الٓـمّٓصٓ ۚ﴿۱﴾
Alief-Laaam-Mieeem-Saaad
7:1 Alif Laam Meem Saad.
کِتٰبٌ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ فَلَا یَکُنۡ فِیۡ صَدۡرِکَ حَرَجٌ مِّنۡہُ لِتُنۡذِرَ بِہٖ وَ ذِکۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲﴾
Kietaaboen oenziela ielaika falaa yakoen fiee sadrieka haradjoem mienhoe lietoenziera biehiee wa ziekraa lielmoe'mienieen
7:2 (Dit is) een Boek dat aan jou (Mohammed) geopenbaard is, laat er dus geen ongemak ervoor in je hart zijn, zodat je ermee kan waarschuwen en (bedoeld) als herinnering voor de gelovigen.
اِتَّبِعُوۡا مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکُمۡ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ لَا تَتَّبِعُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۳﴾
Ittabie'oe maaa oenziela 'ielaikoem mier Rabbiekoem wa laa tattabie'oe mien doeniehieee awlieyaaa'a; qalieelam maa tazakkaroen
7:3 Volg wat geopenbaard is aan jullie, door jullie Heer. En ken geen enkel partners/deelgenoot toe aan Hem. Zeer weinig is wat jullie herinneren/gedenken (12:103, 2:88).
وَ کَمۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ اَہۡلَکۡنٰہَا فَجَآءَہَا بَاۡسُنَا بَیَاتًا اَوۡ ہُمۡ قَآئِلُوۡنَ ﴿۴﴾
Wa kam mien qaryatien ahlaknaahaa fadjaaa'ahaa ba'soenaa bayaatan aw hoem qaaa'ieloen
7:4 En zie hoeveel van de steden Wij hebben vernietigd. Onze straf kwam gedurende de nacht of gedurende hun middag dutje.
فَمَا کَانَ دَعۡوٰىہُمۡ اِذۡ جَآءَہُمۡ بَاۡسُنَاۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اِنَّا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۵﴾
Famaa kaana da'waahoem iez djaaa'ahoem ba'soenaa iellaaa an qaaloeo iennaa koennaa zaaliemieen
7:5 En toen onze straf tot hen kwam, was hun enige geroep: "Voorzeker, we waren misdadigers."
فَلَنَسۡـَٔلَنَّ الَّذِیۡنَ اُرۡسِلَ اِلَیۡہِمۡ وَ لَنَسۡـَٔلَنَّ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ۙ﴿۶﴾
Falanas 'alannal lazieena oersiela ielaihiem wa lanas 'alannal moersalieen
7:6 Vervolgens zullen Wij degenen tot wie (de boodschappers) gezonden waren, ondervragen. En Wij zullen (ook) de boodschappers ondervragen.
فَلَنَقُصَّنَّ عَلَیۡہِمۡ بِعِلۡمٍ وَّ مَا کُنَّا غَآئِبِیۡنَ ﴿۷﴾
Falanaqoessanna 'alaihiem bie'ielmiew wa maa koennaa ghaaa'iebieen
7:7 Wij zullen daarna (de uitspraak, onderbouwd) met kennis voor hen oplezen. En Wij waren nooit afwezig.
وَ الۡوَزۡنُ یَوۡمَئِذِ ۣالۡحَقُّ ۚ فَمَنۡ ثَقُلَتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۸﴾
Walwaznoe Yawma'iezieniel haqq; faman saqoelat mawaa zieenoehoe fa-oelaaa'ieka hoemoel moefliehoen
7:8 En het wegen (van de schalen) op die dag zal de waarheid aantonen. Degenen met zware schalen (door het begaan van goede daden), zullen degenen zijn met succes. (Notitie: Zie ook 101:6)
وَ مَنۡ خَفَّتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ بِمَا کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۹﴾
Wa man ghaffat mawaazieenoehoe fa oelaaa'iekal lazieena ghasieroeo anfoesahoem biemaa kaanoe bie Aayaatienaa yazliemoen
7:9 En degenen met lichte schalen, zij zijn dus degenen die zichzelf verloren hebben, omdat ze Onze tekenen verwierpen. (Notitie: Zie ook 101:8)
وَ لَقَدۡ مَکَّنّٰکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ وَ جَعَلۡنَا لَکُمۡ فِیۡہَا مَعَایِشَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Wa laqad makkannaakoem fiel ardie wa dja'alnaa lakoem fieehaa ma'aayiesh; qalieelam maa tashkoeroen
7:10 En voorzeker, Wij hebben jullie gevestigd op de aarde en Wij hebben levensonderhoud voor jullie erop gemaakt. Zeer weinig zijn jullie er dankbaar voor!
وَ لَقَدۡ خَلَقۡنٰکُمۡ ثُمَّ صَوَّرۡنٰکُمۡ ثُمَّ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ ٭ۖ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ لَمۡ یَکُنۡ مِّنَ السّٰجِدِیۡنَ ﴿۱۱﴾
Wa laqad ghalaqnaakoem soemma sawwarnaakoem soemma qoelnaa lielmalaaa'iekaties djoedoe lie Aadama fa-sadjadoeo iellaaa Iblieesa lam yakoem mienas saadjiedieen
7:11 En voorzeker, Wij hebben jullie geschapen, vervolgens hebben Wij jullie gevormd. Daarna zeiden Wij tot de Engelen: "Prostreer voor Adam!" Dus prostreerden ze, behalve iblies. Hij behoorde niet tot de groep die prostreerden (Hij was geen engel, zie ook 18:50).
قَالَ مَا مَنَعَکَ اَلَّا تَسۡجُدَ اِذۡ اَمَرۡتُکَ ؕ قَالَ اَنَا خَیۡرٌ مِّنۡہُ ۚ خَلَقۡتَنِیۡ مِنۡ نَّارٍ وَّ خَلَقۡتَہٗ مِنۡ طِیۡنٍ ﴿۲۱﴾
Qaala maa mana'aka allaa tasdjoeda iez amartoeka qaala ana ghairoem mienhoe ghalaqtaniee mien naariew wa ghalaqtahoe mien tieen
7:12 Hij (Allah) vroeg: "Wat verhinderde jou om niet te prostreren toen Ik je het gebood? De satan zei: "Ik ben beter dan hem. U heeft me uit vuur geschapen terwijl U hem uit (gedroogde) klei heeft geschapen."
قَالَ فَاہۡبِطۡ مِنۡہَا فَمَا یَکُوۡنُ لَکَ اَنۡ تَتَکَبَّرَ فِیۡہَا فَاخۡرُجۡ اِنَّکَ مِنَ الصّٰغِرِیۡنَ ﴿۳۱﴾
Qaala fahbiet mienhaa famaa yakoenoe laka an tatakabbara fieehaa faghroedj iennaka mienas saaghierieen
7:13 Hij (Allah) zei: "Ga eruit!" Het (deze tuin) is niet voor jou bestemd om er in arrogant te zijn. Ga dus weg! Jij behoort tot de vernederden."
قَالَ اَنۡظِرۡنِیۡۤ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Qaala anziernieee ielaa Yawmie yoeb'asoen
7:14 Hij (satan) zei: "Geef mij uitstel tot de dag waarop zij zullen herrijzen."
قَالَ اِنَّکَ مِنَ الۡمُنۡظَرِیۡنَ ﴿۵۱﴾
Qaala iennaka mienal moenzarieen
7:15 Hij (Allah) zei: "Voorzeker, jij behoort tot degenen met verleende uitstel." (Echter niet tot de dag des oordeel, maar tot een bepaalde tijd, zie 15:38 en 38:81)
قَالَ فَبِمَاۤ اَغۡوَیۡتَنِیۡ لَاَقۡعُدَنَّ لَہُمۡ صِرَاطَکَ الۡمُسۡتَقِیۡمَ ﴿۶۱﴾
Qaala fabiemaaa aghway taniee la aq'oedanna lahoem Sieraatakal Moestaqieem
7:16 Hij (satan) zei: "Omdat U mij heeft doen laten dwalen, zal ik voor hen op Uw rechte pad zitten.
ثُمَّ لَاٰتِیَنَّہُمۡ مِّنۡۢ بَیۡنِ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مِنۡ خَلۡفِہِمۡ وَ عَنۡ اَیۡمَانِہِمۡ وَ عَنۡ شَمَآئِلِہِمۡ ؕ وَ لَا تَجِدُ اَکۡثَرَہُمۡ شٰکِرِیۡنَ ﴿۷۱﴾
Soemma la aatieyannahoem miem bainie aidieehiem wa mien ghalfiehiem wa 'an aimaaniehiem wa 'an shamaaa'ieliehiem wa laa tadjiedoe aksarahoem shaakierieen
7:17 Dan zal ik zeker van voren tot hen komen en van achteren, en van hun rechterkant en van hun linkerkant. En U zult de meeste van hen als ondankbare vinden."
