡکُرۡکُمۡ وَ اشۡکُرُوۡا لِیۡ وَ لَا تَکۡفُرُوۡنِ ﴿۲۵۱﴾
Fazkoeroenieee azkoerkoem washkoeroe liee wa laa takfoeroen
2:152 Dus gedenk Mij en Ik zal jullie gedenken. En wees Mij dankbaar en wees niet ondankbaar tegen Mij.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اسۡتَعِیۡنُوۡا بِالصَّبۡرِ وَ الصَّلٰوۃِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ مَعَ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۳۵۱﴾
Yaaa ayyoehal laazieena aamanoes ta'ieenoe biessabrie was Salaah; iennal laaha ma'as-saabierieen
2:153 O jullie die geloven, zoek hulp door middel van geduld en de "salaat" (contact maken met Allah, het gebed). Voorzeker, Allah is met de geduldige.

وَ لَا تَقُوۡلُوۡا لِمَنۡ یُّقۡتَلُ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ اَمۡوَاتٌ ؕ بَلۡ اَحۡیَآءٌ وَّ لٰکِنۡ لَّا تَشۡعُرُوۡنَ ﴿۴۵۱﴾
Wa laa taqoeloe liemay yoeqtaloe fiee sabieeliel laahie amwaat; bal ahyaaa'oew wa laakiel laa tash'oeroen
2:154 En zeg niet over degenen die zijn gedood (op het slagveld) op de weg van Allah: "Ze zijn dood". Nee, ze zijn levend, maar jullie kunnen het niet waarnemen.

وَ لَنَبۡلُوَنَّکُمۡ بِشَیۡءٍ مِّنَ الۡخَوۡفِ وَ الۡجُوۡعِ وَ نَقۡصٍ مِّنَ الۡاَمۡوَالِ وَ الۡاَنۡفُسِ وَ الثَّمَرٰتِ ؕ وَ بَشِّرِ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۵۵۱﴾
Wa lanabloe wannakoem bieshai'iem mienal ghawfie waldjoe'ie wa naqsiem mienal amwaalie wal anfoesie was samaraat; wa bashshieries saabierieen
2:155 En Wij zullen jullie zeker beproeven met iets van vrees, honger, met het verlies van rijkdom, levens en vruchten. Maar geef het goede nieuws aan de geduldigen.

الَّذِیۡنَ اِذَاۤ اَصَابَتۡہُمۡ مُّصِیۡبَۃٌ ۙ قَالُوۡۤا اِنَّا لِلّٰہِ وَ اِنَّاۤ اِلَیۡہِ رٰجِعُوۡنَ ﴿۶۵۱﴾
Allazieena iezaaa asaabathoem moesieebatoen qaaloeo iennaa liellaahie wa iennaaa ielaihie raadjie'oen
2:156 (Dit zijn) degenen die zeggen, wanneer een tegenspoed hen treft: (Inna lillahi wa inna ilaihi radji'oen) "Zonder twijfel, we behoren tot Allah en tot Hem zullen we zeker terugkeren".

اُولٰٓئِکَ عَلَیۡہِمۡ صَلَوٰتٌ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ وَ رَحۡمَۃٌ ۟ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُہۡتَدُوۡنَ ﴿۷۵۱﴾
Oelaaa'ieka 'alaihiem salawaatoen mier Rabbiehiem wa rahma; wa oelaaa'ieka hoemoel moehtadoen
2:157 Op hen rusten de zegeningen en de genade van hun Heer. En zij zijn degenen die rechtgeleid zijn.

اِنَّ الصَّفَا وَ الۡمَرۡوَۃَ مِنۡ شَعَآئِرِ اللّٰہِ ۚ فَمَنۡ حَجَّ الۡبَیۡتَ اَوِ اعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡہِ اَنۡ یَّطَّوَّفَ بِہِمَا ؕ وَ مَنۡ تَطَوَّعَ خَیۡرًا ۙ فَاِنَّ اللّٰہَ شَاکِرٌ عَلِیۡمٌ ﴿۸۵۱﴾
Innas Safaa wal-Marwata mien sha'aaa'ieriel laahie faman hadjdjal Baita awie'tamara falaa djoenaaha 'alaihie ay yattawwafa biehiemaa; wa man tatawwa'a ghairan fa iennal laaha Shaakieroen'Alieem
2:158 Voorzeker, de "Safa" en de "Marwah" behoren tot de rituelen die toegewezen zijn door Allah. Wie dus de Hadj of de Oemrah verricht bij het huis (de Kabah), er rust geen schuld op hem als hij tussen beide loopt. En wie vrijwillig goed doet, voorzeker Allah is As-Shakoer (de meest Waderende), Al-Aliem (de Alwetende).

اِنَّ الَّذِیۡنَ یَکۡتُمُوۡنَ مَاۤ اَنۡزَلۡنَا مِنَ الۡبَیِّنٰتِ وَ الۡہُدٰی مِنۡۢ بَعۡدِ مَا بَیَّنّٰہُ لِلنَّاسِ فِی الۡکِتٰبِ ۙ اُولٰٓئِکَ یَلۡعَنُہُمُ اللّٰہُ وَ یَلۡعَنُہُمُ اللّٰعِنُوۡنَ ﴿۹۵۱﴾
Innal lazieena yaktoemoena maaa anzalnaa mienal baiyienaatie walhoedaa miem ba'die maa baiyannaahoe liennaasie fiel kietaabie oelaaa'ieka yal'anoehoemoel laahoe wa yal'anoehoemoel laa 'ienoen
2:159 Zonder twijfel, degenen die de duidelijke bewijzen en de leiding die Wij hebben geopenbaard verbergen, nadat Wij het duidelijk hebben gemaakt in het boek voor de mensen, worden vervloekt door Allah en door degenen die vloeken.(Notitie: de vloek van Allah betekent het ver verwijderd zijn van de genade van Allah. Iemand die vervloek is door Allah, zoals de satan, kan niet dicht bij Allah zijn. Er wacht een zware straf en vernedering voor hem.)

اِلَّا الَّذِیۡنَ تَابُوۡا وَ اَصۡلَحُوۡا وَ بَیَّنُوۡا فَاُولٰٓئِکَ اَتُوۡبُ عَلَیۡہِمۡ ۚ وَ اَنَا التَّوَّابُ الرَّحِیۡمُ ﴿۰۶۱﴾
Illal lazieena taaboe wa aslahoe wa baiyanoe fa oelaaa'ieka atoeboe 'alaihiem; wa Anat Tawwaaboer Rahieem
2:160 Behalve degenen die berouw hebben, zich verbeteren en openlijk de waarheid verkondigen. Van deze zal Ik het berouw accepteren. Ik ben At-Tawwab (de berouw Accepterende), Ar-Rahiem (meest Barmhartig voor de gelovigen).

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ مَاتُوۡا وَ ہُمۡ کُفَّارٌ اُولٰٓئِکَ عَلَیۡہِمۡ لَعۡنَۃُ اللّٰہِ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃِ وَ النَّاسِ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۶۱﴾
Innal lazieena kafaroe wamaa toe wa hoem koeffaaroen oelaaa'ieka 'alaihiem la 'natoel laahie walmalaa'iekatie wannaasie adjma'ieen
2:161 Zonder twijfel, degenen die niet geloofden en stierven terwijl ze ongelovig waren, op hen rust de vloek van Allah, van de engelen en van de gehele mensheid.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ۚ لَا یُخَفَّفُ عَنۡہُمُ الۡعَذَابُ وَ لَا ہُمۡ یُنۡظَرُوۡنَ ﴿۲۶۱﴾
ghaaliedieena fieeha laa yoeghaffafoe 'anhoemoel 'azaaboe wa laa hoem yoenzaroen
2:162 Zij zullen daarin voor altijd vertoeven. De straf zal niet voor hen verlicht worden, noch zal er voor hen uitstel verleend worden.

وَ اِلٰـہُکُمۡ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ۚ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ الرَّحۡمٰنُ الرَّحِیۡمُ ﴿۳۶۱﴾
Wa ielaahoekoem iellaahoew waahied, laaa ielaaha iellaa Hoewar Rahmaanoer Rahieem
2:163 En jullie 'Ilahi' (deïteit/godheid) is één deïteit/godheid. Er is geen (andere) godheid/deïteit dan Hem, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige voor iedereen, zie 1:3), Ar-Rahiem (de meest Barmhartige voor de gelovigen).

اِنَّ فِیۡ خَلۡقِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ اخۡتِلَافِ الَّیۡلِ وَ النَّہَارِ وَ الۡفُلۡکِ الَّتِیۡ تَجۡرِیۡ فِی الۡبَحۡرِ بِمَا یَنۡفَعُ النَّاسَ وَ مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ مِنَ السَّمَآءِ مِنۡ مَّآءٍ فَاَحۡیَا بِہِ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِہَا وَ بَثَّ فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ دَآبَّۃٍ ۪ وَّ تَصۡرِیۡفِ الرِّیٰحِ وَ السَّحَابِ الۡمُسَخَّرِ بَیۡنَ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّعۡقِلُوۡنَ ﴿۴۶۱﴾
Inna fiee ghalqies samaawaatie wal ardie waghtielaafiel lailie wannahaarie walfoelkiel latiee tadjriee fiel bahrie biemaa yanfa'oennaasa wa maaa anzalal laahoe mienas samaaa'ie miem maaa'ien fa ahyaa biehiel arda ba'da mawtiehaa wa bas sa fieehaa mien koellie daaabbatiew wa tasrieefier rieyaahie wassahaabiel moesaghgharie bainas samaaa'ie wal ardie la aayaatiel lieqawmiey ya'qieloen
2:164 Zonder twijfel, in de schepping van de hemelen en de aarde, in de afwisseling van nacht en dag, in de schepen die op zee varen waarvan de mensen voordeel van hebben, in het water wat Allah neerzendt vanuit de hemel, wat leven geeft aan de aarde na haar dood, in de verspreiding van elke bewegend wezen erop (de aarde), en in de veranderingen van winden en wolken, die onderworpen zijn tussen de hemel en de aarde, (daarin) zijn duidelijke tekenen voor een volk dat zijn verstand gebruikt.

وَ مِنَ النَّاسِ مَنۡ یَّتَّخِذُ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَنۡدَادًا یُّحِبُّوۡنَہُمۡ کَحُبِّ اللّٰہِ ؕ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَشَدُّ حُبًّا لِّلّٰہِ ؕوَ لَوۡ یَرَی الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡۤا اِذۡ یَرَوۡنَ الۡعَذَابَ ۙ اَنَّ الۡقُوَّۃَ لِلّٰہِ جَمِیۡعًا ۙ وَّ اَنَّ اللّٰہَ شَدِیۡدُ الۡعَذَابِ ﴿۵۶۱﴾
Wa mienan naasie may yattaghiezoe mien doeniel laahie andaaday yoehiebboenahoem kahoebbiel laahie wallazieena aamanoeo ashaddoe hoebbal liellah; wa law yaral lazieena zalamoe iez yarawnal 'azaaba annal qoewwata liellaahie djamiee'aw wa annallaaha shadieedoel 'azaab
2:165 En van de mensheid die deelgenoten aan Allah toekennen, ze houden van de afgoden zoals ze van Allah moeten houden. Maar degene die geloven zijn sterker in het houden van Allah. En als de onrechtvaardigen (het moment) zouden kunnen zien, wanneer ze de straf zullen zien, (dan zouden ze weten) dat alle macht aan Allah toebehoort en dat Allah streng is in het straffen.

اِذۡ تَبَرَّاَ الَّذِیۡنَ اتُّبِعُوۡا مِنَ الَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡا وَ رَاَوُا الۡعَذَابَ وَ تَقَطَّعَتۡ بِہِمُ الۡاَسۡبَابُ ﴿۶۶۱﴾
Iz tabarra al lazieenat toebie'oe mienal lazieenattaba'oe wa ra awoel 'azaaba wa taqatta'at biehiemoel asbaab
2:166 (Op de dag) wanneer degenen die gevolgd werden (de leiders, afgoden, etc.) zich afstoten van de volgelingen, zullen ze de straf zien, en alle relaties tussen hen zullen worden verbroken.

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ اتَّبَعُوۡا لَوۡ اَنَّ لَنَا کَرَّۃً فَنَتَبَرَّاَ مِنۡہُمۡ کَمَا تَبَرَّءُوۡا مِنَّا ؕ کَذٰلِکَ یُرِیۡہِمُ اللّٰہُ اَعۡمَالَہُمۡ حَسَرٰتٍ عَلَیۡہِمۡ ؕ وَ مَا ہُمۡ بِخٰرِجِیۡنَ مِنَ النَّارِ ﴿۷۶۱﴾
Wa qaalal lazieenat taba'oe law anna lanaa karratan fanatabarra a mienhoem kamaa tabarra'oe miennaa; kazaalieka yoerieehiemoellaahoe a'maalahoem hasaraatien 'alaihiem wa maa hoem bieghaariedjieena mienan Naar
2:167 En de volgelingen zullen zeggen: "Was er maar voor ons een terugkeer, dan zullen wij jullie verstoten zoals jullie afstand van ons genomen hebben." Zo zal Allah hen, hun daden laten ervaren als het hebben van spijt. En ze zullen het vuur niet verlaten.

یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ کُلُوۡا مِمَّا فِی الۡاَرۡضِ حَلٰلًا طَیِّبًا ۫ۖ وَّ لَا تَتَّبِعُوۡا خُطُوٰتِ الشَّیۡطٰنِ ؕ اِنَّہٗ لَکُمۡ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۸۶۱﴾
Yaaa ayyoehan naasoe koeloe miemmaa fiel ardie halaalan taiyiebaw wa laa tattabie'oe ghoetoe waatiesh Shaitaan; iennahoe lakoem 'adoewwoem moebieen
2:168 O mensheid, eet het toegestane en het goede van wat op de aarde is. En volgt de voetstappen van de satan niet. Voorzeker, hij is voor jullie een duidelijke vijand.

اِنَّمَا یَاۡمُرُکُمۡ بِالسُّوۡٓءِ وَ الۡفَحۡشَآءِ وَ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۹۶۱﴾
Innamaa yaamoeroekoem biessoeo'ie walfahshaaa'ie wa an taqoeloe alal laahie maa laa ta'lamoen
2:169 Voorzeker, hij beveelt jullie alleen maar om het kwade en de zedeloosheid te begaan. En dat jullie iets over Allah zeggen wat jullie niet weten.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمُ اتَّبِعُوۡا مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ قَالُوۡا بَلۡ نَتَّبِعُ مَاۤ اَلۡفَیۡنَا عَلَیۡہِ اٰبَآءَنَا ؕ اَوَ لَوۡ کَانَ اٰبَآؤُہُمۡ لَا یَعۡقِلُوۡنَ شَیۡئًا وَّ لَا یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۰۷۱﴾
Wa iezaa qieela lahoemoettabie'oe maaa anzalal laahoe qaaloe bal nattabie'oe maaa alfainaa 'alaihie aabaaa'anaaa; awalaw kaana aabaaa'oehoem laa ya'qieloena shai'aw wa laa yahtadoen
2:170 En als er tot hen wordt gezegd: "Volg wat Allah heeft geopenbaard", dan zeggen ze: "Nee, wij volgen datgeen wat wij bij onze voorvaders gevonden hebben." Ondanks dat hun voorvaders niets begrepen en niet werden geleid (naar het rechte pad).

وَ مَثَلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا کَمَثَلِ الَّذِیۡ یَنۡعِقُ بِمَا لَا یَسۡمَعُ اِلَّا دُعَآءً وَّ نِدَآءً ؕ صُمٌّۢ بُکۡمٌ عُمۡیٌ فَہُمۡ لَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۷۱﴾
Wa masaloel lazieena kafaroe kamasaliel laziee yan'ieqoe biemaa laa yasma'oe iellaa doe'aaa'aw wa niedaaa'aa; soemmoem boekmoen 'oemyoen fahoem laa ya'qieloen
2:171 En de gelijkenis van de ongelovigen is als de gelijkenis van iets (bijvoorbeeld een dier) waar iemand naar schreeuwt, maar niet luistert, behalve naar (het geluid van) een roep of een kreet. Doof, stom, en blind zijn zij, daarom zullen ze niet begrijpen.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ وَ اشۡکُرُوۡا لِلّٰہِ اِنۡ کُنۡتُمۡ اِیَّاہُ تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۲۷۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe koeloe mien taiyiebaatie maa razaqnaakoem washkoeroe liellaahie ien koentoem ieyyaahoe ta'boedoen
2:172 O jullie die geloven, eet van het goede van wat Wij jullie voorzien hebben. En wees dankbaar tot Allah als jullie hem alleen (zuiver) aanbidden.

اِنَّمَا حَرَّمَ عَلَیۡکُمُ الۡمَیۡتَۃَ وَ الدَّمَ وَ لَحۡمَ الۡخِنۡزِیۡرِ وَ مَاۤ اُہِلَّ بِہٖ لِغَیۡرِ اللّٰہِ ۚ فَمَنِ اضۡطُرَّ غَیۡرَ بَاغٍ وَّ لَا عَادٍ فَلَاۤ اِثۡمَ عَلَیۡہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۳۷۱﴾
Innamaa harrama 'alaikoemoel maitata waddama wa lahmal ghienzieerie wa maaa oehiella biehiee lieghairiel laahie famanied toerra ghaira baaghiew wa laa 'aadien falaaa iesma 'alaih; iennal laaha Ghafoeroer Rahieem
2:173 Hij heeft alleen maar de dode dieren, het bloed, het varkensvlees en wat toegewijd is aan iets naast Allah verboden voor jullie verklaard. Wie gedwongen wordt door noodzaak zonder ongehoorzaam te zijn en te overtreden, dan rust er geen zonde op hem. Voorzeker, Allah is Meest Vergevensgezind, Meest Barmhartig.

اِنَّ الَّذِیۡنَ یَکۡتُمُوۡنَ مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ مِنَ الۡکِتٰبِ وَ یَشۡتَرُوۡنَ بِہٖ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ۙ اُولٰٓئِکَ مَا یَاۡکُلُوۡنَ فِیۡ بُطُوۡنِہِمۡ اِلَّا النَّارَ وَ لَا یُکَلِّمُہُمُ اللّٰہُ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وَ لَا یُزَکِّیۡہِمۡ ۚۖ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۴۷۱﴾
Innal lazieena yaktoemoena maaa anzalal laahoe mienal kietaabie wa yashtaroena biehiee samanan qalieelan oelaaa'ieka maa yaakoeloena fiee boetoeniehiem iellan Naara wa laa yoekalliemoe hoemoel laahoe Yawmal Qieyaamatie wa laa yoezakkieehiem wa lahoem 'azaaboen alieem
2:174 Voorzeker, zij die verbergen van wat Allah geopenbaard heeft van het Boek, en ze kopen daarmee een kleine winst, zij vullen hun buiken alleen met vuur. En Allah zal niet tot hem spreken op de dag des oordeels, noch zal Hij hen zuiveren. En voor hen is er een pijnlijke straf.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ اشۡتَرَوُا الضَّلٰلَۃَ بِالۡہُدٰی وَ الۡعَذَابَ بِالۡمَغۡفِرَۃِ ۚ فَمَاۤ اَصۡبَرَہُمۡ عَلَی النَّارِ ﴿۵۷۱﴾
Oelaaa'iekal lazieenash tarawoed dalaalata bielhoedaa wal'azaaba bielmaghfierah; famaaa asbarahoem 'alan Naar
2:175 Zij zijn degenen die de dwaling hebben gekocht in plaats van de leiding en de straf in plaats van de vergiffenis (van Allah). Kijk hun geduld voor het vuur!

ذٰلِکَ بِاَنَّ اللّٰہَ نَزَّلَ الۡکِتٰبَ بِالۡحَقِّ ؕ وَ اِنَّ الَّذِیۡنَ اخۡتَلَفُوۡا فِی الۡکِتٰبِ لَفِیۡ شِقَاقٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۶۷۱﴾
Zaalieka bie annal laaha nazzalal kietaaba bielhaqq; wa iennal lazieenagh talafoe fiel kietaabie lafiee shieqaaqiem ba'ieed
2:176 Dat is omdat Allah het Boek geopenbaard heeft met de waarheid. En voorzeker, degene die verschillen in het Schrift verkeren in diepgaand conflict (met elkaar).

