18 Al-Kahf (De grot)
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ عَلٰی عَبۡدِہِ الۡکِتٰبَ وَ لَمۡ یَجۡعَلۡ لَّہٗ عِوَجًا ؕ﴿۱﴾
Alhamdoe liellaahiel lazieee anzala 'alaa 'abdiehiel kietaaba wa lam yadj'al lahoe 'iewadjaa
18:1 Alle dank en lof behoort aan Allah toe, Degenen Die aan zijn dienaar (Mohammed) het Boek heeft neergezonden. En er is geen gebrekkigheid/scheefheid in vermeld.

قَیِّمًا لِّیُنۡذِرَ بَاۡسًا شَدِیۡدًا مِّنۡ لَّدُنۡہُ وَ یُبَشِّرَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ الَّذِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ الصّٰلِحٰتِ اَنَّ لَہُمۡ اَجۡرًا حَسَنًا ۙ﴿۲﴾
Qaiyiemal lieyoenziera ba'asan shadieedam miel ladoenhoe wa yoebashshieral moe'mienieenal lazieena ya'maloenas saaliehaatie anna lahoem adjran hasanaa
18:2 (De Koran is duidelijk en) Rechtdoorzee, om te waarschuwen voor Zijn harde straf. En om het goede nieuws aan te kondigen voor de gelovigen, degenen die goede daden verrichten, dat er voor hen een mooie beloning is (het Paradijs).

مَّاکِثِیۡنَ فِیۡہِ اَبَدًا ۙ﴿۳﴾
Maakiesieena fieehie abadaa
18:3 Waar ze voor altijd in zullen verblijven.

وَّ یُنۡذِرَ الَّذِیۡنَ قَالُوا اتَّخَذَ اللّٰہُ وَلَدًا ٭﴿۴﴾
Wa yoenzieral lazieena qaaloet taghazal laahoe waladaa
18:4 En om degenen te waarschuwen, die zeggen: "Allah heeft een zoon genomen."

مَا لَہُمۡ بِہٖ مِنۡ عِلۡمٍ وَّ لَا لِاٰبَآئِہِمۡ ؕ کَبُرَتۡ کَلِمَۃً تَخۡرُجُ مِنۡ اَفۡوَاہِہِمۡ ؕ اِنۡ یَّقُوۡلُوۡنَ اِلَّا کَذِبًا ﴿۵﴾
Maa lahoem biehiee mien 'ielmiew wa laa lie aabaaa'iehiem; kaboerat kaliematan taghroedjoe mien afwaahiehiem; iey yaqoeloena iellaa kaziebaa
18:5 Echter, ze hebben geen enkel kennis er over, noch hun voorvaders. Zeer slecht zijn de woorden die uit hun monden voortkomen. Ze zeggen niets anders dan leugens.

فَلَعَلَّکَ بَاخِعٌ نَّفۡسَکَ عَلٰۤی اٰثَارِہِمۡ اِنۡ لَّمۡ یُؤۡمِنُوۡا بِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ اَسَفًا ﴿۶﴾
Fala'allaka baaghie'oen nafsaka 'alaaa aasaariehiem iellam yoe'mienoe biehaazal hadieesie asafaa
18:6 (O Mohammed), als ze niet in deze boodschap geloven, misschien zal je jezelf kwellen door verdriet voor hen.

اِنَّا جَعَلۡنَا مَا عَلَی الۡاَرۡضِ زِیۡنَۃً لَّہَا لِنَبۡلُوَہُمۡ اَیُّہُمۡ اَحۡسَنُ عَمَلًا ﴿۷﴾
Innaa dja'alnaa ma 'alal ardie zieenatal lahaa lienabloewahoem ayyoehoem ahsanoe 'amalaa
18:7 Voorzeker, Wij hebben alles wat op de aarde is als een versiering gemaakt om hen te beproeven in welke van hen het beste is in (het verrichten van) goede daden. (Notitie: zie ook 67:2)

وَ اِنَّا لَجٰعِلُوۡنَ مَا عَلَیۡہَا صَعِیۡدًا جُرُزًا ؕ﴿۸﴾
Wa iennaa la djaa'ieloena maa 'alaihaa sa'ieedan djoeroezaa
18:8 En voorzeker, (uiteindelijk) zullen Wij alles er op (op de aarde) met de grond gelijk maken (dag des oordeels). (Notitie: zie ook 55:26)

اَمۡ حَسِبۡتَ اَنَّ اَصۡحٰبَ الۡکَہۡفِ وَ الرَّقِیۡمِ ۙ کَانُوۡا مِنۡ اٰیٰتِنَا عَجَبًا ﴿۹﴾
Am hasiebta anna Ashaabal Kahfie war Raqieemie kaanoe mien Aayaatienaa 'adjabaa
18:9 Of denk jij dat (de gebeurtenis gerelateerd aan) de bewoners van de grot (Al-Kahf) en de Raqim, een wonder was van één van Onze Tekenen? (Notitie: Raqim is de tablet\inscriptie met informatie over de jongeren erop.)

اِذۡ اَوَی الۡفِتۡیَۃُ اِلَی الۡکَہۡفِ فَقَالُوۡا رَبَّنَاۤ اٰتِنَا مِنۡ لَّدُنۡکَ رَحۡمَۃً وَّ ہَیِّیٔۡ لَنَا مِنۡ اَمۡرِنَا رَشَدًا ﴿۰۱﴾
Iz awal fietyatoe ielal Kahfie faqaaloe Rabbanaaa aatienaa miel ladoen-ka rahmataw wa haiyie' lanaa mien amrienaa rashadaa
18:10 Toen de jongeren schuilden in de grot, zeiden ze: "Onze Heer! Schenk ons Uw Barmhartigheid en voorzie ons van rechtvaardigheid in onze zaak."

فَضَرَبۡنَا عَلٰۤی اٰذَانِہِمۡ فِی الۡکَہۡفِ سِنِیۡنَ عَدَدًا ﴿۱۱﴾
Fadarabnaa 'alaaa aazaaniehiem fiel Kahfie senieena 'adadaa
18:11 Dus bedekten Wij hun oren voor een bepaald aantal jaren in de grot.

ثُمَّ بَعَثۡنٰہُمۡ لِنَعۡلَمَ اَیُّ الۡحِزۡبَیۡنِ اَحۡصٰی لِمَا لَبِثُوۡۤا اَمَدًا ﴿۲۱﴾
Soemma ba'asnaahoem liena'lama ayyoel hiezbainie ahsaa liemaa labiesoeo amadaa
18:12 Vervolgens wekten Wij hen op, zodat Wij het duidelijk maken welke van de twee partijen het beste de verbleven periode (in de grot) berekenden.

نَحۡنُ نَقُصُّ عَلَیۡکَ نَبَاَہُمۡ بِالۡحَقِّ ؕ اِنَّہُمۡ فِتۡیَۃٌ اٰمَنُوۡا بِرَبِّہِمۡ وَ زِدۡنٰہُمۡ ہُدًی ﴿۳۱﴾
Nahnoe naqoessoe 'alaika naba ahoem bielhaqq; iennahoem fietyatoen aamanoe bie Rabbiehiem wa ziednaahoem hoedaa
18:13 Wij vertellen jou hun verhaal in waarheid. Voorzeker, zij waren jongeren die in hun Heer geloofden. En Wij deden hen toenemen in leiding.

وَّ رَبَطۡنَا عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ اِذۡ قَامُوۡا فَقَالُوۡا رَبُّنَا رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ لَنۡ نَّدۡعُوَا۠ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اِلٰـہًا لَّقَدۡ قُلۡنَاۤ اِذًا شَطَطًا ﴿۴۱﴾
Wa rabatnaa 'alaa qoeloe biehiem iez qaamoe faqaaloe Rabboenaa Rabboes samaawaatie wal ardie lan nad'oewa mien doeniehieee ielaahal laqad qoelnaaa iezan shatataa
18:14 En Wij maakten hun harten standvastig (in het gedenken en aanbidding van Allah), op het moment dat ze op stonden en zeiden: "Onze Heer, is de Heer van de hemelen en aarde! Nooit zullen we naast Hem een andere deïteit\god aanroepen. Voorzeker, anders zullen we een gigantische zonde uitspreken."

ہٰۤؤُلَآءِ قَوۡمُنَا اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً ؕ لَوۡ لَا یَاۡتُوۡنَ عَلَیۡہِمۡ بِسُلۡطٰنٍۭ بَیِّنٍ ؕ فَمَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا ﴿۵۱﴾
Haaa'oelaaa'ie qawmoenat taghazoe mien doeniehieee aaliehatal law laa yaatoena 'alaihiem biesoeltaaniem baiyien; faman azlamoe miemmanieftaraa 'alal laahie kaziebaa
18:15 "Onze volk heeft naast Hem goden (ter aanbidding) genomen. Waarom komen ze (de goden) dan niet met een duidelijk bewijs voor hen (het volk)? Is er een grotere misdadiger dan iemand die een leugen over Allah verzint?"

وَ اِذِ اعۡتَزَلۡتُمُوۡہُمۡ وَمَا یَعۡبُدُوۡنَ اِلَّا اللّٰہَ فَاۡ وٗۤا اِلَی الۡکَہۡفِ یَنۡشُرۡ لَکُمۡ رَبُّکُمۡ مِّنۡ رَّحۡمَتِہٖ وَیُہَیِّیٔۡ لَکُمۡ مِّنۡ اَمۡرِکُمۡ مِّرۡفَقًا ﴿۶۱﴾
Wa iezie'tazal toemoehoem wa maa ya'boedoena iellal laaha faawoeo ielal kahfie yanshoer lakoem Rabboekoem mier rahmatiehiee wa yoehaiyie' lakoem mien amriekoem mierfaqa
18:16 (Eén van hen zei:) "En als jullie terug (willen) trekken van hen en van wat ze naast Allah aanbidden, schuil dan in de grot. Jullie Heer zal aan jullie Zijn Barmhartigheid schenken en Hij zal jullie zaak vergemakkelijken."