قَالَ اخۡرُجۡ مِنۡہَا مَذۡءُوۡمًا مَّدۡحُوۡرًا ؕ لَمَنۡ تَبِعَکَ مِنۡہُمۡ لَاَمۡلَـَٔنَّ جَہَنَّمَ مِنۡکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۸۱﴾
Qaalaghroedj mienhaa maz'oemam madhoeraa; laman tabie'aka mienhoem la amla'anna djahannama mien-koem adjma'ieen
7:18 Hij (Allah) zei: "Ga er van weg, vernederd en verstoten! Voorzeker, wie jou volgt, weet dan, dat ik de hel met jullie allen zal vullen!"
وَ یٰۤاٰدَمُ اسۡکُنۡ اَنۡتَ وَ زَوۡجُکَ الۡجَنَّۃَ فَکُلَا مِنۡ حَیۡثُ شِئۡتُمَا وَ لَا تَقۡرَبَا ہٰذِہِ الشَّجَرَۃَ فَتَکُوۡنَا مِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۹۱﴾
Wa yaaa Aadamoes koen anta wa zawdjoekal djannata fakoelaa mien haisoe shie'toemaa wa laa taqrabaa haaziehiesh shadjarata fatakoenaa mienaz zaaliemieen
7:19 "En O Adam! Woon in de tuin, samen met jouw vrouw. En jullie beide mogen eten wat jullie willen, echter nader deze boom niet, anders zullen jullie beide tot de misdadigers behoren."
فَوَسۡوَسَ لَہُمَا الشَّیۡطٰنُ لِیُبۡدِیَ لَہُمَا مَا وٗرِیَ عَنۡہُمَا مِنۡ سَوۡاٰتِہِمَا وَ قَالَ مَا نَہٰکُمَا رَبُّکُمَا عَنۡ ہٰذِہِ الشَّجَرَۃِ اِلَّاۤ اَنۡ تَکُوۡنَا مَلَکَیۡنِ اَوۡ تَکُوۡنَا مِنَ الۡخٰلِدِیۡنَ ﴿۰۲﴾
Fawaswasa lahoemash Shaitaanoe lieyoebdieya lahoemaa maa woerieya 'anhoemaa mien saw aatiehiemaa wa qaala maa nahaakoemaa Rabboekoemaa 'an haaziehiesh shadjaratie iellaaa an takoenaa malakainie aw takoenaa mienal ghaaliedieen
7:20 Daarna fluisterde de satan hen beide in, zodat hij datgeen wat van hun schaamte bedekt was, zichtbaar maakte. En hij (de satan) zei: "Jouw Heer heeft deze boom aan jullie verboden omdat jullie engelen kunnen worden of omdat jullie onsterfelijk kunnen worden. (Zie ook 20:115-120)
وَ قَاسَمَہُمَاۤ اِنِّیۡ لَکُمَا لَمِنَ النّٰصِحِیۡنَ ﴿۱۲﴾
Wa qaasamahoemaaa ienniee lakoemaa lamienan naasiehieen
7:21 En hij zweerde tegen beide van hen: "Voorzeker, ik ben voor beide van jullie een oprechte adviseur."
فَدَلّٰىہُمَا بِغُرُوۡرٍ ۚ فَلَمَّا ذَاقَا الشَّجَرَۃَ بَدَتۡ لَہُمَا سَوۡاٰتُہُمَا وَ طَفِقَا یَخۡصِفٰنِ عَلَیۡہِمَا مِنۡ وَّرَقِ الۡجَنَّۃِ ؕ وَ نَادٰىہُمَا رَبُّہُمَاۤ اَلَمۡ اَنۡہَکُمَا عَنۡ تِلۡکُمَا الشَّجَرَۃِ وَ اَقُلۡ لَّکُمَاۤ اِنَّ الشَّیۡطٰنَ لَکُمَا عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۲۲﴾
Fadallaahoemaa bieghoeroer; falammaa zaaqash shadjarata badat lahoemaa saw aatoehoemaa wa tafieqaa yaghsiefaanie 'alaihiemaa miew waraqiel djannatie wa naadaahoemaa Rabboehoemaaa alam anhakoemaa 'an tielkoemash shadjaratie wa aqoel lakoemaaa iennash Shaitaana lakoemaa 'adoewwoem moebieen
7:22 Echter hij liet hen beiden vallen door bedrog. Toen ze van de boom proefde, werd hun schaamte voor beide zichtbaar. En ze begonnen bladeren van de tuin op hen vast te maken. En de Heer riep hen beide aan:" Verbood ik deze boom niet voor jullie beide? En zei ik niet tegen jullie beide dat de satan een duidelijke vijand voor jullie is?
قَالَا رَبَّنَا ظَلَمۡنَاۤ اَنۡفُسَنَا ٜ وَ اِنۡ لَّمۡ تَغۡفِرۡ لَنَا وَ تَرۡحَمۡنَا لَنَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۳۲﴾
Qaalaa Rabbanaa zalamnaaa anfoesanaa wa iellam taghfier lanaa wa tarhamnaa lanakoenanna mienal ghaasierieen
7:23 Beide van hen zeiden: "Onze Heer, we hebben onszelf onrecht aangedaan! En wanneer U ons niet vergeeft en ons geen genade schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren." (Dit zijn de woorden die Adam ontving, zie ook 2:37)
قَالَ اہۡبِطُوۡا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ وَ لَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ مُسۡتَقَرٌّ وَّ مَتَاعٌ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۴۲﴾
Qaalah bietoe ba'doekoem lieba'dien adoewwoew wa lakoem fiel ardie moestaqarroew wa mataa'oen ielaahieen
7:24 Hij (Allah) zei: "Ga weg (van de tuin, waar er geen tekortkoming in was)! Sommige van jullie zullen een vijand voor anderen zijn. En de aarde is een tijdelijke woonplaats met levensonderhoud voor jullie."
قَالَ فِیۡہَا تَحۡیَوۡنَ وَ فِیۡہَا تَمُوۡتُوۡنَ وَ مِنۡہَا تُخۡرَجُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Qaala fieehaa tahyawna wa fieehaa tamoetoena wa mienhaa toeghradjoen
7:25 Hij zei: "Jullie zullen daar leven en daar sterven en jullie zullen er uit worden voort gebracht (op de dag des oordeels)." (Zie 20:55)
یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ قَدۡ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکُمۡ لِبَاسًا یُّوَارِیۡ سَوۡاٰتِکُمۡ وَ رِیۡشًا ؕ وَ لِبَاسُ التَّقۡوٰی ۙ ذٰلِکَ خَیۡرٌ ؕ ذٰلِکَ مِنۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ لَعَلَّہُمۡ یَذَّکَّرُوۡنَ ﴿۶۲﴾
Yaa Banieee Aadama qad anzalnaa 'alaikoem liebaasay yoewaariee saw aatiekoem wa rieeshaw wa liebaasoet taqwaa zaalieka ghair; zaalieka mien Aayaatiel laahie la'allahoem yaz zakkaroen
7:26 O kinderen van Adam! Voorzeker, Wij hebben voor jullie kleding neergezonden. Het bedekt jullie schaamte en het versiert jullie. Echter de beste kleding (bescherming) is de kleding van Taqwa (godvrezendheid). Dat zijn een aantal van Allah's tekenen, zodat ze kunnen gedenken (om de schaamte en jezelf te beschermen met kleding en Taqwa). (Notitie: Zie de kledingvoorschrift in 7:31, 24:31 en 33:59)
یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ لَا یَفۡتِنَنَّکُمُ الشَّیۡطٰنُ کَمَاۤ اَخۡرَجَ اَبَوَیۡکُمۡ مِّنَ الۡجَنَّۃِ یَنۡزِعُ عَنۡہُمَا لِبَاسَہُمَا لِیُرِیَہُمَا سَوۡاٰتِہِمَا ؕ اِنَّہٗ یَرٰىکُمۡ ہُوَ وَ قَبِیۡلُہٗ مِنۡ حَیۡثُ لَا تَرَوۡنَہُمۡ ؕ اِنَّا جَعَلۡنَا الشَّیٰطِیۡنَ اَوۡلِیَآءَ لِلَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Yaa Baniee Aadama laa yaftienannnakoemoesh Shaitaanoe kamaaa aghradja abawaikoem mienal djannatie yanzie'oe 'anhoemaa liebaasahoemaa lieyoerieyahoemaa saw aatiehiemaaa; iennahoe yaraakoem hoewa wa qabieeloehoe mien haisoe laa tarawnahoem; iennaa dja'alnash Shayaatieena awlieyaaa'a liellazieena laa yoe'mienoen
7:27 O kinderen van Adam! Laat de satan je niet doen verleiden, net zoals hij jullie ouders heeft verleid, en van de tuin heeft verdreven, en voor hun beide hun kleding heeft verwijderd om hun schaamte zichtbaar te maken. Voorzeker, hij ziet jullie, hij en zijn stam (djiens), terwijl jullie hen niet zien. Voorzeker, Wij hebben voor degenen die niet geloven, de duivels tot hun Awliya (beschermers, helpers) gemaakt.