لَیۡسَ الۡبِرَّ اَنۡ تُوَلُّوۡا وُجُوۡہَکُمۡ قِبَلَ الۡمَشۡرِقِ وَ الۡمَغۡرِبِ وَ لٰکِنَّ الۡبِرَّ مَنۡ اٰمَنَ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃِ وَ الۡکِتٰبِ وَ النَّبِیّٖنَ ۚ وَ اٰتَی الۡمَالَ عَلٰی حُبِّہٖ ذَوِی الۡقُرۡبٰی وَ الۡیَتٰمٰی وَ الۡمَسٰکِیۡنَ وَ ابۡنَ السَّبِیۡلِ ۙ وَ السَّآئِلِیۡنَ وَ فِی الرِّقَابِ ۚ وَ اَقَامَ الصَّلٰوۃَ وَ اٰتَی الزَّکٰوۃَ ۚ وَ الۡمُوۡفُوۡنَ بِعَہۡدِہِمۡ اِذَا عٰہَدُوۡا ۚ وَ الصّٰبِرِیۡنَ فِی الۡبَاۡسَآءِ وَ الضَّرَّآءِ وَ حِیۡنَ الۡبَاۡسِ ؕ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ صَدَقُوۡا ؕ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُتَّقُوۡنَ ﴿۷۷۱﴾
Laisal bierra an toewalloe woedjoehakoem qiebalal mashrieqie walmaghriebie wa laakiennal bierra man aamana biellaahie wal yawmiel aaghierie wal malaaa 'iekatie wal kietaabie wan nabieyyieena wa aatalmaala 'alaa hoebbiehiee zawielqoerbaa walyataa maa walmasaakieena wabnas sabieelie wassaaa'ielieena wa fierrieqaabie wa aqaamas salaata wa aataz zakaata walmoefoena bie ahdiehiem iezaa 'aahadoe wasaabierieena fiel baasaaa'ie waddarraaa'ie wa hieenal baas; oelaaa'iekal lazieena sadaqoe wa oelaaa 'ieka hoemoel moettaqoen
2:177 Het is geen deugd dat jullie je gezichten naar het oosten en westen keren, maar goedheid is hij die in Allah, in de laatste dag, in de engelen, in de (heilige) Boek en in de profeten gelooft. En (daarbij) van zijn rijkdom weggeeft ,ondanks dat hij het lief heeft, aan zijn dichtstbijzijnde familieleden, aan de wezen, aan de armen, aan de reiziger, aan de bedelaars, en het gebruikt voor het vrijkopen van de slaven. En (daarnaast) het gebed verricht, en aan het verbond (belofte) houdt wanneer ze het aangaan. En die geduldig zijn tijdens het lijden of in tegenspoed of in tijden van spanningen. Dit zijn degenen die oprecht zijn en zij zijn de goedheid (henzelf).

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا کُتِبَ عَلَیۡکُمُ الۡقِصَاصُ فِی الۡقَتۡلٰی ؕ اَلۡحُرُّ بِالۡحُرِّ وَ الۡعَبۡدُ بِالۡعَبۡدِ وَ الۡاُنۡثٰی بِالۡاُنۡثٰی ؕ فَمَنۡ عُفِیَ لَہٗ مِنۡ اَخِیۡہِ شَیۡءٌ فَاتِّبَاعٌۢ بِالۡمَعۡرُوۡفِ وَ اَدَآءٌ اِلَیۡہِ بِاِحۡسَانٍ ؕ ذٰلِکَ تَخۡفِیۡفٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ رَحۡمَۃٌ ؕ فَمَنِ اعۡتَدٰی بَعۡدَ ذٰلِکَ فَلَہٗ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۸۷۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe koetieba alaikoemoel qiesaasoe fiel qatlaa alhoerroe bielhoerrie wal'abdoe biel'abdie wal oensaa biel oensaa; faman 'oefieya lahoe mien aghieehie shai'oen fattiebaa'oem bielma'roefie wa adaaa'oen ielaihie bie iehsaan; zaalieka taghfieefoem mier rabiekoem wa rahmah; famanie' tadaa ba'da zaalieka falahoe 'azaaboen alieem
2:178 O gelovigen, de Qisas (de juridische wetten van gelijkheid in vergelding) in de zaak van moord is jullie verplicht gesteld; de vrije man voor de vrije man, de slaaf voor de slaaf, en de vrouw voor de vrouw. Maar wie kwijtschelding krijgt van zijn broeder, compenseer het (de daad van kwijtschelding) voor hem door een gedefinieerd betaling (diya) die gedaan moet worden op een vriendelijke manier. Dit is een gemoedsrust en barmhartigheid (voor jullie) van jullie Heer. En voor degene die het daarna (na het accepteren van het bloedgeld) overtreedt (de veroordeelde toch doodt) is er een pijnlijke straf.

وَ لَکُمۡ فِی الۡقِصَاصِ حَیٰوۃٌ یّٰۤاُولِی الۡاَلۡبَابِ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۹۷۱﴾
Wa lakoem fiel qiesaasie hayaatoey yaaa oeliel albaabie la 'allakoem tattaqoen
2:179 En in de Qisas (de juridische wetten van gelijkheid in vergelding) is er leven voor jullie. O bezitters van verstand, (volg het) zodat jullie rechtvaardig kunnen worden.

کُتِبَ عَلَیۡکُمۡ اِذَا حَضَرَ اَحَدَکُمُ الۡمَوۡتُ اِنۡ تَرَکَ خَیۡرَۨا ۚۖ الۡوَصِیَّۃُ لِلۡوَالِدَیۡنِ وَ الۡاَقۡرَبِیۡنَ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ۚ حَقًّا عَلَی الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۰۸۱﴾
Koetieba 'alaikoem iezaa hadara ahadakoemoel mawtoe ien taraka ghairaniel wasieyyatoe lielwaaliedainie wal aqrabieena bielma'roefie haqqan 'alalmoet taqieen
2:180 Voorgeschreven voor jullie is dat wanneer de dood een van jullie nadert en hij bezit nalaat, het testament voor de ouders en naaste familieleden gemaakt moet worden. Dit (moet gedaan worden) met de nodige eerlijkheid. Dit is een plicht voor de rechtvaardigen.

فَمَنۡۢ بَدَّلَہٗ بَعۡدَ مَا سَمِعَہٗ فَاِنَّمَاۤ اِثۡمُہٗ عَلَی الَّذِیۡنَ یُبَدِّلُوۡنَہٗ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۱۸۱﴾
Famam baddalahoe ba'da maa samie'ahoe fa iennamaaa iesmoehoe 'alallazieena yoebaddie loenah; iennallaha Samiee'oen 'Alieem
2:181 Wie dan het (testament) verandert nadat hij het heeft gehoord; de zonde rust alleen op hen die het veranderen. Voorzeker, Allah is Al-horend, Al-wetend.

فَمَنۡ خَافَ مِنۡ مُّوۡصٍ جَنَفًا اَوۡ اِثۡمًا فَاَصۡلَحَ بَیۡنَہُمۡ فَلَاۤ اِثۡمَ عَلَیۡہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۲۸۱﴾
Faman ghaafa miem moesien djanafan aw iesman fa aslaha bainahoem falaaa iesmaa 'alayh; iennal laaha Ghafoeroer Rahieem
2:182 Maar wie een fout of een zonde vreest van de erflater en daarna verzoening tussen hen teweeg brengt, dan rust er geen zonde op hem. Allah is Vergevensgezind, meest Barmhartig.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا کُتِبَ عَلَیۡکُمُ الصِّیَامُ کَمَا کُتِبَ عَلَی الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۳۸۱﴾
Yaa ayyoehal lazieena aamanoe koetieba 'alaikoemoes Sieyaamoe kamaa koetieba 'alal lazieena mien qabliekoem la'allakoem tattaqoen
2:183 O gelovigen, het vasten is voor jullie verplicht gesteld, zoals het ook verplicht was gesteld aan degenen voor jullie. Zodat jullie rechtvaardig kunnen worden.

اَیَّامًا مَّعۡدُوۡدٰتٍ ؕ فَمَنۡ کَانَ مِنۡکُمۡ مَّرِیۡضًا اَوۡ عَلٰی سَفَرٍ فَعِدَّۃٌ مِّنۡ اَیَّامٍ اُخَرَ ؕ وَ عَلَی الَّذِیۡنَ یُطِیۡقُوۡنَہٗ فِدۡیَۃٌ طَعَامُ مِسۡکِیۡنٍ ؕ فَمَنۡ تَطَوَّعَ خَیۡرًا فَہُوَ خَیۡرٌ لَّہٗ ؕ وَ اَنۡ تَصُوۡمُوۡا خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۴۸۱﴾
Ayyaamam ma'doedaat; faman kaana mien-koem marieedan aw'alaa safarien fa'ieddatoem mien ayyaamien oeghar; wa 'alal lazieena yoetieeqoenahoe fiedyatoen ta'aamoe mieskieenien faman tatawwa'a ghairan fahoewa ghairoel lahoe wa an tasoemoe ghairoel lakoem ien koentoem ta'lamoen
2:184 Vast gedurende een aantal dagen. Wie van jullie ziek of op reis is, haal het aantal (gemiste dagen van het vasten) in op andere dagen. Voor degene die in staat zijn (om te vasten en niet kiezen om te vasten) is er een afkoopsom van (het betalen van) de voedsel van een arme. En het is beter voor hem als hij vrijwillig goede daden (het voeden van meerdere armen) verricht. Maar het vasten is beter voor jullie als jullie het weten.

شَہۡرُ رَمَضَانَ الَّذِیۡۤ اُنۡزِلَ فِیۡہِ الۡقُرۡاٰنُ ہُدًی لِّلنَّاسِ وَ بَیِّنٰتٍ مِّنَ الۡہُدٰی وَ الۡفُرۡقَانِ ۚ فَمَنۡ شَہِدَ مِنۡکُمُ الشَّہۡرَ فَلۡیَصُمۡہُ ؕ وَ مَنۡ کَانَ مَرِیۡضًا اَوۡ عَلٰی سَفَرٍ فَعِدَّۃٌ مِّنۡ اَیَّامٍ اُخَرَ ؕ یُرِیۡدُ اللّٰہُ بِکُمُ الۡیُسۡرَ وَ لَا یُرِیۡدُ بِکُمُ الۡعُسۡرَ ۫ وَ لِتُکۡمِلُوا الۡعِدَّۃَ وَ لِتُکَبِّرُوا اللّٰہَ عَلٰی مَا ہَدٰىکُمۡ وَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۵۸۱﴾
Shahroe Ramadaanallazieee oenziela fieehiel Qoer'aanoe hoedal liennaasie wa baiyienaatiem mienal hoedaa wal foerqaan; faman shahieda mien-koemoesh shahra falyasoemhoe wa man kaana marieedan aw 'alaa safarien fa'ieddatoem mien ayyaamien oeghar; yoerieedoel laahoe biekoemoel yoesra wa laa yoerieedoe biekoemoel 'oesra wa lietoekmieloel 'ieddata wa lietoekabbieroel laaha 'alaa maa hadaakoem wa la'allakoem tashkoeroen
2:185 De maand Ramadan is (de maand) waarin de Koran is geopenbaard. Het is een Leiding voor de mensheid en bevat duidelijke bewijzen van deze Leiding en de Foerqan (het onderscheid tussen goed en kwaad). Dus wie een getuige is van deze maand moet vasten. En Wie ziek of op reis is, haal het aantal (gemiste dagen) in op andere dagen. Allah wil het voor jullie makkelijk maken en niet moeilijk, zodat jullie de voorgeschreven periode compleet kan maken. En (Allah wil) dat jullie Allah verheerlijken omdat Hij jullie geleid heeft zodat jullie dankbaar kunnen zijn.

وَ اِذَا سَاَلَکَ عِبَادِیۡ عَنِّیۡ فَاِنِّیۡ قَرِیۡبٌ ؕ اُجِیۡبُ دَعۡوَۃَ الدَّاعِ اِذَا دَعَانِ ۙ فَلۡیَسۡتَجِیۡبُوۡا لِیۡ وَ لۡیُؤۡمِنُوۡا بِیۡ لَعَلَّہُمۡ یَرۡشُدُوۡنَ ﴿۶۸۱﴾
Wa iezaa sa alaka 'iebaadiee 'annniee fa ienniee qarieeboen oedjieeboe da'wataddaa'ie iezaa da'aanie falyastadjieeboe liee wal yoe'mienoe biee la'allahoem yarshoedoen
2:186 En wanneer Mijn dienaren jou vragen over Mij; Ik ben dichtbij. Ik beantwoord het smeekgebed van de smekeling wanneer hij Mij roept. Dus laat hen Mij aanroepen en in Mij geloven, zodat ze juist geleid kunnen worden.

اُحِلَّ لَکُمۡ لَیۡلَۃَ الصِّیَامِ الرَّفَثُ اِلٰی نِسَآئِکُمۡ ؕ ہُنَّ لِبَاسٌ لَّکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ لِبَاسٌ لَّہُنَّ ؕ عَلِمَ اللّٰہُ اَنَّکُمۡ کُنۡتُمۡ تَخۡتَانُوۡنَ اَنۡفُسَکُمۡ فَتَابَ عَلَیۡکُمۡ وَ عَفَا عَنۡکُمۡ ۚ فَالۡـٰٔنَ بَاشِرُوۡہُنَّ وَ ابۡتَغُوۡا مَا کَتَبَ اللّٰہُ لَکُمۡ ۪ وَ کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا حَتّٰی یَتَبَیَّنَ لَکُمُ الۡخَیۡطُ الۡاَبۡیَضُ مِنَ الۡخَیۡطِ الۡاَسۡوَدِ مِنَ الۡفَجۡرِ۪ ثُمَّ اَتِمُّوا الصِّیَامَ اِلَی الَّیۡلِ ۚ وَ لَا تُبَاشِرُوۡہُنَّ وَ اَنۡتُمۡ عٰکِفُوۡنَ ۙ فِی الۡمَسٰجِدِ ؕ تِلۡکَ حُدُوۡدُ اللّٰہِ فَلَا تَقۡرَبُوۡہَا ؕ کَذٰلِکَ یُبَیِّنُ اللّٰہُ اٰیٰتِہٖ لِلنَّاسِ لَعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ ﴿۷۸۱﴾
Oehiella lakoem laylatas Sieyaamier rafasoe ielaa niesaaa'iekoem; hoenna liebaasoellakoem wa antoem liebaasoellahoenn; 'aliemal laahoe annakoem koentoem taghtaanoena anfoesakoem fataaba 'alaikoem wa 'afaa 'an-koem fal'aana baashieroe hoenna wabtaghoe maa katabal laahoe lakoem; wa koeloe washraboe hattaa yatabaiyana lakoemoel ghaitoel abyadoe mienal ghaitiel aswadie mienal fadjrie soemma atiemmoes Sieyaama ielal layl; wa laa toebaashieroe hoenna wa antoem 'aakiefoena fiel masaadjied; tielka hoedoedoel laahie falaa taqraboehaa; kazaalieka yoebaiyienoel laahoe aayaatiehiee liennaasie la'allahoem yattaqoen
2:187 In de nachten van het vasten is het toegestaan om jullie vrouwen te benaderen. Zij zijn gewaad voor jullie en jullie zijn gewaad voor hen. Allah weet dat jullie jezelf bedriegen. Daarom heeft Hij zich naar jullie toe gewend (door de last te verwijderen) en Hij heeft jullie vergeven. Heb nu gemeenschap met hen en streef naar wat Allah wettig heeft verklaard. En eet en drink totdat de witte draad en de zwarte draad van de ochtendschemering voor jullie te onderscheiden is. Voltooi het vasten tot de nacht. En heb geen gemeenschap met hen (vrouwen) wanneer jullie de I'tikaf verrichten in de moskeeën. Dit zijn de grenzen bepaald door Allah, dus nadert deze (grenzen) niet. Allah maakt zijn verzen duidelijk voor de mensen, zodat ze rechtvaardig kunnen worden.

وَ لَا تَاۡکُلُوۡۤا اَمۡوَالَکُمۡ بَیۡنَکُمۡ بِالۡبَاطِلِ وَ تُدۡلُوۡا بِہَاۤ اِلَی الۡحُکَّامِ لِتَاۡکُلُوۡا فَرِیۡقًا مِّنۡ اَمۡوَالِ النَّاسِ بِالۡاِثۡمِ وَ اَنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۸۱﴾
Wa laa taakoeloe amwaalakoem bainakoem bielbaatielie wa toedloe biehaaa ielal hoekkaamie lietaakoeloe farieeqam mien amwaalien naasie biel iesmie wa antoem ta'lamoen
2:188 En eet niet op een onrechtvaardige manier van elkaars eigendommen. En breng het niet naar de macht hebbende (rechters, leiders en andere autoriteiten) zodat een deel van het bezit op een zondige wijze gegeten kan worden, terwijl jullie het weten (dat het niet aan jullie toebehoord).

یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡاَہِلَّۃِ ؕ قُلۡ ہِیَ مَوَاقِیۡتُ لِلنَّاسِ وَ الۡحَجِّ ؕ وَ لَیۡسَ الۡبِرُّ بِاَنۡ تَاۡتُوا الۡبُیُوۡتَ مِنۡ ظُہُوۡرِہَا وَ لٰکِنَّ الۡبِرَّ مَنِ اتَّقٰیۚ وَ اۡتُوا الۡبُیُوۡتَ مِنۡ اَبۡوَابِہَا ۪ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تُفۡلِحُوۡنَ ﴿۹۸۱﴾
Yas'aloenaka 'aniel ahiellatie qoel hieya mawaaqieetoe liennaasie wal Hadjdj; wa laisal bierroe bie an ta'toel boeyoeta mien zoehoeriehaa wa laakiennal bierra maniet taqaa; wa'toel boeyoeta mien abwaa biehaa; wattaqoellaaha la'allakoem toefliehoen
2:189 Ze vragen jou (Mohammed) over de nieuwe manen, zeg: "Zij zijn tekenen (voor het berekenen) van periodes voor de mensen en (voor het vaststellen van) de Hadj. En het is geen deugd dat jullie de huizen betreden vanaf de achterkant, maar de goedheid is degene die Allah vreest en de huizen via de deuren betreedt. En vreest Allah, zodat jullie succesvol kunnen zijn.

وَ قَاتِلُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ الَّذِیۡنَ یُقَاتِلُوۡنَکُمۡ وَ لَا تَعۡتَدُوۡا ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُحِبُّ الۡمُعۡتَدِیۡنَ ﴿۰۹۱﴾
Wa qaatieloe fiee sabieeliellaahiel lazieena yoeqaatieloenakoem wa laa ta'tadoeo; iennal laaha laa yoehiebboel moe'tadieen
2:190 En vecht op de weg van Allah tegen degenen die jullie bevechten. En overtreedt niet, voorwaar, Allah heeft de overtreders niet lief.

وَ اقۡتُلُوۡہُمۡ حَیۡثُ ثَقِفۡتُمُوۡہُمۡ وَ اَخۡرِجُوۡہُمۡ مِّنۡ حَیۡثُ اَخۡرَجُوۡکُمۡ وَ الۡفِتۡنَۃُ اَشَدُّ مِنَ الۡقَتۡلِ ۚ وَ لَا تُقٰتِلُوۡہُمۡ عِنۡدَ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ حَتّٰی یُقٰتِلُوۡکُمۡ فِیۡہِ ۚ فَاِنۡ قٰتَلُوۡکُمۡ فَاقۡتُلُوۡہُمۡ ؕ کَذٰلِکَ جَزَآءُ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۱۹۱﴾
Waqtoeloehoem haisoe saqief toemoehoem wa aghriedjoehoem mien haisoe aghradjoekoem; walfietnatoe ashaddoe mienal qatl; wa laa toeqaatieloehoem 'iendal Masdjiediel Haraamie hattaa yaqaatieloekoem fieehie fa ien qaataloekoem faqtoeloehoem; kazaalieka djazaaa'oel kaafierieen
2:191 En dood hen waar jullie hen ook vinden en verdrijf hen vanwaar ze jullie hebben verdreven. En de onderdrukking (door hun) is erger dan het doden. En bestrijd hen niet bij de masdjid al Haram (de heilige moskee in Mekka), totdat ze met jullie daar vechten. Dus als ze jullie bevechten, dood hen. Dit is de verdiende loon voor de ongelovigen.