وَ تَرَی الشَّمۡسَ اِذَا طَلَعَتۡ تَّزٰوَرُ عَنۡ کَہۡفِہِمۡ ذَاتَ الۡیَمِیۡنِ وَ اِذَا غَرَبَتۡ تَّقۡرِضُہُمۡ ذَاتَ الشِّمَالِ وَ ہُمۡ فِیۡ فَجۡوَۃٍ مِّنۡہُ ؕ ذٰلِکَ مِنۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ ؕ مَنۡ یَّہۡدِ اللّٰہُ فَہُوَ الۡمُہۡتَدِ ۚ وَ مَنۡ یُّضۡلِلۡ فَلَنۡ تَجِدَ لَہٗ وَلِیًّا مُّرۡشِدًا ﴿۷۱﴾
Wa tarash shamsa iezaa tala'at tazaawaroe 'an kahfiehiem zaatal yamieenie wa iezaa gharabat taqriedoehoem zaatash shiemaalie wa hoem fiee fadjwatiem mienh; zaalieka mien Aayaatiellaah; may yahdiel laahoe fahoewal moehtad, wa may yoedliel falan tadjieda lahoe walieyyam moershiedaa
18:17 En je kon zien dat de zon bij opkomst zich af bewoog van de rechterkant van de grot. En wanneer het onder ging, boog het van hen weg naar de linkerkant. Dit terwijl ze in de open ruimte erin lagen. Dat behoorde tot de tekenen van Allah. Wie Allah leidt, hij wordt geleid (naar het rechte pad) en wie Hij laat dwalen, dan nooit zul je voor hem een helper vinden die hem kan leiden.

وَ تَحۡسَبُہُمۡ اَیۡقَاظًا وَّ ہُمۡ رُقُوۡدٌ ٭ۖ وَّ نُقَلِّبُہُمۡ ذَاتَ الۡیَمِیۡنِ وَ ذَاتَ الشِّمَالِ ٭ۖ وَ کَلۡبُہُمۡ بَاسِطٌ ذِرَاعَیۡہِ بِالۡوَصِیۡدِ ؕ لَوِ اطَّلَعۡتَ عَلَیۡہِمۡ لَوَلَّیۡتَ مِنۡہُمۡ فِرَارًا وَّ لَمُلِئۡتَ مِنۡہُمۡ رُعۡبًا ﴿۸۱﴾
Wa tahsaboehoem ayqaazaw wa hoem roeqoed; wa noeqallieboehoem zaatal yamieenie wa zaatash shiemaalie wa kalboehoem baasietoen zieraa'ayhie bielwasieed; lawiet tala'ta 'alaihiem la wallaita mienhoem fieraaraw wa lamoelie'ta mienhoem roe'ba
18:18 En je zou denken dat ze wakker waren terwijl ze aan het slapen waren. En Wij draaiden hen op hun rechterzijde en op hun linkerzijde en hun hond lag uitgestrekt met zijn voorpoten bij de ingang. Als je hen gezien zou hebben, dan zou je weg rennen van angst voor hen.

وَ کَذٰلِکَ بَعَثۡنٰہُمۡ لِیَتَسَآءَلُوۡا بَیۡنَہُمۡ ؕ قَالَ قَآئِلٌ مِّنۡہُمۡ کَمۡ لَبِثۡتُمۡ ؕ قَالُوۡا لَبِثۡنَا یَوۡمًا اَوۡ بَعۡضَ یَوۡمٍ ؕ قَالُوۡا رَبُّکُمۡ اَعۡلَمُ بِمَا لَبِثۡتُمۡ ؕ فَابۡعَثُوۡۤا اَحَدَکُمۡ بِوَرِقِکُمۡ ہٰذِہٖۤ اِلَی الۡمَدِیۡنَۃِ فَلۡیَنۡظُرۡ اَیُّہَاۤ اَزۡکٰی طَعَامًا فَلۡیَاۡتِکُمۡ بِرِزۡقٍ مِّنۡہُ وَ لۡـیَؔ‍‍‍تَلَطَّفۡ وَ لَا یُشۡعِرَنَّ بِکُمۡ اَحَدًا ﴿۹۱﴾
Wa kazaalieka ba'asnaahoem lieyatasaaa'aloe bainahoem; qaala qaaa'ieloem mienhoem kam labiestoem qaaloe labiesnaa yawman aw ba'da yawm; qaaloe Rabboekoem a'lamoe biemaa labiestoem fab'asoeo ahadakoem biewarieqiekoem haaziehiee ielal madieenatie falyanzoer ayyoehaaa azkaa ta'aaman falyaatiekoem bieriezqiem mienhoe walyatalattaf wa laa yoesh'ieranna biekoem ahadaa
18:19 En vanuit die toestand (van diepe slaap) deden Wij hen weder opstaan, zodat ze elkaar konden ondervragen. Eén van hen zei: "Hoe lang zijn jullie (hier) gebleven?" Ze zeiden: "We zijn (misschien) een dag of een gedeelte van een dag (hier) gebleven." (Uiteindelijk) zeiden ze: "Onze Heer weet alleen hoelang we hier gebleven zijn. Laat één van jullie met deze zilvere munt naar de stad gaan. En laat hem uitzoeken welke voedsel puur (goed en geoorloofd, hallal) is en laat hem daarvan iets meebrengen voor ons*. En laat hem voorzichtig zijn, laat niemand iets over ons te weten komen."

اِنَّہُمۡ اِنۡ یَّظۡہَرُوۡا عَلَیۡکُمۡ یَرۡجُمُوۡکُمۡ اَوۡ یُعِیۡدُوۡکُمۡ فِیۡ مِلَّتِہِمۡ وَ لَنۡ تُفۡلِحُوۡۤا اِذًا اَبَدًا ﴿۰۲﴾
Innahoem iey yazharoe 'alaikoem yardjoemoekoem aw yoe'ieedoekoem fiee miellatiehiem wa lan toefliehoeo iezan abadaa
18:20 Voorzeker, als ze over ons te weten komen, dan zullen ze ons stenigen, of ons bekeren tot hun geloofsopvatting/instructies. We zullen dan nooit slagen.

وَ کَذٰلِکَ اَعۡثَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ لِیَعۡلَمُوۡۤا اَنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ اَنَّ السَّاعَۃَ لَا رَیۡبَ فِیۡہَا ۚ٭ اِذۡ یَتَنَازَعُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ اَمۡرَہُمۡ فَقَالُوا ابۡنُوۡا عَلَیۡہِمۡ بُنۡیَانًا ؕ رَبُّہُمۡ اَعۡلَمُ بِہِمۡ ؕ قَالَ الَّذِیۡنَ غَلَبُوۡا عَلٰۤی اَمۡرِہِمۡ لَنَتَّخِذَنَّ عَلَیۡہِمۡ مَّسۡجِدًا ﴿۱۲﴾
Wa kazaalieka a'sarnaa 'alaihiem lieya'lamoeo anna wa'dal laahie haqqoew wa annas Saa'ata laa raiba fieehaa iez yatanaaza'oena bainahoem amrahoem faqaaloeb noe 'alaihiem boenyaanaa; Rabboehoem a'lamoe biehiem; qaalal lazieena ghalaboe 'alaaa amriehiem lanat taghiezanna 'alaihiem masdjiedaa
18:21 En zo maakten Wij hun geval bekend, zodat ze (de mensen) weten dat de belofte van Allah waar is en dat er geen twijfel is over de dag des oordeel. En gedenk toen ze (de mensen van de stad) onderling over hun geval twistten. Ze zeiden: "Bouw een gebouw/monument over hen. Hun Heer weet het best over hen." Degenen die de overhand hadden, zeiden: "Wij zullen zeker over hen (hun graven) een aanbiddingsplaats/moskee maken."

سَیَقُوۡلُوۡنَ ثَلٰثَۃٌ رَّابِعُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ خَمۡسَۃٌ سَادِسُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ رَجۡمًۢا بِالۡغَیۡبِ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ سَبۡعَۃٌ وَّ ثَامِنُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ ؕ قُلۡ رَّبِّیۡۤ اَعۡلَمُ بِعِدَّتِہِمۡ مَّا یَعۡلَمُہُمۡ اِلَّا قَلِیۡلٌ ۬۟ فَلَا تُمَارِ فِیۡہِمۡ اِلَّا مِرَآءً ظَاہِرًا ۪ وَّ لَا تَسۡتَفۡتِ فِیۡہِمۡ مِّنۡہُمۡ اَحَدًا ﴿۲۲﴾
Sa yaqoeloena salaasatoer raabie'oehoem kalboehoem wa yaqoeloena ghamsatoen saadiesoehoem kalboehoem radjmam bielghaib; wa yaqoeloena sab'atoew wa saamienoehoem kalboehoem; qoer Rabbieee a'lamoe bie'ieddatiehiem maa ya'lamoehoem iellaa qalieel; falaa toemaarie fieehiem iellaa mieraaa'an zaahieraw wa laa tastaftie fieehiem mienhoem ahadaa
18:22 Ze zeggen: "(Het waren er) drie, hun vierde was hun hond." En anderen zeggen: "(Het waren er) vijf, hun zesde was hun hond." Ze gissen over het onbekende. En weer anderen zeggen: "(Het waren er) zeven, hun achtste was hun hond." Zeg: "Mijn Heer kent hun aantal het beste. Alleen een enkeling kent hun (aantal). Dus discussieer er niet over, behalve als er een duidelijk argument gebruikt wordt. En win geen informatie over hen in bij iemand.

وَ لَا تَقُوۡلَنَّ لِشَایۡءٍ اِنِّیۡ فَاعِلٌ ذٰلِکَ غَدًا ﴿۳۲﴾
Wa laa taqoelanna lieshai'ien ienniee faa'ieloen zaalieka ghadaa
18:23 En zeg niet over iets: "Voorzeker, ik zal dat morgen doen."

اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ ۫ وَ اذۡکُرۡ رَّبَّکَ اِذَا نَسِیۡتَ وَ قُلۡ عَسٰۤی اَنۡ یَّہۡدِیَنِ رَبِّیۡ لِاَقۡرَبَ مِنۡ ہٰذَا رَشَدًا ﴿۴۲﴾
Illaaa ay yashaaa'al laah; wazkoer Rabbaka iezaa nasieeta wa qoel 'asaaa ay yahdieyanie Rabbiee lie aqraba mien haazaa rashadaa
18:24 Maar zeg (erbij): "In Sha Allah (Indien Allah het wil)." En gedenk je Heer indien je het vergeet, en zeg: "Hopelijk zal mijn Heer me leiden naar het rechte pad. (zie ook 1:6)" (Notitie: In Sha Allah, wordt gebruikt om aan te duiden, dat alles wat in de toekomst gebeurt dat het met de kracht en wil van Allah gebeurt.)

وَ لَبِثُوۡا فِیۡ کَہۡفِہِمۡ ثَلٰثَ مِائَۃٍ سِنِیۡنَ وَ ازۡدَادُوۡا تِسۡعًا ﴿۵۲﴾
Wa labiesoe fiee kahfiehiem salaasa mie'atien sienieena wazdaadoe ties'aa
18:25 En ze verbleven driehonderd jaar in hun grot, vermeerderd met negen.

