یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَوۡفُوۡا بِالۡعُقُوۡدِ ۬ؕ اُحِلَّتۡ لَکُمۡ بَہِیۡمَۃُ الۡاَنۡعَامِ اِلَّا مَا یُتۡلٰی عَلَیۡکُمۡ غَیۡرَ مُحِلِّی الصَّیۡدِ وَ اَنۡتُمۡ حُرُمٌ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یَحۡکُمُ مَا یُرِیۡدُ ﴿۱﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamanoe awfoe biel'oeqoed; oehiellat lakoem bahieematoel an'aamie iellaa maa yoetlaa 'alaikoem ghaira moehiellies saidie wa antoem hoeroem; iennal laaha yahkoemoe maa yoerieed
5:1 O jullie die geloven! Kom de contracten na. Viervoetige vee-dieren zijn voor jullie wettig gemaakt, behalve wat voor jullie is ontzegt. Het is niet toegestaan te jagen gedurende de Ihraam-staat (gewijde staat tijdens de bedevaart). Voorzeker, Allah bepaalt wat Hij wil.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تُحِلُّوۡا شَعَآئِرَ اللّٰہِ وَ لَا الشَّہۡرَ الۡحَرَامَ وَ لَا الۡہَدۡیَ وَ لَا الۡقَلَآئِدَ وَ لَاۤ آٰمِّیۡنَ الۡبَیۡتَ الۡحَرَامَ یَبۡتَغُوۡنَ فَضۡلًا مِّنۡ رَّبِّہِمۡ وَ رِضۡوَانًا ؕ وَ اِذَا حَلَلۡتُمۡ فَاصۡطَادُوۡا ؕ وَ لَا یَجۡرِمَنَّکُمۡ شَنَاٰنُ قَوۡمٍ اَنۡ صَدُّوۡکُمۡ عَنِ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ اَنۡ تَعۡتَدُوۡا ۘ وَ تَعَاوَنُوۡا عَلَی الۡبِرِّ وَ التَّقۡوٰی ۪ وَ لَا تَعَاوَنُوۡا عَلَی الۡاِثۡمِ وَ الۡعُدۡوَانِ ۪ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ شَدِیۡدُ الۡعِقَابِ ﴿۲﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamanoe laa toehielloe sha'aaa 'ieral laahie wa lash Shahral Haraama wa lal hadya wa lal qalaaa'ieda wa laa aaammieenal Baital Haraama yabtaghoena fadlam mier Rabbiehiem wa riedwaanaa; wa iezaa halaltoem fastaadoe; wa laa yadjriemannakoem shana aanoe qawmien an saddoekoem 'aniel Masdjiediel-Haraamie an ta'tadoe; wa ta'aawanoe 'alalbierrie wattaqwaa; wa laa ta'aawanoe 'alal iesmie wal'oedwaan; wattaqoel laah; iennal laaha shadieedoel 'ieqaab
5:2 O jullie die geloven! Ontheilig Allah's rituelen niet, noch de Heilige maand, noch de offerdieren en noch de halsbanden (van de offerdieren). En onteer niet de mensen die naar het heilige huis (Kabaa) gaan, zoekend naar de gunsten en de tevredenheid van hun Heer. En wanneer jullie uit de Ihraam-staat zijn, mogen jullie jagen. En laat geen woede in julliezelf opwekken door de mensen die jullie tegenhouden van de Heilige Moskee Haram, anders zullen jullie zonden begaan. En help elkaar in het begaan van goedheid en in vroomheid. Echter, help elkaar niet in zondigheid en in het begaan van overtreding. En vrees Allah, voorzeker Allah is streng in de bestraffing.