فَاِنِ انۡتَہَوۡا فَاِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۲۹۱﴾
Fa ienienn-tahaw fa iennal laaha Ghafoeroer Rahieem
2:192 Maar als ze stoppen, voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.

وَ قٰتِلُوۡہُمۡ حَتّٰی لَا تَکُوۡنَ فِتۡنَۃٌ وَّ یَکُوۡنَ الدِّیۡنُ لِلّٰہِ ؕ فَاِنِ انۡتَہَوۡا فَلَا عُدۡوَانَ اِلَّا عَلَی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۳۹۱﴾
Wa qaatieloehoem hatta laa takoena fietnatoew wa yakoenad dieenoe liellaahie fa-ienien tahaw falaa 'oedwaana iellaa 'alaz zaaliemieen
2:193 Bevecht hen totdat er geen onderdrukking meer is en het geloof alleen aan Allah toebehoort. Als ze dan ophouden, laat er dan geen vijandschap meer zijn, behalve tegen de onrechtvaardigen.

اَلشَّہۡرُ الۡحَرَامُ بِالشَّہۡرِ الۡحَرَامِ وَ الۡحُرُمٰتُ قِصَاصٌ ؕ فَمَنِ اعۡتَدٰی عَلَیۡکُمۡ فَاعۡتَدُوۡا عَلَیۡہِ بِمِثۡلِ مَا اعۡتَدٰی عَلَیۡکُمۡ ۪ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ مَعَ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۴۹۱﴾
Ash Shahroel Haraamoe biesh Shahriel Haraamie wal hoeroemaatoe qiesaas; famanie'tadaa 'alaikoem fa'tadoe 'alaihie biemieslie ma'tadaa 'alaikoem; wattaqoel laaha wa'lamoeo annal laaha ma'al moettaqieen
2:194 De heilige maand voor de heilige maand, en voor al het geweld geldt de Qisas (de juridische wetten van gelijkheid in vergelding). Wie dan jullie aanvalt, val hem aan op de zelfde manier zoals hij jou aanviel. En vreest Allah en weet dat Allah met de moettaqoens is.

وَ اَنۡفِقُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ لَا تُلۡقُوۡا بِاَیۡدِیۡکُمۡ اِلَی التَّہۡلُکَۃِ ۚۖۛ وَ اَحۡسِنُوۡا ۚۛ اِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۵۹۱﴾
Wa anfieqoe fiee sabieeliel laahie wa laa toelqoe bie aydieekoem ielat tahloekatie wa ahsienoe; iennal laaha yoehiebboel moehsienieen
2:195 En besteedt op de weg van Allah en werp jullie zelf niet met jullie handen in de vernietiging. En doe goed, voorzeker Allah houdt van de weldoeners.

وَ اَتِمُّوا الۡحَجَّ وَ الۡعُمۡرَۃَ لِلّٰہِ ؕ فَاِنۡ اُحۡصِرۡتُمۡ فَمَا اسۡتَیۡسَرَ مِنَ الۡہَدۡیِ ۚ وَ لَا تَحۡلِقُوۡا رُءُوۡسَکُمۡ حَتّٰی یَبۡلُغَ الۡہَدۡیُ مَحِلَّہٗ ؕ فَمَنۡ کَانَ مِنۡکُمۡ مَّرِیۡضًا اَوۡ بِہٖۤ اَذًی مِّنۡ رَّاۡسِہٖ فَفِدۡیَۃٌ مِّنۡ صِیَامٍ اَوۡ صَدَقَۃٍ اَوۡ نُسُکٍ ۚ فَاِذَاۤ اَمِنۡتُمۡ ٝ فَمَنۡ تَمَتَّعَ بِالۡعُمۡرَۃِ اِلَی الۡحَجِّ فَمَا اسۡتَیۡسَرَ مِنَ الۡہَدۡیِ ۚ فَمَنۡ لَّمۡ یَجِدۡ فَصِیَامُ ثَلٰثَۃِ اَیَّامٍ فِی الۡحَجِّ وَ سَبۡعَۃٍ اِذَا رَجَعۡتُمۡ ؕ تِلۡکَ عَشَرَۃٌ کَامِلَۃٌ ؕ ذٰلِکَ لِمَنۡ لَّمۡ یَکُنۡ اَہۡلُہٗ حَاضِرِی الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ شَدِیۡدُ الۡعِقَابِ ﴿۶۹۱﴾
Wa atiemmoel Hadjdja wal Oemarata liellaah; fain oehsiertoem famas taisara mienal hadyie walaa tahlieqoe roe'oesakoem hatta yabloeghal hadyoe mahiellah; faman kaana mien-koem marieedan aw biehieee azam mier ra'siehiee fafiedyatoem mien Sieyaamien aw sadaqatien aw noesoek; fa iezaaa amientoem faman tamatta'a biel 'Oemratie ielal Hadjdjie famastaisara mienal hadyie; famal lam yadjied fa Sieyaamoe salaasatie ayyaamien fiel Hadjdjie wa sab'atien iezaa radja'toem; tielka 'asharatoen kaamielah; zaalieka liemal lam yakoen ahloehoe haadieriel Masdjiediel Haraam; wattaqoel laaha wa'lamoe annal laaha shadieedoel'ieqaab
2:196 En voltooi de Hadj en de Umrah als gehoorzaamheid aan Allah. En als jullie verhindert zijn, offer het offerdier dat makkelijk te verkrijgen is. En scheer jullie hoofden niet totdat het offerdier zijn bestemming (slachtplaats) bereikt heeft. Degene die onder jullie ziek zijn of een aandoening heeft aan zijn hoofd, dan (is er voor hem) een afkoopsom van vasten, liefdadigheid of een ander offer. Als jullie dan veilig zijn en wie dan Tamattoe wijze heeft gedaan van de Umrah, gevolgd door de Hadj, offer wat makkelijk te verkrijgen is van een offerdier. Maar degene die niets kan vinden, dan (moet hij) drie dagen vasten gedurende de Hadj en zeven dagen na terugkomst. Dit is tien dagen in totaal. Dat is (deze regels gelden) voor degene waarvan de familieleden niet aanwezig zijn bij de de masdjied al Haram. En vreest Allah en weet dat Allah hard is in bestraffing.

اَلۡحَجُّ اَشۡہُرٌ مَّعۡلُوۡمٰتٌ ۚ فَمَنۡ فَرَضَ فِیۡہِنَّ الۡحَجَّ فَلَا رَفَثَ وَ لَا فُسُوۡقَ ۙ وَ لَا جِدَالَ فِی الۡحَجِّ ؕ وَ مَا تَفۡعَلُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ یَّعۡلَمۡہُ اللّٰہُ ؕؔ وَ تَزَوَّدُوۡا فَاِنَّ خَیۡرَ الزَّادِ التَّقۡوٰی ۫ وَ اتَّقُوۡنِ یٰۤاُولِی الۡاَلۡبَابِ ﴿۷۹۱﴾
Al-Hadjdjoe ashhoeroem ma'-loemaat; faman farada fieehiennal hadjdja falaa rafasa wa laa foesoeqa wa laa djiedaala fiel Hadjdj; wa maa taf'aloe mien ghairiey ya'lamhoel laah; wa tazawwadoe fa ienna ghairaz zaadiet taqwaa; wattaqoenie yaaa oeliel albaab
2:197 De Hadj is in de bekende maanden. Wie dan daarin de Hadj verricht, dan (is er) geen seksuele daden, geen zondigheid en geen geruzie gedurende de Hadj (voor hem). En wat jullie aan goed doen, Allah weet het. En neem levensvoorziening mee, en de beste levensvoorziening is Taqwa (godvrezendheid). En vreest Mij, O bezitters van verstand.

لَیۡسَ عَلَیۡکُمۡ جُنَاحٌ اَنۡ تَبۡتَغُوۡا فَضۡلًا مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ فَاِذَاۤ اَفَضۡتُمۡ مِّنۡ عَرَفٰتٍ فَاذۡکُرُوا اللّٰہَ عِنۡدَ الۡمَشۡعَرِ الۡحَرَامِ ۪ وَ اذۡکُرُوۡہُ کَمَا ہَدٰىکُمۡ ۚ وَ اِنۡ کُنۡتُمۡ مِّنۡ قَبۡلِہٖ لَمِنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿۸۹۱﴾
Laisa 'alaikoem djoenaahoen an tabtaghoe fad lam mier rabbiekoem; fa iezaaa afadtoem mien 'Arafaatien fazkoeroel laaha 'iendal-Mash'ariel Haraamie waz koeroehoe kamaa hadaakoem wa ien koentoem mien qabliehiee lamienad daaallieen
2:198 Op jullie rust er geen enkel zonde wanneer jullie de gunsten van jullie heer zoeken. Wanneer jullie van Arafat vertrekken, gedenk Allah bij het heilige monument (te Moedzdalifah). En gedenk Hem omdat Hij jullie geleid heeft terwijl jullie zeker daarvoor tot de dwaalden behoorden.

ثُمَّ اَفِیۡضُوۡا مِنۡ حَیۡثُ اَفَاضَ النَّاسُ وَ اسۡتَغۡفِرُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۹۹۱﴾
Soemma afieedoe mien haisoe afaadan naasoe wastagh fieroellaah; iennal laaha Ghafoer oer-Rahieem
2:199 Vervolgens vertrek van waar de mensen vertrekken en zoek vergiffenis bij Allah. Voorzeker Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.

فَاِذَا قَضَیۡتُمۡ مَّنَاسِکَکُمۡ فَاذۡکُرُوا اللّٰہَ کَذِکۡرِکُمۡ اٰبَآءَکُمۡ اَوۡ اَشَدَّ ذِکۡرًا ؕ فَمِنَ النَّاسِ مَنۡ یَّقُوۡلُ رَبَّنَاۤ اٰتِنَا فِی الدُّنۡیَا وَ مَا لَہٗ فِی الۡاٰخِرَۃِ مِنۡ خَلَاقٍ ﴿۰۰۲﴾
Fa-ieza qadaitoem manaa siekakoem fazkoeroel laaha kaziekriekoem aabaaa'akoem aw ashadda ziekraa; famienannaasie may yaqoeloe Rabbanaaa aatienaa fieddoenyaa wa maa lahoe fiel Aaghieratie mien ghalaaq
2:200 Wanneer jullie dan de Hadj rituelen voltooid hebben, gedenk Allah zoals jullie je (voor)vaders gedenken of (zelfs) nog intenser. En van de mensen die zeggen: "Onze heer geef ons in de (voorbij gaande) wereld", voor hem is er geen aandeel in het Hiernamaals.

وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ یَّقُوۡلُ رَبَّنَاۤ اٰتِنَا فِی الدُّنۡیَا حَسَنَۃً وَّ فِی الۡاٰخِرَۃِ حَسَنَۃً وَّ قِنَا عَذَابَ النَّارِ ﴿۱۰۲﴾
Wa mienhoem may yaqoeloe rabbanaaa aatiena fied doenyaa hasanataw wa fiel aaghieratie hasanataw wa qienaa azaaban Naar
2:201 En van degenen die zeggen: "Onze Heer! Schenk ons het goede in de (voorbij gaande) wereld en het goede in het hiernamaals en red ons van de bestraffing van het vuur".

اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ نَصِیۡبٌ مِّمَّا کَسَبُوۡا ؕ وَ اللّٰہُ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۲۰۲﴾
Oelaaa'ieka lahoem nasieeboem miemmaa kasaboe; wal laahoe sariee'oel hiesaab
2:202 Voor hen is er een aandeel in wat ze verdienen en Allah is snel in het verrekenen.

وَ اذۡکُرُوا اللّٰہَ فِیۡۤ اَیَّامٍ مَّعۡدُوۡدٰتٍ ؕ فَمَنۡ تَعَجَّلَ فِیۡ یَوۡمَیۡنِ فَلَاۤ اِثۡمَ عَلَیۡہِ ۚ وَ مَنۡ تَاَخَّرَ فَلَاۤ اِثۡمَ عَلَیۡہِ ۙ لِمَنِ اتَّقٰی ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّکُمۡ اِلَیۡہِ تُحۡشَرُوۡنَ ﴿۳۰۲﴾
Wazkoeroel laaha fieee ayyaamien ma'doedaatien; faman ta'adjdjala fiee yawmainie falaaa iesmaa 'alaihie wa man ta aghara falaaa iesma 'alayhie; liemaniet-taqaa; wattaqoel laaha wa'lamoeo annakoem ielaihie toehsharoen
2:203 En gedenk Allah gedurende de vastgestelde dagen (het verblijf in Mina). Maar als iemand zich haast om te vertrekken in twee dagen, er rust geen zonde op hem als hij Allah vreest. En vrees Allah en weet dat jullie tot Hem verzameld zullen worden.

وَ مِنَ النَّاسِ مَنۡ یُّعۡجِبُکَ قَوۡلُہٗ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ یُشۡہِدُ اللّٰہَ عَلٰی مَا فِیۡ قَلۡبِہٖ ۙ وَ ہُوَ اَلَدُّ الۡخِصَامِ ﴿۴۰۲﴾
Wa mienan naasie may yoe'djieboeka qawloehoe fiel hayaatied doenyaa wa yoeshhiedoel laaha 'alaa maa fiee qalbiehiee wa hoewa aladdoelghiesaam
2:204 En in het wereldse leven is er een type mens die jou behaagt met zijn toespraak/woorden. En hij roept Allah als getuige op over wat in zijn hart is, terwijl hij de meest agressieve van de vijanden is.

وَ اِذَا تَوَلّٰی سَعٰی فِی الۡاَرۡضِ لِیُفۡسِدَ فِیۡہَا وَ یُہۡلِکَ الۡحَرۡثَ وَ النَّسۡلَ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ الۡفَسَادَ ﴿۵۰۲﴾
Wa iezaa tawallaa sa'aa fiel ardie lieyoefsieda fieeha wa yoehliekal harsa wannasl; wallaahoe laa yoehiebboel fasaad
2:205 En wanneer hij macht heeft, probeert hij verderf op aarde te spreiden en vernietigt hij de gewassen en het vee. En Allah houdt niet van verderf.

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُ اتَّقِ اللّٰہَ اَخَذَتۡہُ الۡعِزَّۃُ بِالۡاِثۡمِ فَحَسۡبُہٗ جَہَنَّمُ ؕ وَ لَبِئۡسَ الۡمِہَادُ ﴿۶۰۲﴾
Wa iezaa qieela lahoettaqiel laaha aghazathoel iezzatoe biel-iesm; fahasboehoe djahannam; wa labie'sal miehaad
2:206 En wanneer tot hem wordt gezegd: "Vreest Allah," dan leidt zijn hoogmoed hem tot (meer) zonden. De hel is geschikt voor hem (als straf). Het is een zeer slechte rustplaats.

وَ مِنَ النَّاسِ مَنۡ یَّشۡرِیۡ نَفۡسَہُ ابۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ رَءُوۡفٌۢ بِالۡعِبَادِ ﴿۷۰۲﴾
Wa mienan naasie may yashriee nafsahoeb tieghaaa'a mardaatiel laah; wallaahoe ra'oefoem biel'iebaad
2:207 En van de mensen is er een type die zichzelf verkoopt om Allah's behagen te zoeken. En Allah is vol van goedheid voor Zijn dienaren.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا ادۡخُلُوۡا فِی السِّلۡمِ کَآفَّۃً ۪ وَ لَا تَتَّبِعُوۡا خُطُوٰتِ الشَّیۡطٰنِ ؕ اِنَّہٗ لَکُمۡ عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۸۰۲﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoed ghoeloe fies sielmie kaaaffataw wa laa tattabie'oe ghoetoewaatiesh Shaitaan; iennahoe lakoem 'adoewwoem moebieen
2:208 O jullie die geloven, betreedt de volledige overgave tot Allah, en volgt niet de voetstappen van de satan. Voorwaar, hij is voor jullie een duidelijke vijand.

فَاِنۡ زَلَلۡتُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡکُمُ الۡبَیِّنٰتُ فَاعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ عَزِیۡزٌ حَکِیۡمٌ ﴿۹۰۲﴾
Fa ien zalaltoem mienba'die maa djaaa'atkoemoel baiyienaatoe fa'lamoe annallaaha 'Azieezoen hakieem
2:209 Als jullie dan uitglijden nadat de duidelijke bewijzen tot jullie zijn gekomen, weet dan dat Allah Almachtig, Alwijs is.

ہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّاۤ اَنۡ یَّاۡتِیَہُمُ اللّٰہُ فِیۡ ظُلَلٍ مِّنَ الۡغَمَامِ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ وَ قُضِیَ الۡاَمۡرُ ؕ وَ اِلَی اللّٰہِ تُرۡجَعُ الۡاُمُوۡرُ ﴿۰۱۲﴾
Hal yanzoeroena iellaaa ay ya'tieya hoemoel laahoe fiee zoelaliem mienal ghamaamie walmalaaa'iekatoe wa qoedieyal amr; wa ielal laahie toerdja'oel oemoer
2:210 Wachten ze af totdat Allah en de engelen in schaduwen van wolken tot hen komen en de zaak dan besloten is? En tot Allah worden al alle zaken teruggebracht.

سَلۡ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ کَمۡ اٰتَیۡنٰہُمۡ مِّنۡ اٰیَۃٍۭ بَیِّنَۃٍ ؕ وَ مَنۡ یُّبَدِّلۡ نِعۡمَۃَ اللّٰہِ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡہُ فَاِنَّ اللّٰہَ شَدِیۡدُ الۡعِقَابِ ﴿۱۱۲﴾
Sal Baniee Israaa'ieela kam aatainaahoem mien aayatiem baiyienah; wa may yoebaddiel nie'matal laahie miem ba'die maa djaaa'athoe fa iennallaaha shadieedoel'ieqaab
2:211 Vraag aan de Kinderen van Israël, hoeveel duidelijke tekenen Wij hen gaven. En wie de gunsten van Allah verandert, nadat het tot hem gekomen is, dan voorzeker, Allah is hard in het straffen.

زُیِّنَ لِلَّذِیۡنَ کَفَرُوا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا وَ یَسۡخَرُوۡنَ مِنَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ۘ وَ الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا فَوۡقَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ وَ اللّٰہُ یَرۡزُقُ مَنۡ یَّشَآءُ بِغَیۡرِ حِسَابٍ ﴿۲۱۲﴾
Zoeyyiena liellazieena kafaroel hayaatoed doenyaa wa yasgharoena mienal lazieena aamanoe; wallazieenat taqaw fawqahoem yawmal Qieyaamah; wallaahoe yarzoeqoe may yashaaa'oe bieghairie hiesaab;
2:212 Het wereldse leven is schoonschijnend gemaakt voor degene die niet geloven. Ze bespotten de gelovigen (geduredende het wereldse leven). Degenen die Allah vrezen, zij zullen boven hen (in rang) zijn op de Dag van wederopstanding. En Allah verschaft aan wie Hij wil zonder enige maat.

کَانَ النَّاسُ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً ۟ فَبَعَثَ اللّٰہُ النَّبِیّٖنَ مُبَشِّرِیۡنَ وَ مُنۡذِرِیۡنَ ۪ وَ اَنۡزَلَ مَعَہُمُ الۡکِتٰبَ بِالۡحَقِّ لِیَحۡکُمَ بَیۡنَ النَّاسِ فِیۡمَا اخۡتَلَفُوۡا فِیۡہِ ؕ وَ مَا اخۡتَلَفَ فِیۡہِ اِلَّا الَّذِیۡنَ اُوۡتُوۡہُ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡہُمُ الۡبَیِّنٰتُ بَغۡیًۢا بَیۡنَہُمۡ ۚ فَہَدَی اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لِمَا اخۡتَلَفُوۡا فِیۡہِ مِنَ الۡحَقِّ بِاِذۡنِہٖ ؕ وَ اللّٰہُ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۳۱۲﴾
Kaanan naasoe oemmataw waahiedatan fab'asal laahoen Nabieyyieena moebashshierieena wa moenzierieena wa anzala ma'ahoemoel kietaaba bielhaqqie lieyahkoema bainan naasie fieemagh talafoe fieeh; wa magh talafa fieehie 'iellallazieena oetoehoe miem ba'die maa djaaa'athoemoel baiyienaatoe baghyam bainahoem fahadal laahoel lazieena aamanoe liemagh talafoe fieehie mienal haqqie bie ieznieh; wallaahoe yahdiee may yashaaa'oe ielaa Sieraatiem Moestaqieem
2:213 De Mensheid was een enkel volk. Daarna deed Allah Profeten opstaan als verkonders van het goede nieuws (het paradijs) en als waarschuwers. (Allah) zond met hen het Boek in waarheid om tussen de mensen te oordelen waarin ze verschilden. De mensen van het boek verschillenden er alleen in uit baghyan (het tiranniseren van elkaar voor het verkrijgen van macht), ondanks dat de duidelijke bewijzen tot hen was gekomen. En Allah leidde, door zijn barmhartigheid, de gelovigen naar de waarheid met betrekking tot datgeen waarin ze verschilden. En Allah leidt wie Hij wil naar het rechte pad.