قُلِ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا لَبِثُوۡا ۚ لَہٗ غَیۡبُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ اَبۡصِرۡ بِہٖ وَ اَسۡمِعۡ ؕ مَا لَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہٖ مِنۡ وَّلِیٍّ ۫ وَّ لَا یُشۡرِکُ فِیۡ حُکۡمِہٖۤ اَحَدًا ﴿۶۲﴾
Qoeliel laahoe a'lamoe biemaa labiesoe lahoe ghaiboes samaawaatie wal ardie absier biehiee wa asmie'; maa lahoem mien doeniehiee miew walieyyiew wa laa yoeshriekoe fiee hoekmiehiee ahadaa
18:26 Zeg: "Allah weet het best hoelang ze er verbleven. Aan Hem behoort het ongeziene van de hemelen en de aarde. Wat is Hij scherp-ziend en wat is Hij scherp-horend! Ze hebben buiten hem geen beschermer en Hij deelt zijn oordeel met niemand."

وَ اتۡلُ مَاۤ اُوۡحِیَ اِلَیۡکَ مِنۡ کِتَابِ رَبِّکَ ۚؕ لَا مُبَدِّلَ لِکَلِمٰتِہٖ ۚ۟ وَ لَنۡ تَجِدَ مِنۡ دُوۡنِہٖ مُلۡتَحَدًا ﴿۷۲﴾
Watloe maaa oehieya ielaika mien Kietaabie Rabbieka laa moebaddiela lie Kaliemaatiehiee wa lan tadjieda mien doeniehiee moeltahadaa
18:27 En reciteer wat aan jou geopenbaard is van het boek van jouw Heer. Niemand kan Zijn woorden veranderen. En nooit zul je een (andere) toevlucht vinden behalve Hem. (Notitie: zie ook 9:118.)

وَ اصۡبِرۡ نَفۡسَکَ مَعَ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ رَبَّہُمۡ بِالۡغَدٰوۃِ وَ الۡعَشِیِّ یُرِیۡدُوۡنَ وَجۡہَہٗ وَ لَا تَعۡدُ عَیۡنٰکَ عَنۡہُمۡ ۚ تُرِیۡدُ زِیۡنَۃَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ لَا تُطِعۡ مَنۡ اَغۡفَلۡنَا قَلۡبَہٗ عَنۡ ذِکۡرِنَا وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ وَ کَانَ اَمۡرُہٗ فُرُطًا ﴿۸۲﴾
Wasbier nafsaka ma'al lazieena yad'oena Rabbahoem bielghadaatie wal'ashieyyie yoerieedoena Wadjhahoe wa laa ta'doe 'aynaaka 'anhoem toerieedoe zieenatal hayaatied doenyaa wa laa toetie' man aghfalnaa qalbahoe 'an ziekrienaa wattaba'a hawaahoe wa kaana amroehoe foeroetaa
18:28 En wees zelf geduldig met degenen die hun Heer in de morgen en de avond aanroepen, wensend naar Zijn aangezicht. En wendt jouw ogen niet af van hen, verlangend naar de versieringen van het wereldse leven. En gehoorzaam niet degenen waarvan Wij de harten onachtzaam hebben gemaakt voor het gedenken van Ons en die zijn verlangens volgt. Zijn zaak vruchteloos.

وَ قُلِ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکُمۡ ۟ فَمَنۡ شَآءَ فَلۡیُؤۡمِنۡ وَّ مَنۡ شَآءَ فَلۡیَکۡفُرۡ ۙ اِنَّاۤ اَعۡتَدۡنَا لِلظّٰلِمِیۡنَ نَارًا ۙ اَحَاطَ بِہِمۡ سُرَادِقُہَا ؕ وَ اِنۡ یَّسۡتَغِیۡثُوۡا یُغَاثُوۡا بِمَآءٍ کَالۡمُہۡلِ یَشۡوِی الۡوُجُوۡہَ ؕ بِئۡسَ الشَّرَابُ ؕ وَ سَآءَتۡ مُرۡتَفَقًا ﴿۹۲﴾
Wa qoeliel haqqoe mier Rabbiekoem faman shaaa'a falyoe'miew wa man shaaa'a falyakfoer; iennaaa a'tadnaa liezzaaliemieena Naaran ahaata biehiem soeraadieqoehaa; wa iey yastaghieesoe yoeghaasoe biemaaa'ien kalmoehlie yashwiel woedjoeh' bie'sash-sharaab; wa saaa'at moertafaqaa
18:29 En zeg: "De waarheid is van jullie Heer, dus wie wil geloven laat hem geloven en wie niet wil geloven laat hem ongelovig blijven." Voorzeker, Wij hebben voor de onrechtplegers het vuur voorbereid, dat hen insluit door zijn muren. En als ze om steun vragen, dan zullen ze een vloeistof net als gesmolten koper/kokende olie krijgen dat gezichten schroeit. Zeer slecht is de drank en wat verschrikkelijk is de rustplaats!

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ اِنَّا لَا نُضِیۡعُ اَجۡرَ مَنۡ اَحۡسَنَ عَمَلًا ﴿۰۳﴾
Innal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie iennaa laa noediee'oe adjra man ahsana 'amalaa
18:30 Wat betreft degenen die geloven en goede daden doen, waarlijk weet dat Wij de beloning van iemand die goede daden verricht niet laten vergaan.

اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہِمُ الۡاَنۡہٰرُ یُحَلَّوۡنَ فِیۡہَا مِنۡ اَسَاوِرَ مِنۡ ذَہَبٍ وَّ یَلۡبَسُوۡنَ ثِیَابًا خُضۡرًا مِّنۡ سُنۡدُسٍ وَّ اِسۡتَبۡرَقٍ مُّتَّکِئِیۡنَ فِیۡہَا عَلَی الۡاَرَآئِکِ ؕ نِعۡمَ الثَّوَابُ ؕ وَ حَسُنَتۡ مُرۡتَفَقًا ﴿۱۳﴾
Oelaaa'ieka lahoem djannaatoe 'Adnien tadjriee mien tahtiehiemoel anhaaroe yoehallawna fieehaa mien asaawiera mien zahabiew wa yalbasoena sieyaaban ghoedram mien soendoesiew wa iestabraqiem moettakie'ieena fieehaa 'alal araaa'iek; nie'mas sawaab; wa hasoenat moertafaqaa
18:31 Voor hun zijn de tuinen van Adn (Eden, het Paradijs) bestemd, waaronder de rivieren stromen. Ze zullen daar met gouden armbanden versierd worden en groene gewaden van fijne zijde en zware brokaat (zijde stof met motieven erin) dragen. Achter over leunend op versierde banken. Voortreffelijk is de beloning en wat een mooie rustplaats!

وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلًا رَّجُلَیۡنِ جَعَلۡنَا لِاَحَدِہِمَا جَنَّتَیۡنِ مِنۡ اَعۡنَابٍ وَّ حَفَفۡنٰہُمَا بِنَخۡلٍ وَّ جَعَلۡنَا بَیۡنَہُمَا زَرۡعًا ﴿۲۳﴾
Wadrieb lahoem masalar radjoelainie dja'alnaa lie ahadiehiemaa djannatainie mien a'naabiew wa hafafnaahoemaa bienaghieliew wa dja'alnaa bainahoemaa zar'aa
18:32 En geef hen het voorbeeld van twee mannen. Wij gaven aan één van hen twee tuinen met daarin druivenstruiken. Wij omheinden ze met dadelpalmen en plaatsten (velden met) gewassen tussen beide in.

کِلۡتَا الۡجَنَّتَیۡنِ اٰتَتۡ اُکُلَہَا وَ لَمۡ تَظۡلِمۡ مِّنۡہُ شَیۡئًا ۙ وَّ فَجَّرۡنَا خِلٰلَہُمَا نَہَرًا ﴿۳۳﴾
Kieltal djannatainie aatat oekoelahaa wa lam tazliem mienhoe shai'aw wa fadjdjarnaa ghie laalahoemaa naharaa
18:33 Elk van de twee tuinen bracht zijn oogst op en faalde op geen enkele manier in iets. Wij deden in beide een rivier ontspringen.

وَّ کَانَ لَہٗ ثَمَرٌ ۚ فَقَالَ لِصَاحِبِہٖ وَ ہُوَ یُحَاوِرُہٗۤ اَنَا اَکۡثَرُ مِنۡکَ مَالًا وَّ اَعَزُّ نَفَرًا ﴿۴۳﴾
Wa kaana lahoe samaroen faqaala liesaahiebiehiee wa hoewa yoehaawieroehoe ana aksaroe mien-ka maalaw wa a'azzoe nafaraa
18:34 Er waren vruchten (in overvloed) voor hem. Dus zei hij tot zijn kameraad tijdens een gesprek met hem: "Ik rijker dan jou en ik ben een man van meer eer dan jij."

وَ دَخَلَ جَنَّتَہٗ وَ ہُوَ ظَالِمٌ لِّنَفۡسِہٖ ۚ قَالَ مَاۤ اَظُنُّ اَنۡ تَبِیۡدَ ہٰذِہٖۤ اَبَدًا ﴿۵۳﴾
Wa daghala djannatahoe wa hoewa zaaliemoel lienafsiehiee qaala maaa azoennoe an tabieeda haaziehieee abadaa
18:35 En hij betrad zijn tuin, terwijl hij zichzelf onrecht aan deed (door zijn hoogmoed). Hij zei: "Ik denk niet dat dit ooit zal vergaan."

وَّ مَاۤ اَظُنُّ السَّاعَۃَ قَآئِمَۃً ۙ وَّ لَئِنۡ رُّدِدۡتُّ اِلٰی رَبِّیۡ لَاَجِدَنَّ خَیۡرًا مِّنۡہَا مُنۡقَلَبًا ﴿۶۳﴾
Wa maaa azoennoes Saa'ata qaaa'iemataw wa la'ier roediettoe ielaa Rabbiee la adjiedanna ghairam mienhaa moenqalabaa
18:36 "En ik denk niet dat de dag des oordeel zal plaats vinden. En als ik toch tot mijn Heer wordt terug gebracht, dan zal ik zeker iets beter vinden dan dit."