حُرِّمَتۡ عَلَیۡکُمُ الۡمَیۡتَۃُ وَ الدَّمُ وَ لَحۡمُ الۡخِنۡزِیۡرِ وَ مَاۤ اُہِلَّ لِغَیۡرِ اللّٰہِ بِہٖ وَ الۡمُنۡخَنِقَۃُ وَ الۡمَوۡقُوۡذَۃُ وَ الۡمُتَرَدِّیَۃُ وَ النَّطِیۡحَۃُ وَ مَاۤ اَکَلَ السَّبُعُ اِلَّا مَا ذَکَّیۡتُمۡ ۟ وَ مَا ذُبِحَ عَلَی النُّصُبِ وَ اَنۡ تَسۡتَقۡسِمُوۡا بِالۡاَزۡلَامِ ؕ ذٰلِکُمۡ فِسۡقٌ ؕ اَلۡیَوۡمَ یَئِسَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ دِیۡنِکُمۡ فَلَا تَخۡشَوۡہُمۡ وَ اخۡشَوۡنِ ؕ اَلۡیَوۡمَ اَکۡمَلۡتُ لَکُمۡ دِیۡنَکُمۡ وَ اَتۡمَمۡتُ عَلَیۡکُمۡ نِعۡمَتِیۡ وَ رَضِیۡتُ لَکُمُ الۡاِسۡلَامَ دِیۡنًا ؕ فَمَنِ اضۡطُرَّ فِیۡ مَخۡمَصَۃٍ غَیۡرَ مُتَجَانِفٍ لِّاِثۡمٍ ۙ فَاِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۳﴾
Hoerriemat 'alaikoemoel maitatoe waddamoe wa lahmoel ghienzieerie wa maaa oehiella lieghieriel laahie biehiee walmoen ghanie qatoe wal mawqoezatoe wal moetarad dieyatoe wanna tieehatoe wa maaa akalas saboe'oe iellaa maa zakkaitoem wa maa zoebieha 'alan noesoebie wa an tastaqsiemoe biel azlaam; zaaliekoem fiesq; alyawma ya'iesal lazieena kafaroe mien dieeniekoem falaa taghshawhoem wagh shawn; alyawma akmaltoe lakoem dieenakoem wa atmamtoe 'alaikoem nie'matiee wa radieetoe lakoemoel Islaama dieenaa; famaniedtoerra fiee maghmasatien ghaira moetadjaaniefiel lie iesmien fa iennallaaha Ghafoeroer Rahieem
5:3 Het (eten van) kadaver (dode dieren) is onwettig voor jullie verklaart. Zo ook het bloed, zwijn, varkensvlees, en alles wat toegewijd is aan iets anders dan Allah. En wat gewurgd, verongelukt, of gevallen is of wat doorboord is door hoorns, of dat waar wilde dieren aan gegeten hebben, (dit alles is verboden verklaart) behalve als jullie het slachten (voordat het levenloos is). En wat op een altaar geofferd is of wat verkregen, opgeëist is op basis van rituelen of bijgeloof (zoals het verloten van pijlen), dit is een ernstige zonde. Op deze dag verliezen de ongelovigen de moed om jullie Dien (levenswijze) te bestrijden. Dus vrees hen niet, maar vrees Mij. Op deze dag heb ik voor jullie, jullie Dien (levenswijze) vervolmaakt, Mijn gunsten op jullie voltooid en de Islam als een levenswijze voor jullie voorgeschreven. Echter wie door honger wordt gedwongen en niet neigt naar het begaan van zonde, dan voorzeker Allah is meest Vergevensgezind, meest Barmhartig.
یَسۡـَٔلُوۡنَکَ مَاذَاۤ اُحِلَّ لَہُمۡ ؕ قُلۡ اُحِلَّ لَکُمُ الطَّیِّبٰتُ ۙ وَ مَا عَلَّمۡتُمۡ مِّنَ الۡجَوَارِحِ مُکَلِّبِیۡنَ تُعَلِّمُوۡنَہُنَّ مِمَّا عَلَّمَکُمُ اللّٰہُ ۫ فَکُلُوۡا مِمَّاۤ اَمۡسَکۡنَ عَلَیۡکُمۡ وَ اذۡکُرُوا اسۡمَ اللّٰہِ عَلَیۡہِ ۪ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۴﴾
Yas'aloenaka maazaaa oehiella lahoem; qoel oehiella lakoemoettaiyiebaatoe wa maa'allamtoem mienal djawaariehie moekalliebieena toe'alliemoenahoennamiemmaa 'allamakoemoel laahoe fakoeloe miemmaaa amsakna 'alaikoem wazkoeroes mal laahie 'alaih; wattaqoel laah; iennal laaha sariee'oel hiesaab
5:4 Ze vragen jou wat wettig voor hen is gemaakt. Zeg: "Wettig zijn de goede dingen en wat jullie verkrijgen door middel van de jachtdieren, doordat jullie hen het jagen hebben geleerd zoals Allah het jullie heeft geleerd. Dus eet wat ze voor jullie vangen, en noem de naam Allah erover. En vrees Allah! Voorzeker, Allah is snel in afrekenen.