اَمۡ حَسِبۡتُمۡ اَنۡ تَدۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ وَ لَمَّا یَاۡتِکُمۡ مَّثَلُ الَّذِیۡنَ خَلَوۡا مِنۡ قَبۡلِکُمۡ ؕ مَسَّتۡہُمُ الۡبَاۡسَآءُ وَ الضَّرَّآءُ وَ زُلۡزِلُوۡا حَتّٰی یَقُوۡلَ الرَّسُوۡلُ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَہٗ مَتٰی نَصۡرُ اللّٰہِ ؕ اَلَاۤ اِنَّ نَصۡرَ اللّٰہِ قَرِیۡبٌ ﴿۴۱۲﴾
Am hasiebtoem an tadghoeloel djannata wa lammaa yaa-tiekoem masaloel lazieena ghalaw mien qabliekoem massathoemoel baasaaa'oe waddarraaaa'oe wa zoelzieloe hattaa yaqoelar Rasoeloe wallazieena aamanoe ma'ahoe mataa nasroel laah; alaaa ienna nasral laahie qarieeb
2:214 Of denken jullie dat jullie het Paradijs zullen betreden, terwijl het gelijke (in beproeving) die vroegere ondervonden, nog niet tot jullie gekomen is? Ze werden geraakt door problemen en tegenspoed. En ze werden geschud totdat de boodschapper en de gelovigen met hem, zeiden: "Wanneer zal de hulp van Allah komen". Zonder enig twijfel, voorzeker, hulp van Allah is nabij.

یَسۡـَٔلُوۡنَکَ مَا ذَا یُنۡفِقُوۡنَ ۬ؕ قُلۡ مَاۤ اَنۡفَقۡتُمۡ مِّنۡ خَیۡرٍ فَلِلۡوَالِدَیۡنِ وَ الۡاَقۡرَبِیۡنَ وَ الۡیَتٰمٰی وَ الۡمَسٰکِیۡنِ وَ ابۡنِ‌السَّبِیۡلِ ؕ وَ مَا تَفۡعَلُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ فَاِنَّ اللّٰہَ بِہٖ عَلِیۡمٌ ﴿۵۱۲﴾
Yas'aloenaka maazaa yoenfieqoena qoel maaa anfaqtoem mien ghairien faliel waaliedainie wal aqrabieena walyataamaa wal masaakieenie wabnies sabieel; wa maa taf'aloe mien ghairien fa iennal laaha biehiee 'Alieem
2:215 Ze vragen jou wat ze moeten besteden (aan liefdadigheid). Zeg: "Geef iets van het goede aan de ouders, de bloedverwanten, de wezen, de behoeftige of de reiziger (in nood). En wat jullie ook doen van het goede, voorzeker, Allah is Alwetend.

کُتِبَ عَلَیۡکُمُ الۡقِتَالُ وَ ہُوَ کُرۡہٌ لَّکُمۡ ۚ وَ عَسٰۤی اَنۡ تَکۡرَہُوۡا شَیۡئًا وَّ ہُوَ خَیۡرٌ لَّکُمۡ ۚ وَ عَسٰۤی اَنۡ تُحِبُّوۡا شَیۡئًا وَّ ہُوَ شَرٌّ لَّکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ وَ اَنۡتُمۡ لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۱۲﴾
Koetieba alaikoemoelqietaaloe wa hoewa koerhoellakoem wa 'asaaa an takrahoe shai'aw wa hoewa ghairoellakoem wa 'asaaa an toehiebbo shai'aw wa hoewa sharroellakoem; wallaahoe ya'lamoe wa antoem laa ta'lamoen
2:216 Het vechten is jullie voorgeschreven, ondanks dat jullie er een hekel aan hebben. Maar misschien hebben jullie afkeer van iets, terwijl het goed voor jullie is. En misschien houden jullie van iets terwijl het slecht voor jullie is. En Allah weet terwijl jullie niet weten.

یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الشَّہۡرِ الۡحَرَامِ قِتَالٍ فِیۡہِ ؕ قُلۡ قِتَالٌ فِیۡہِ کَبِیۡرٌ ؕ وَ صَدٌّ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ کُفۡرٌۢ بِہٖ وَ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ ٭ وَ اِخۡرَاجُ اَہۡلِہٖ مِنۡہُ اَکۡبَرُ عِنۡدَ اللّٰہِ ۚ وَ الۡفِتۡنَۃُ اَکۡبَرُ مِنَ الۡقَتۡلِ ؕ وَ لَا یَزَالُوۡنَ یُقَاتِلُوۡنَکُمۡ حَتّٰی یَرُدُّوۡکُمۡ عَنۡ دِیۡنِکُمۡ اِنِ اسۡتَطَاعُوۡا ؕ وَ مَنۡ یَّرۡتَدِدۡ مِنۡکُمۡ عَنۡ دِیۡنِہٖ فَیَمُتۡ وَ ہُوَ کَافِرٌ فَاُولٰٓئِکَ حَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ فِی الدُّنۡیَا وَ الۡاٰخِرَۃِ ۚ وَ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۷۱۲﴾
Yas'aloenaka 'aniesh Shahriel Haraamie qietaalien fieehie qoel qietaaloen fieehie kabieeroew wa saddoen 'an sabieeliel laahie wa koefroem biehiee wal Masdjiediel Haraamie wa ieghraadjoe ahliehiee mienhoe akbaroe 'iendal laah; walfietnatoe akbaroe mienal qatl; wa laa yazaaloena yoeqaatieloenakoem hatta yaroeddoekoem 'an dieeniekoem ienies tataa'oe; wa may yartadied mien-koem 'an dieeniehiee fayamoet wahoewa kaafieroen fa oelaaa'ieka habietat a'maaloehoem fied doenyaa wal aaghieratie wa oelaaa'ieka ashaaboen Naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
2:217 Ze vragen jou over het vechten in de heilige maand. Zeg: "Het vechten er in is een grote zonde, maar het verhinderen op de weg van Allah, en het ongeloof in Hem, en het blokkeren van de toegang tot masdjied al Haram en het uitdrijven van de mensen erin, zijn nog grotere zonden bij Allah. En de onderdrukking is groter (in zonde) dan het doden. En ze zullen niet stoppen jullie te bevechten totdat ze jullie doen afkeren van jullie geloof. Als ze erin slagen; wie van jullie zich afkeert van zijn geloof en dan overlijdt terwijl hij ongelovig is, zijn daden zijn waardeloos geworden in deze wereld en in het Hiernamaals. En zij zijn de bewoners van het vuur, daarin zullen ze voor altijd vertoeven.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ الَّذِیۡنَ ہَاجَرُوۡا وَ جٰہَدُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ۙ اُولٰٓئِکَ یَرۡجُوۡنَ رَحۡمَتَ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۸۱۲﴾
Innal lazieena aamanoe wallazieena haadjaroe wa djaahadoe fiee sabieeliel laahie oelaaa'ieka yardjoena rahmatal laah; wallaahoe Ghafoeroer Rahieem
2:218 Voorzeker, degenen die geloven en degenen die emigreren en streven op de weg van Allah, ze hopen op de barmhartigheid van Allah. En Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.

یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡخَمۡرِ وَ الۡمَیۡسِرِؕ قُلۡ فِیۡہِمَاۤ اِثۡمٌ کَبِیۡرٌ وَّ مَنَافِعُ لِلنَّاسِ ۫ وَ اِثۡمُہُمَاۤ اَکۡبَرُ مِنۡ نَّفۡعِہِمَا ؕ وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ مَا ذَا یُنۡفِقُوۡنَ ۬ؕ قُلِ الۡعَفۡوَؕ کَذٰلِکَ یُبَیِّنُ اللّٰہُ لَکُمُ الۡاٰیٰتِ لَعَلَّکُمۡ تَتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۹۱۲﴾
Yas'aloenaka 'anielghamrie walmaisierie qoel fieehiemaaa iesmoen kabieeroew wa manaafie'oe liennaasie wa iesmoehoemaa akbaroe mien naf'iehiemaa; wa yas'aloenaka maaza yoenfieqoena qoeliel-'afwa; kazaalieka yoebaiyienoel laahoe lakoemoel-aayaatie la'allakoem tatafakkaroen
2:219 Ze vragen jou over datgeen wat bedwelmd (alcohol, drugs, etc.) en het gokken. Zeg: “In beide is er een grote zonde en voordelen voor de mens. Maar de zonde in beide is groter dan de voordelen." En ze vragen jou wat ze moeten besteden (aan liefdadigheid). Zeg: “datgeen wat in overvloed is (van het goede)". Zo maakt Allah naar jullie zijn Tekenen duidelijk, zodat jullie erover kunnen denken.

فِی الدُّنۡیَا وَ الۡاٰخِرَۃِ ؕ وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡیَتٰمٰی ؕ قُلۡ اِصۡلَاحٌ لَّہُمۡ خَیۡرٌ ؕ وَ اِنۡ تُخَالِطُوۡہُمۡ فَاِخۡوَانُکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ الۡمُفۡسِدَ مِنَ الۡمُصۡلِحِ ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ لَاَعۡنَتَکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَزِیۡزٌ حَکِیۡمٌ ﴿۰۲۲﴾
Fied doenyaa wal aaghierah; wa yas'aloenaka 'aniel yataamaa qoel ieslaahoellahoem ghayr, wa ien toeghaalietoehoem fa ieghwaanoekoem; wallaahoe ya'lamoel moefsieda mienalmoeslieh; wa law shaaa'al laahoe la-a'natakoem; iennal laaha 'Azieezoen Hakieem
2:220 (En dat jullie nadenken) met betrekking tot de wereld en het hiernamaals. Ze vragen jou over de wezen. Zeg: “Handel rechtvaardig op een manier dat voor hen het best is". En als jullie je bezittingen met die van hen verenigd, dan zijn ze jullie broeders. En Allah kent de verderfzaaier en de mensen die goed doen. En als Allah het had gewild, zou Hij jullie in moeilijkheden geplaatst hebben. Allah is Almachtig, Alwijs.

وَ لَا تَنۡکِحُوا الۡمُشۡرِکٰتِ حَتّٰی یُؤۡمِنَّ ؕ وَ لَاَمَۃٌ مُّؤۡمِنَۃٌ خَیۡرٌ مِّنۡ مُّشۡرِکَۃٍ وَّ لَوۡ اَعۡجَبَتۡکُمۡ ۚ وَ لَا تُنۡکِحُوا الۡمُشۡرِکِیۡنَ حَتّٰی یُؤۡمِنُوۡا ؕ وَ لَعَبۡدٌ مُّؤۡمِنٌ خَیۡرٌ مِّنۡ مُّشۡرِکٍ وَّ لَوۡ اَعۡجَبَکُمۡ ؕ اُولٰٓئِکَ یَدۡعُوۡنَ اِلَی النَّارِ ۚۖ وَ اللّٰہُ یَدۡعُوۡۤا اِلَی الۡجَنَّۃِ وَ الۡمَغۡفِرَۃِ بِاِذۡنِہٖ ۚ وَ یُبَیِّنُ اٰیٰتِہٖ لِلنَّاسِ لَعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿۱۲۲﴾
Wa laatan-kiehoel moeshriekaatie hattaa yoe'mienn; wa la amatoem moe'mienatoen ghairoem miem moeshriekatiew wa law a'djabatkoem; wa laa toen-kiehoel moeshriekieena hattaa yoe'mienoe; wa la'abdoemmoe'mienoen ghairoem miemmoeshriekiew wa law 'adjabakoem; oelaaa'ieka yad'oena ielan Naarie wallaahoe yad'oeo ielal djannatie walmaghfieratie bieiezniehiee wa yoebaiyienoe Aayaatiehiee liennaasie la'allahoem yatazakkaroen
2:221 En huw de polytheïstische vrouwen niet totdat ze geloven. En een slavin die gelooft is beter dan een polytheïstische vrouw, zelfs als ze jou behaagt. En geef niet jullie vrouwen ter huwelijk aan de polytheïstische mannen totdat zij geloven. En een slaaf die gelooft is beter dan een polytheïstische man zelfs als hij jou behaagt. Deze zijn degenen die uitnodigen tot het vuur. En Allah nodigt uit tot het paradijs en vergiffenis met Zijn toestemming. En Hij maakt Zijn verzen duidelijk voor de mensen zodat ze er lering uit kunnen trekken.

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡمَحِیۡضِ ؕ قُلۡ ہُوَ اَذًی ۙ فَاعۡتَزِلُوا النِّسَآءَ فِی الۡمَحِیۡضِ ۙ وَ لَا تَقۡرَبُوۡہُنَّ حَتّٰی یَطۡہُرۡنَ ۚ فَاِذَا تَطَہَّرۡنَ فَاۡتُوۡہُنَّ مِنۡ حَیۡثُ اَمَرَکُمُ اللّٰہُ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ التَّوَّابِیۡنَ وَ یُحِبُّ الۡمُتَطَہِّرِیۡنَ ﴿۲۲۲﴾
Wa yas'aloenaka 'aniel mahieedie qoel hoewa azan fa'tazieloen niesaaa'a fiel mahieedie wa laa taqraboe hoenna hattaa yathoerna fa-iezaa tatah-harrna faatoehoenna mien haisoe amarakoemoel laah; iennallaaha yoehiebboet Tawwaabieena wa yoehiebboel moetatahhierieen
2:222 En ze vragen jou over de menstruatie (Haid). Zeg: "Het is een pijn/onreinheid, blijf van de vrouwen af gedurende de menstruatie. Benader hen nadat ze gereinigd zijn. Wanneer ze schoon/rein zijn, kom tot hen zoals Allah jullie bevolen heeft. Voorzeker, Allah houdt van degenen die zich tot berouw wenden en van degenen die zich reinigen.

نِسَآؤُکُمۡ حَرۡثٌ لَّکُمۡ ۪ فَاۡتُوۡا حَرۡثَکُمۡ اَنّٰی شِئۡتُمۡ ۫ وَ قَدِّمُوۡا لِاَنۡفُسِکُمۡ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّکُمۡ مُّلٰقُوۡہُ ؕ وَ بَشِّرِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۲۲﴾
Niesaaa'oekoem harsoellakoem faatoe harsakoem annaa shie'toem wa qaddiemoe lie anfoesiekoem; wattaqoel laaha wa'lamoeo annakoem moelaaqoeh; wa bash shierielmoe 'mienieen
2:223 Jullie vrouwen zijn als een akker voor jullie. Dus betreed jullie akkers wanneer jullie wensen, en verricht goede daden voor julliezelf. En wees bewust van Allah en weet dat jullie hem zullen ontmoeten. En geef verheugende tijding aan de gelovigen.

وَ لَا تَجۡعَلُوا اللّٰہَ عُرۡضَۃً لِّاَیۡمَانِکُمۡ اَنۡ تَبَرُّوۡا وَ تَتَّقُوۡا وَ تُصۡلِحُوۡا بَیۡنَ النَّاسِ ؕ وَ اللّٰہُ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۴۲۲﴾
Wa laa tadj'aloel laaha 'oerdatal lie aymaaniekoem an tabarroe wa tattaqoe wa toesliehoe bainan naas; wallaahoe Samiee'oen 'Alieem
2:224 En gebruik (de Naam van) Allah niet tot een excuus (uitvlucht) in jullie eden (plechtige verklaring onder aanroeping van Allah) dat jullie goede daden zullen verrichten, rechtvaardig zullen zijn en vrede zullen stichten onder de mensen. En Allah is Alhorend, Alwetend.

لَا یُؤَاخِذُکُمُ اللّٰہُ بِاللَّغۡوِ فِیۡۤ اَیۡمَانِکُمۡ وَ لٰکِنۡ یُّؤَاخِذُکُمۡ بِمَا کَسَبَتۡ قُلُوۡبُکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ حَلِیۡمٌ ﴿۵۲۲﴾
Laa yoe'aaghie zoekoemoel laahoe biellaghwie fieee aymaa niekoem wa laakiey yoe'aaghie zoekoem biemaa kasabat qoeloe boekoem; wallaahoe Ghafoeroen Halieem
2:225 Allah zal jou het onbewuste in jullie eden (in het zweren) niet aanrekenen, maar Hij Beoordeelt jullie voor wat jullie harten (aan intenties) hebben verdiend. En Allah is Ghafoer (meest Vergevensgezind), Al-Haliem (de meest Verdraagzame).

لِلَّذِیۡنَ یُؤۡلُوۡنَ مِنۡ نِّسَآئِہِمۡ تَرَبُّصُ اَرۡبَعَۃِ اَشۡہُرٍ ۚ فَاِنۡ فَآءُوۡ فَاِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۶۲۲﴾
Liellazieena yoe'loena mien niesaaa'iehiem tarabboesoe arba'atie ashhoerien fain faaa'oe fa iennal laaha Ghafoeroer Rahieem
2:226 Voor degenen die zweren zich te onthouden van hun vrouwen is er een wachtperiode van vier maanden. Als ze dan terugkeren (naar hun vrouwen), (weet dan dat) Allah Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (meest Barmhartig voor de gelovigen) is.

وَ اِنۡ عَزَمُوا الطَّلَاقَ فَاِنَّ اللّٰہَ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۷۲۲﴾
Wa ien 'azamoet talaaqa fa iennal laaha Samiee'oen 'Alieem
2:227 En als ze besluiten te scheiden: voorwaar, Allah is Alhorend, Alwetend.

وَ الۡمُطَلَّقٰتُ یَتَرَبَّصۡنَ بِاَنۡفُسِہِنَّ ثَلٰثَۃَ قُرُوۡٓءٍ ؕ وَ لَا یَحِلُّ لَہُنَّ اَنۡ یَّکۡتُمۡنَ مَا خَلَقَ اللّٰہُ فِیۡۤ اَرۡحَامِہِنَّ اِنۡ کُنَّ یُؤۡمِنَّ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ ؕ وَ بُعُوۡلَتُہُنَّ اَحَقُّ بِرَدِّہِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ اِنۡ اَرَادُوۡۤا اِصۡلَاحًا ؕ وَ لَہُنَّ مِثۡلُ الَّذِیۡ عَلَیۡہِنَّ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ۪ وَ لِلرِّجَالِ عَلَیۡہِنَّ دَرَجَۃٌ ؕ وَ اللّٰہُ عَزِیۡزٌ حَکِیۡمٌ ﴿۸۲۲﴾
Walmoetallaqaatoe yatarab basna bie anfoesiehienna salaasata qoeroeo'; wa laa yahielloe lahoenna ay yaktoemna maa ghalaqal laahoe fieee arhaamienhienna ien koenna yoe'mienna biellaahie wal yawmiel aaghier; wa boe'oela toehoenna ahaqqoe bieraddiehienna fiee zaalieka ien araadoeo ieslaahaa; wa lahoenna miesloel laziee alaihienna bielma'roef; wa lierriedjdjaalie 'alaihienna daradja; wallaahoe 'Azieezoen Hakieem
2:228 En de vrouwen waarover de scheiding is uitgesproken, moeten drie maandelijkse periodes (drie menstruatiecyclus) afwachten (voor definitief vertrek). En het is niet gepast, als ze geloven in Allah en de laatste dag, dat ze datgeen verbergen wat Allah in hun baarmoeder heeft geschapen. En hun echtgenotes hebben het recht, als ze om verzoening wensen, om hen gedurende de periode terug te nemen. En voor hen zijn er vergelijkbare rechten en plichten als die van mannen, die in overeenstemming zijn met de islamitische wet. Maar de mannen hebben een graad (in verantwoordelijkheid en autoriteit) boven hen. En Allah is Almachtig Alwijs.