قَالَ لَہٗ صَاحِبُہٗ وَ ہُوَ یُحَاوِرُہٗۤ اَکَفَرۡتَ بِالَّذِیۡ خَلَقَکَ مِنۡ تُرَابٍ ثُمَّ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ ثُمَّ سَوّٰىکَ رَجُلًا ﴿۷۳﴾
Qaala lahoe saahieboehoe wa hoewa yoehaawieroehoeo akafarta biellaziee ghalaqaka mien toeraabien soemma mien noetfatien soemma sawwaaka radjoelaa
18:37 Zijn kameraad zei tijdens een gesprek met hem: "Geloof je niet in Degene Die jou vanuit stof schiep tot 'Nutfah' (één enkele cel) en vervolgens jou tot een man vormde?"

لٰکِنَّا۠ ہُوَ اللّٰہُ رَبِّیۡ وَ لَاۤ اُشۡرِکُ بِرَبِّیۡۤ اَحَدًا ﴿۸۳﴾
Laakienaa Hoewal laahoe Rabbiee wa laa oeshriekoe bie Rabbieee ahadaa
18:38 "Maar wat mij betreft, Allah is mijn Heer en ik ken niemand toe aan mijn Heer (voor het aanbidden van Hem)."

وَ لَوۡ لَاۤ اِذۡ دَخَلۡتَ جَنَّتَکَ قُلۡتَ مَا شَآءَ اللّٰہُ ۙ لَا قُوَّۃَ اِلَّا بِاللّٰہِ ۚ اِنۡ تَرَنِ اَنَا اَقَلَّ مِنۡکَ مَالًا وَّ وَلَدًا ﴿۹۳﴾
Wa law laaa iez daghalta djannataka qoelta maa shaaa'al laahoe laa qoewwata iellaa biellaah; ien taranie ana aqalla mien-ka maalaw wa waladaa
18:39 "En toen jij jouw tuin betrad, waarom heb je niet gezegd: " 'Ma Sha Allah, La Qoew Wata Illa Billah' (Wat Allah wil dat zal gebeuren, er is geen kracht dan de kracht van Allah). Als jij me ziet als minder dan jou op het gebied van bezit en kinderen,

فَعَسٰی رَبِّیۡۤ اَنۡ یُّؤۡتِیَنِ خَیۡرًا مِّنۡ جَنَّتِکَ وَ یُرۡسِلَ عَلَیۡہَا حُسۡبَانًا مِّنَ السَّمَآءِ فَتُصۡبِحَ صَعِیۡدًا زَلَقًا ﴿۰۴﴾
Fa'asaa Rabieee ay yoe'tieyanie ghairam mien djannatieka wa yoersiela 'alaihaa hoesbaanam mienas samaaa'ie fatoesbieha sa'ieedan zalaqaa
18:40 het kan zijn dat mijn Heer me iets beter zal geven dan jouw tuin. En misschien stuurt Hij een storm met zware regenbui vanuit de hemel erop, zodat het slipperige grond wordt.

اَوۡ یُصۡبِحَ مَآؤُہَا غَوۡرًا فَلَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ لَہٗ طَلَبًا ﴿۱۴﴾
Aw yoesbieha maaa'oehaaa ghawran falan tastatiee'a lahoe talabaa
18:41 Of dat haar water diep in de aarde wegvloeit, zodat je het (water) nooit meer kan vinden." (Notitie: Ma Sha Allah, wordt gezegd om dankbaarheid te tonen aan Allah voor iets moois gerelateerd aan een object, persoon of een gebeurtenis. Tevens vraag je, door Ma Sha Allah te zeggen, Allah om datgeen te beschermen.)

وَ اُحِیۡطَ بِثَمَرِہٖ فَاَصۡبَحَ یُقَلِّبُ کَفَّیۡہِ عَلٰی مَاۤ اَنۡفَقَ فِیۡہَا وَ ہِیَ خَاوِیَۃٌ عَلٰی عُرُوۡشِہَا وَ یَقُوۡلُ یٰلَیۡتَنِیۡ لَمۡ اُشۡرِکۡ بِرَبِّیۡۤ اَحَدًا ﴿۲۴﴾
Wa oehieeta biesamariehiee faasbaha yoeqallieboe kaffaihie 'alaa maaa anfaqa fieehaa wa hieya ghaawieyatoen 'alaa 'oeroeshiehaa wa yaqoeloe yaalaitaniee lam oeshriek bie Rabbieee ahadaa
18:42 En zijn vruchten waren omringd (door vernietiging). Dus begon hij (te piekeren en) in zijn handen te wrijven over wat hij eraan had uitgegeven, omdat ze (de tuinen) nu tot de bodem toe geruïneerd waren. En hij zei: "O! Had ik maar geen deelgenoot aan mijn Heer toegekend." (Notitie: zie ook 22:45)

وَ لَمۡ تَکُنۡ لَّہٗ فِئَۃٌ یَّنۡصُرُوۡنَہٗ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ مَا کَانَ مُنۡتَصِرًا ﴿۳۴﴾
Wa lam takoel lahoe fie'atoey yansoeroenahoe mien doeniel laahie wa maa kaana moentasieraa
18:43 En er was geen groep (mensen) om hem te helpen, behalve Allah zelf. Noch kon hij zichzelf helpen.

ہُنَالِکَ الۡوَلَایَۃُ لِلّٰہِ الۡحَقِّ ؕ ہُوَ خَیۡرٌ ثَوَابًا وَّ خَیۡرٌ عُقۡبًا ﴿۴۴﴾
Hoenaaliekal walaayatoe liellaahiel haqq; hoewa ghairoen sawaabaw wa ghairoen 'oeqbaa
18:44 Daar (op de dag des oordeel) zal de absolute autoriteit (alleen) van Allah zijn, de Ware deïteit/godeljkheid. Hij is het beste (doel) om te zoeken naar een beloning en de beste eindbestemming. (Notitie: zie ook 1:4, 40:16)

وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا کَمَآءٍ اَنۡزَلۡنٰہُ مِنَ السَّمَآءِ فَاخۡتَلَطَ بِہٖ نَبَاتُ الۡاَرۡضِ فَاَصۡبَحَ ہَشِیۡمًا تَذۡرُوۡہُ الرِّیٰحُ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ مُّقۡتَدِرًا ﴿۵۴﴾
Wadrieb lahoem masalal hayaatied doenyaa kamaaa'ien anzalnaahoe mienas samaaa'ie faghtalata biehiee nabaatoel ardie fa asbaha hashieeman tazroe hoer rieyaah; wa kaanal laahoe 'alaa koellie shai'iem moeqtadieraa
18:45 En geef hen de vergelijking van het wereldse leven. Het is als water dat Wij uit de hemel neerdalen. Vervolgens, vermengt de plantengroei van de aarde zich ermee. Welke daarna tot droge stoppels wordt en de wind het verspreidt. En Allah is in staat om alles te doen. (Notitie zie ook: 10:24)

اَلۡمَالُ وَ الۡبَنُوۡنَ زِیۡنَۃُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ الۡبٰقِیٰتُ الصّٰلِحٰتُ خَیۡرٌ عِنۡدَ رَبِّکَ ثَوَابًا وَّ خَیۡرٌ اَمَلًا ﴿۶۴﴾
Almaaloe walbanoena zieenatoel hayaatied doenya wal baaqieyaatoes saaliehaatoe ghairoen 'ienda Rabbieka sawaabaw wa ghairoen amalaa
18:46 Rijkdom en kinderen zijn (alleen) versieringen van het wereldse leven. Echter, de blijvende goede daden zijn beter voor beloning en hoop bij jouw Heer. (Notitie: "baqiyat as salaat", hier vertaald als goede daden, wordt ook gerefereerd naar het contact maken met Allah door middel van het zeggen van SoebhaanAllah, Alhumdullilah, Allahuakbar.)

وَ یَوۡمَ نُسَیِّرُ الۡجِبَالَ وَ تَرَی الۡاَرۡضَ بَارِزَۃً ۙ وَّ حَشَرۡنٰہُمۡ فَلَمۡ نُغَادِرۡ مِنۡہُمۡ اَحَدًا ﴿۷۴﴾
Wa yawma noesaiyieroel djiebaala wa taral arda baarieza taw wa hasharnaahoem falam noeghaadier mienhoem ahadaa
18:47 En op de dag (dag des oordeel) zullen Wij de bergen verschuiven en je zult de aarde als een geëgaliseerde vlakte zien. Wij zullen hen allen verzamelen en Wij zullen niet één van hen achterlaten.

وَ عُرِضُوۡا عَلٰی رَبِّکَ صَفًّا ؕ لَقَدۡ جِئۡتُمُوۡنَا کَمَا خَلَقۡنٰکُمۡ اَوَّلَ مَرَّۃٍۭ ۫ بَلۡ زَعَمۡتُمۡ اَلَّنۡ نَّجۡعَلَ لَکُمۡ مَّوۡعِدًا ﴿۸۴﴾
Wa 'oeriedoe 'alaa Rabbieka saffaa, laqad djie'toemoenaa kamaa ghalaqnaakoem awala marrah; bal za'amtoem allannadj'ala lakoem maw'iedaa
18:48 En ze zullen voor uw Heer in rijen worden opgesteld. (En er zal gezegd worden): "Voorzeker, jullie zijn tot Ons gekomen zoals Wij jullie de eerste keer schiepen. Nee! Jullie beweerde dat Wij met jullie geen afspraak hadden gemaakt."

وَ وُضِعَ الۡکِتٰبُ فَتَرَی الۡمُجۡرِمِیۡنَ مُشۡفِقِیۡنَ مِمَّا فِیۡہِ وَ یَقُوۡلُوۡنَ یٰوَیۡلَتَنَا مَالِ ہٰذَا الۡکِتٰبِ لَا یُغَادِرُ صَغِیۡرَۃً وَّ لَا کَبِیۡرَۃً اِلَّاۤ اَحۡصٰہَا ۚ وَ وَجَدُوۡا مَا عَمِلُوۡا حَاضِرًا ؕ وَ لَا یَظۡلِمُ رَبُّکَ اَحَدًا ﴿۹۴﴾
Wa woedie'al kietaaboe fataral moedjriemieena moeshfieqieena miemmaa fieehie wa yaqoeloena yaa wailatanaa maa liehaazal kietaabie laa yoeghaadieroe saghiee rataw wa laa kabieeratan iellaaa ahsaahaa; wa wadjadoe maa 'amieloe haadieraa; wa laa yazliemoe Rabboeka ahadaa
18:49 En het boek (met hun daden) zal geplaatst worden. Je zult de misdadigers in angst zien verkeren voor wat er in staat. Ze zullen zeggen: "O, wee ons! Wat is dit voor een boek! Het laat niets kleins of groots weg, het heeft alles opgesomd?!" Ze zullen alles wat ze deden gepresenteerd krijgen. En jouw Heer behandelt niemand onrechtvaardig.