اَلۡیَوۡمَ اُحِلَّ لَکُمُ الطَّیِّبٰتُ ؕ وَ طَعَامُ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ حِلٌّ لَّکُمۡ ۪ وَ طَعَامُکُمۡ حِلٌّ لَّہُمۡ ۫ وَ الۡمُحۡصَنٰتُ مِنَ الۡمُؤۡمِنٰتِ وَ الۡمُحۡصَنٰتُ مِنَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ اِذَاۤ اٰتَیۡتُمُوۡہُنَّ اُجُوۡرَہُنَّ مُحۡصِنِیۡنَ غَیۡرَ مُسٰفِحِیۡنَ وَ لَا مُتَّخِذِیۡۤ اَخۡدَانٍ ؕ وَ مَنۡ یَّکۡفُرۡ بِالۡاِیۡمَانِ فَقَدۡ حَبِطَ عَمَلُہٗ ۫ وَ ہُوَ فِی الۡاٰخِرَۃِ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۵﴾
Alyawma oehiella lakoemoet taiyiebaatoe wa ta'aamoel lazieena oetoel Kietaaba hielloel lakoem wa ta'aamoekoem hielloel lahoem wal moehsanaatoe mienal moe'mienaatie walmoehsanaatoe mienal lazieena oetoel Kietaaba mien qabliekoem iezaaa aataitoemoehoenna oedjoerahoenna moehsienieena ghaira moesaafiehieena wa laa moettaghiezieee aghdaan; wa may yakfoer biel ieemaanie faqad habieta 'amaloehoe wa hoewa fiel Aaaghieratie mienal ghaasierieen
5:5 Op deze dag is het goede (van voedsel) voor jullie toegestaan en het voedsel van de mensen van het boek (die de eenheid van Allah, de Tauhied erkennen, het niet erkennen van de éénheid van Allah wordt gezien als ongelovigheid, zie 5:17). Zo ook is jullie voedsel voor hen toegestaan. En toegestaan zijn de kuise vrouwen onder de gelovigen en onder de mensen van het boek (die geloven in de Tauhied), alleen nadat jullie hen hun bruidsschat hebben gegeven en met ze het huwelijk zijn aangegaan (openbaar erkenning van het bruidspaar) en niet (toegestaan is met hen) als vriendinnen samen te wonen. En wie Zijn wetten (van Allah) verwerpt, voorzeker zijn daden (door het maken van zijn eigen wetten) zullen leiden tot verspilling, verderf, en hij zal in het hiernamaals tot de verliezers behoren.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِذَا قُمۡتُمۡ اِلَی الصَّلٰوۃِ فَاغۡسِلُوۡا وُجُوۡہَکُمۡ وَ اَیۡدِیَکُمۡ اِلَی الۡمَرَافِقِ وَ امۡسَحُوۡا بِرُءُوۡسِکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ اِلَی الۡکَعۡبَیۡنِ ؕ وَ اِنۡ کُنۡتُمۡ جُنُبًا فَاطَّہَّرُوۡا ؕ وَ اِنۡ کُنۡتُمۡ مَّرۡضٰۤی اَوۡ عَلٰی سَفَرٍ اَوۡ جَآءَ اَحَدٌ مِّنۡکُمۡ مِّنَ الۡغَآئِطِ اَوۡ لٰمَسۡتُمُ النِّسَآءَ فَلَمۡ تَجِدُوۡا مَآءً فَتَیَمَّمُوۡا صَعِیۡدًا طَیِّبًا فَامۡسَحُوۡا بِوُجُوۡہِکُمۡ وَ اَیۡدِیۡکُمۡ مِّنۡہُ ؕ مَا یُرِیۡدُ اللّٰہُ لِیَجۡعَلَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ حَرَجٍ وَّ لٰکِنۡ یُّرِیۡدُ لِیُطَہِّرَکُمۡ وَ لِیُتِمَّ نِعۡمَتَہٗ عَلَیۡکُمۡ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۶﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamanoe iezaa qoemtoem ielas Salaatie faghsieloe woedjoehakoem wa Aiedieyakoem ielal maraafieqie wamsahoe bieroe'oesiekoem wa ardjoelakoem ielal ka'bayn; wa ien koentoem djoenoeban fattahharoe; wain koentoem mardaaa aw'alaa safarien aw djaaa'a ahadoem mien-koem mienal ghaaa'ietie aw laamastoemoenniesaaa'a falam tadjiedoe maaa'an fatayammamoe sa'ieedan taiyieban famsahoe biewoedjoehiekoem wa aidieekoem mienh; ma yoerieedoel laahoe lieyadj'ala 'alaikoem mien haradjiew walaakiey yoerieedoe lieyoetahhierakoem wa lieyoetiemma nie'matahoe 'alaikoem la'allakoem tashkoeroen