اَلطَّلَاقُ مَرَّتٰنِ۪ فَاِمۡسَاکٌۢ بِمَعۡرُوۡفٍ اَوۡ تَسۡرِیۡحٌۢ بِاِحۡسَانٍ ؕ وَ لَا یَحِلُّ لَکُمۡ اَنۡ تَاۡخُذُوۡا مِمَّاۤ اٰتَیۡتُمُوۡہُنَّ شَیۡئًا اِلَّاۤ اَنۡ یَّخَافَاۤ اَلَّا یُقِیۡمَا حُدُوۡدَ اللّٰہِ ؕ فَاِنۡ خِفۡتُمۡ اَلَّا یُقِیۡمَا حُدُوۡدَ اللّٰہِ ۙ فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡہِمَا فِیۡمَا افۡتَدَتۡ بِہٖ ؕ تِلۡکَ حُدُوۡدُ اللّٰہِ فَلَا تَعۡتَدُوۡہَا ۚ وَ مَنۡ یَّتَعَدَّ حُدُوۡدَ اللّٰہِ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۹۲۲﴾
Attalaaqoe marrataanie fa iemsaakoem biema'roefien aw tasrieehoem bie iehsaan; wa laa yahielloe lakoem an taaghoezoe miemmaaa aataitoemoehoenna shai'an iellaaa ay yaghaafaaa alla yoeqieemaa hoedoedallahie fa ien ghieftoem allaa yoeqieemaa hoedoedal laahie falaa djoenaaha 'Alaihiemaa fieemaf tadat biehiee tielka hoedoedoel laahie falaa ta'tadoehaa; wa may yata'adda hoedoedal laahie fa oelaaa'ieka hoemoezzaa liemoen
2:229 De verstoting is voor de tweede keer. Daarna is er (de keuze) om haar te behouden of om haar met vriendelijkheid vrij te laten. En het is niet toegestaan dat jullie iets terugnemen van wat jullie hen hebben gegeven, behalve als ze beiden vrezen dat ze Allah's voorschriften niet kunnen naleven. Als jullie vrezen dat ze Allah's voorschriften niet kunnen naleven, dan rust er geen zonde op beide van hen, als ze ervan besteed om zichzelf vrij te kopen. Dit zijn de grenzen van Allah, dus overschrijdt deze niet. En wie Allah's grenzen overschrijdt, ze zijn de onrechtplegers.

فَاِنۡ طَلَّقَہَا فَلَا تَحِلُّ لَہٗ مِنۡۢ بَعۡدُ حَتّٰی تَنۡکِحَ زَوۡجًا غَیۡرَہٗ ؕ فَاِنۡ طَلَّقَہَا فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡہِمَاۤ اَنۡ یَّتَرَاجَعَاۤ اِنۡ ظَنَّاۤ اَنۡ یُّقِیۡمَا حُدُوۡدَ اللّٰہِ ؕ وَ تِلۡکَ حُدُوۡدُ اللّٰہِ یُبَیِّنُہَا لِقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ﴿۰۳۲﴾
Fa ien tallaqahaa falaa tahielloe lahoe miem ba'doe hattaa tan-kieha zawdjan ghairah; fa ien tallaqahaa falaa djoenaaha 'alaihiemaaa ay yataraadja'aaa ien zannaaa ay yoeqieemaa hoedoedal laa; wa tielka hoedoedoel laahie yoebaiyienoehaa lieqawmiey ya'lamoen
2:230 Dan als hij van haar scheidt (de derde verstoting) dan is zij niet meer wettig voor hem, totdat zij met een andere man trouwt. Als hij (de nieuwe echtgenoot) dan van haar scheidt, dan rust er geen zonde op hen als ze tot elkaar wederkeren (alleen) als ze geloven dat ze de grenzen van Allah niet zullen overschrijden. En dit zijn de grenzen van Allah, Hij maakt ze duidelijk voor een volk dat weet.

وَ اِذَا طَلَّقۡتُمُ النِّسَآءَ فَبَلَغۡنَ اَجَلَہُنَّ فَاَمۡسِکُوۡہُنَّ بِمَعۡرُوۡفٍ اَوۡ سَرِّحُوۡہُنَّ بِمَعۡرُوۡفٍ ۪ وَ لَا تُمۡسِکُوۡہُنَّ ضِرَارًا لِّتَعۡتَدُوۡا ۚ وَ مَنۡ یَّفۡعَلۡ ذٰلِکَ فَقَدۡ ظَلَمَ نَفۡسَہٗ ؕ وَ لَا تَتَّخِذُوۡۤا اٰیٰتِ اللّٰہِ ہُزُوًا ۫ وَّ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ وَ مَاۤ اَنۡزَلَ عَلَیۡکُمۡ مِّنَ الۡکِتٰبِ وَ الۡحِکۡمَۃِ یَعِظُکُمۡ بِہٖ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۱۳۲﴾
Wa iezaa tallaqtoemoen niesaaa'a fabalaghna adjala hoenna fa amsiekoehoenna biema'roefien law sarriehoe hoenna biema'roef; wa laa toemsiekoe hoenna dieraa rallieta'tadoe; wa may yaf'al zaalieka faqad zalama nafsah; wa laa tattaghiezoeo aayaatiellaahie hoezoewaa; wazkoeroe nie'matal laahie 'alaikoem wa maaa anzala 'alaikoem mienal kietaabie wal hiekmatie ya'iezoekoem bieh; wattaqoel laaha wa'lamoeo annal laaha biekoellie shai'ien 'Alieem
2:231 En wanneer jullie scheiden van de vrouwen en zij hebben hun termijn bereikt, behoudt haar op een goede wijze of laat haar gaan op een eerlijke manier. En behoudt hen niet om hen te pijnigen zodat jullie overtreden. En wie dit doet, dan zeer zeker hij heeft zichzelf onrecht aangedaan. En neem de tekenen van Allah niet als een grap. En gedenk Allah's gunsten op jou en van wat Hij geopenbaard heeft van het boek en de wijsheid. Hij doceert jou ermee. En vreest Allah en weet dat Allah kenner is over alles.

وَ اِذَا طَلَّقۡتُمُ النِّسَآءَ فَبَلَغۡنَ اَجَلَہُنَّ فَلَا تَعۡضُلُوۡہُنَّ اَنۡ یَّنۡکِحۡنَ اَزۡوَاجَہُنَّ اِذَا تَرَاضَوۡا بَیۡنَہُمۡ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ؕ ذٰلِکَ یُوۡعَظُ بِہٖ مَنۡ کَانَ مِنۡکُمۡ یُؤۡمِنُ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ ؕ ذٰلِکُمۡ اَزۡکٰی لَکُمۡ وَ اَطۡہَرُ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ وَ اَنۡتُمۡ لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۳۲﴾
Wa iezaa tallaqtoemoen niesaaa'a fabalaghna adjalahoenna falaa ta'doeloe hoenna ay yan-kiehna azwaadja hoenna iezaa taraadaw bainahoem bielma' roef; zaalieka yoe'azoe biehiee man kaana mien-koem yoe'mienoe biellaahie wal yawmiel aaghier; zaaliekoem azkaa lakoem wa at-har; wallaahoe ya'lamoe wa antoem laa ta'lamoen
2:232 En wanneer jullie van vrouwen scheiden en zij bereiken hun (wachtperiode) termijn, hinder hen niet in het hertrouwen van hun echtgenotes als ze met elkaar een overeenstemming volgens de islamitische voorschriften hebben bereikt. Dat is waartoe jullie, degenen die in Allah en de laatste dag geloven, vermaand worden. Dat is deugdzamer en reiner voor jullie. En Allah weet en jullie weten niet.

وَ الۡوَالِدٰتُ یُرۡضِعۡنَ اَوۡلَادَہُنَّ حَوۡلَیۡنِ کَامِلَیۡنِ لِمَنۡ اَرَادَ اَنۡ یُّتِمَّ الرَّضَاعَۃَ ؕ وَ عَلَی الۡمَوۡلُوۡدِ لَہٗ رِزۡقُہُنَّ وَ کِسۡوَتُہُنَّ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ؕ لَا تُکَلَّفُ نَفۡسٌ اِلَّا وُسۡعَہَا ۚ لَا تُضَآرَّ وَالِدَۃٌۢ بِوَلَدِہَا وَ لَا مَوۡلُوۡدٌ لَّہٗ بِوَلَدِہٖ ٭ وَ عَلَی الۡوَارِثِ مِثۡلُ ذٰلِکَ ۚ فَاِنۡ اَرَادَا فِصَالًا عَنۡ تَرَاضٍ مِّنۡہُمَا وَ تَشَاوُرٍ فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡہِمَا ؕ وَ اِنۡ اَرَدۡتُّمۡ اَنۡ تَسۡتَرۡضِعُوۡۤا اَوۡلَادَکُمۡ فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡکُمۡ اِذَا سَلَّمۡتُمۡ مَّاۤ اٰتَیۡتُمۡ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۳۳۲﴾
Walwaa liedaatoe yoerdie'na awlaada hoenna hawlainie kaamielainie lieman araada ay yoetiemmar radaa'ah; wa 'alalmawloedie lahoe riezqoe hoenna wa kieswatoehoenna bielma'roef; laatoekallafoe nafsoen iellaa woes'ahaa; laa toedaaarra waaliedatoem biewaladiehaa wa laa mawloedoel lahoe biewaladieh; wa 'alal waariesie miesloe zaaliek; fa ien araadaa Fiesaalan 'an taraadiem mienhoemaa wa tashaawoerien falaa djoenaaha 'alaihiemaa; wa ien arattoem an tastardie'oeo awlaadakoem falaa djoenaaha 'alaikoem iezaa sallamtoem maaa aataitoem bielma'roef; wattaqoel laaha wa'lamoeo annal laaha biemaa ta'maloena basieer
2:233 En de moeders (die gescheiden zijn), die de zoogperiode wensen te voltooien, dienen hun kinderen twee volle jaren te zogen. En op de vader rust de plicht om hen (het kind en de moeder) te voorzien van voorzieningen en kleding gebaseerd op redelijk vereiste. Geen 'Nafs' (persoon) is meer belast dan haar capaciteit. Een moeder zal niet lijden vanwege haar kind, noch zal de vader (lijden) vanwege zijn kind. En voor de voogd geldt hetzelfde. Als ze beide het spenen wensen (dus het stopen van het zogen en overgaan op externe voeding) met wederzijdse instemming en overleg, dan rust er geen schuld op hen beiden. En als jullie wensen om een andere vrouw jullie kind te laten zogen, dan rust er geen schuld op jullie, als jullie haar op redelijke wijze vergoeden. En vreest Allah en weet dat Allah Alziende is over hetgeen jullie doen.

وَ الَّذِیۡنَ یُتَوَفَّوۡنَ مِنۡکُمۡ وَ یَذَرُوۡنَ اَزۡوَاجًا یَّتَرَبَّصۡنَ بِاَنۡفُسِہِنَّ اَرۡبَعَۃَ اَشۡہُرٍ وَّ عَشۡرًا ۚ فَاِذَا بَلَغۡنَ اَجَلَہُنَّ فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡکُمۡ فِیۡمَا فَعَلۡنَ فِیۡۤ اَنۡفُسِہِنَّ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرٌ ﴿۴۳۲﴾
Wallazieena yoetawaffawna mien-koem wa yazaroena azwaadjay yatarabbasna bie anfoesiehienna arba'ata ashhoeriew wa 'ashran fa iezaa balaghna adjalahoenna falaa djoenaaha 'alaikoem fieemaa fa'alna fieee anfoesiehienna bielma'roef; wallaahoe biemaa ta'maloena ghabieer
2:234 En degenen onder jullie die sterven en vrouwen achterlaten, zij (de weduwen) moeten voor zichzelf vier maanden en tien dagen wachten (voordat ze een nieuw huwelijk aangaan). Wanneer ze hun termijn hebben uitgezeten, dan rust er geen schuld op jullie (de islamitische gemeenschap) voor wat ze doen met betrekking tot henzelf als ze handelen volgens de islamitische voorschriften. En Allah is zich volledig bewust van wat jullie doen.

وَ لَا جُنَاحَ عَلَیۡکُمۡ فِیۡمَا عَرَّضۡتُمۡ بِہٖ مِنۡ خِطۡبَۃِ النِّسَآءِ اَوۡ اَکۡنَنۡتُمۡ فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ ؕ عَلِمَ اللّٰہُ اَنَّکُمۡ سَتَذۡکُرُوۡنَہُنَّ وَ لٰکِنۡ لَّا تُوَاعِدُوۡہُنَّ سِرًّا اِلَّاۤ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا قَوۡلًا مَّعۡرُوۡفًا ۬ؕ وَ لَا تَعۡزِمُوۡا عُقۡدَۃَ النِّکَاحِ حَتّٰی یَبۡلُغَ الۡکِتٰبُ اَجَلَہٗ ؕ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ مَا فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ فَاحۡذَرُوۡہُ ۚ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ حَلِیۡمٌ ﴿۵۳۲﴾
Wa laa djoenaaha 'alaikoem fieema 'arradtoem biehiee mien ghietbatien niesaaa'ie aw aknantoem fieee anfoesiekoem; 'aliemal laahoe annakoem satazkoeroenahoenna wa laakiel laa toewaa'iedoehoenna sierran iellaaa an taqoeloe qawlamma'roefaa; wa laa ta'ziemoe 'oeqdatan niekaahie hattaa yabloeghal kietaaboe adjalah; wa'lamoeo annal laaha ya'lamoemaa fieee anfoesiekoem fahzaroeh; wa'lamoeo annallaaha Ghafoeroen Halieem
2:235 En er rust geen schuld op jullie voor een indirect huwelijksaanzoek tot de vrouwen (weduwen) of dat jullie het (het huwelijksaanzoek) verborgen houden. Allah weet dat jullie hen (de weduwe) zullen gedenken, maar spreek niet met hen (weduwen) af in het geheim, behalve als jullie iets eervol willen zeggen. En maak geen afspraken met betrekking tot het huwelijk totdat de termijn is uitgezeten. En weet dat Allah weet wat in jullie harten bevindt. Dus wees bewust van Hem en weet dat Allah vergevingsgezind, Al-Haliem (de meest Verdraagzame) is.

لَا جُنَاحَ عَلَیۡکُمۡ اِنۡ طَلَّقۡتُمُ النِّسَآءَ مَا لَمۡ تَمَسُّوۡہُنَّ اَوۡ تَفۡرِضُوۡا لَہُنَّ فَرِیۡضَۃً ۚۖ وَّ مَتِّعُوۡہُنَّ ۚ عَلَی الۡمُوۡسِعِ قَدَرُہٗ وَ عَلَی الۡمُقۡتِرِ قَدَرُہٗ ۚ مَتَاعًۢا بِالۡمَعۡرُوۡفِ ۚ حَقًّا عَلَی الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۶۳۲﴾
Laa djoenaaha 'alaikoem ien tallaqtoemoen niesaaa'a maa lam tamassoehoenna aw tafriedoe lahoenna farieedah; wa mattie'hoehoenna 'alal moesie'ie qadaroehoe wa 'alal moeqtierie qadaroehoe matta'am bielma'roefie haqqan 'alalmoehsienieen
2:236 Er rust geen schuld op jullie als jullie scheiden van de vrouwen die jullie nog niet (seksueel) aangeraakt hebben of nadat jullie een bruidsschat vastgesteld hebben. En geef hun een compensatie, de rijke volgens zijn vermogen en de arme volgens zijn vermogen. Een redelijke compensatie, dat is een plicht die rust op de weldoeners.

وَ اِنۡ طَلَّقۡتُمُوۡہُنَّ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ تَمَسُّوۡہُنَّ وَ قَدۡ فَرَضۡتُمۡ لَہُنَّ فَرِیۡضَۃً فَنِصۡفُ مَا فَرَضۡتُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ یَّعۡفُوۡنَ اَوۡ یَعۡفُوَا الَّذِیۡ بِیَدِہٖ عُقۡدَۃُ النِّکَاحِ ؕ وَ اَنۡ تَعۡفُوۡۤا اَقۡرَبُ لِلتَّقۡوٰی ؕ وَ لَا تَنۡسَوُا الۡفَضۡلَ بَیۡنَکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۷۳۲﴾
Wa ien tallaqtoemoehoenna mien qablie an tamassoehoenna wa qad farad toem lahoenna farieedatan faniesfoe maa faradtoem iellaaa ay ya'foena aw ya'foewallaziee bieyadiehiee 'oeqdatoenniekaah; wa an ta'foeo aqraboe liettaqwaa; wa laa tansawoelfadla bainakoem; iennal laaha biemaa ta'maloena Basieer
2:237 En als jullie van hun scheiden voordat jullie hen aangeraakt hebben en de bruidsschat vastgesteld is, geef de helft van wat jullie vastgesteld hebben. Tenzij ze (de vrouwen) of degene in wiens handen het huwelijk ligt, ervan afzien. En als jullie het kwijtschelden dat ligt dichterbij de Taqwa (godvrezendheid). En vergeet niet de goedheid onder jullie. Voorzeker, Allah is Alziende over datgeen wat jullie doen.

حٰفِظُوۡا عَلَی الصَّلَوٰتِ وَ الصَّلٰوۃِ الۡوُسۡطٰی ٭ وَ قُوۡمُوۡا لِلّٰہِ قٰنِتِیۡنَ ﴿۸۳۲﴾
Haafiezoe 'alas salawaatie was Salaatiel Woestaa wa qoemoe liellaahie qaanietieen
2:238 Waak strikt over de "Salaats" (gebeden, contact met Allah) en (voornamelijk) de "Salaat" "Woestoa" (het middelste) en sta nederigheid voor Allah.

فَاِنۡ خِفۡتُمۡ فَرِجَالًا اَوۡ رُکۡبَانًا ۚ فَاِذَاۤ اَمِنۡتُمۡ فَاذۡکُرُوا اللّٰہَ کَمَا عَلَّمَکُمۡ مَّا لَمۡ تَکُوۡنُوۡا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۹۳۲﴾
Fa ien ghieftoem fariedjaalan aw roekbaanan fa iezaaa amientoem fazkoeroel laaha kamaa 'allamakoem maa lam takoenoe ta'lamoen
2:239 En als jullie bang zijn, bid dan te voet of rijdend. Wanneer jullie veilig zijn, gedenk dan Allah op de manier die Hij jullie onderwezen heeft die jullie (eerst) niet kenden.

وَ الَّذِیۡنَ یُتَوَفَّوۡنَ مِنۡکُمۡ وَ یَذَرُوۡنَ اَزۡوَاجًا ۚۖ وَّصِیَّۃً لِّاَزۡوَاجِہِمۡ مَّتَاعًا اِلَی الۡحَوۡلِ غَیۡرَ اِخۡرَاجٍ ۚ فَاِنۡ خَرَجۡنَ فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡکُمۡ فِیۡ مَا فَعَلۡنَ فِیۡۤ اَنۡفُسِہِنَّ مِنۡ مَّعۡرُوۡفٍ ؕ وَ اللّٰہُ عَزِیۡزٌ حَکِیۡمٌ ﴿۰۴۲﴾
Wallazieena yoetawaf fawna mien-koem wa yazaroena azwaadjaw wasieyyatal lie azwaadjiehiem mataa'an ielal hawlieghaira ieghraadj; fa ien gharadjna falaa djoenaaha 'alaikoem fiee maa fa'alna fieee anfoesiehienna mien ma'roef; wallaahoe Azieezoen Hakieem
2:240 En degenen onder jullie die sterven en vrouwen achterlaten, moeten een testament maken voor hun vrouwen en moeten voorzieningen treffen voor een jaar zonder dat ze worden uitgezet. Maar als ze weggaan dan rust er geen schuld op jullie (de islamitische gemeenschap) voor wat ze doen met betrekking tot henzelf als ze handelen volgens de islamitische voorschriften. En Allah is Almachtig, Alwijs.