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ کَانَ مِنَ الۡجِنِّ فَفَسَقَ عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہٖ ؕ اَفَتَتَّخِذُوۡنَہٗ وَ ذُرِّیَّتَہٗۤ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِیۡ وَ ہُمۡ لَکُمۡ عَدُوٌّ ؕ بِئۡسَ لِلظّٰلِمِیۡنَ بَدَلًا ﴿۰۵﴾
Wa iez qoelnaa liel malaaa'iekaties djoedoe lie Aadama fasadjadoeo iellaaa Iblieesa kaana mienal djiennie fafasaqa 'an amrie Rabbieh; afatattaghiezoenahoe wa zoerrieyatahoeo awlieyaaa'a mien doeniee wa hoem lakoem 'adoeww; bie'sa liezzaaliemieena badalaa
18:50 En (gedenk) toen Wij tot de Engelen zeiden: "Prostreer voor Adam." Dus prostreerden ze, behalve iblies. Hij is van Djien en kwam in opstand tegen het gebod van zijn Heer. Zullen jullie hem en zijn nakomelingen als Awliya (beschermer, helper, etc.) nemen in plaats van Mij, terwijl ze voor jullie vijanden zijn? Zeer ellendig is de verruiling die de onrechtvaardigen doen!

مَاۤ اَشۡہَدۡتُّہُمۡ خَلۡقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ لَا خَلۡقَ اَنۡفُسِہِمۡ ۪ وَ مَا کُنۡتُ مُتَّخِذَ الۡمُضِلِّیۡنَ عَضُدًا ﴿۱۵﴾
Maaa ash hattoehoem ghalqas samaawaatie wal ardie wa laa ghalqa anfoesiehiem wa maa koentoe moettaghiezal moediellieena 'adoedaa
18:51 Ik maakte hen (alle schepselen) niet tot getuige van de schepping van hemelen en aarde, noch van hun eigen schepping en noch ben ik Degene Die de mislijders als helpers neem.

وَ یَوۡمَ یَقُوۡلُ نَادُوۡا شُرَکَآءِیَ الَّذِیۡنَ زَعَمۡتُمۡ فَدَعَوۡہُمۡ فَلَمۡ یَسۡتَجِیۡبُوۡا لَہُمۡ وَ جَعَلۡنَا بَیۡنَہُمۡ مَّوۡبِقًا ﴿۲۵﴾
Wa Yawma yaqoeloe naadoe shoerakaaa'ie yal lazieena za'amtoem fada'awhoem falam yastadjieeboe lahoem wa dja'alnaa bainahoem maw bieqaa
18:52 En op de dag (des oordeel) zal Hij zeggen: "Roep Mijn deelgenoten, degenen waarop jullie aanspraak deden!" Ze zullen hen aanroepen, maar ze zullen hen niet antwoorden. Wij zullen dan een barrière tussen hen maken.

وَ رَاَ الۡمُجۡرِمُوۡنَ النَّارَ فَظَنُّوۡۤا اَنَّہُمۡ مُّوَاقِعُوۡہَا وَ لَمۡ یَجِدُوۡا عَنۡہَا مَصۡرِفًا ﴿۳۵﴾
Wa ra al moedjriemoenan Naara fazannoeo annahoem moewaaqie'oehaa wa lam yadjiedoe 'anhaa masriefaa
18:53 De misdadigers zullen het vuur zien. En ze zullen beseffen dat ze erin moeten vallen. Ze zullen (namelijk) geen manier vinden om eraan te kunnen ontsnappen.

وَ لَقَدۡ صَرَّفۡنَا فِیۡ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ لِلنَّاسِ مِنۡ کُلِّ مَثَلٍ ؕ وَ کَانَ الۡاِنۡسَانُ اَکۡثَرَ شَیۡءٍ جَدَلًا ﴿۴۵﴾
Wa laqad sarrafnaa fiee haazal qoeraanie liennaasie mien koellie masal; wa kaanal iensaanoe aksara shai'ien djadalaa
18:54 En Voorzeker, Wij hebben in deze Koran allerlei voorbeelden voor de mensen uitgelegd. Echter de mens is over de meeste dingen twistziek.

وَ مَا مَنَعَ النَّاسَ اَنۡ یُّؤۡمِنُوۡۤا اِذۡ جَآءَہُمُ الۡہُدٰی وَ یَسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّہُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ سُنَّۃُ الۡاَوَّلِیۡنَ اَوۡ یَاۡتِیَہُمُ الۡعَذَابُ قُبُلًا ﴿۵۵﴾
Wa maa mana'an naasa ay yoe'mienoeo iez djaaa'ahoemoel hoedaa wa yastaghfieroe Rabbahoem iellaaa an taatieyahoem soennatoel awwalieena aw yaatieyahoemoel 'azaaboe qoeboelaa
18:55 En niets weerhield de mensen om te geloven en om vergiffenis aan hun Heer te vragen toen de leiding tot hen kwam. (Echter de mensen geloven niet,) behalve als de handelwijze komt die de vroegere generaties trof of dat de straf zichtbaar voor hen komt.

وَ مَا نُرۡسِلُ الۡمُرۡسَلِیۡنَ اِلَّا مُبَشِّرِیۡنَ وَ مُنۡذِرِیۡنَ ۚ وَ یُجَادِلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِالۡبَاطِلِ لِیُدۡحِضُوۡا بِہِ الۡحَقَّ وَ اتَّخَذُوۡۤا اٰیٰتِیۡ وَ مَاۤ اُنۡذِرُوۡا ہُزُوًا ﴿۶۵﴾
Wa maa noersieloel moersalieena iellaa moebashshierieena wa moenzierieen; wa yoedjaadieloel lazieena kafaroe bielbaatielie lieyoedhiedoe biehiel haqqa wattaghazoeo Aayaatiee wa maaa oenzieroe hoezoewaa
18:56 En Wij zenden de boodschappers slechts als verkondigers van goede tijdingen en als waarschuwers. En de ongelovigen disputeren met leugens om daarmee de waarheid te bestrijden. En ze bespotten Mijn Tekenen en datgeen waarvoor ze werden gewaarschuwd.

وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنۡ ذُکِّرَ بِاٰیٰتِ رَبِّہٖ فَاَعۡرَضَ عَنۡہَا وَ نَسِیَ مَا قَدَّمَتۡ یَدٰہُ ؕ اِنَّا جَعَلۡنَا عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ اَکِنَّۃً اَنۡ یَّفۡقَہُوۡہُ وَ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ وَقۡرًا ؕ وَ اِنۡ تَدۡعُہُمۡ اِلَی الۡہُدٰی فَلَنۡ یَّہۡتَدُوۡۤا اِذًا اَبَدًا ﴿۷۵﴾
Wa man azlamoe miemman zoekkiera bie ayaatie Rabbiehiee fa-a'rada 'anhaa wa nasieya maa qaddamat yadaah; iennaa dja'alnaa 'alaa qoeloebiehiem akiennatan ay yafqahoehoe wa fieee aazaaniehiem waqraa; wa ien tad'oehoem ielal hoedaa falay yahtadoeo iezan abadaa
18:57 En wie is er meer onrechtvaardig dan degene die herinnerd wordt aan de tekenen van zijn Heer, maar die zich daarvan afwendt? En hij vergeet (dat er gevolgen zijn voor datgeen) wat zijn handen doen. Voorzeker, Wij hebben over hun harten een bedekking aangebracht, zodat ze het niet begrijpen, en in hun oren doofheid. En als jij hen tot leiding roept, dan zullen ze (toch) nooit in de goede richting worden geleid.

وَ رَبُّکَ الۡغَفُوۡرُ ذُو الرَّحۡمَۃِ ؕ لَوۡ یُؤَاخِذُہُمۡ بِمَا کَسَبُوۡا لَعَجَّلَ لَہُمُ الۡعَذَابَ ؕ بَلۡ لَّہُمۡ مَّوۡعِدٌ لَّنۡ یَّجِدُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖ مَوۡئِلًا ﴿۸۵﴾
Wa Rabboekal Ghafoeroe zoer rahmatie law yoe'aaghie zoehoem biemaa kasaboe la'adjala lahoemoel 'azaab; bal lahoem maw'iedoel lay yadjiedoe mien doeniehiee maw'ielaa
18:58 En jouw Heer is Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), de bezitter van de Barmhartigheid. Als Hij hen zou grijpen voor wat ze hebben verdient, dan zou Hij zeker de straf voor hen hebben versneld. Echter, voor hen is er een afspraak (de dag des oordeel). Nooit zullen ze daaraan kunnen ontsnappen.

وَ تِلۡکَ الۡقُرٰۤی اَہۡلَکۡنٰہُمۡ لَمَّا ظَلَمُوۡا وَ جَعَلۡنَا لِمَہۡلِکِہِمۡ مَّوۡعِدًا ﴿۹۵﴾
Wa tielkal qoeraaa ahlak nahoem lammaa zalamoe wa dja'alnaa liemahliekiehiem maw'iedaa
18:59 En dat zijn de steden die Wij vernietigden toen ze onrecht pleegden. Wij hadden een tijdstip bepaald voor hun vernietiging.

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِفَتٰىہُ لَاۤ اَبۡرَحُ حَتّٰۤی اَبۡلُغَ مَجۡمَعَ الۡبَحۡرَیۡنِ اَوۡ اَمۡضِیَ حُقُبًا ﴿۰۶﴾
Wa iez qaalaa Moesaa liefataahoe laaa abrahoe hattaaa abloegha madjma'al bahraynie aw amdieya hoeqoebaa
18:60 En (gedenk) toen Moesa (Mozes) tot zijn knecht zei: "Ik zal niet stoppen voordat ik de samenvloeiing van de twee zeeën bereik, anders zal ik voor een lange tijd doorgaan." (Notitie: de volgende verzen gaan over Moesa die opzoek was naar kennis. Moesa was van mening dat hij de meeste kennis had, omdat hij een profeet was. Echter Allah vertelde hem dat er nog een dienaar was die nog meer kennis had. Mozes vroeg aan Allah om hem naar deze persoon te leiden zodat hij van hem kon leren. Vervolgens gaf Allah instructies dat hij deze persoon kan vinden bij de samenvloeiing van de twee zeeën. Een teken van de plek waar hij deze persoon zal vinden is, is de plek waar hun vis, die ze als voedsel meenemen, weer levend wordt. Volgens de overleveringen heet de persoon waar ze opzoek naar zijn, Al-Khidr.)