وَ اِذَا فَعَلُوۡا فَاحِشَۃً قَالُوۡا وَجَدۡنَا عَلَیۡہَاۤ اٰبَآءَنَا وَ اللّٰہُ اَمَرَنَا بِہَا ؕ قُلۡ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَاۡمُرُ بِالۡفَحۡشَآءِ ؕ اَتَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Wa iezaa fa'aloe faahieshatan qaaloe wadjadnaa 'alaihaaa aabaaa'ana wallaahoe amaranaa biehaa; qoel iennal laaha laa ya'moeroe bielfahshaaa'ie a-taqoeloena 'alal laahie maa laa ta'lamoen
7:28 En wanneer ze onzedelijkheid begaan, zeggen ze: "Onze voorvaders deden het ook en Allah heeft het ons bevolen." Zeg: "Voorzeker, Allah beveelt geen onzedelijkheid. Zeggen jullie dingen over Allah wat jullie niet weten?"
قُلۡ اَمَرَ رَبِّیۡ بِالۡقِسۡطِ ۟ وَ اَقِیۡمُوۡا وُجُوۡہَکُمۡ عِنۡدَ کُلِّ مَسۡجِدٍ وَّ ادۡعُوۡہُ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ ۬ؕ کَمَا بَدَاَکُمۡ تَعُوۡدُوۡنَ ﴿۹۲﴾
Qoel amara Rabbiee bielqiestie wa aqieemoe woedjoehakoem 'ienda koellie masdjiedien wad'oehoe moeghliesieena lahoed dieen; kamaa bada akoem ta'oedoen
7:29 Zeg: "(Slechts) Gerechtigheid is bevolen door mijn Heer! En richt jullie gezichten bij het prostreren tot Hem (alleen) en roep Hem zuiver biddend aan. Net zoals, Hij jullie heeft doen ontstaan (uit het niets, iets kleins), zal Hij jullie terug laten keren (naar het niets, iets kleins).
فَرِیۡقًا ہَدٰی وَ فَرِیۡقًا حَقَّ عَلَیۡہِمُ الضَّلٰلَۃُ ؕ اِنَّہُمُ اتَّخَذُوا الشَّیٰطِیۡنَ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۰۳﴾
Farieeqan hadaa wa farieeqan haqqa 'alaihiemoed dalaalah; iennahoemoet taghazoesh Shayaatieena awlieyaaa'a mien doeniel laahie wa yahsaboena annahoem moehtadoen
7:30 Hij (Allah) leidt een groep, en een (andere) groep verdient de dwaling. Voorzeker, ze nemen (namelijk) de duivels als Awliyah (berschermers, bemiddelaars, helpers) in plaats van Allah, en ze denken (door hoogmoed) dat ze recht geleid zijn.
یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ خُذُوۡا زِیۡنَتَکُمۡ عِنۡدَ کُلِّ مَسۡجِدٍ وَّ کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا وَ لَا تُسۡرِفُوۡا ۚ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Yaa Bannieee Adama ghoezoe zieenatakoem 'ienda koellie masdjiediew wa koeloe washraboe wa laa toesriefoe; iennahoe laa yoehiebboel moesriefieen
7:31 O Kinderen van Adam! Draag jullie mooie kleren bij elk gebed. Eet en drink maar verspil niet (wees niet extreem\buitensporig). Voorzeker, Hij (Allah) houdt niet van degene die overdrijven.
قُلۡ مَنۡ حَرَّمَ زِیۡنَۃَ اللّٰہِ الَّتِیۡۤ اَخۡرَجَ لِعِبَادِہٖ وَ الطَّیِّبٰتِ مِنَ الرِّزۡقِ ؕ قُلۡ ہِیَ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا خَالِصَۃً یَّوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ کَذٰلِکَ نُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۳﴾
Qoel man harrama zieenat Allahiel latieee aghradja lie'iebaadiehiee wattaiyiebaatie mienar riezq; qoel hieya liellazieena aamanoe fiel hayaatied doenyaa ghaaliesatay yawmal Qieyaamah; kazaalieka noefassieloel Aayaatie lie qawmiey ya'lamoen
7:32 Zeg: "Wie heeft het sierlijke\mooie (van alles) die Allah voor Zijn dienaren heeft voortgebracht, verboden verklaard, en ook de zuivere voedsel?" Zeg: "Ze zijn bedoeld voor de gelovigen gedurende het wereldse leven (en de ongelovigen maken er ook gebruik van), echter op de dag des oordeels is het slechts voor hen (de gelovigen)." Zo leggen Wij de tekenen uit voor mensen met kennis."
قُلۡ اِنَّمَا حَرَّمَ رَبِّیَ الۡفَوَاحِشَ مَا ظَہَرَ مِنۡہَا وَ مَا بَطَنَ وَ الۡاِثۡمَ وَ الۡبَغۡیَ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ اَنۡ تُشۡرِکُوۡا بِاللّٰہِ مَا لَمۡ یُنَزِّلۡ بِہٖ سُلۡطٰنًا وَّ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۳﴾
Qoel iennamaa harrama Rabbieyal fawaahiesha maa zahara mienhaa wa maa batana wal iesma walbaghya bieghairiel haqqie wa an toeshriekoe biellaahie maa lam yoenazziel biehiee soeltaanaw wa an taqoeloe 'alal laahie maa laa ta'lamoen
7:33 Zeg: "Alleen de schandelijke daden heeft mijn Heer verboden verklaard, zowel het openlijke als het verborgene ervan! En de zonde (de ongehoorzaamheid), de onderdrukking zonder enige recht, het toekennen van bemiddelaars/deelgenoten aan Allah zonder enige bewijs, en dat je over Allah dingen zegt terwijl je het niet weet (o.a. het verklaren van hallal en haraam). (Notitie: zie ook 16:116)
وَ لِکُلِّ اُمَّۃٍ اَجَلٌ ۚ فَاِذَا جَآءَ اَجَلُہُمۡ لَا یَسۡتَاۡخِرُوۡنَ سَاعَۃً وَّ لَا یَسۡتَقۡدِمُوۡنَ ﴿۴۳﴾
Wa liekoellie oemmatien adjaloen fa iezaa djaaa'a adjaloehoem laa yasta' ghieroena saa'ataw wa laa yastaqdiemoen
7:34 En voor elke gemeenschap is er een vastgestelde termijn bepaald (voor het leven op aarde). Wanneer het tijdstip (van een gemeenschap) is gekomen, dan kunnen ze het (termijn) niet verlengen, zelfs geen uur, noch kunnen ze het versnellen.
یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ اِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ رُسُلٌ مِّنۡکُمۡ یَقُصُّوۡنَ عَلَیۡکُمۡ اٰیٰتِیۡ ۙ فَمَنِ اتَّقٰی وَ اَصۡلَحَ فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۵۳﴾
Yaa Baniee Aadama iemmaa ya'tieyannakoem Roesoeloem mien-koem yaqoessoena 'alaikoem Aayaatiee famaniet taqaa wa aslaha falaa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
7:35 O Kinderen van Adam! Wanneer er Boodschappers tot jullie komen, vanuit jullie gemeenschap, die Mijn tekenen voordragen (volg die dan). Wie dan Allah vreest en zichzelf verbeterd, op hem zal er geen angst zijn, noch zal hij treuren.
وَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اسۡتَکۡبَرُوۡا عَنۡہَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۶۳﴾
Wallazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wastakbaroe 'an haaa oelaaa'ieka Ashaaboen naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
7:36 Maar degenen die Onze tekenen verwerpen en er hoogmoedig over zijn, zijn de bewoners van het vuur. Ze zullen er altijd in verblijven.
فَمَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اَوۡ کَذَّبَ بِاٰیٰتِہٖ ؕ اُولٰٓئِکَ یَنَالُہُمۡ نَصِیۡبُہُمۡ مِّنَ الۡکِتٰبِ ؕ حَتّٰۤی اِذَا جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُنَا یَتَوَفَّوۡنَہُمۡ ۙ قَالُوۡۤا اَیۡنَ مَا کُنۡتُمۡ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ قَالُوۡا ضَلُّوۡا عَنَّا وَ شَہِدُوۡا عَلٰۤی اَنۡفُسِہِمۡ اَنَّہُمۡ کَانُوۡا کٰفِرِیۡنَ ﴿۷۳﴾
Faman azlamoe miemmanief taraa 'alal laahie kazieban aw kazzaba bie Aayaatieh; oelaaa'ieka yanaaloehoem nasieeboehoem mienal Kietaab; hatta iezaa djaaa'at hoem roesoeloenaa yatawaf fawnahoem qaaloeo aina maa koentoem tad'oenaa mien doeniel laahie qaaloe dalloe 'annaa wa shahiedoe 'alaaa anfoesiehiem annahoem kaanoe kaafierieen
7:37 Wie is er meer onrechtvaardig dan degene die over Allah een leugen verzint of degene die Zijn tekenen verwerpt? Ze zullen hun aandeel (van de wereldse voorzieningen, hun lot) dat genoteerd is in het Boek (Lauhoelmahfoezh) krijgen, totdat (de dood hen bereikt en) Onze gezanten (engelen) tot hen komen om hun zielen weg te nemen. Zij (de engelen) zullen zeggen: "Waar zijn degenen die jullie naast Allah aanriepen?" Ze zullen zeggen: "Ze hebben ons verlaten." En ze zullen getuigen tegen hunzelf dat ze ongelovig waren.
قَالَ ادۡخُلُوۡا فِیۡۤ اُمَمٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ فِی النَّارِ ؕ کُلَّمَا دَخَلَتۡ اُمَّۃٌ لَّعَنَتۡ اُخۡتَہَا ؕ حَتّٰۤی اِذَا ادَّارَکُوۡا فِیۡہَا جَمِیۡعًا ۙ قَالَتۡ اُخۡرٰىہُمۡ لِاُوۡلٰىہُمۡ رَبَّنَا ہٰۤؤُلَآءِ اَضَلُّوۡنَا فَاٰتِہِمۡ عَذَابًا ضِعۡفًا مِّنَ النَّارِ ۬ؕ قَالَ لِکُلٍّ ضِعۡفٌ وَّ لٰکِنۡ لَّا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۳﴾
Qaalad ghoeloe fieee oemamien qad ghalat mien qabliekoem mienal djiennie wal iensie fien naarie koellamaa daghalat oemmatoel la'anat oeghtahaa hattaaa iezad daarakoe fieehaa djamiee'an qaalat oeghraahoem lie oelaahoem Rabbannaa haaa oe'laaa'ie adalloenaa fa aatiehiem 'azaaban die'fam mienan naarie qaala liekoellien die'foew wa laakiel laa ta'lamoen
7:38 Hij (Allah) zal zeggen: "Betreed het vuur met daarin de volken van djiens en mensen die voor jou tijd overleden waren." Iedere keer dat er een volk (de hel) binnen betreed, zal het de voorgaande volk vervloeken totdat allen verzameld zijn (in de hel) en de laatste van hen (de laatst betreden volk in de hel) over de eerste van hen zal zeggen: "Onze Heer, deze hebben ons misleid, dus geef hun een dubbele straf van het vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Voor elk is er het dubbele, echter jullie weten het niet."
وَ قَالَتۡ اُوۡلٰىہُمۡ لِاُخۡرٰىہُمۡ فَمَا کَانَ لَکُمۡ عَلَیۡنَا مِنۡ فَضۡلٍ فَذُوۡقُوا الۡعَذَابَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡسِبُوۡنَ ﴿۹۳﴾
Wa qaalat oelaahoem lie oeghraahoem famaa kaana lakoem 'alainaa mien fadlien fazoeqoel azaaba biemaa koentoem taksieboen
7:39 En de eerste van hen zal tot de laatste van hen (weer) zeggen: "Jullie zijn niet beter dan ons, dus proef de straf voor wat jullie hebben verdiend."
اِنَّ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اسۡتَکۡبَرُوۡا عَنۡہَا لَا تُفَتَّحُ لَہُمۡ اَبۡوَابُ السَّمَآءِ وَ لَا یَدۡخُلُوۡنَ الۡجَنَّۃَ حَتّٰی یَلِجَ الۡجَمَلُ فِیۡ سَمِّ الۡخِیَاطِ ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۰۴﴾
Innal lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wastakbaroe 'anhaa laa toefattahoe lahoem abwaaboes samaaa'ie wa laa yadghoeloenal djannata hattaa yaliedjal djamaloe fiee sammiel ghieyaat; wa kazaalieka nadjziel moedjriemieen
7:40 Voorzeker, de deuren van de hemel zullen niet worden geopend voor degenen die Onze tekenen verwierpen en er hoogmoedig voor waren. En ze zullen het paradijs niet betreden, net zoals een kameel die door een gat van een naald niet kan gaan. En zo vergelden Wij de misdadigers.
لَہُمۡ مِّنۡ جَہَنَّمَ مِہَادٌ وَّ مِنۡ فَوۡقِہِمۡ غَوَاشٍ ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۴﴾
Lahoem mien djahannama miehaadoew wa mien fawqiehiem ghawaash; wa kazaalieka nadjziez zaaliemieen
7:41 Voor hen is het vuur een bed en een deken. En dus vergelden Wij de misdadigers.
وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَا نُکَلِّفُ نَفۡسًا اِلَّا وُسۡعَہَاۤ ۫ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۲۴﴾
Wallazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie laa noekalliefoe nafsan iellaa woes'ahaaa oelaaa'ieka Ashaaboel djannatie hoem fieehaa ghaaliedoen
7:42 Maar degenen die geloven en rechtvaardig handelden zij zijn de bewoners van het paradijs en weet dat Wij elke persoon hebben belast volgens zijn vermogen. Ze zullen er eeuwig in verblijven.
وَ نَزَعۡنَا مَا فِیۡ صُدُوۡرِہِمۡ مِّنۡ غِلٍّ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہِمُ الۡاَنۡہٰرُ ۚ وَ قَالُوا الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ ہَدٰىنَا لِہٰذَا ۟ وَ مَا کُنَّا لِنَہۡتَدِیَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ ہَدٰىنَا اللّٰہُ ۚ لَقَدۡ جَآءَتۡ رُسُلُ رَبِّنَا بِالۡحَقِّ ؕ وَ نُوۡدُوۡۤا اَنۡ تِلۡکُمُ الۡجَنَّۃُ اُوۡرِثۡتُمُوۡہَا بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۳۴﴾
Wa naza'naa maa fiee soedoeriehiem mien ghiellien tadjriee mien tahtiehiemoel anhaaroe wa qaaloel hamdoe liellaahiel laziee hadaanaa liehaaza wa maa koenna lienahtadieya law laaa ann hadaanal laahoe laqad djaaa'at Roesoeloe Rabbienaa bielhaqq; wa noedoe an tielkoemoel djannnatoe oeriestoemoehaa biemaa koentoem ta'maloen
7:43 En Wij zullen wat er aan woede in hun harten is, verwijderen. Onder hen zullen er rivieren stromen en ze zullen zeggen: "Alle dank en lof komen tot Allah toe, Degene Die ons geleid heeft naar dit. En we zouden niet geleid zijn indien Allah ons niet had geleid. Waarlijk, er kwamen boodschappers van onze Heer met de waarheid." En er zal tegen hun worden gezegd: "Dit is het paradijs, jullie hebben het geërfd door de daden die jullie hebben verricht."
وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ اَصۡحٰبَ النَّارِ اَنۡ قَدۡ وَجَدۡنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقًّا فَہَلۡ وَجَدۡتُّمۡ مَّا وَعَدَ رَبُّکُمۡ حَقًّا ؕ قَالُوۡا نَعَمۡ ۚ فَاَذَّنَ مُؤَذِّنٌۢ بَیۡنَہُمۡ اَنۡ لَّعۡنَۃُ اللّٰہِ عَلَی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۴﴾
Wa naadaa Ashaaboel djannatie ashaaban Naarie an qad wadjadnaa maa wa'adannaa Rabboenaa haqqan fahal wadjattoem maa wa'ada Rabboekoem haqqan qaaloe na'am; fa azzana moe'azzienoem bainahoem al la'natoel laahie 'alaz zaaliemieen
7:44 En de bewoners van het Paradijs zullen tot de bewoners van de Hel roepen: "Voorzeker, we hebben gevonden dat hetgeen, wat door onze Heer aan ons beloofd was, de waarheid is. Hebben jullie gevonden wat door jullie Heer beloofd was?" Ze zullen zeggen: "Ja!" Vervolgens zal er omgeroept worden: "De vloek van Allah rust op de misdadigers."