وَ لِلۡمُطَلَّقٰتِ مَتَاعٌۢ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ؕ حَقًّا عَلَی الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۱۴۲﴾
Wa lielmoetallaqaatie mataa'oem bielma'roefie haqqan 'alal moettaqieen
2:241 En de gescheiden vrouwen moeten naar behoren worden voorzien, dat is een plicht die rust op de moettaqoens.

کَذٰلِکَ یُبَیِّنُ اللّٰہُ لَکُمۡ اٰیٰتِہٖ لَعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۲۴۲﴾
Kazaalieka yoebaiyienoel laahoe lakoem aayaatiehiee la'allakoem ta'qieloen
2:242 Zo maakt Allah voor jullie zijn Verzen duidelijk, zodat jullie je verstand kunnen gebruiken.

اَلَمۡ تَرَ اِلَی الَّذِیۡنَ خَرَجُوۡا مِنۡ دِیَارِہِمۡ وَ ہُمۡ اُلُوۡفٌ حَذَرَ الۡمَوۡتِ ۪ فَقَالَ لَہُمُ اللّٰہُ مُوۡتُوۡا ۟ ثُمَّ اَحۡیَاہُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَذُوۡ فَضۡلٍ عَلَی النَّاسِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۳۴۲﴾
Alam tara ielal lazieena gharadjoe mien dieyaariehiem wa hoem oeloefoen hazaral mawtie faqaaala lahoemoel laahoe moetoe soemma ahyaahoem; iennal laaha lazoe fadlien 'alannaasie wa laakienna aksarannaasie laa yashkoeroen
2:243 Heb jij degenen niet gezien, die in duizendtallen uit doodsangst hun huizen verlieten? Allah zei toen tot hen: "Sterft!" Daarna bracht Hij hen weer tot leven. Voorzeker, Allah is de Bezitter van Gunsten voor de mensen, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.

وَ قَاتِلُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۴۴۲﴾
Wa qaatieloe fiee sabieeliel laahie wa'lamoeo annal laaha Samiee'oen 'Alieem
2:244 En strijdt op de weg van Allah en weet dat Allah Alhorend, Alwetend is.

مَنۡ ذَا الَّذِیۡ یُقۡرِضُ اللّٰہَ قَرۡضًا حَسَنًا فَیُضٰعِفَہٗ لَہٗۤ اَضۡعَافًا کَثِیۡرَۃً ؕ وَ اللّٰہُ یَقۡبِضُ وَ یَبۡصُۜطُ ۪ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۵۴۲﴾
Man zal laziee yoeqriedoel laaha qardan hasanan fayoedaa 'iefahoe lahoe ad'aafan kasieerah; wallaahoe yaqbiedoe wa yabsoetoe wa ielaihie toerdja'oen
2:245 Wie is degene die aan Allah een goede lening (Qardan Hasanan) geeft? Zodat Hij het voor hem op vele manieren veelvuldig vermenigvuldigd wordt. En Allah beperkt en verschaft voorzieningen. En tot Hem zullen jullie worden terug gebracht.

اَلَمۡ تَرَ اِلَی الۡمَلَاِ مِنۡۢ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِ مُوۡسٰی ۘ اِذۡ قَالُوۡا لِنَبِیٍّ لَّہُمُ ابۡعَثۡ لَنَا مَلِکًا نُّقَاتِلۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ؕ قَالَ ہَلۡ عَسَیۡتُمۡ اِنۡ کُتِبَ عَلَیۡکُمُ الۡقِتَالُ اَلَّا تُقَاتِلُوۡا ؕ قَالُوۡا وَ مَا لَنَاۤ اَلَّا نُقَاتِلَ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ قَدۡ اُخۡرِجۡنَا مِنۡ دِیَارِنَا وَ اَبۡنَآئِنَا ؕ فَلَمَّا کُتِبَ عَلَیۡہِمُ الۡقِتَالُ تَوَلَّوۡا اِلَّا قَلِیۡلًا مِّنۡہُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌۢ بِالظّٰلِمِیۡنَ ﴿۶۴۲﴾
Alam tara ielal malai miem Banieee Israaa'ieela miem ba'die Moesaaa iez qaaloe lie Nabieyyiel lahoemoeb 'as lanaa maliekan noeqaatiel fiee sabieeliellaahie qaala hal 'asaitoem ien koetieba 'alaikoemoel qietaaloe allaa toeqaatieloe qaaloe wa maa lanaaa allaa noeqaatiela fiee sabieeliel laahie wa qad oeghriedjnaa mien dieyaarienaa wa abnaaa'ienaa falammaa koetieba 'alaihiemoel qietaaloe tawallaw iellaa qalieelam mienhoem; wallaahoe 'alieemoem biezzaaliemieen
2:246 Heb je niet nagedacht over de kwestie van de leiders van Israëls kinderen na het heengaan van Moesa? Toen ze tot een profeet van hen zeiden: "Wijs voor ons een koning aan, zodat we op de weg van Allah kunnen strijden". Hij zei: "Is het mogelijk dat als het vechten opgedragen wordt, dat jullie niet zullen vechten?" Ze zeiden: "Waarom zouden we niet op de weg van Allah vechten, terwijl wij van onze woonplaats en van onze kinderen verdreven zijn. Maar toen het vechten werd geboden, keerden ze er van af, behalve een klein aantal onder hen. En Allah is Alleswetend over de onrechtvaardigen.

وَ قَالَ لَہُمۡ نَبِیُّہُمۡ اِنَّ اللّٰہَ قَدۡ بَعَثَ لَکُمۡ طَالُوۡتَ مَلِکًا ؕ قَالُوۡۤا اَنّٰی یَکُوۡنُ لَہُ الۡمُلۡکُ عَلَیۡنَا وَ نَحۡنُ اَحَقُّ بِالۡمُلۡکِ مِنۡہُ وَ لَمۡ یُؤۡتَ سَعَۃً مِّنَ الۡمَالِ ؕ قَالَ اِنَّ اللّٰہَ اصۡطَفٰىہُ عَلَیۡکُمۡ وَ زَادَہٗ بَسۡطَۃً فِی الۡعِلۡمِ وَ الۡجِسۡمِ ؕ وَ اللّٰہُ یُؤۡتِیۡ مُلۡکَہٗ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۷۴۲﴾
Wa qaala lahoem Nabiey yoehoem iennal laaha qad ba'asa lakoem Taaloeta maliekaa; qaaloeo annaa yakoenoe lahoel moelkoe 'alainaa wa nahnoe ahaqqoe bielmoelkie mienhoe wa lam yoe'ta sa'atammienal maal; qaala iennallaahas tafaahoe 'alaikoem wa zaadahoe bastatan fiel'ielmie waldjiesmie wallaahoe yoe'tiee moelkahoe may yashaaa'; wallaahoe Waasie'oen 'Alieem
2:247 En hun profeet zei tot hen: "Voorzeker, Allah heeft Thaloet verheven tot koning. Zei zeiden: "Hoe kan het koningschap voor hem zijn, terwijl wij er meer geschikt voor zijn dan hem? En hij is (zelfs) niet begunstigd met overvloed in rijkdom". Hij zei: "Allah heeft hem gekozen boven jullie en hem rijkelijk laten groeien in kennis en lichaamskracht. En Allah geeft zijn koninkrijk aan wie Hij wil. En Allah is Allesomvattend, Alwetend.

وَ قَالَ لَہُمۡ نَبِیُّہُمۡ اِنَّ اٰیَۃَ مُلۡکِہٖۤ اَنۡ یَّاۡتِیَکُمُ التَّابُوۡتُ فِیۡہِ سَکِیۡنَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ بَقِیَّۃٌ مِّمَّا تَرَکَ اٰلُ مُوۡسٰی وَ اٰلُ ہٰرُوۡنَ تَحۡمِلُہُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۴۲﴾
Wa qaala lahoem Nabieyyoehoem ienna Aayata moelkiehieee ay yaatieyakoemoet Taaboetoe fieehie sakieenatoemmier Rabbiekoem wa baqieyyatoemmiemmaa taraka Aaloe Moesa wa Aaloe Haaroena tahmieloehoel malaaa'iekah; ienna fiee zaalieka la Aayatal lakoem ien koentoem moe'mienieen
2:248 En hun Profeet zei tot hen: "Voorzeker, een teken van zijn koningschap is dat de ark tot jullie zal komen. Daarin bevindt zich kalmte van jouw heer en de nalatenschap van de familie van Moesa en de familie van Haroen. De Engelen zullen hem (de ark) dragen. Voorzeker, daarin zijn duidelijke Tekenen voor jullie, als jullie gelovigen.

فَلَمَّا فَصَلَ طَالُوۡتُ بِالۡجُنُوۡدِ ۙ قَالَ اِنَّ اللّٰہَ مُبۡتَلِیۡکُمۡ بِنَہَرٍ ۚ فَمَنۡ شَرِبَ مِنۡہُ فَلَیۡسَ مِنِّیۡ ۚ وَ مَنۡ لَّمۡ یَطۡعَمۡہُ فَاِنَّہٗ مِنِّیۡۤ اِلَّا مَنِ اغۡتَرَفَ غُرۡفَۃًۢ بِیَدِہٖ ۚ فَشَرِبُوۡا مِنۡہُ اِلَّا قَلِیۡلًا مِّنۡہُمۡ ؕ فَلَمَّا جَاوَزَہٗ ہُوَ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَہٗ ۙ قَالُوۡا لَا طَاقَۃَ لَنَا الۡیَوۡمَ بِجَالُوۡتَ وَ جُنُوۡدِہٖ ؕ قَالَ الَّذِیۡنَ یَظُنُّوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّلٰقُوا اللّٰہِ ۙ کَمۡ مِّنۡ فِئَۃٍ قَلِیۡلَۃٍ غَلَبَتۡ فِئَۃً کَثِیۡرَۃًۢ بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ مَعَ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۹۴۲﴾
Falammaa fasala Taaloetoe bieldjoenoedie qaala iennal laaha moebtalieekoem bienaharien faman sharieba mienhoe falaisa mienniee wa mallam yat'amhoe fa iennahoe miennieee iellaa maniegh tarafa ghoerfatam bieyadieh; fasharieboe mienhoe iellaa qalieelammienhoem; falammaa djaawazahoe hoewa wallazieena aamanoe ma'ahoe qaaloe laa taaqata lanal yawma bie djaaloeta wa djoenoedieh; qaalallazieena yazoennoena annahoem moelaaqoel laahie kam mien fie'atien qalieelatien ghalabat fie'atan kasieeratam bie iezniel laah; wallaahoema'as saabierieen
2:249 Toen Thaloet vertrok met zijn troepen, zei hij: "Voorzeker, Allah zal jullie beproeven met een rivier. Wie ervan drinkt zal mij niet vergezellen en wie er niet meer van proeft dan de holte van zijn handpalm, zal met mij zijn. Toen dronken ze (toch) ervan, behalve een klein aantal onder hen. Toen hij met de gelovigen de rivier overstak, zeiden zij: "We hebben vandaag geen kracht tegen Jalut en zijn troepen". Maar degenen, die sterk geloofden dat ze Allah zullen ontmoeten, zeiden: "Hoeveel kleine aantallen wonnen van grote aantallen met het verlof van Allah. En Allah is met de geduldige".

وَ لَمَّا بَرَزُوۡا لِجَالُوۡتَ وَ جُنُوۡدِہٖ قَالُوۡا رَبَّنَاۤ اَفۡرِغۡ عَلَیۡنَا صَبۡرًا وَّ ثَبِّتۡ اَقۡدَامَنَا وَ انۡصُرۡنَا عَلَی الۡقَوۡمِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۰۵۲﴾
Wa lammaa barazoe liedjaaloeta wa djoenoediehiee qaaloe Rabbanaaa afriegh 'alainaa sabraw wa sabbiet aqdaamanaa wansoernaa 'alal qawmiel kaafierieen
2:250 Toen ze verder gingen om Djaloet en zijn troepen te bevechten, zeiden zij: "Onze Heer, schenk over ons geduld en maak onze voeten standvastig en help ons tegen het ongelovige volk".

فَہَزَمُوۡہُمۡ بِاِذۡنِ اللّٰہِ ۟ۙ وَ قَتَلَ دَاوٗدُ جَالُوۡتَ وَ اٰتٰىہُ اللّٰہُ الۡمُلۡکَ وَ الۡحِکۡمَۃَ وَ عَلَّمَہٗ مِمَّا یَشَآءُ ؕ وَ لَوۡ لَا دَفۡعُ اللّٰہِ النَّاسَ بَعۡضَہُمۡ بِبَعۡضٍ ۙ لَّفَسَدَتِ الۡاَرۡضُ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ ذُوۡ فَضۡلٍ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۵۲﴾
Fahazamoehoem bie iezniellaahie wa qatala Daawoedoe djaaloeta wa aataahoel laahoelmoelka Wal Hiekmata wa 'allamahoe miemmaa yashaaa'; wa law laa daf'oellaahien naasa ba'dahoem bieba'diel lafasadatiel ardoe wa laakiennal laaha zoe fadlien 'alal'aalamieen
2:251 Dus versloegen ze hen met het verlof van Allah. En Dawoed (David) doodde Djaloet (Goliath). En Allah gaf hem het koningschap en de Wijsheid (het Profeetschap) en onderwees hem wat hij wilde. En als Allah een deel van de mensen niet door een andere deel verstoot (verstoten van macht), dan zou de aarde zeker (in zijn geheel) verdorven zijn. Maar Allah is de voorziener van gunsten voor de werelden.

تِلۡکَ اٰیٰتُ اللّٰہِ نَتۡلُوۡہَا عَلَیۡکَ بِالۡحَقِّ ؕ وَ اِنَّکَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۲۵۲﴾
Tielka Aayaatoel laahie natloehaa 'alaika bielhaqq; wa iennaka lamienal moersalieen (End djoez 2)
2:252 Dit zijn Tekenen van Allah. Wij dragen ze, voor jullie, voor in waarheid. En voorzeker, jij behoort zonder twijfel tot de boodschappers.

تِلۡکَ الرُّسُلُ فَضَّلۡنَا بَعۡضَہُمۡ عَلٰی بَعۡضٍ ۘ مِنۡہُمۡ مَّنۡ کَلَّمَ اللّٰہُ وَ رَفَعَ بَعۡضَہُمۡ دَرَجٰتٍ ؕ وَ اٰتَیۡنَا عِیۡسَی ابۡنَ مَرۡیَمَ الۡبَیِّنٰتِ وَ اَیَّدۡنٰہُ بِرُوۡحِ الۡقُدُسِ ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ مَا اقۡتَتَلَ الَّذِیۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡہُمُ الۡبَیِّنٰتُ وَ لٰکِنِ اخۡتَلَفُوۡا فَمِنۡہُمۡ مَّنۡ اٰمَنَ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ کَفَرَ ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ مَا اقۡتَتَلُوۡا ۟ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَفۡعَلُ مَا یُرِیۡدُ ﴿۳۵۲﴾
Tielkar Roesoeloe faddalnaa ba'dahoem 'alaa ba'd; mienhoem man kallamal laahoe wa rafa'a ba'dahoem daradjaat; wa aatainaa 'Eesab na Maryamal baiyienaatie wa ayyadnaahoe bie Roehiel Qoedoes; wa law shaaa'al laahoe maqtatalal lazieena miemba'diehiem miem ba'die maa djaaa'athoemoel baiyienaatoe wa laakieniegh talafoe famienhoem man aamana wa mienhoem man kafar; wa law shaaa'al laahoe maq tataloe wa laakiennallaaha yaf'aloe maa yoerieed
2:253 Deze zijn de boodschappers. Wij gaven de voorkeur aan sommige van hen boven de andere. Met sommige van hen heeft Allah (direct) gesproken en andere heeft hij verheven in graden. Wij gaven Isa, de zoon van Maryam, de duidelijke bewijzen en we ondersteunde hem met de heilige geest (de engel Gabriël). Als Allah het had gewild, dan zouden degenen na hen (boodschappers), nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen, niet met elkaar vechten. Maar ze twistten, sommigen van hen geloofden en sommigen van hen ontkende de waarheid. En als Allah wilde, zouden ze niet met elkaar vechten, maar Allah doet wat Hij wil.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡفِقُوۡا مِمَّا رَزَقۡنٰکُمۡ مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَ یَوۡمٌ لَّا بَیۡعٌ فِیۡہِ وَ لَا خُلَّۃٌ وَّ لَا شَفَاعَۃٌ ؕ وَ الۡکٰفِرُوۡنَ ہُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۴۵۲﴾
Yaa ayyoehal lazieena aamanoe anfieqoe miemmaa razaqnaakoem mien qablie ay yaatieya yawmoel laa bai'oen fieehiee wa la ghoellatoew wa laa shafaa'ah; walkaa fieroena hoemoez zaaliemoen
2:254 O jullie die geloven! Besteed van hetgeen waarmee Wij jullie hebben voorzien, voordat er een dag komt met geen onderhandeling, geen vriendschap en geen bemiddeling. En de ongelovigen zijn de onrechtvaardigen.

اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَۚ اَلۡحَیُّ الۡقَیُّوۡمُ ۬ۚ لَا تَاۡخُذُہٗ سِنَۃٌ وَّ لَا نَوۡمٌ ؕ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ مَنۡ ذَا الَّذِیۡ یَشۡفَعُ عِنۡدَہٗۤ اِلَّا بِاِذۡنِہٖ ؕ یَعۡلَمُ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ ۚ وَ لَا یُحِیۡطُوۡنَ بِشَیۡءٍ مِّنۡ عِلۡمِہٖۤ اِلَّا بِمَا شَآءَ ۚ وَسِعَ کُرۡسِیُّہُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ ۚ وَ لَا یَـُٔوۡدُہٗ حِفۡظُہُمَا ۚ وَ ہُوَ الۡعَلِیُّ الۡعَظِیۡمُ ﴿۵۵۲﴾
Allahoe laaa ielaaha iellaa Hoewal Haiyoel Qaiyoem; laa taaghoezoehoe sienatoew wa laa nawm; lahoe maa fiessamaawaatie wa maa fiel ard; man zal laziee yashfa'oe iendahoeo iellaa bie-ieznieh; ya'lamoe maa baina aydieehiem wa maa ghalfahoem wa laa yoehieetoena bieshai'iem mien 'ielmiehiee iellaa biemaa shaaa'; wasie'a Koersieyyoehoes samaawaatie wal arda wa laa Ya'oedoehoe hiefzoehoemaa; wa Hoewal Alieyyoel 'Azieem
2:255 Allah, er is geen Deïteit\godheid dan Hem, "Al-Hay"(de Eeuwig Levende, Die geen begin en een einde heeft), "Al-Qayoem" (de Onderhouder, Voorziener, Degenen die de leiding heeft over alles). Sluimer overmant Hem niet, noch slaapt Hij. Tot Hem behoort alles wat in de hemel en aarde is. Is er iemand die bij Hem kan bemiddelen zonder Zijn toestemming? Hij weet wat gaat komen en Hij weet wat geweest is. En ze kunnen niets omvatten van Zijn Kennis, behalve van hetgeen Hij wil. Zijn troon strekt zich uit over de hemelen en de aarde. En het waken over beide vermoeit Hem niet. En Hij is de meest Verhevenen, de meest Supreme.