فَلَمَّا بَلَغَا مَجۡمَعَ بَیۡنِہِمَا نَسِیَا حُوۡتَہُمَا فَاتَّخَذَ سَبِیۡلَہٗ فِی الۡبَحۡرِ سَرَبًا ﴿۱۶﴾
Falammaa balaghaa madjma'a bainiehiemaa nasieyaa hoetahoemaa fattaghaza sabieelahoe fiel bahrie sarabaa
18:61 Op het moment dat ze de samenvloeiing van beide (zeeën) bereikten, vergaten ze hun vis, die weg glipte en zijn weg naar de zee vond.

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتٰىہُ اٰتِنَا غَدَآءَنَا ۫ لَقَدۡ لَقِیۡنَا مِنۡ سَفَرِنَا ہٰذَا نَصَبًا ﴿۲۶﴾
Falammaa djaawazaa qaala liefataahoe aatienaa ghadaaa'anaa laqad laqieena mien safarienaa haazaa nasabaa
18:62 Toen ze verder gingen en de samenvloeiingen gepasseerd waren, zei hij (Moesa) tegen zijn knecht: "Breng onze middagmaaltijd. Voorzeker, wij zijn door deze reis moe geworden."

قَالَ اَرَءَیۡتَ اِذۡ اَوَیۡنَاۤ اِلَی الصَّخۡرَۃِ فَاِنِّیۡ نَسِیۡتُ الۡحُوۡتَ ۫ وَ مَاۤ اَنۡسٰنِیۡہُ اِلَّا الشَّیۡطٰنُ اَنۡ اَذۡکُرَہٗ ۚ وَ اتَّخَذَ سَبِیۡلَہٗ فِی الۡبَحۡرِ ٭ۖ عَجَبًا ﴿۳۶﴾
Qaala ara'ayta iez awainaaa ielas saghratie fa ienniee nasieetoel hoeta wa maaa ansaanieehoe iellash Shaitaanoe an azkoerah; wattaghaza sabieelahoe fiel bahrie'adjabaa
18:63 Hij (de knecht) zei: "Herinner u nog dat wij op de rots uitrustten?" Toen vergat ik u over de vis te vertellen. Niemand anders dan de satan heeft het me doen vergeten om het te vertellen. Hij vond zijn weg naar de zee op een verbazingwekkende manier."

قَالَ ذٰلِکَ مَا کُنَّا نَبۡغِ ٭ۖ فَارۡتَدَّا عَلٰۤی اٰثَارِہِمَا قَصَصًا ﴿۴۶﴾
Qaala zaalieka maa koennaa nabghie; fartaddaa 'alaa aasaarie hiem maa qasasaa
18:64 Hij (Moesa) zei: "Dat was wat we zochten!" Dus keerden ze terug, door hun voetsporen te volgen.

فَوَجَدَا عَبۡدًا مِّنۡ عِبَادِنَاۤ اٰتَیۡنٰہُ رَحۡمَۃً مِّنۡ عِنۡدِنَا وَ عَلَّمۡنٰہُ مِنۡ لَّدُنَّا عِلۡمًا ﴿۵۶﴾
Fa wadjadaa 'abdam mien 'iebaadienaaa aatainaahoe Rahmatam mien 'iendienaa wa 'allamnaahoe miel ladoennaa 'ielmaa
18:65 Vervolgens vonden ze toen één van Onze dienaren die Wij Onze barmhartigheid hadden gegeven. En Wij hadden hem een bepaalde kennis onderwezen.

قَالَ لَہٗ مُوۡسٰی ہَلۡ اَتَّبِعُکَ عَلٰۤی اَنۡ تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمۡتَ رُشۡدًا ﴿۶۶﴾
Qaala lahoe Moesaa hal attabie'oeka 'alaaa an toe'alliemanie miemmaa 'oelliemta roeshdaa
18:66 Moesa zei tegen hem: "Mag ik u volgen, zodat u me onderwijst wat aan u van het goede is onderwezen?"

قَالَ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۷۶﴾
Qaalaa iennaka lan tastatiee'a ma'ieya sabraa
18:67 Hij zei: "Voorzeker, u zult nooit in staat zijn geduld met me te hebben."

وَ کَیۡفَ تَصۡبِرُ عَلٰی مَا لَمۡ تُحِطۡ بِہٖ خُبۡرًا ﴿۸۶﴾
Wa kaifa tasbieroe 'alaa maa lam toehiet biehiee ghoebraa
18:68 "En hoe kunt u geduld hebben met iets waar u geen enkel kennis van heeft."

قَالَ سَتَجِدُنِیۡۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ صَابِرًا وَّ لَاۤ اَعۡصِیۡ لَکَ اَمۡرًا ﴿۹۶﴾
Qaala satadjiedoenieee ien shaa 'al laahoe saabieraw wa laaa a'siee laka amraa
18:69 Hij (Moesa) zei: "U zult vinden dat ik, indien Allah het wil, geduldig ben en ik zal uw bevelen gehoorzamen."

قَالَ فَاِنِ اتَّبَعۡتَنِیۡ فَلَا تَسۡـَٔلۡنِیۡ عَنۡ شَیۡءٍ حَتّٰۤی اُحۡدِثَ لَکَ مِنۡہُ ذِکۡرًا ﴿۰۷﴾
Qaala fa ieniet taba'taniee falaa tas'alniee 'an shai'ien hattaaa oehdiesa laka mienhoe ziekraa
18:70 Hij zei: "Als u dan toch wenst om mij te volgen, stel me dan geen vragen over iets, zolang ik zelf niet met u erover praat."

فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَا رَکِبَا فِی السَّفِیۡنَۃِ خَرَقَہَا ؕ قَالَ اَخَرَقۡتَہَا لِتُغۡرِقَ اَہۡلَہَا ۚ لَقَدۡ جِئۡتَ شَیۡئًا اِمۡرًا ﴿۱۷﴾
Fantalaqaa hattaaa iezaa rakiebaa fies safieenatie gharaqahaa qaala agharaqtahaa lietoeghrieqa ahlahaa laqad djie'ta shai'an iemraa
18:71 Zo gingen ze allebei op pad. Vervolgens kwamen ze aan boord van een schip waar hij een gat in maakte. Hij (Moesa) zei: "Heeft u een gat er in gemaakt, om de mensen erop te laten zinken? Voorzeker, u heeft iets vreselijks gedaan!"

قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۲۷﴾
Qaala alam aqoel iennaka lan tastatiee'a ma'ieya sabraa
18:72 Hij zei: "Heb ik u niet gezegd dat u nooit in staat zal zijn om geduld met me te hebben?!"

قَالَ لَا تُؤَاخِذۡنِیۡ بِمَا نَسِیۡتُ وَ لَا تُرۡہِقۡنِیۡ مِنۡ اَمۡرِیۡ عُسۡرًا ﴿۳۷﴾
Qaala laa toe'aaghiezniee biemaa nasieetoe wa laa toerhieqniee mien amriee 'oesraa
18:73 Hij (Moesa) zei: "Neem me niet kwalijk dat ik het vergat en maak het me niet moeilijk in mijn verbond met u."

فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَا لَقِیَا غُلٰمًا فَقَتَلَہٗ ۙ قَالَ اَقَتَلۡتَ نَفۡسًا زَکِیَّۃًۢ بِغَیۡرِ نَفۡسٍ ؕ لَقَدۡ جِئۡتَ شَیۡئًا نُّکۡرًا ﴿۴۷﴾
Fantalaqaa hattaa iezaa laqieyaa ghoelaaman faqatalahoe qaala aqatalta nafsan zakiey yatam bieghairie nafs; laqad djie'ta shai'an noekraa (15)
18:74 Vervolgens gingen ze verder, totdat ze een jongen ontmoetten die hij dood maakte. Hij (Moesa) zei: "Doodde u een onschuldige persoon terwijl hij niemand doodde? Voorzeker, u heeft iets vreselijks gedaan!"

قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکَ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۵۷﴾
Qaala alam aqoel laka iennaka lan tastatiee'a ma'ieya sabraa
18:75 Hij zei: "Heb ik u niet gezegd dat u nooit in staat zal zijn om geduld met me te hebben?"

قَالَ اِنۡ سَاَلۡتُکَ عَنۡ شَیۡءٍۭ بَعۡدَہَا فَلَا تُصٰحِبۡنِیۡ ۚ قَدۡ بَلَغۡتَ مِنۡ لَّدُنِّیۡ عُذۡرًا ﴿۶۷﴾
Qaala ien sa altoeka 'an shai'iem ba'dahaa falaa toesaahiebniee qad balaghta miel ladoenniee 'oezraa
18:76 Hij (Moesa) zei: "Als ik u hierna nog iets vraag, neem me dan niet als uw compagnon. Waarlijk, u heeft al een verontschuldiging van me gehad."

فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَتَیَاۤ اَہۡلَ قَرۡیَۃِۣ اسۡتَطۡعَمَاۤ اَہۡلَہَا فَاَبَوۡا اَنۡ یُّضَیِّفُوۡہُمَا فَوَجَدَا فِیۡہَا جِدَارًا یُّرِیۡدُ اَنۡ یَّنۡقَضَّ فَاَقَامَہٗ ؕ قَالَ لَوۡ شِئۡتَ لَتَّخَذۡتَ عَلَیۡہِ اَجۡرًا ﴿۷۷﴾
Fantalaqaa hattaaa iezaaa atayaaa ahla qaryatienies tat'amaaa ahlahaa fa abaw ay yoedaiyiefoehoemaa fawadjadaa fieehaa djiedaaray yoerieedoe ay yanqadda fa aqaamah; qaala law shie'ta lattaghazta 'alaihie adjraa
18:77 Ze gingen dus verder totdat ze bij een stad aankwamen en de mensen om voedsel vroegen. Echter, ze weigerden hen gastvrijheid te geven. Vervolgens, vonden ze daar een muur die dreigde in te storten. Hij zette deze weer recht. Hij (Moesa) zei: "Als u het wilde, dan kon u zeker hiervoor een vergoeding vragen."

قَالَ ہٰذَا فِرَاقُ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنِکَ ۚ سَاُنَبِّئُکَ بِتَاۡوِیۡلِ مَا لَمۡ تَسۡتَطِعۡ عَّلَیۡہِ صَبۡرًا ﴿۸۷﴾
Qaala haazaa fieraaqoe bainiee wa bainiek; sa oenabbie'oeka bie ta'wieelie maa lam tastatie' 'alaihie sabraa
18:78 Hij zei: "Dit is de scheiding tussen mij en u. Ik zal u de uitleg geven over datgeen waar u niet in staat was geduld over te hebben."