5:6 O gelovigen! Wanneer jullie staan voor het gebed (de salaat), was dan jullie gezichten en jullie handen tot aan de ellebogen. En wrijf jullie hoofden en was de voeten tot aan de enkels. Maar wanneer jullie onrein (Djoenoeb) zijn, reinig jezelf (dan eerst). Echter als jullie ziek zijn of op reis zijn of naar het toilet zijn gegaan of met vrouwen gemeenschap hebben gehad en jullie vinden geen water, verricht dan de Tayyamum met schone aarde en wrijf jullie gezichten en handen ermee. Allah wil het voor jullie niet moeilijk maken. Hij wil jullie reinigen en Zijn Gunsten op jullie vervolmaken, zodat jullie aangemoedigd, geïnspireerd worden om dankbaar te zijn.
وَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَۃَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ وَ مِیۡثَاقَہُ الَّذِیۡ وَاثَقَکُمۡ بِہٖۤ ۙ اِذۡ قُلۡتُمۡ سَمِعۡنَا وَ اَطَعۡنَا ۫ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۷﴾
Wazkoeroe nie'matal laahie 'alaikoem wa mieesaaqahoel laziee waasaqakoem biehieee iez qoeltoem samie'naa wa ata'naa wattaqoel laah; iennal laaha 'alieemoem biezaaties soedoer
5:7 En gedenk Allah's Gunsten op jullie en het verbond welke Hij aan jullie vast maakte toen jullie zeiden: "We hebben gehoord en we gehoorzamen." En vrees Allah! Voorzeker, Allah is Alwetend wat zich in de harten bevindt.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا کُوۡنُوۡا قَوّٰمِیۡنَ لِلّٰہِ شُہَدَآءَ بِالۡقِسۡطِ ۫ وَ لَا یَجۡرِمَنَّکُمۡ شَنَاٰنُ قَوۡمٍ عَلٰۤی اَلَّا تَعۡدِلُوۡا ؕ اِعۡدِلُوۡا ۟ ہُوَ اَقۡرَبُ لِلتَّقۡوٰی ۫ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ خَبِیۡرٌۢ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۸﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamaanoe koenoe qawwaa mieena liellaahie shoehadaaa'a bielqiest, wa laa yadjriemannakoem shana aanoe qawmien 'alaaa allaa ta'dieloe; ie'dieloe; hoewa aqraboe liettaqwaa wattaqoel laah; iennal laaha ghabieeroem biemaa ta'maloen
5:8 O gelovigen! Wees standvastig in het getuigen van rechtvaardigheid voor Allah. En laat de haat van mensen jullie niet doen afwenden om rechtvaardig te handelen. Wees rechtvaardig! Dat is dicht bij de Taqwa (godvrezendheid, vroomheid). En vrees Allah! Voorwaar, Allah is Alwetend over datgeen wat jullie doen.
وَعَدَ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ ۙ لَہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ وَّ اَجۡرٌ عَظِیۡمٌ ﴿۹﴾
Wa'adal laahoel lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie lahoem maghfieratoew wa adjroen 'azieem
5:9 En Allah beloofde aan degenen die geloven en goede daden doen, dat er voor hen vergeving en een geweldige beloning is.
وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَحِیۡمِ ﴿۰۱﴾
Wallazieena kafaroe wa kazzaboe bie Aayaatienaaa oelaaa'ieka Ashaaboel djahieem
5:10 En voor degenen die niet geloofden en onze Tekenen verwierpen, zij zijn de metgezellen van de hel.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ اِذۡ ہَمَّ قَوۡمٌ اَنۡ یَّبۡسُطُوۡۤا اِلَیۡکُمۡ اَیۡدِیَہُمۡ فَکَفَّ اَیۡدِیَہُمۡ عَنۡکُمۡ ۚ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ وَ عَلَی اللّٰہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۱﴾
Yaa aiyoehal lazieena aamanoez koeroe nie'matallaahie 'alaikoem iez hamma qawmoen ay yabsoetoeo ielaikoem aidieyahoem fakaffa aidieyahoem 'an-koem wattaqoellaah; wa'alal laahie fal yatawakaliel moe'mienoen
5:11 O gelovigen! Gedenk de gunsten van Allah op jullie, toen een volk besloot jullie te bevechten, maar Hij (Allah) hield hun handen tegen. En vrees Allah! Laat de gelovigen dus hun vertrouwen stellen in Allah.
وَ لَقَدۡ اَخَذَ اللّٰہُ مِیۡثَاقَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۚ وَ بَعَثۡنَا مِنۡہُمُ اثۡنَیۡ عَشَرَ نَقِیۡبًا ؕ وَ قَالَ اللّٰہُ اِنِّیۡ مَعَکُمۡ ؕ لَئِنۡ اَقَمۡتُمُ الصَّلٰوۃَ وَ اٰتَیۡتُمُ الزَّکٰوۃَ وَ اٰمَنۡتُمۡ بِرُسُلِیۡ وَ عَزَّرۡتُمُوۡہُمۡ وَ اَقۡرَضۡتُمُ اللّٰہَ قَرۡضًا حَسَنًا لَّاُکَفِّرَنَّ عَنۡکُمۡ سَیِّاٰتِکُمۡ وَ لَاُدۡخِلَنَّکُمۡ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۚ فَمَنۡ کَفَرَ بَعۡدَ ذٰلِکَ مِنۡکُمۡ فَقَدۡ ضَلَّ سَوَآءَ السَّبِیۡلِ ﴿۲۱﴾
Wa laqad aghazal laahoe mieesaaqa Baniee Israaa'ieela wa ba'asnaa mienhoemoes nai 'ashara naqieebaw wa qaalal laahoe ienniee ma'akoem la'ien aqamtoemoes Salaata wa aataitoemoez Zakaata wa aamantoem bie Roesoeliee wa'azzartoemoehoem wa aqradtoemoel laaha qardan hasanal la oekaffieranna 'an-koem saiyieaatiekoem wa la oedghielan nakoem djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaar; faman kafara ba'da zaalieka mien-koem faqad dalla sawaaa'as Sabieel
5:12 Voorzeker. Allah sloot een verbond met de kinderen van Israël en We kenden vanuit henzelf, twaalf leiders aan hen toe. En Allah zei: "Voorzeker Ik ben met jullie, als jullie het gebed onderhouden, de zakaat geven, geloven in Mijn profeten, hun helpen en een goede lening aan Allah verschaffen, Voorzeker, dan zal Ik jullie slechte daden verwijderen en jullie in tuinen toelaten waar rivieren onder stromen. Maar wie hierna (na het aangaan van dit verbond) van jullie niet gelooft, dan is hij zeker verdwaald van het rechte pad."
فَبِمَا نَقۡضِہِمۡ مِّیۡثَاقَہُمۡ لَعَنّٰہُمۡ وَ جَعَلۡنَا قُلُوۡبَہُمۡ قٰسِیَۃً ۚ یُحَرِّفُوۡنَ الۡکَلِمَ عَنۡ مَّوَاضِعِہٖ ۙ وَ نَسُوۡا حَظًّا مِّمَّا ذُکِّرُوۡا بِہٖ ۚ وَ لَا تَزَالُ تَطَّلِعُ عَلٰی خَآئِنَۃٍ مِّنۡہُمۡ اِلَّا قَلِیۡلًا مِّنۡہُمۡ فَاعۡفُ عَنۡہُمۡ وَ اصۡفَحۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۳۱﴾
Fabiemaa naqdiehiem mieesaa qahoem la'annaahoem wa dja'alnaa qoeloebahoem qaasieyatay yoeharriefoenal kaliema 'ammawaadie'iehiee wa nasoe hazzam miemmaa zoekkieroe bieh; wa laa tazaaloe tattalie'oe 'alaa ghaaa'ienatiem mienhoem iellaa qalieelam mienhoem fa'foe 'anhoem wasfah; iennal laaha yoehiebboel moehsienieen
5:13 Dus omdat ze hun verbond verbraken, hebben Wij hen vervloekt en Wij maakten hun harten hard. Ze verdraaien de woorden van hun plaatsen, en ze vergaten een deel waar ze mee vermaand werden. En je zult constant bedrog bij hen ontdekken, op enkele van hen na. Echter vergeef hen en zie het (hun slechte daden) door de vingers. Voorzeker, Allah houdt van de mensen die goed doen.