لَاۤ اِکۡرَاہَ فِی الدِّیۡنِ ۟ۙ قَدۡ تَّبَیَّنَ الرُّشۡدُ مِنَ الۡغَیِّ ۚ فَمَنۡ یَّکۡفُرۡ بِالطَّاغُوۡتِ وَ یُؤۡمِنۡۢ بِاللّٰہِ فَقَدِ اسۡتَمۡسَکَ بِالۡعُرۡوَۃِ الۡوُثۡقٰی ٭ لَا انۡفِصَامَ لَہَا ؕ وَ اللّٰہُ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۶۵۲﴾
Laaa iekraaha fied dieenie qat tabieyanar roeshdoe mienal ghayy; famay yakfoer biet Taaghoetie wa yoe'miem biellaahie faqadies tamsaka biel'oerwatiel woesqaa lan fiesaama lahaa; wallaahoe Samiee'oen 'Alieem
2:256 Er is geen dwang in het geloof. Zeker, het rechte (pad) heeft zich onderscheiden van het slechte. Wie niet in "Taghoet" (alles wat buiten de grenzen van Allah's bepalingen valt, zoals zwarte magie, polytheïsme) gelooft, maar in Allah gelooft, dan heeft hij zeker de sterke houvast gegrepen, die niet zal breken. En Allah is Alhorende, Alwetend,

اَللّٰہُ وَلِیُّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ۙ یُخۡرِجُہُمۡ مِّنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ۬ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَوۡلِیٰٓـُٔہُمُ الطَّاغُوۡتُ ۙ یُخۡرِجُوۡنَہُمۡ مِّنَ النُّوۡرِ اِلَی الظُّلُمٰتِ ؕ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۷۵۲﴾
Allaahoe walieyyoel lazieena aamanoe yoeghriedjoehoem mienaz zoeloemaatie ielan noerie wallazieena kafaroeo awlieyaaa'oehoemoet Taaghoetoe yoeghriedjoenahoem mienan noerie ielaz zoeloemaat; oelaaa'ieka Ashaaboen Naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
2:257 Allah is de beschermende bewaker voor degenen die geloven. Hij brengt hun van het duisternis naar het licht. En degenen die niet geloven, hun bewakers zijn de "Taghoet" (alles wat buiten Allah's bepalingen valt). Ze brengen hen van het licht naar de duisternis. Zij zijn de bewoners van het vuur. Ze zullen daar voor altijd in vertoeven.

اَلَمۡ تَرَ اِلَی الَّذِیۡ حَآجَّ اِبۡرٰہٖمَ فِیۡ رَبِّہٖۤ اَنۡ اٰتٰىہُ اللّٰہُ الۡمُلۡکَ ۘ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ رَبِّیَ الَّذِیۡ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ۙ قَالَ اَنَا اُحۡیٖ وَ اُمِیۡتُ ؕ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ فَاِنَّ اللّٰہَ یَاۡتِیۡ بِالشَّمۡسِ مِنَ الۡمَشۡرِقِ فَاۡتِ بِہَا مِنَ الۡمَغۡرِبِ فَبُہِتَ الَّذِیۡ کَفَرَ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۸۵۲﴾
Alam tara ielal laziee Haaadjdja Ibraahieema fiee Rabbiehieee an aataahoellaahoel moelka iez qaala Ibraahieemoe Rabbieyal laziee yoehyiee wa yoemieetoe qaala ana oehyiee wa oemieetoe qaala Ibraahieemoe fa iennal laaha yaatiee bieshshamsie mienal mashrieqie faatie biehaa mienal maghriebie faboehietal laziee kafar; wallaahoe laa yahdiel qawmaz zaaliemieen
2:258 Heb je degene niet gezien, die met Ibrahiem redetwistte over zijn (Ibrahiem's) Heer, omdat Allah hem het koninkrijk gaf? Toen Ibrahiem zei: "Mijn Heer doet leven en sterven", zei hij: "Ik geef leven en veroorzaak dood". Ibrahiem zei: "Voorzeker, Allah doet de zon opkomen vanuit het oosten. Laat het dan opkomen vanuit het westen". Degene die niet geloofde was met stomheid geslagen (stomverbaasd). En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

اَوۡ کَالَّذِیۡ مَرَّ عَلٰی قَرۡیَۃٍ وَّ ہِیَ خَاوِیَۃٌ عَلٰی عُرُوۡشِہَا ۚ قَالَ اَنّٰی یُحۡیٖ ہٰذِہِ اللّٰہُ بَعۡدَ مَوۡتِہَا ۚ فَاَمَاتَہُ اللّٰہُ مِائَۃَ عَامٍ ثُمَّ بَعَثَہٗ ؕ قَالَ کَمۡ لَبِثۡتَ ؕ قَالَ لَبِثۡتُ یَوۡمًا اَوۡ بَعۡضَ یَوۡمٍ ؕ قَالَ بَلۡ لَّبِثۡتَ مِائَۃَ عَامٍ فَانۡظُرۡ اِلٰی طَعَامِکَ وَ شَرَابِکَ لَمۡ یَتَسَنَّہۡ ۚ وَ انۡظُرۡ اِلٰی حِمَارِکَ وَ لِنَجۡعَلَکَ اٰیَۃً لِّلنَّاسِ وَ انۡظُرۡ اِلَی الۡعِظَامِ کَیۡفَ نُنۡشِزُہَا ثُمَّ نَکۡسُوۡہَا لَحۡمًا ؕ فَلَمَّا تَبَیَّنَ لَہٗ ۙ قَالَ اَعۡلَمُ اَنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۹۵۲﴾
Aw kallaziee marra 'alaa qaryatiew wa hieya ghaawieyatoen 'alaa 'oeroeshiehaa qaala annaa yoehyiee haaziehiel laahoe ba'da mawtiehaa fa amaatahoel laahoe mie'ata 'aamien soemma ba'asahoe qaala kam labiesta qaala labiestoe yawman aw ba'da yawmien qaala bal labiesta mie'ata 'aamien fanzoer ielaa ta'aamieka wa sharaabieka lam yatasannah wanzoer ielaa hiemaarieka wa lienadj'alaka Aayatal liennaasie wanzoer ielal'iezaamie kaifa noenshiezoehaa soemma naksoehaa lahmaa; falammaa tabayyana lahoe qaala a'lamoe annal laaha 'alaa koellie shai'ien Qadieer
2:259 Of netals degene, die een dorp passeerde dat geruïneerd was. Hij zei: "Hoe zal Allah deze tot leven brengen na haar dood?" Toen deed Allah hem sterven voor honderd jaar daarna wekte Hij hem op. Hij (Allah) zei: "Hoelang ben je (hier) gebleven?". Hij zei: "Ik ben (hier) voor een dag of een deel daarvan gebleven". Hij (Allah) zei: "Nee, jij bent 100 jaar hier gebleven. Kijk dan naar jouw eten en drinken, ze zijn niet verandert en kijk naar jouw ezel. En Wij zullen jou tot een teken maken voor de mensen. En kijk naar de botten, hoe Wij hen rangschikken en daarna bedekken met vlees." Nadat het hem duidelijk werd zei hij: "Ik weet dat Allah op elk gebied Almachtig is."

وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہٖمُ رَبِّ اَرِنِیۡ کَیۡفَ تُحۡیِ الۡمَوۡتٰی ؕ قَالَ اَوَ لَمۡ تُؤۡمِنۡ ؕ قَالَ بَلٰی وَ لٰکِنۡ لِّیَطۡمَئِنَّ قَلۡبِیۡ ؕ قَالَ فَخُذۡ اَرۡبَعَۃً مِّنَ الطَّیۡرِ فَصُرۡہُنَّ اِلَیۡکَ ثُمَّ اجۡعَلۡ عَلٰی کُلِّ جَبَلٍ مِّنۡہُنَّ جُزۡءًا ثُمَّ ادۡعُہُنَّ یَاۡتِیۡنَکَ سَعۡیًا ؕ وَ اعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ عَزِیۡزٌ حَکِیۡمٌ ﴿۰۶۲﴾
Wa iez qaala Ibraahieemoe Rabbie arieniee kaifa toehyiel mawtaa qaala awa lam toe'mien qaala balaa wa laakien lieyatma'ienna qalbiee qaala faghoez arba'atan mienat tairie fasoerhoenna ielaika soemmadj 'al 'alaa koellie djabalien mienhoenna djoez'an soemmad'oeoe hoenna ya'tieenaka sa'yaa; wa'lam annal laaha 'Azieezoen Hakieem
2:260 En (heb jij niet gezien) toen Ibrahiem zei: "Mijn Heer, toon mij hoe U de doden doet leven". Hij (Allah) zei: "Heb jij niet geloofd?" Hij zei: "Jawel maar om mijn hart gerust te stellen". Hij zei: "Neem vier vogels en hak ze in stukken. Zet op elk heuvel een deel, roep ze daarna. Ze zullen rennend naar jou toekomen. En weet dat Allah Almachtig, Alwijs is".

مَثَلُ الَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ کَمَثَلِ حَبَّۃٍ اَنۡۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ فِیۡ کُلِّ سُنۡۢبُلَۃٍ مِّائَۃُ حَبَّۃٍ ؕ وَ اللّٰہُ یُضٰعِفُ لِمَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۱۶۲﴾
Masaloel lazieena yoenfieqoena amwaalahoem fiee sabieeliel laahie kamasalie habbatien ambatat sab'a sanaabiela fiee koellie soemboelatiem mie'atoe habbah; wallaahoe yoedaa'iefoe liemay yashaaa; wallaahoe Waasie'oen 'Alieem
2:261 De gelijkenis van degenen die zijn vermogen op de weg van Allah uitgeven, is als een graankorrel die zeven sprietjes voortbrengt met honderd graankorrels in elk sprietje. En Allah vermenigvuldigt voor wie Hij wil. En Allah is Alomvattend, Alwetend.

اَلَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ثُمَّ لَا یُتۡبِعُوۡنَ مَاۤ اَنۡفَقُوۡا مَنًّا وَّ لَاۤ اَذًی ۙ لَّہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۲۶۲﴾
Allazieena yoenfieqoena amwaalahoem fiee sabieeliellaahie soemma laa yoetbie'oena maaa anfaqoe mannaw wa laaa azal lahoem adjroehoem 'ienda Rabbiehiem; wa laa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
2:262 Degenen die zijn vermogen op de Weg van Allah uitgeven en niet opscheppen over de vrijgevigheid en niet kwetsen, hun beloning is bij hun Heer. Er zal geen angst op hen zijn, noch zullen ze treuren.

قَوۡلٌ مَّعۡرُوۡفٌ وَّ مَغۡفِرَۃٌ خَیۡرٌ مِّنۡ صَدَقَۃٍ یَّتۡبَعُہَاۤ اَذًی ؕ وَ اللّٰہُ غَنِیٌّ حَلِیۡمٌ ﴿۳۶۲﴾
Qawloem ma'roefoew wa maghfieratoen ghairoem mien sadaqatiey yatba'oehaaa azaa; wallaahoe Ghanieyyoen Halieem
2:263 Een vriendelijke woord en het vragen om vergeving zijn beter dan het geven van een gift gevolgd door kwetsing. En Allah is de Bezitter van alles, Al-Haliem (de meest Verdraagzame).

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تُبۡطِلُوۡا صَدَقٰتِکُمۡ بِالۡمَنِّ وَ الۡاَذٰی ۙ کَالَّذِیۡ یُنۡفِقُ مَالَہٗ رِئَآءَ النَّاسِ وَ لَا یُؤۡمِنُ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِؕ فَمَثَلُہٗ کَمَثَلِ صَفۡوَانٍ عَلَیۡہِ تُرَابٌ فَاَصَابَہٗ وَابِلٌ فَتَرَکَہٗ صَلۡدًا ؕ لَا یَقۡدِرُوۡنَ عَلٰی شَیۡءٍ مِّمَّا کَسَبُوۡا ؕ وَ اللّٰہُ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۶۲﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe laa toebtieloe sadaqaatiekoem bielmannie wal azaa kallaziee yoenfieqoe maalahoe rie'aaa'an naasie wa laa yoe'mienoe biellaahie wal yawmiel aaghierie famasaloehoe kamasalie safwaanien 'alaihie toeraaboen fa asaabahoe waabieloen fatara kahoe saldaa; laa yaqdieroena 'alaa shai'iem miemmaa kasaboe; wallaahoe laa yahdiel qawmal kaafierieen
2:264 O jullie die geloven: maak jullie giften niet vruchteloos door op te scheppen over de vrijgevigheid of door kwetsing of net als degene die zijn voorziening uitgeeft om gezien te worden bij de mensen en die niet in Allah en de laatste dag gelooft. Zijn gelijkenis is dat van een gladde rots met aarde erop, waarop zware regen valt en het dan kaal achter laat. Ze zijn niet in staat om iets uit hun werk te verkrijgen. En Allah leidt het ongelovige volk niet.

وَ مَثَلُ الَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمُ ابۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ اللّٰہِ وَ تَثۡبِیۡتًا مِّنۡ اَنۡفُسِہِمۡ کَمَثَلِ جَنَّۃٍۭ بِرَبۡوَۃٍ اَصَابَہَا وَابِلٌ فَاٰتَتۡ اُکُلَہَا ضِعۡفَیۡنِ ۚ فَاِنۡ لَّمۡ یُصِبۡہَا وَابِلٌ فَطَلٌّ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۵۶۲﴾
Wa masaloel lazieena yoenfieqoena amwaalahoe moebtieghaaa'a mardaatiel laahie wa tasbieetam mien anfoesiehiem kamasalie djannatiem bierabwatien asaabahaa waabieloen fa aatat oekoelahaa die'fainie fa iel lam yoesiebhaa waabieloen fatall; wallaahoe biemaa ta'maloena Basieer
2:265 En de gelijkenis van degenen die hun vermogen uitgeeft om Allah's tevredenheid te krijgen en om de 'Nafs' (eigen ik) te versterken, is als een tuin op een hoogte, waarop zware regen valt, zodat het een dubbele oogst voortbrengt. Als er geen regen opvalt, dan is motregen voldoende. En Allah is Alziende over wat jullie doen.

اَیَوَدُّ اَحَدُکُمۡ اَنۡ تَکُوۡنَ لَہٗ جَنَّۃٌ مِّنۡ نَّخِیۡلٍ وَّ اَعۡنَابٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۙ لَہٗ فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ ۙ وَ اَصَابَہُ الۡکِبَرُ وَ لَہٗ ذُرِّیَّۃٌ ضُعَفَآءُ ۪ۖ فَاَصَابَہَاۤ اِعۡصَارٌ فِیۡہِ نَارٌ فَاحۡتَرَقَتۡ ؕ کَذٰلِکَ یُبَیِّنُ اللّٰہُ لَکُمُ الۡاٰیٰتِ لَعَلَّکُمۡ تَتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۶۶۲﴾
Ayawaddoe ahadoekoem an takoena lahoe djannatoem mien naghieeliew wa a'naabien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe lahoe fieehaa mien koellies samaraatie wa asaabahoel kiebaroe wa lahoe zoerrieyyatoen doe'afaaa'oe fa asaabahaaa ie'saaroen fieehie naaroen fahtaraqat; kazaalieka yoebaiyienoel laahoe lakoemoel aayaatie la'allakoem tatafakkaroen
2:266 Wenst een ieder van jullie dat er een tuin met dadelpalmen, druiven en allerlei andere soorten vruchten voor hem is. Met daaronder rivieren die stromen. En de oude leeftijd overvalt hem, terwijl zijn kinderen zwak zijn. Vervolgens komt er een vuurtornado, die het (de tuin) verbrandt. Allah maakt de tekenen aan jullie duidelijk, zodat jullie erover kunnen nadenken.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡفِقُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا کَسَبۡتُمۡ وَ مِمَّاۤ اَخۡرَجۡنَا لَکُمۡ مِّنَ الۡاَرۡضِ ۪ وَ لَا تَیَمَّمُوا الۡخَبِیۡثَ مِنۡہُ تُنۡفِقُوۡنَ وَ لَسۡتُمۡ بِاٰخِذِیۡہِ اِلَّاۤ اَنۡ تُغۡمِضُوۡا فِیۡہِ ؕ وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ غَنِیٌّ حَمِیۡدٌ ﴿۷۶۲﴾
Yaaa 'ayyoehal lazieena aamanoeo anfieqoe mien taiyiebaatie maa kasabtoem wa miemmaaa aghradjna lakoem mienal ardie wa laa tayammamoel ghabieesa mienhoe toenfieqoena wa lastoem bie aaghiezieehie iellaaa an toeghmiedoe fieeh; wa'lamoeo annal laaha Ghanieyyoen Hamieed
2:267 O jullie die geloven, geef van de goede dingen die jullie verkregen hebben en van wat Wij voor jullie uit de aarde voortgebracht hebben. En kies niet het slechte ervan om uit te geven, terwijl jullie het zelf niet zouden aannemen, behalve met gesloten ogen. En weet dat Allah Zelfvoorzienend, Prijzenswaardig is.

اَلشَّیۡطٰنُ یَعِدُکُمُ الۡفَقۡرَ وَ یَاۡمُرُکُمۡ بِالۡفَحۡشَآءِ ۚ وَ اللّٰہُ یَعِدُکُمۡ مَّغۡفِرَۃً مِّنۡہُ وَ فَضۡلًا ؕ وَ اللّٰہُ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۸۶۲﴾
Ash Shaitaanoe ya'iedoekoemoel faqra wa ya'moeroekoem bielfahshaaa'ie wallaahoe ya'iedoekoem maghfieratam mienhoe wa fadlaa; wallaahoe Waasie'oen 'Alieem
2:268 De satan belooft jullie armoede en beveelt jullie onzedelijkheid te begaan. Terwijl Allah jullie vergiffenis en beloningen van Hem belooft. En Allah is Alomvattend, Alwetend. (Notitie: zie ook 17:29)

یُّؤۡتِی الۡحِکۡمَۃَ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ وَ مَنۡ یُّؤۡتَ الۡحِکۡمَۃَ فَقَدۡ اُوۡتِیَ خَیۡرًا کَثِیۡرًا ؕ وَ مَا یَذَّکَّرُ اِلَّاۤ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿۹۶۲﴾
Yoe'tiel Hiekmata may yashaaa'; wa may yoe'tal Hiekmata faqad oetieya ghairan kasieeraa; wa maa yazzakkaroe iellaaa oeloel albaab
2:269 Hij (Allah) schenkt Wijsheid aan wie Hij wil. En aan wie wijsheid geschonken is, dan is het goede in overvloed aan hem geschonken. En niemand laat zich vermanen dan de bezitters van verstand.

وَ مَاۤ اَنۡفَقۡتُمۡ مِّنۡ نَّفَقَۃٍ اَوۡ نَذَرۡتُمۡ مِّنۡ نَّذۡرٍ فَاِنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُہٗ ؕ وَ مَا لِلظّٰلِمِیۡنَ مِنۡ اَنۡصَارٍ ﴿۰۷۲﴾
Wa maaa anfaqtoem mien nafaqatien aw nazartoem mien nazrien fa iennal laaha ya'lamoeh; wa maa liezzaaliemieena mien ansaar
2:270 En wat jullie ook uitgeven of welke eed jullie afleggen, voorzeker Allah weet ervan. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen enkel helpers.

اِنۡ تُبۡدُوا الصَّدَقٰتِ فَنِعِمَّا ہِیَ ۚ وَ اِنۡ تُخۡفُوۡہَا وَ تُؤۡتُوۡہَا الۡفُقَرَآءَ فَہُوَ خَیۡرٌ لَّکُمۡ ؕ وَ یُکَفِّرُ عَنۡکُمۡ مِّنۡ سَیِّاٰتِکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرٌ ﴿۱۷۲﴾
In toebdoes sadaqaatie fanie'iemmaa hieya wa ien toeghfoehaa wa toe'toehal foeqaraaa'a fahoewa ghayroel lakoem; wa yoekaffieroe 'an-koem mien saiyie aatiekoem; wallaahoe biemaa ta'maloena ghabieer
2:271 Het is goed als jullie de giften openlijk geven. Maar het is beter voor jullie, als jullie het (schenken) geheim houden bij het geven aan de armen. En Hij (Allah) zal jouw slechte daden van jou verwijderen. En Allah is Alwetend over hetgeen jullie doen.

لَیۡسَ عَلَیۡکَ ہُدٰىہُمۡ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ فَلِاَنۡفُسِکُمۡ ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡنَ اِلَّا ابۡتِغَآءَ وَجۡہِ اللّٰہِ ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ یُّوَفَّ اِلَیۡکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ لَا تُظۡلَمُوۡنَ ﴿۲۷۲﴾
Laisa 'alaika hoedaahoem wa laakiennal laaha yahdiee may yashaaa'; wa maa toenfieqoe mien ghairien falie anfoesiekoem; wa maa toenfieqoena iellab tieghaaa'a wadjhiel laah; wa maa toenfieqoe mien ghairiey yoewaffa ielaikoem wa antoem laa toezlamoen
2:272 Hun leiding rust niet op jou (Mohammed), maar Allah leidt wie Hij wil. En wat jullie ook van het goede uitgeven, het is ten goede (de beloning) voor jullie zelf. En jullie geven slechts uit voor het zoeken van het aanzicht van Allah. En wat jullie ook van het goede uitgeven, het zal volledig terug betaald worden. Er zal geen onrecht op jullie worden aangedaan.