اَمَّا السَّفِیۡنَۃُ فَکَانَتۡ لِمَسٰکِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ فِی الۡبَحۡرِ فَاَرَدۡتُّ اَنۡ اَعِیۡبَہَا وَ کَانَ وَرَآءَہُمۡ مَّلِکٌ یَّاۡخُذُ کُلَّ سَفِیۡنَۃٍ غَصۡبًا ﴿۹۷﴾
Ammas safieenatoe fakaanat liemasaakieena ya'maloena fiel bahrie fa arattoe an a'ieebahaa wa kaana waraaa' ahoem maliekoey yaaghoezoe koella safieenatien ghasbaa
18:79 Wat het schip betreft. Het was van arme mensen die op de zee werken. Dus wilde ik het onbruikbaar maken, omdat er een koning daarna zou komen die elke schip gedwongen in beslag zou nemen."

وَ اَمَّا الۡغُلٰمُ فَکَانَ اَبَوٰہُ مُؤۡمِنَیۡنِ فَخَشِیۡنَاۤ اَنۡ یُّرۡہِقَہُمَا طُغۡیَانًا وَّ کُفۡرًا ﴿۰۸﴾
Wa aammal ghoelaamoe fakaana abawaahoe moe'mienainie faghashieenaaa ay yoerhieqa hoemaa toeghyaanaw wa koefraa
18:80 Wat de jongen betreft. Zijn ouders waren gelovig, echter wij waren bang dat hij hen zou dwingen tot het begaan van overtredingen en tot het accepteren van ongeloof.

فَاَرَدۡنَاۤ اَنۡ یُّبۡدِلَہُمَا رَبُّہُمَا خَیۡرًا مِّنۡہُ زَکٰوۃً وَّ اَقۡرَبَ رُحۡمًا ﴿۱۸﴾
Faradnaa ay yoebdiela hoemaa Rabboehoemaa ghairam mienhoe zakaataw wa aqraba roehmaa
18:81 Daarom wilden wij dat hun Heer hem zou verruilen met iemand die beter is in oprechtheid en in barmhartigheid dan dat hij was.

وَ اَمَّا الۡجِدَارُ فَکَانَ لِغُلٰمَیۡنِ یَتِیۡمَیۡنِ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ وَ کَانَ تَحۡتَہٗ کَنۡزٌ لَّہُمَا وَ کَانَ اَبُوۡہُمَا صَالِحًا ۚ فَاَرَادَ رَبُّکَ اَنۡ یَّبۡلُغَاۤ اَشُدَّہُمَا وَ یَسۡتَخۡرِجَا کَنۡزَہُمَا ٭ۖ رَحۡمَۃً مِّنۡ رَّبِّکَ ۚ وَ مَا فَعَلۡتُہٗ عَنۡ اَمۡرِیۡ ؕ ذٰلِکَ تَاۡوِیۡلُ مَا لَمۡ تَسۡطِعۡ عَّلَیۡہِ صَبۡرًا ﴿۲۸﴾
Wa ammal djiedaaroe fakaana lieghoelaamainie yatieemainie fiel madieenatie wa kaana tahtahoe kanzoel lahoemaa wa kaana aboehoemaa saaliehan fa araada Rabboeka ay yabloeghaaa ashoeddahoemaa wa yastaghriedjaa kanzahoemaa rahmatam mier Rabbiek; wa maa fa'altoehoe 'an amriee; zaalieka taawieeloe maa lam tastie' 'alaihie sabra
18:82 En wat de muur betreft, het was bedoeld voor twee weesjongens uit de stad. Eronder lag een schat dat bestemd was voor hen. Hun vader was een oprechte man. Daarom wilde uw Heer dat wanneer ze hun volwassenheid bereikten, ze de schat konden bemachtigen. Dit als een gunst van uw Heer. En ik deed het niet uit mijn eigen wil. Dat is de uitleg van hetgeen waarmee u geen geduld had."

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنۡ ذِی الۡقَرۡنَیۡنِ ؕ قُلۡ سَاَتۡلُوۡا عَلَیۡکُمۡ مِّنۡہُ ذِکۡرًا ﴿۳۸﴾
Wa yas'aloenaka 'an Ziel Qarnainie qoel sa atloe 'alaikoem mienhoe ziekraa
18:83 En ze vragen u over Dzoel-Qarnain. Zeg: "Ik zal jullie wat van zijn historie reciteren."

اِنَّا مَکَّنَّا لَہٗ فِی الۡاَرۡضِ وَ اٰتَیۡنٰہُ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ سَبَبًا ﴿۴۸﴾
Innaa makkannaa lahoe fiel ardie wa aatainaahoe mien koellie shai'ien sababaa
18:84 Wij versterkten zijn positie op aarde en Wij gaven hem de middelen voor alles. (Notitie: Dzoel-Qarnais was van de Muhsinien, iemand die goede daden verricht en betrouwbaar is op basis van Taqwa. Dus gaf Allah hem Zijn barmhartigheid. Zie ook 7:56)

فَاَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۵۸﴾
Fa atba'a sababaa
18:85 Dus volgende een pad en koos een westelijke richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ مَغۡرِبَ الشَّمۡسِ وَجَدَہَا تَغۡرُبُ فِیۡ عَیۡنٍ حَمِئَۃٍ وَّ وَجَدَ عِنۡدَہَا قَوۡمًا ۬ؕ قُلۡنَا یٰذَا الۡقَرۡنَیۡنِ اِمَّاۤ اَنۡ تُعَذِّبَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ تَتَّخِذَ فِیۡہِمۡ حُسۡنًا ﴿۶۸﴾
Hattaaa iezaa balagha maghriebash shamsie wadjadahaaa taghroeboe fiee 'aynien hamie'a tiew wa wadjada 'iendahaa qawmaa; qoelnaa yaa Zal Qarnainie iemmaaa an toe'az zieba wa iemmaaa an tattaghieza fieehiem hoesnaa
18:86 Totdat hij de plek bereikte waar de zon onderging. Hij zag hem (de weerspiegeling van de zon) ondergaan in een bron van modderige (hete) water. Daar in de buurt trof hij een volk aan. Wij zeiden: "O Dzoelqarain! Je kan ze straffen of goed behandelen."

قَالَ اَمَّا مَنۡ ظَلَمَ فَسَوۡفَ نُعَذِّبُہٗ ثُمَّ یُرَدُّ اِلٰی رَبِّہٖ فَیُعَذِّبُہٗ عَذَابًا نُّکۡرًا ﴿۷۸﴾
Qaala amma man zalama fasawfa noe'azzieboehoe soemma yoeraddoe ielaa Rabbiehiee fa yoe 'azzieboehoe azaaban noekraa
18:87 Hij zei: "Wat degene betreft die onrechtvaardig is, die zullen wij straffen. Vervolgens zal hij tot zijn Heer terugkeren en Hij (Allah) zal hem dan straffen met een zeer verschrikkelijke straf."

وَ اَمَّا مَنۡ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَلَہٗ جَزَآءَۨ الۡحُسۡنٰی ۚ وَ سَنَقُوۡلُ لَہٗ مِنۡ اَمۡرِنَا یُسۡرًا ﴿۸۸﴾
Wa ammaa man aamana wa 'amiela saaliehan falahoe djazaaa'aniel hoesnaa wa sanaqoeloe lahoe mien amrienaa yoesraa
18:88 "Echter wat betreft degene die gelooft en goede daden verricht, voor hem zal er een goede beloning zijn (het paradijs). En wij (Dzoel-Qarnain) zullen tegen hem met zachte woorden spreken voor het geven van instructies (voor het aanbidden van Allah)."

ثُمَّ اَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۹۸﴾
Soemma atba'a sababaa
18:89 Vervolgens, vervolgde hij zijn pad en koos voor een oostelijke richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ مَطۡلِعَ الشَّمۡسِ وَجَدَہَا تَطۡلُعُ عَلٰی قَوۡمٍ لَّمۡ نَجۡعَلۡ لَّہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہَا سِتۡرًا ﴿۰۹﴾
Hattaaa iezaa balagha matlie'ash shamsie wadjdahaa tatloe'oe alaa qawmiel lam nadj'al lahoem mien doeniehaa sietraa
18:90 Totdat hij, de plek bereikte waar de zon opkwam. Hij zag hem (de zon) opkomen over een volk waarvoor Wij geen beschutting ervoor (tegen de zon) hadden gemaakt.

کَذٰلِکَ ؕ وَ قَدۡ اَحَطۡنَا بِمَا لَدَیۡہِ خُبۡرًا ﴿۱۹﴾
Kazaalieka wa qad ahatnaa biemaa ladaihie ghoebraa
18:91 En dus was dat (de toestand van dat volk). En waarlijk Wij omvatten alle beslissingen die hij nam.

ثُمَّ اَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۲۹﴾
Soemma atba'a sababaa
18:92 Vervolgens, vervolgde hij zijn weg en koos een (andere) richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ بَیۡنَ السَّدَّیۡنِ وَجَدَ مِنۡ دُوۡنِہِمَا قَوۡمًا ۙ لَّا یَکَادُوۡنَ یَفۡقَہُوۡنَ قَوۡلًا ﴿۳۹﴾
Hattaaa iezaa balagha bainas saddainie wadjada mien doeniehiemaa qawmal laa yakaa doena yafqahoena qawlaa
18:93 Totdat hij, tussen twee bergen een volk aantrof dat nauwelijks een woord begreep.

قَالُوۡا یٰذَاالۡقَرۡنَیۡنِ اِنَّ یَاۡجُوۡجَ وَ مَاۡجُوۡجَ مُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ فَہَلۡ نَجۡعَلُ لَکَ خَرۡجًا عَلٰۤی اَنۡ تَجۡعَلَ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَہُمۡ سَدًّا ﴿۴۹﴾
Qaaloe yaa Zal qarnainie ienna Ya'djoedja wa Ma'djoedja moefsiedoena fiel ardie fahal nadj'aloe laka ghardjan 'alaaa an tadj'ala bainanaa wa bainahoem saddaa
18:94 Ze zeiden: "O Dzoel-Qarnain! Voorzeker, (de volken) Yadjoed (Gog) en Madjoed (Magog) zijn verder-zaaiers op aarde. Kunnen we jou een vergoeding geven zodat jij een barrière maakt tussen ons en hen?