الَّذِیۡنَ یَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ یَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ۚ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ کٰفِرُوۡنَ ﴿۵۴﴾
Allazieena yasoeddoena 'an sabieeliel laahie wa yabghoe nahaa 'iewadjaw wa hoem biel Aaghieratie kaafieroen
7:45 (Dat zijn) Degenen die de weg van Allah verhinderden en die de dwaling erin zochten en die niet in het hiernamaals geloofden.
وَ بَیۡنَہُمَا حِجَابٌ ۚ وَ عَلَی الۡاَعۡرَافِ رِجَالٌ یَّعۡرِفُوۡنَ کُلًّۢا بِسِیۡمٰہُمۡ ۚ وَ نَادَوۡا اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ اَنۡ سَلٰمٌ عَلَیۡکُمۡ ۟ لَمۡ یَدۡخُلُوۡہَا وَ ہُمۡ یَطۡمَعُوۡنَ ﴿۶۴﴾
Wa bainahoemaa hiedjaab; wa 'alal A'raafie riedjaaloey ya'riefoena koellam biesieemaahoem; wa naadaw Ashaabal djannatie an salaamoen 'alaikoem; lam yadghoeloehaa wa hoem yatma'oen
7:46 En tussen hen (de bewoners van het paradijs en de hel) zal er een afscheiding zijn en op de 'A'raaf' zullen er mannen zijn die de bewoners (van de hel en het paradijs) herkennen (uit het wereldse leven) door hun kenmerken. En ze zullen roepen tegen de bewoners van het paradijs: "Vrede zij met jullie!" Ze zijn echter het (paradijs) nog niet binnen gegaan, maar ze verlangen er begerig naar. (Notitie: De A'raaf is een hoge vlakte met nog niet berechte mensen erop vanwege hun evenwichtige schalen. De mensen van de A'raaf kunnen zowel de mensen van het paradijs als van de hel zien.)
وَ اِذَا صُرِفَتۡ اَبۡصَارُہُمۡ تِلۡقَآءَ اَصۡحٰبِ النَّارِ ۙ قَالُوۡا رَبَّنَا لَا تَجۡعَلۡنَا مَعَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۷۴﴾
Wa iezaa soeriefat absaaroehoem tielqaaa'a Ashaabien Naarie qaaloe Rabbanaa laa tadj'alnaa ma'al qawmiez zaaliemieen
7:47 En wanneer hun ogen gedraaid worden (door Allah) om naar de bewoners van het vuur te kijken, dan zullen ze zeggen: "Onze Heer! Plaats ons niet tussen het misdadige volk!"
وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ الۡاَعۡرَافِ رِجَالًا یَّعۡرِفُوۡنَہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ قَالُوۡا مَاۤ اَغۡنٰی عَنۡکُمۡ جَمۡعُکُمۡ وَ مَا کُنۡتُمۡ تَسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿۸۴﴾
Wa naadaaa Ashaaboel a'raafie riedjaalay ya'riefoenahoem biesieemaahoem qaaloe maaa aghnaa 'an-koem djam'oekoem wa maa koentoem tastakbieroen
7:48 En de mensen op de A'raaf (de hoge vlakte) zullen roepen tegen de mannen (van de hel) die ze herkennen (uit het wereldse leven) door hun kenmerken: "Wat jullie verzamelden (aan rijkdommen, kinderen, etc) heeft jullie niet mogen baten en ook hetgeen waar jullie arrogant over waren!"
اَہٰۤؤُلَآءِ الَّذِیۡنَ اَقۡسَمۡتُمۡ لَا یَنَالُہُمُ اللّٰہُ بِرَحۡمَۃٍ ؕ اُدۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡکُمۡ وَ لَاۤ اَنۡتُمۡ تَحۡزَنُوۡنَ ﴿۹۴﴾
A haaa'oelaaa'iel lazieena aqsamtoem laa yanaaloehoemoel laahoe bie rahmah; oedghoeloel djannata laa ghawfoen 'alaikoem wa laaa antoem tahzanoen
7:49 "Zijn deze degenen (wijzend naar de gelovigen), waarover jullie hebben gezworen dat Allah hen niet de genade zou schenken?" (Vervolgens zal Allah tot de bewoners van de A'raaf zeggen:) "Betreed het paradijs, er zal geen vrees voor jullie zijn en jullie zullen niet treuren."
وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ النَّارِ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ اَنۡ اَفِیۡضُوۡا عَلَیۡنَا مِنَ الۡمَآءِ اَوۡ مِمَّا رَزَقَکُمُ اللّٰہُ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ حَرَّمَہُمَا عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۰۵﴾
Wa naadaaa Ashaaboen Naarie Ashaabal djannatie an afieedoe 'alainaa mienal maaa'ie aw miemma razaqakoemoel laah; qaaloe iennal laaha harrama hoemaa 'alal kaafierieen
7:50 En de bewoners van de hel zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Besproei water over ons of iets waarmee Allah jullie voorzien van heeft! Ze zullen zeggen: "Voorzeker, Allah heeft beiden voor de ongelovigen verboden verklaard."
الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا دِیۡنَہُمۡ لَہۡوًا وَّ لَعِبًا وَّ غَرَّتۡہُمُ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا ۚ فَالۡیَوۡمَ نَنۡسٰہُمۡ کَمَا نَسُوۡا لِقَآءَ یَوۡمِہِمۡ ہٰذَا ۙ وَ مَا کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَجۡحَدُوۡنَ ﴿۱۵﴾
Allazieenat taghazoe dieenahoem lahwaw wa la'ie-baw wa gharrat hoemoel hayaatoed doenyaa; fal Yawma nannsaahoem kamaa nasoe lieqaaa'a Yawmiehiem haazaa wa maa kaanoe bie aayaatienaa yadjhadoen
7:51 Zij zijn degenen die hun levenswijze als een vermaak en spel namen, en het wereldse leven heeft hun bedrogen. Dus vandaag vergeten Wij hen, net zoals ze de ontmoeting van deze dag vergaten en omdat ze Onze tekenen verwierpen.
وَ لَقَدۡ جِئۡنٰہُمۡ بِکِتٰبٍ فَصَّلۡنٰہُ عَلٰی عِلۡمٍ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃً لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۲۵﴾
Wa laqad djie'naahoem bie Kietaabien fassalnaahoe 'alaa 'ielmien hoedaw wa rahmatal lieqawmieny-yoe'mienoen
7:52 En voorzeker Wij hebben voor hen een boek gebracht, welke Wij met kennis hebben uitgelegd, als leiding en barmhartigheid voor een volk dat gelooft.
ہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا تَاۡوِیۡلَہٗ ؕ یَوۡمَ یَاۡتِیۡ تَاۡوِیۡلُہٗ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ نَسُوۡہُ مِنۡ قَبۡلُ قَدۡ جَآءَتۡ رُسُلُ رَبِّنَا بِالۡحَقِّ ۚ فَہَلۡ لَّنَا مِنۡ شُفَعَآءَ فَیَشۡفَعُوۡا لَنَاۤ اَوۡ نُرَدُّ فَنَعۡمَلَ غَیۡرَ الَّذِیۡ کُنَّا نَعۡمَلُ ؕ قَدۡ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۳۵﴾
Hal yanzoeroena iellaa ta'wieelah; yawma ya'tiee ta'wieeloehoe yaqoeloel lazieena nasoehoe mien qabloe qad djaaa'at Roesoeloe Rabbienaa bielhaqq; fahal lanaa mien shoefa'aaa'a fa yashfa'oe lanaaa aw noeraddoe fana'mala ghairal laziee koennaa na'mal; qad ghasieroeo anfoesahoem wa dalla 'anhoem maa kaanoe yaftaroen
7:53 Wachten ze slechts op zijn uitvoering (de straf)? De dag waarop de straf zal komen, zullen degenen, die het (boek) vergaten, zeggen: "Waarlijk, er waren boodschappers van onze Heer met de waarheid gekomen. Zijn er dus voor ons enige bemiddelaars, zodat ze voor ons kunnen bemiddelen? Of dat we terug gestuurd kunnen worden, zodat we andere daden kunnen verrichten, dan de daden die we eerst deden?" Waarlijk, ze hebben zichzelf verloren en hetgeen ze verzonnen hadden is weggegaan.