لِلۡفُقَرَآءِ الَّذِیۡنَ اُحۡصِرُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ ضَرۡبًا فِی الۡاَرۡضِ ۫ یَحۡسَبُہُمُ الۡجَاہِلُ اَغۡنِیَآءَ مِنَ التَّعَفُّفِ ۚ تَعۡرِفُہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ ۚ لَا یَسۡـَٔلُوۡنَ النَّاسَ اِلۡحَافًا ؕ وَ مَا تُنۡفِقُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ فَاِنَّ اللّٰہَ بِہٖ عَلِیۡمٌ ﴿۳۷۲﴾
Lielfoeqaraaa'iel lazieena oehsieroe fiee sabieeliel laahie laa yastatiee'oena darban fiel ardie yah saboehoemoel djaahieloe aghnieyaaa'a mienat ta'affoefie ta'riefoehoem biesieemaahoem laa yas'aloenan naasa ielhaafaa; wa maa toenfieqoe mien ghairien fa iennal laaha biehiee 'Alieem
2:273 (De giften zijn o.a.) voor de armen die verhindert zijn op de weg van Allah en die niet in staat zijn om te reizen op aarde. Door hun bescheidenheid denken de kortzichtigen dat ze zelfvoorzienend zijn. Je herkent hen bij hun kenmerk dat ze de mensen niet opdringerig vragen. En wat jullie ook van het goede uitgeven, voorzeker Allah is Alwetend erover.

اَلَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ اَمۡوَالَہُمۡ بِالَّیۡلِ وَ النَّہَارِ سِرًّا وَّ عَلَانِیَۃً فَلَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۴۷۲﴾
Allazieena yoenfieqoena amwaalahoem biellailie wan nahaarie sierraw wa 'alaanieyatan falahoem adjroehoem 'ienda Rabbiehiem wa laa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
2:274 Degenen die 's nachts, overdag, in het geheim of openlijk (giften) uitgeven voor hen is hun beloning bij hun Heer. En er zal geen angst op hen rusten, noch zullen ze treuren.

اَلَّذِیۡنَ یَاۡکُلُوۡنَ الرِّبٰوا لَا یَقُوۡمُوۡنَ اِلَّا کَمَا یَقُوۡمُ الَّذِیۡ یَتَخَبَّطُہُ الشَّیۡطٰنُ مِنَ الۡمَسِّ ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَالُوۡۤا اِنَّمَا الۡبَیۡعُ مِثۡلُ الرِّبٰوا ۘ وَ اَحَلَّ اللّٰہُ الۡبَیۡعَ وَ حَرَّمَ الرِّبٰوا ؕ فَمَنۡ جَآءَہٗ مَوۡعِظَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ فَانۡتَہٰی فَلَہٗ مَا سَلَفَ ؕ وَ اَمۡرُہٗۤ اِلَی اللّٰہِ ؕ وَ مَنۡ عَادَ فَاُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۵۷۲﴾
Allazieena yaakoeloenar riebaa laa yaqoemoena iellaa kamaa yaqoemoel laziee yataghabbatoehoesh shaitaanoe mienal mass; zaalieka bie annahoem qaaloeo iennamal bai'oe miesloer riebaa; wa ahallal laahoel bai'a wa harramar riebaa; faman djaaa'ahoe maw'iezatoem mier rabbiehiee fantahaa falahoe maa salafa wa amroehoeo ielal laahie wa man 'aada fa oelaaa 'ieka Ashaaboen naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
2:275 Degenen die rente opvreten, ze zijn niet staat om op te staan behalve als een gedreven gek die opstaat door satans aanraking (pak slag). Dat is vanwege wat ze zeggen: "Alleen de handel is netals de rente". Terwijl Allah de handel toegestaan heeft en de rente verboden heeft. Tot wie dan ook vermaning komt van zijn Heer en hij ziet ervan af (de rente), wat gebeurt is, zijn zaak is bij Allah. En wie het (consumeren van rente) hervat, dan zijn ze de bewoners van het vuur. Ze zullen er voor altijd in vertoeven.

یَمۡحَقُ اللّٰہُ الرِّبٰوا وَ یُرۡبِی الصَّدَقٰتِ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ کُلَّ کَفَّارٍ اَثِیۡمٍ ﴿۶۷۲﴾
Yamhaqoel laahoer riebaa wa yoerbies sadaqaat; wallaahoe laa yoehiebboe koella kaffaarien asieem
2:276 Allah vernietigd de rente en laat de giften toenemen. En Allah houdt niet van elke ondankbare zondenaar.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ وَ اٰتَوُا الزَّکٰوۃَ لَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۚ وَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۷۷۲﴾
Innal lazieena aamanoe wa amieloes saaliehaatie wa aqaamoes salaata wa aatawoez zakaata lahoem adjroehoem 'ienda rabbiehiem wa laa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
2:277 Voorzeker, degenen die geloofden, goede daden verrichtten, het gebed onderhielden en de zakaat gaven, voor hen is de beloning bij hun Heer. En er zal geen angst op hen zijn, noch zullen ze treuren.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوا اللّٰہَ وَ ذَرُوۡا مَا بَقِیَ مِنَ الرِّبٰۤوا اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۷۲﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoet taqoel laaha wa zaroe maa baqieya mienar riebaaa ien koentoem moe'mienieen
2:278 O jullie die geloven, vrees Allah en scheld de rente kwijt, als jullie gelovigen zijn.

فَاِنۡ لَّمۡ تَفۡعَلُوۡا فَاۡذَنُوۡا بِحَرۡبٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ ۚ وَ اِنۡ تُبۡتُمۡ فَلَکُمۡ رُءُوۡسُ اَمۡوَالِکُمۡ ۚ لَا تَظۡلِمُوۡنَ وَ لَا تُظۡلَمُوۡنَ ﴿۹۷۲﴾
Fail lam taf'aloe faazanoe bieharbiem mienal laahie wa Rasoeliehiee wa ien toebtoem falakoem roe'oesoe amwaaliekoem laa tazliemoena wa laa toezlamoen
2:279 En als jullie (dit) niet doen, wees op de hoogte van een oorlog met Allah en zijn boodschapper. En als jullie berouw hebben dan is (slechts) jouw (verleende) kapitaal voor jou. Doe geen onrecht aan en er zal jullie geen onrecht worden aangedaan.

وَ اِنۡ کَانَ ذُوۡ عُسۡرَۃٍ فَنَظِرَۃٌ اِلٰی مَیۡسَرَۃٍ ؕ وَ اَنۡ تَصَدَّقُوۡا خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۰۸۲﴾
Wa ien kaana zoe 'oesratien fanazieratoen ielaa maisarah; wa an tasaddaqoe ghairoel lakoem ien koentoem ta'lamoen
2:280 En als de schuldenaar in moeilijkheden verkeert, stel het (de betaling) uit tot gemak. En als jullie het kwijtschelden tot gift, dan is dat beter voor julliezelf, als jullie het (maar) zouden weten.

وَ اتَّقُوۡا یَوۡمًا تُرۡجَعُوۡنَ فِیۡہِ اِلَی اللّٰہِ ٭۟ ثُمَّ تُوَفّٰی کُلُّ نَفۡسٍ مَّا کَسَبَتۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۱۸۲﴾
Wattaqoe yawman toerdja'oena fieehie ielal laahie soemma toewaffaa koelloe nafsiem maa kasabat wa hoem laa yoezlamoen
2:281 En vrees een Dag waarop jullie tot Allah worden terug gebracht. Elke 'Nafs' (persoon/eigen ik) zal dan volledig worden uitbetaald voor wat ze verdiend heeft. En ze zullen niet onrechtvaardig worden behandeld.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِذَا تَدَایَنۡتُمۡ بِدَیۡنٍ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی فَاکۡتُبُوۡہُ ؕ وَ لۡیَکۡتُبۡ بَّیۡنَکُمۡ کَاتِبٌۢ بِالۡعَدۡلِ ۪ وَ لَا یَاۡبَ کَاتِبٌ اَنۡ یَّکۡتُبَ کَمَا عَلَّمَہُ اللّٰہُ فَلۡیَکۡتُبۡ ۚ وَ لۡیُمۡلِلِ الَّذِیۡ عَلَیۡہِ الۡحَقُّ وَ لۡیَتَّقِ اللّٰہَ رَبَّہٗ وَ لَا یَبۡخَسۡ مِنۡہُ شَیۡئًا ؕ فَاِنۡ کَانَ الَّذِیۡ عَلَیۡہِ الۡحَقُّ سَفِیۡہًا اَوۡ ضَعِیۡفًا اَوۡ لَا یَسۡتَطِیۡعُ اَنۡ یُّمِلَّ ہُوَ فَلۡیُمۡلِلۡ وَلِیُّہٗ بِالۡعَدۡلِ ؕ وَ اسۡتَشۡہِدُوۡا شَہِیۡدَیۡنِ مِنۡ رِّجَالِکُمۡ ۚ فَاِنۡ لَّمۡ یَکُوۡنَا رَجُلَیۡنِ فَرَجُلٌ وَّ امۡرَاَتٰنِ مِمَّنۡ تَرۡضَوۡنَ مِنَ الشُّہَدَآءِ اَنۡ تَضِلَّ اِحۡدٰىہُمَا فَتُذَکِّرَ اِحۡدٰىہُمَا الۡاُخۡرٰی ؕ وَ لَا یَاۡبَ الشُّہَدَآءُ اِذَا مَا دُعُوۡا ؕ وَ لَا تَسۡـَٔمُوۡۤا اَنۡ تَکۡتُبُوۡہُ صَغِیۡرًا اَوۡ کَبِیۡرًا اِلٰۤی اَجَلِہٖ ؕ ذٰلِکُمۡ اَقۡسَطُ عِنۡدَ اللّٰہِ وَ اَقۡوَمُ لِلشَّہَادَۃِ وَ اَدۡنٰۤی اَلَّا تَرۡتَابُوۡۤا اِلَّاۤ اَنۡ تَکُوۡنَ تِجَارَۃً حَاضِرَۃً تُدِیۡرُوۡنَہَا بَیۡنَکُمۡ فَلَیۡسَ عَلَیۡکُمۡ جُنَاحٌ اَلَّا تَکۡتُبُوۡہَا ؕ وَ اَشۡہِدُوۡۤا اِذَا تَبَایَعۡتُمۡ ۪ وَ لَا یُضَآرَّ کَاتِبٌ وَّ لَا شَہِیۡدٌ ۬ؕ وَ اِنۡ تَفۡعَلُوۡا فَاِنَّہٗ فُسُوۡقٌۢ بِکُمۡ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ وَ یُعَلِّمُکُمُ اللّٰہُ ؕ وَ اللّٰہُ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۲۸۲﴾
Yaa ayyoehal lazieena aamanoe iezaa tadaayantoem biedaiynien ielaa adjaliemmoesamman faktoeboeh; walyaktoeb bainakoem kaatieboem biel'adl; wa laa yaaba kaatieboen ay yaktoeba kamaa 'allamahoel laah; falyaktoeb walyoemlieliel laziee 'alaihiel haqqoe walyattaqiel laaha rabbahoe wa laa yabghas mienhoe shai'aa; fa ien kaanal laziee 'alaihiel haqqoe safieehan aw da'ieefan aw laa yastatiee'oe ay yoemiella hoewa falyoemliel walieyyoehoe biel'adl; wastash hiedoe shahieedainie mier riedjaaliekoem fa iel lam yakoenaa radjoelainie faradjoeloew wamra ataanie miemman tardawna mienash shoehadaaa'ie an tadiella iehdaahoemaa fatoezakkiera iehdaahoemal oeghraa; wa laa yaabash shoehadaaa'oe iezaa maadoe'oe; wa laa tas'amoeo an taktoeboehoe saghieeran awkabieeran ielaaa adjalieh; zaaliekoem aqsatoe 'iendal laahie wa aqwamoe lieshshahaadatie wa adnaaa allaa tartaaboeo iellaaa an takoena tiedjaaratan haadieratan toedieeroenahaa bainakoem falaisa 'alaikoem djoenaahoen allaa taktoeboehan; wa ashiedoeo iezaa tabaaya'toem; wa laa yoedaaarra kaatieboew wa laa shahieed; wa ien taf'aloe fa iennahoe foesoeqoem biekoem; wattaqoel laaha wa yoe'alliemoe koemoel laah; wallaahoe biekoellie shai'ien 'Alieem
2:282 O jullie die geloven, wanneer jullie met elkaar een lening afsluiten voor een vaste termijn, leg het schriftelijk vast. En laat een schrijver voor jullie het in eerlijkheid opschrijven. En een schrijver mag het opschrijven niet weigeren, omdat Allah hem (het schrijven) heeft onderwezen. Laat hem dan noteren en laat degene op wie de schuld ligt dicteren en laat hem Allah, zijn Heer, vrezen. En laat hem niets van de lening verminderen. Als degenen op wie de schuld rust moeite heeft met begrijpen, zwak is of niet in staat is te dicteren, laat dan zijn voogd in eerlijkheid dicteren. En roep twee mannelijke getuigen op (voor het vastleggen van de lening). En als er geen twee mannen zijn, dan één man en twee vrouwen waarvan jullie het eens zijn om ze te laten getuigen, zodat als één van hen zich vergist, de andere haar kan verbeteren. En de getuigen mogen niet weigeren wanneer ze opgeroepen worden. En verzuim het niet om het (de schuld) op te schrijven met de bijbehorende termijn, ook al is het (de schuld) klein of groot. Dat is meer rechtvaardiger bij Allah en het zorgt voor de oprechtheid in de getuigenis en voor geen twijfel tussen jullie. Wanneer het gaat om handel tussen jullie die ter plekke plaats vindt, dan rust er geen zonde op jullie als jullie het niet opschrijven. Maar neem getuigen wanneer jullie een zakelijke overeenkomst aangaan. En de schrijver, noch de getuigen mogen niet benadeeld worden. En als jullie het toch doen, dan voorzeker het is een zondige daad voor jullie. En vrees Allah. En Allah onderwijst en is Alwetend over alles.

وَ اِنۡ کُنۡتُمۡ عَلٰی سَفَرٍ وَّ لَمۡ تَجِدُوۡا کَاتِبًا فَرِہٰنٌ مَّقۡبُوۡضَۃٌ ؕ فَاِنۡ اَمِنَ بَعۡضُکُمۡ بَعۡضًا فَلۡیُؤَدِّ الَّذِی اؤۡتُمِنَ اَمَانَتَہٗ وَ لۡیَتَّقِ اللّٰہَ رَبَّہٗ ؕ وَ لَا تَکۡتُمُوا الشَّہَادَۃَ ؕ وَ مَنۡ یَّکۡتُمۡہَا فَاِنَّہٗۤ اٰثِمٌ قَلۡبُہٗ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ عَلِیۡمٌ ﴿۳۸۲﴾
Wa ien koentoem 'alaa safariew wa lam tadjiedoe kaatieban fariehaanoem maqboedatoen fa ien amiena ba'doekoem ba'dan falyoe'addiel lazie toemiena amaa natahoe walyattaqiel laaha Rabbah; wa laa taktoemoesh shahaadah; wa may yaktoemhaa fa iennahoeo aasiemoen qalboeh; wallaahoe biemaa ta'maloena 'Alieem
2:283 En als jullie op reis zijn en jullie vinden geen schrijver, geef dan een onderpand in de hand. En als een van jullie dan de andere toevertrouwd, laat degenen die vertrouwd wordt zijn vertrouwen waarmaken en Allah, zijn Heer, vrezen. En verberg niet hetgeen waar jullie getuigen van waren. En wie het verbergt dan zeker, zijn hart is zondig. En Allah is Alwetend wat jullie doen.

لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ اِنۡ تُبۡدُوۡا مَا فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ اَوۡ تُخۡفُوۡہُ یُحَاسِبۡکُمۡ بِہِ اللّٰہُ ؕ فَیَغۡفِرُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۴۸۲﴾
Liellaahie maa fiessamaawaatie wa maa fiel ard; wa ien toebdoe maa fieee anfoesiekoem aw toeghfoehoe yoehaasiebkoem biehiel laa; fayaghfieroe lie may yashaaa'oe wa yoe'azzieboe may yashaaa'oe;wallaahoe 'alaa koellie shai ien qadieer
2:284 Aan Allah behoort wat er in de hemelen en wat er op de aarde is. En als jullie onthullen of verbergen wat in julliezelf (harten) is, Allah zal jullie voor verantwoording roepen. Hij zal dan vergeven wie Hij wil of Hij zal straffen wie Hij wil. En Allah is Almachtig over alles.

اٰمَنَ الرَّسُوۡلُ بِمَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡہِ مِنۡ رَّبِّہٖ وَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ؕ کُلٌّ اٰمَنَ بِاللّٰہِ وَ مَلٰٓئِکَتِہٖ وَ کُتُبِہٖ وَ رُسُلِہٖ ۟ لَا نُفَرِّقُ بَیۡنَ اَحَدٍ مِّنۡ رُّسُلِہٖ ۟ وَ قَالُوۡا سَمِعۡنَا وَ اَطَعۡنَا ٭۫ غُفۡرَانَکَ رَبَّنَا وَ اِلَیۡکَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۵۸۲﴾
Aamanar-Rasoeloe biemaaa oenziela ielaihie mier-Rabbiehiee walmoe'mienoen; koelloen aamana biellaahie wa Malaaa'iekathiehiee wa Koetoebhiehiee wa Roesoeliehiee laa noefarrieqoe baina ahadiem-mier-Roesoelieh wa qaaloe samie'naa wa ata'naa ghoefraanaka Rabbanaa wa ielaikal-masieer
2:285 De Boodschapper gelooft in wat aan hem van zijn Heer is geopenbaard en de gelovigen ook. Allen geloven in Allah, in Zijn Engelen, in Zijn Boeken en in Zijn Boodschappers. Wij maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers. En ze zeiden: "Wij hebben gehoord en wij gehoorzamen. Vergeef ons, onze Heer en tot U is ons terugkeer".

لَا یُکَلِّفُ اللّٰہُ نَفۡسًا اِلَّا وُسۡعَہَا ؕ لَہَا مَا کَسَبَتۡ وَ عَلَیۡہَا مَا اکۡتَسَبَتۡ ؕ رَبَّنَا لَا تُؤَاخِذۡنَاۤ اِنۡ نَّسِیۡنَاۤ اَوۡ اَخۡطَاۡنَا ۚ رَبَّنَا وَ لَا تَحۡمِلۡ عَلَیۡنَاۤ اِصۡرًا کَمَا حَمَلۡتَہٗ عَلَی الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِنَا ۚ رَبَّنَا وَ لَا تُحَمِّلۡنَا مَا لَا طَاقَۃَ لَنَا بِہٖ ۚ وَ اعۡفُ عَنَّا ٝ وَ اغۡفِرۡ لَنَا ٝ وَ ارۡحَمۡنَا ٝ اَنۡتَ مَوۡلٰىنَا فَانۡصُرۡنَا عَلَی الۡقَوۡمِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۶۸۲﴾
Laa yoekalliefoel-laahoe nafsan iellaa woes'ahaa; lahaa maa kasabat wa 'alaihaa maktasabat; Rabbanaa laa toe'aaghieznaaa ien nasieenaaa aw aghtaanaa; Rabbanaa wa laa tahmiel-'alainaaa iesran kamaa hamaltahoe 'alal-lazieena mien qablienaa; Rabbanaa wa laa toehammielnaa maa laa taaqata lanaa bieh; wa'foe 'annaa waghfier lanaa warhamnaa; Anta mawlaanaa fansoernaa 'alal qawmiel kaafierieen
2:286 Allah belast een 'Nafs' (persoon / ego) naar zijn capaciteit. Voor hem is (de beloning) door datgeen wat hij heeft verdiend en tegen hem is (de straf) door datgeen hij heeft verdiend. (Zeg:) "Onze Heer verwijt ons niet als wij vergeten of fouten maken. Onze Heer, belast ons niet zoals U degenen vóór ons heeft belast. Onze Heer belast ons niet met wat wij niet kunnen dragen en scheld ons kwijt en vergeef ons en wees ons genadig. U bent onze Meester en help ons tegen het ongelovige volk".


www.heiligekoran.nl