قَالَ مَا مَکَّنِّیۡ فِیۡہِ رَبِّیۡ خَیۡرٌ فَاَعِیۡنُوۡنِیۡ بِقُوَّۃٍ اَجۡعَلۡ بَیۡنَکُمۡ وَ بَیۡنَہُمۡ رَدۡمًا ﴿۵۹﴾
Qaala maa makkanniee fieehie Rabbiee ghairoen fa-a'ieenoeniee bieqoewwatien adj'al bainakoem wa bainahoem radmaa
18:95 Hij (Dzoel-Qarnain) zei: "Wat mijn Heer me (aan kracht en macht) heeft gegeven is beter, maar ondersteun me met mankracht. Ik zal tussen jullie en hen een barrière maken." (Notitie: Dzoel-Qarnain wilde hen ook onderwijzen).

اٰتُوۡنِیۡ زُبَرَ الۡحَدِیۡدِ ؕ حَتّٰۤی اِذَا سَاوٰی بَیۡنَ الصَّدَفَیۡنِ قَالَ انۡفُخُوۡا ؕ حَتّٰۤی اِذَا جَعَلَہٗ نَارًا ۙ قَالَ اٰتُوۡنِیۡۤ اُفۡرِغۡ عَلَیۡہِ قِطۡرًا ﴿۶۹﴾
Aatoeniee zoebaral hadieed, hattaaa iezaa saawaa bainas sadafainie qaalan foeghoe hattaaa iezaa dja'alahoe naaran qaala aatoenieee oefriegh 'alaihie qietraa
18:96 (Hij zei:) "Breng me brokken ijzer!" Toen hij de ruimte tussen de twee kliffen op gelijke hoogte had opgevuld, zei hij: "Blaas!", totdat hij het (zo rood) als vuur had gemaakt en zei: "Breng me gesmolten koper om het eroverheen te gieten!" (Notitie: het blazen werd waarschijnlijk gedaan met een blaasbalg.)

فَمَا اسۡطَاعُوۡۤا اَنۡ یَّظۡہَرُوۡہُ وَ مَا اسۡتَطَاعُوۡا لَہٗ نَقۡبًا ﴿۷۹﴾
Famas taa'oeo ay yazharoehoe wa mastataa'oe lahoe naqbaa
18:97 Dus ze waren niet in staat om het te beklimmen of om er doorheen te breken.

قَالَ ہٰذَا رَحۡمَۃٌ مِّنۡ رَّبِّیۡ ۚ فَاِذَا جَآءَ وَعۡدُ رَبِّیۡ جَعَلَہٗ دَکَّآءَ ۚ وَ کَانَ وَعۡدُ رَبِّیۡ حَقًّا ﴿۸۹﴾
Qaala haaza rahmatoen mier Rabbiee fa iezaa djaaa'a wa'doe Rabbiee dja'alahoe dakkaaa'a; kaana wa'doe Rabbiee haqqaa
18:98 Hij (Dzoel-Qarnain) zei: "Dit is een gunst van mijn Heer. Echter, wanneer de toezegging van mijn Heer komt, dan maakt Hij het tot een vlakte. En de toezegging van mijn Heer is waar."

وَ تَرَکۡنَا بَعۡضَہُمۡ یَوۡمَئِذٍ یَّمُوۡجُ فِیۡ بَعۡضٍ وَّ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ فَجَمَعۡنٰہُمۡ جَمۡعًا ﴿۹۹﴾
Wa taraknaa ba'dahoem Yawma'ieziey yamoedjoe fiee ba'diew wa noefiegha fies Soerie fadjama'naahoem djam'aa
18:99 Op die dag (wanneer er geen barriere meer is voor Yadjoed en Madjoed) zullen Wij ze laten bewegen zoals golven op elkaar bewegen. En er zal in de trompet worden geblazen, vervolgens zullen Wij hen allen bij elkaar brengen.

وَّ عَرَضۡنَا جَہَنَّمَ یَوۡمَئِذٍ لِّلۡکٰفِرِیۡنَ عَرۡضَۨا ﴿۰۰۱﴾
Wa 'aradnaa djahannama Yawma'ieziel lielkaafierieena 'ardaa
18:100 En op die Dag zullen Wij de Hel aan de ongelovigen laten zien.

الَّذِیۡنَ کَانَتۡ اَعۡیُنُہُمۡ فِیۡ غِطَـآءٍ عَنۡ ذِکۡرِیۡ وَ کَانُوۡا لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ سَمۡعًا ﴿۱۰۱﴾
Allazieena kaanat a'yoenoehoem fiee ghietaaa'ien 'an ziekriee wa kaanoe laa yastatiee'oena sam'aa
18:101 Degenen waar de ogen van versluierd waren voor het gedenken van Mij en die niet in staat waren om te luisteren. (Notitie: Allah had een bedenking over hun ogen en oren geplaatst vanwege hun daden, zodat ze niet konden zien en luisteren naar de vermaning.)

اَفَحَسِبَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَنۡ یَّتَّخِذُوۡا عِبَادِیۡ مِنۡ دُوۡنِیۡۤ اَوۡلِیَآءَ ؕ اِنَّـاۤ اَعۡتَدۡنَا جَہَنَّمَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ نُزُلًا ﴿۲۰۱﴾
Afahasiebal lazieena kafaroeo ay yattaghiezoe 'iebaadiee mien doenieee awlieyaaa'; iennaaa a'tadnaa djahannama liel kaafierieena noezoelaa
18:102 Denken de ongelovigen dat ze Mijn dienaren als beschermers kunnen nemen in plaats van Mij? Voorzeker, Wij hebben de hel klaargemaakt als een verblijfplaats voor de ongelovigen.

قُلۡ ہَلۡ نُنَبِّئُکُمۡ بِالۡاَخۡسَرِیۡنَ اَعۡمَالًا ﴿۳۰۱﴾
Qoel hal noenabbie'oekoem bielaghsarieena a'maalaa
18:103 Zeg: "Zullen Wij jullie op de hoogte brengen van de grootste verliezers voortkomend door hun eigen toedoen?"

اَلَّذِیۡنَ ضَلَّ سَعۡیُہُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ ہُمۡ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ یُحۡسِنُوۡنَ صُنۡعًا ﴿۴۰۱﴾
Allazieena dalla sa'yoehoem fiel hayaatied doenyaa wa hoem yahsaboena annahoem yoehsienoena soen'aa
18:104 Dat zijn degenen waarvan de daden vruchteloos waren in het wereldse leven, terwijl ze dachten dat ze goede werk deden.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ وَ لِقَآئِہٖ فَحَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ فَلَا نُقِیۡمُ لَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وَزۡنًا ﴿۵۰۱﴾
Oelaaa'iekal lazieena kafaroe bie aayaatie Rabbiehiem wa lieqaaa'iehiee fahabietat a'maaloehoem falaa noeqieemoe lahoem Yawmal Qieyaamatie waznaa
18:105 Dat zijn degenen die niet geloven in de tekenen van hun Heer en in de ontmoeting met Hem. Hun daden zijn dus vruchteloos. Wij zullen dus geen waarde hechten aan hen op de dag van de opstanding.

ذٰلِکَ جَزَآؤُہُمۡ جَہَنَّمُ بِمَا کَفَرُوۡا وَ اتَّخَذُوۡۤا اٰیٰتِیۡ وَ رُسُلِیۡ ہُزُوًا ﴿۶۰۱﴾
Zaalieka djazaaa'oehoem djahannamoe biemaa kafaroe wattaghazoeo Aayaatiee wa Roesoeliee hoezoewaa
18:106 Dat zal hun vergelding zijn, de Hel, omdat ze niet geloofden en Mijn Tekenen en boodschappers bespotten.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ کَانَتۡ لَہُمۡ جَنّٰتُ الۡفِرۡدَوۡسِ نُزُلًا ﴿۷۰۱﴾
Innal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie kaanat lahoem djannaatoel Fierdawsie noezoelaa
18:107 Voorzeker, degenen die geloofden en goede daden verrichtten voor hen zullen de tuinen van het paradijs als verblijfplaats zijn.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا لَا یَبۡغُوۡنَ عَنۡہَا حِوَلًا ﴿۸۰۱﴾
ghaaliedieena fieeha laa yabghoena 'anhaa hiewalaa
18:108 Eeuwig zullen ze er in vertoeven. Ze zullen geen enkel verandering in (het paradijs) willen.

قُلۡ لَّوۡ کَانَ الۡبَحۡرُ مِدَادًا لِّکَلِمٰتِ رَبِّیۡ لَنَفِدَ الۡبَحۡرُ قَبۡلَ اَنۡ تَنۡفَدَ کَلِمٰتُ رَبِّیۡ وَ لَوۡ جِئۡنَا بِمِثۡلِہٖ مَدَدًا ﴿۹۰۱﴾
Qoel law kaanal bahroe miedaadal lie kaliemaatie Rabbiee lanafiedal bahroe qabla an tanfada Kaliemaatoe Rabbiee wa law djie'naa biemiesliehiee madadaa
18:109 Zeg: "Als de zee inkt was voor de woorden van mijn Heer, dan zou de zee zeker uitgeput raken voordat de woorden van mijn Heer uitgeput raken. Zelfs als Wij daaraan een gelijke hoeveelheid aan toe voegen." (Notitie: zie ook 31:27)

قُلۡ اِنَّمَاۤ اَنَا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ یُوۡحٰۤی اِلَیَّ اَنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمۡ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ۚ فَمَنۡ کَانَ یَرۡجُوۡا لِقَآءَ رَبِّہٖ فَلۡیَعۡمَلۡ عَمَلًا صَالِحًا وَّ لَا یُشۡرِکۡ بِعِبَادَۃِ رَبِّہٖۤ اَحَدًا ﴿۰۱۱﴾
Qoel iennamaaa ana basharoen miesloekoem yoehaaa ielaiya annamaa ielaahoekoem Ilaahoew waahied; faman kaana yardjoe lieqaaa'a Rabbiehiee falya'mal 'amalan saaliehaw wa laa yoeshriek bie'iebaadatie Rabbiehieee ahadaa
18:110 Zeg: "Voorwaar, ik ben alleen een mens net als jullie. Aan mij is geopenbaard dat jullie godheid/deïteit één deïteit is. Dus wie op de ontmoeting van zijn Heer hoopt, laat hem goede daden verrichten en laat hem bij de aanbidding van zijn Heer niet één deelgenoot toekennen."


www.heiligekoran.nl