اِنَّ رَبَّکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ ۟ یُغۡشِی الَّیۡلَ النَّہَارَ یَطۡلُبُہٗ حَثِیۡثًا ۙ وَّ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ وَ النُّجُوۡمَ مُسَخَّرٰتٍۭ بِاَمۡرِہٖ ؕ اَلَا لَہُ الۡخَلۡقُ وَ الۡاَمۡرُ ؕ تَبٰرَکَ اللّٰہُ رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۵﴾
Inna Rabbakoemoel laahoel laziee ghalaqas samaawaatie wal arda fiee siettatie ayyaamien soemmas tawaa 'alal 'arshie yoeghshiel lailan nahaara yatloe boehoe hasieesaw washshamsa walqamara wannoedjoema moesagharaatiem bie amrieh; alaa lahoel ghalqoe wal-amr; tabaarakal laahoe Rabboel 'aalamieen
7:54 Voorzeker, jullie Heer is Allah, Degene Die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen (32:4, 22:47). Vervolgens besteeg Hij de troon. Hij bedekt de nacht met de dag, die elkaar snel achtervolgen (36:40). En de zon, de maan en de sterren onderwerpen zich aan zijn gebod. Zonder enige twijfel, voor Hem (alleen) is het creëren en het gebod. Gezegend is Hij, Heer van de werelden (25:61).
اُدۡعُوۡا رَبَّکُمۡ تَضَرُّعًا وَّ خُفۡیَۃً ؕ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الۡمُعۡتَدِیۡنَ ﴿۵۵﴾
Oed'oe Rabbakoem tadarroe'aw wa ghoefyah; iennahoe laa yoehiebboel moe'tadieen
7:55 Roep jullie Heer nederig en in stilte aan. Voorzeker, Hij houdt niet van de misdadigers.
وَ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ بَعۡدَ اِصۡلَاحِہَا وَ ادۡعُوۡہُ خَوۡفًا وَّ طَمَعًا ؕ اِنَّ رَحۡمَتَ اللّٰہِ قَرِیۡبٌ مِّنَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۶۵﴾
Wa laa toefsiedoe fiel ardie ba'da ieslaahiehaa wad'oehoe ghawfaw wa tama'aa; ienna rahmatal laahie qarieeboem mienal moehsienieen
7:56 En zaai geen verderf op aarde na zijn hervorming (door Allah's boodschap). En roep Hem aan met vrees en hoop. Voorzeker, de barmhartigheid van Allah is dichtbij de "Muhsinien" (iemand die goede daden verricht op basis van Taqwa).
وَ ہُوَ الَّذِیۡ یُرۡسِلُ الرِّیٰحَ بُشۡرًۢا بَیۡنَ یَدَیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَقَلَّتۡ سَحَابًا ثِقَالًا سُقۡنٰہُ لِبَلَدٍ مَّیِّتٍ فَاَنۡزَلۡنَا بِہِ الۡمَآءَ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖ مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ ؕ کَذٰلِکَ نُخۡرِجُ الۡمَوۡتٰی لَعَلَّکُمۡ تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۷۵﴾
Wa Hoewal laziee yoersieloer rieyaaha boeshram baina yadai rahmatiehiee hattaaa iezaaa aqallat sahaaban sieqaalan soeqnaahoe liebaladiem maiyietien fa annzalnaa biehiel maaa'a fa aghradjnaa biehiee mienn koellies samaraat; kazaalieka noeghriedjoel mawtaa la'allakoem tazakkaroen
7:57 En Hij is Degene Die de winden zendt als goede nieuws van Zijn barmhartigheid. Wanneer ze zware wolken dragen, sturen Wij ze naar een dood (verdord) land, dan doen Wij het water neerdalen. Vervolgens brengen Wij alle soorten vruchten er uit voort. Net zo zullen Wij de doden (op de dag des oordeels) opwekken, (Allah geeft deze vergelijking) zodat jullie kunnen gedenken.
وَ الۡبَلَدُ الطَّیِّبُ یَخۡرُجُ نَبَاتُہٗ بِاِذۡنِ رَبِّہٖ ۚ وَ الَّذِیۡ خَبُثَ لَا یَخۡرُجُ اِلَّا نَکِدًا ؕ کَذٰلِکَ نُصَرِّفُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّشۡکُرُوۡنَ ﴿۸۵﴾
Walbaladoet taiyieboe yaghroedjoe nabaatoehoe bie-ieznie Rabbiehiee wallaziee ghaboesa laa yaghroedjoe iellaa nakiedaa; kazaalieka noesarriefoel Aayaatie lieqawmiey yashkoeroen
7:58 En uit goede aarde komt (goede) gewassen voort door de goedkeuring van Allah. Echter, uit het slechte zal niets (goeds) of met veel moeite iets voort komen. Zo leggen Wij de tekenen uit voor een dankbare volk. (Notitie: Uit het goede komt het goede voort en uit het slechte komt niets goeds voort.)
لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖ فَقَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۹۵﴾
Laqad arsalnaa noehan ielaa qawmiehiee faqaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoehoe iennieee aghaafoe 'alaikoem 'azaaba Yawmien 'Azieem
7:59 Voorzeker, Wij zonden Noeh (Noach) tot zijn volk en hij zei: "O mijn volk! Aanbidt Allah! Er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Voorzeker, ik vrees de straf voor jullie op de grote dag."
قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِہٖۤ اِنَّا لَنَرٰىکَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۰۶﴾
Qaalal mala-oe mien qaw miehieee iennaa lanaraaka fiee dalaaliem moebieen
7:60 De leiders van zijn volk zeiden: "Voorzeker, wij zien jou in een duidelijke dwaling verkeren."
قَالَ یٰقَوۡمِ لَیۡسَ بِیۡ ضَلٰلَۃٌ وَّ لٰکِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۶﴾
Qaala yaa qawmie laisa biee dalaalatoew wa laakienniee Rasoeloem mier Rabbiel 'aalamieen
7:61 Hij (Noeh) zei: "O mijn volk! Ik verkeer niet in dwaling. Echter, ik ben een boodschapper van de Heer der werelden.
اُبَلِّغُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ اَنۡصَحُ لَکُمۡ وَ اَعۡلَمُ مِنَ اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۶﴾
Oeballieghoekoem Riesaalaatie Rabbiee wa ansahoe lakoem wa a'lamoe mienal laahie maa laa ta'lamoen
7:62 Ik geef jullie slechts de boodschappen van mijn Heer. En ik adviseer jullie (ermee) en ik heb kennis over Allah die jullie niet hebben."
اَوَ عَجِبۡتُمۡ اَنۡ جَآءَکُمۡ ذِکۡرٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَلٰی رَجُلٍ مِّنۡکُمۡ لِیُنۡذِرَکُمۡ وَ لِتَتَّقُوۡا وَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Awa 'adjiebtoem an djaaa'akoem ziekroem mier Rabbiekoem 'alaa radjoeliem mien-koem lieyoenzierakoem wa lietattaqoe wa la'allakoem toerhamoen
7:63 Verbaast het jullie dat er een herinnering van jullie Heer via een man uit jullie volk is gekomen? Zodat hij jullie waarschuwt, en zodat jullie (Allah) kunnen vrezen, en zodat jullie de genade (van Allah) kunnen krijgen."
فَکَذَّبُوۡہُ فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗ فِی الۡفُلۡکِ وَ اَغۡرَقۡنَا الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا عَمِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Fakazzaboehoe fa andjai naahoe wallazieena ma'ahoe fiel foelkie wa aghraqnal lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa; iennahoem kaanoe qawman 'amieen
7:64 Echter ze wezen hem af. Dus redde Wij hem en degenen die met hem in de ark waren. En Wij lieten degenen, die Onze tekenen verwierpen, verdrinken. Voorzeker, het was een blind volk.
وَ اِلٰی عَادٍ اَخَاہُمۡ ہُوۡدًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اَفَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۵۶﴾
Wa ielaa 'aadien aghaahoem Hoedaa; qaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoeh; afalaa tattaqoen
7:65 En tot het volk Aad zonden Wij Hoed, Hij zei: "O mijn volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarom vrezen jullie Allah niet?" (Notitie: Het volk van Aad was een volk dat ten zuiden van Arabië leefden. Hoed was de eerste profeet na Noeh.)
قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖۤ اِنَّا لَنَرٰىکَ فِیۡ سَفَاہَۃٍ وَّ اِنَّا لَنَظُنُّکَ مِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۶۶﴾
Qaalal mala oel lazieena kafaroe mien qawmiehieee iennaa lanaraaka fiee safaahatiew wa iennaa la nazoennoeka mienal kaaziebieen
7:66 De leiders van de ongelovigen onder zijn volk zeiden: "Voorzeker, wij zien dat je in dwaasheid verkeert en we denken dat je liegt."
قَالَ یٰقَوۡمِ لَیۡسَ بِیۡ سَفَاہَۃٌ وَّ لٰکِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۶﴾
Qaala yaa qawmie laisa biee safaahatoew wa laakienniee Rasoeloem mier Rabbiel 'aalamieen
7:67 Hij (Hoed) zei: "Mijn volk! Er is geen dwaasheid in mij! Ik ben een boodschapper van de Heer der werelden."
اُبَلِّغُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ اَنَا لَکُمۡ نَاصِحٌ اَمِیۡنٌ ﴿۸۶﴾
Oeballieghoekoem Riesaalaatie Rabbiee wa ana lakoem naasiehoen amieen
7:68 "Ik geef jullie slechts de boodschappen van mijn Heer en ik ben voor jullie een betrouwbare adviseur."
اَوَ عَجِبۡتُمۡ اَنۡ جَآءَکُمۡ ذِکۡرٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَلٰی رَجُلٍ مِّنۡکُمۡ لِیُنۡذِرَکُمۡ ؕ وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ جَعَلَکُمۡ خُلَفَآءَ مِنۡۢ بَعۡدِ قَوۡمِ نُوۡحٍ وَّ زَادَکُمۡ فِی الۡخَلۡقِ بَصۜۡطَۃً ۚ فَاذۡکُرُوۡۤا اٰلَآءَ اللّٰہِ لَعَلَّکُمۡ تُفۡلِحُوۡنَ ﴿۹۶﴾
Awa 'adjiebtoem an djaaa'akoem ziekroem mier Rabbiekoem 'alaa radjoeliem mien-koem lieyoenzierakoem; wazkoeroeo iez dja'alakoem ghoelafaaa'a miem ba'die qawmie noehiew wa zaadakoem fielghalqie bastatan fazkoeroeo aalaaa'al laahie la'allakoem toefliehoen
7:69 "Verbaast het jullie dat er een herinnering van jullie Heer via een man uit jullie volk is gekomen, zodat hij jullie waarschuwt? En gedenk toen Hij (Allah) jullie de opvolgers (van generatie) van het volk van Noeh maakte en dat Hij jullie zeer groot maakte van lichaamsbouw. Dus gedenk de gunsten van Allah, zodat jullie succes kunnen verkrijgen."
قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا لِنَعۡبُدَ اللّٰہَ وَحۡدَہٗ وَ نَذَرَ مَا کَانَ یَعۡبُدُ اٰبَآؤُنَا ۚ فَاۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۰۷﴾
Qaaloeo adjie'tanaa liena'boedal laaha wahdahoe wa nazara maa kaana ya'boedoe aabaaa'oenaa fa'tienaa biemaa ta'iedoenaaa ien koenta mienas saadieqieen
7:70 Ze zeiden: "Ben je alleen tot ons gekomen, zodat we slechts Allah alleen moeten aanbidden en we hetgeen moeten verlaten wat onze voorvaders aanbaden?" Breng dan maar datgeen wat je belooft hebt aan ons (de bestraffing), als je de waarheid spreekt."
قَالَ قَدۡ وَقَعَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ رِجۡسٌ وَّ غَضَبٌ ؕ اَتُجَادِلُوۡنَنِیۡ فِیۡۤ اَسۡمَآءٍ سَمَّیۡتُمُوۡہَاۤ اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمۡ مَّا نَزَّلَ اللّٰہُ بِہَا مِنۡ سُلۡطٰنٍ ؕ فَانۡتَظِرُوۡۤا اِنِّیۡ مَعَکُمۡ مِّنَ الۡمُنۡتَظِرِیۡنَ ﴿۱۷﴾
Qaala qad waqa'a alaikoem mier Rabbiekoem riedjsoew wa ghadab, atoedjaadieloenaniee fieee asmaaa'ien sammaitoemoehaaa antoem wa aabaaa'oekoem maa nazzalal laahoe biehaa mien soeltaan; fantazieroeo ienniee ma'akoem mienal moentazierieen
7:71 Hij zei: "Waarlijk, op jullie rust er nu de bestraffing en de woede van jullie Heer. Maken jullie ruzie met mij alleen voor de namen die jullie en jullie voorvaders verzonnen hebben terwijl Allah er geen enkel bewijs voor heeft neergezonden? Wacht dan! Voorzeker, ik wacht ook.
فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗ بِرَحۡمَۃٍ مِّنَّا وَ قَطَعۡنَا دَابِرَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ مَا کَانُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲۷﴾
Fa andjainaahoe wallazieena ma'ahoe bierahmatiem miennaa wa qata'naa daabieral lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa wa maa kaanoe moe'mienieen
7:72 Dus hebben Wij hem (Hoed) en degenen met hem (die de boodschap geaccepteerd hadden) door Onze genade, gered (van de storm). En Wij hebben de wortels, van degenen die Onze tekenen verwierpen, afgesneden. En ze waren geen gelovigen.
وَ اِلٰی ثَمُوۡدَ اَخَاہُمۡ صٰلِحًا ۘ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ قَدۡ جَآءَتۡکُمۡ بَیِّنَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ ہٰذِہٖ نَاقَۃُ اللّٰہِ لَکُمۡ اٰیَۃً فَذَرُوۡہَا تَاۡکُلۡ فِیۡۤ اَرۡضِ اللّٰہِ وَ لَا تَمَسُّوۡہَا بِسُوۡٓءٍ فَیَاۡخُذَکُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۳۷﴾
Wa ielaa Samoeda aghaahoem Saaliehaa; qaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoehoe qad djaaa'atkoem baiyienatoem mier Rabbiekoem haaziehiee naaqatoel laahie lakoem Aayatan fazaroehaa ta'koel fieee ardiel laahie wa laa tamassoehaa biesoeo'ien fa ya'ghoezakoem 'azaaboen alieem
7:73 En voor het volk Thamoed zonden Wij hun broeder Salih. Hij zei: "O mijn Volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarlijk, er is een duidelijke bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen. Dit is een vrouwelijke kameel geschonken door Allah, het is voor jullie een teken. Zo laat haar eten op de aarde van Allah, en doe haar geen kwaad, anders zullen jullie door een pijnlijke straf worden gegrepen. (Notitie: Het volk Thamoed was een volk dat ten noorden van Arabië leefden, en dat ontstaan is uit de mensen die gered zijn van het volk van Aad. Waarschijnlijk zijn de gelovigen dus van het zuiden van Arabië naar het noorden van Arabië gegaan.)
وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ جَعَلَکُمۡ خُلَفَآءَ مِنۡۢ بَعۡدِ عَادٍ وَّ بَوَّاَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ تَتَّخِذُوۡنَ مِنۡ سُہُوۡلِہَا قُصُوۡرًا وَّ تَنۡحِتُوۡنَ الۡجِبَالَ بُیُوۡتًا ۚ فَاذۡکُرُوۡۤا اٰلَآءَ اللّٰہِ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۴۷﴾
Wazkoeroe iez dja'alakoem ghoelafaaa'a miem ba'die 'Aadiew wa bawwa akoem fiel ardie tattaghiezoena mien soehoeliehaa qoesoeraw wa tanhietoenal djiebaala boeyoetan fazkoeroeo aalaaa'al laahie wa laa ta'saw fiel ardie moefsiedieen
7:74 "En herinner dat Hij jullie als opvolgers van het volk Aad heeft gemaakt en dat Hij jullie (in aantallen) op de aarde heeft gevestigd." En dat jullie paleizen (door Zijn goedkeuring) op vlaktes bouwen. En dat jullie (door Zijn goedkeuring) de bergen uithouwen om er huizen in te maken. Dus gedenk de gunsten van Allah en verricht geen slechte daden om verderf op aarde te zaaien.
قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ لِلَّذِیۡنَ اسۡتُضۡعِفُوۡا لِمَنۡ اٰمَنَ مِنۡہُمۡ اَتَعۡلَمُوۡنَ اَنَّ صٰلِحًا مُّرۡسَلٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّا بِمَاۤ اُرۡسِلَ بِہٖ مُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۵۷﴾
Qaalal mala oel lazieenas takbaroe mien qawmiehiee liellazieenas toed'iefoe lieman aamana mienhoem ata'lamoena anna Saalieham moersaloem mier Rabbieh; qaaloeo iennaa biemaaa oersiela biehiee moe'mienoen
7:75 De hoogmoedige leiders van zijn volk zeiden tegen de gelovigen die onderdrukt werden: "Weten jullie dat Salih degene is die gezonden is door zijn Heer?" Ze zeiden: "voorzeker, wij geloven in datgeen wat aan hem is geopenbaard."
قَالَ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡۤا اِنَّا بِالَّذِیۡۤ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۶۷﴾
Qaalal lazieenas takbaroeo iennaa biellazieee aamanntoem biehiee kaafieroen
7:76 Degenen die hoogmoedig waren, zeiden: "Voorzeker, wij geloven niet in hetgeen waar jullie in geloven."
فَعَقَرُوا النَّاقَۃَ وَ عَتَوۡا عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہِمۡ وَ قَالُوۡا یٰصٰلِحُ ائۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۷۷﴾
Fa'aqaroen naaqata wa'ataw 'an amrie Rabbiehiem wa qaaloe yaa Saaliehoe' tienaa biemaa ta'iedoenaaa ien koenta mienal moersalieen
7:77 Vervolgens verlamde ze de vrouwelijke kameel. Dus waren ze ongehoorzaam voor het gebod van hun Heer. En ze zeiden: "O Salih! Breng ons maar wat je ons beloofd hebt als jij tot de boodschappers behoort."
فَاَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿۸۷﴾
Fa aghazat hoemoer radjfatoe fa asbahoe fiee daariehiem djaasiemieen
7:78 Dus greep de aardbeving hen en ze vielen dood neer, uitgestrekt in hun huizen.
فَتَوَلّٰی عَنۡہُمۡ وَ قَالَ یٰقَوۡمِ لَقَدۡ اَبۡلَغۡتُکُمۡ رِسَالَۃَ رَبِّیۡ وَ نَصَحۡتُ لَکُمۡ وَ لٰکِنۡ لَّا تُحِبُّوۡنَ النّٰصِحِیۡنَ ﴿۹۷﴾
Fa tawalla 'anhoem wa qaala yaa qawmie laqad ablaghtoekoem Riesaalata Rabbiee wa nasahtoe lakoem wa laakiel laa toehiebboenan naasiehieen
7:79 Dus ging hij (Shalih) weg van hen en zei: "O mijn volk! Waarlijk, ik heb voor jullie de boodschap van mijn Heer overgebracht. En ik adviseerde jullie ermee, maar jullie hielden niet van de raadplegers."
وَ لُوۡطًا اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اَتَاۡتُوۡنَ الۡفَاحِشَۃَ مَا سَبَقَکُمۡ بِہَا مِنۡ اَحَدٍ مِّنَ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۰۸﴾
Wa Loetan iez qaala lieqawmiehieee ata'toenal faahieshata maa sabaqakoem biehaa mien ahadiem mienal 'aalamieen
7:80 En (gedenk) Loeth (Lot), toen hij tot zijn volk zei: "Bedrijven jullie zo een onzedelijkheid die door niemand op de wereld eerder is begaan?!"
اِنَّکُمۡ لَتَاۡتُوۡنَ الرِّجَالَ شَہۡوَۃً مِّنۡ دُوۡنِ النِّسَآءِ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ مُّسۡرِفُوۡنَ ﴿۱۸﴾
Innakoem lata'toenar riedjaala shahwatam mien doenien niesaaa'; bal antoemqawmoem moesriefoen
7:81 Voorwaar, jullie benaderen de mannen met lust in plaats van de vrouwen. Nee! Jullie zijn een volk dat een grote onzedelijkheid begaan.
وَ مَا کَانَ جَوَابَ قَوۡمِہٖۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اَخۡرِجُوۡہُمۡ مِّنۡ قَرۡیَتِکُمۡ ۚ اِنَّہُمۡ اُنَاسٌ یَّتَطَہَّرُوۡنَ ﴿۲۸﴾
Wa maa kaana djawaaba qawmiehiee iellaa an qaaloeo aghriedjoehoem mien qaryatiekoem iennahoem oenaasoey yatatahharoen
7:82 En het enige antwoord van zijn volk was dat ze zeiden: "Verdrijf hen uit jullie stad. Voorzeker, ze zijn mensen die zichzelf rein houden."
فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اِلَّا امۡرَاَتَہٗ ۫ۖ کَانَتۡ مِنَ الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۳۸﴾
Fa andjainaahoe wa ahlahoeo iellam ra atahoe kaanat mienal ghaabierieen
7:83 Dus redden Wij hem en zijn familie, behalve zijn vrouw. Ze behoorde (ook) tot de groep die achter bleven.
وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ مَّطَرًا ؕ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۴۸﴾
Wa 'amtarnaa 'alaihiem mataran fanzoer kaifa kaana aaqiebatoel moedjriemieen
7:84 En Wij bestendigden hen vanuit de hemel. Dus zie hoe het einde was van de misdadigers.
وَ اِلٰی مَدۡیَنَ اَخَاہُمۡ شُعَیۡبًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ قَدۡ جَآءَتۡکُمۡ بَیِّنَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَوۡفُوا الۡکَیۡلَ وَ الۡمِیۡزَانَ وَ لَا تَبۡخَسُوا النَّاسَ اَشۡیَآءَہُمۡ وَ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ بَعۡدَ اِصۡلَاحِہَا ؕ ذٰلِکُمۡ خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۸﴾
Wa ielaa Madyana aghaahoem Shoe'aybaa; qaala yaa qawmie' boedoel laaha maa lakoem mien ielaahien ghairoehoe qad djaaa'atkoem baiyienatoem mier Rabbiekoem fa awfoel kaila walmieezaana wa laa tabghasoen naasa ashyaa'ahoem wa laa toefsiedoe fiel ardie ba'da ieslaahiehaa; zaaliekoem ghairoel lakoem ien koentoem moe'mienieen
7:85 En tot het volk Midian (zonden Wij) Shoe'aib. Hij zei: "O mijn Volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarlijk, er is een duidelijke bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen. Dus geef de volledigheid in maat en gewicht en beroof geen mensen van hun dingen en zaai geen verderf op aarde na zijn hervorming (door Allah's boodschap). Dat is beter voor jullie als jullie geloven." (Notitie: Midian is een volk dat in het noordwesten van Arabië leefde.)
وَ لَا تَقۡعُدُوۡا بِکُلِّ صِرَاطٍ تُوۡعِدُوۡنَ وَ تَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ مَنۡ اٰمَنَ بِہٖ وَ تَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ۚ وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ کُنۡتُمۡ قَلِیۡلًا فَکَثَّرَکُمۡ ۪ وَ انۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۶۸﴾
Wa laa taq'oedoe biekoellie sieraatien toe'iedoena wa tasoeddoena 'an sabieeliel laahie man aamana biehiee wa tabghoenahaa 'iewadjaa; waz koeroeo iez koentoem qalieelan fakassarakoem wanzoeroe kaifa kaana 'aaqiebatoel moefsiedieen
7:86 "En zit niet op elke pad, die de gelovigen bewandelen voor (het vinden van) Allah, te dreigen en te verhinderen, zoekend om het krom te maken. Gedenk toen jullie met zijn weinigen waren, en dat Hij jullie heeft doen toenemen. En zie hoe het einde was van de misdadigers."
وَ اِنۡ کَانَ طَآئِفَۃٌ مِّنۡکُمۡ اٰمَنُوۡا بِالَّذِیۡۤ اُرۡسِلۡتُ بِہٖ وَ طَآئِفَۃٌ لَّمۡ یُؤۡمِنُوۡا فَاصۡبِرُوۡا حَتّٰی یَحۡکُمَ اللّٰہُ بَیۡنَنَا ۚ وَ ہُوَ خَیۡرُ الۡحٰکِمِیۡنَ ﴿۷۸﴾
Wa In kaana taaa'iefatoem mien-koem aamanoe biellazieee oersieltoe biehiee wa taaa'iefatoel lam yoe'mienoe fasbieroe hattaa yahkoemal laahoe bainanaa; wa Hoewa ghairoel haakiemieen
7:87 En als er een groep van jullie is, die gelooft in hetgeen waarmee ik gezonden ben, en een ander groep die er niet in gelooft, wees dan (beide) geduldig totdat Allah tussen ons oordeelt. En Hij is de Hakiem" (De enige echte rechter en levert altijd gerechtigheid voor elke situatie).