وَ مِنَ الَّذِیۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّا نَصٰرٰۤی اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَہُمۡ فَنَسُوۡا حَظًّا مِّمَّا ذُکِّرُوۡا بِہٖ ۪ فَاَغۡرَیۡنَا بَیۡنَہُمُ الۡعَدَاوَۃَ وَ الۡبَغۡضَآءَ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ ؕ وَ سَوۡفَ یُنَبِّئُہُمُ اللّٰہُ بِمَا کَانُوۡا یَصۡنَعُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Wa mienal lazieena qaaloeo iennaa nasaaraaa aghaznaa mieesaaqahoem fanasoe hazzam miemmaa zoekkieroe biehiee fa aghrainaa bainahoemoel 'adaawata walbaghdaaa'a ielaa yawmiel Qieyaamah; wa sawfa yoenabbie'oehoemoel laahoe biemaa kaanoe yasna'oen
5:14 En van degenen die zeiden: "Wij zijn Christenen", accepteerde Wij (ook) hun verbond, maar ze vergaten een deel van hetgeen waarmee ze vermaand werden. Dus wekken Wij vijandschap en haat tussen hen op tot aan de dagdesoordeels. Spoedig zal Allah hen inlichten over hetgeen ze deden.
یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ قَدۡ جَآءَکُمۡ رَسُوۡلُنَا یُبَیِّنُ لَکُمۡ کَثِیۡرًا مِّمَّا کُنۡتُمۡ تُخۡفُوۡنَ مِنَ الۡکِتٰبِ وَ یَعۡفُوۡا عَنۡ کَثِیۡرٍ ۬ؕ قَدۡ جَآءَکُمۡ مِّنَ اللّٰہِ نُوۡرٌ وَّ کِتٰبٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۵۱﴾
yaaa Ahlal kietaabie qad djaaa'akoem Rasoeloenaa yoebaiyienoe lakoem kasieeram miemmmaa koentoem toeghfoena mienal Kietaabie wa ya'foe 'an kasieer; qad djaaa'akoem mienal laahie noeroew wa Kietaaboem Moebieen
5:15 O mensen van het Boek! Voorzeker, Onze boodschapper is tot jullie gekomen en hij maakt het jullie duidelijk wat jullie van het Boek verbergen en wat jullie over het hoofd zien. Voorzeker, er is een licht (de Profeet) van Allah en een duidelijke boek (Koran) tot jullie gekomen.
یَّہۡدِیۡ بِہِ اللّٰہُ مَنِ اتَّبَعَ رِضۡوَانَہٗ سُبُلَ السَّلٰمِ وَ یُخۡرِجُہُمۡ مِّنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ بِاِذۡنِہٖ وَ یَہۡدِیۡہِمۡ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۶۱﴾
Yahdiee biehiel laahoe maniet taba'a riedwaanahoe soeboelas salaamie wa yoeghriedjoehoem mienaz zoeloemaatie ielan noerie bie iezniehiee wa yahdieehiem ielaa Sieraatiem Moestaqieem
5:16 Allah leidt degenen die Zijn tevredenheid zoeken ermee (de Koran en Sunnah) naar de vrede, brengt hen van duisternis naar het licht en leidt hen naar het rechte pad, met Zijn toestemming.
لَقَدۡ کَفَرَ الَّذِیۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ الۡمَسِیۡحُ ابۡنُ مَرۡیَمَ ؕ قُلۡ فَمَنۡ یَّمۡلِکُ مِنَ اللّٰہِ شَیۡئًا اِنۡ اَرَادَ اَنۡ یُّہۡلِکَ الۡمَسِیۡحَ ابۡنَ مَرۡیَمَ وَ اُمَّہٗ وَ مَنۡ فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا ؕ وَ لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ؕ یَخۡلُقُ مَا یَشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۷۱﴾
Laqad kafaral lazieena qaaloeo iennal laaha hoewal masieehoeb noe Maryam; qoel famany-yamliekoe mienal laahie shai'an ien araada ay yoehliekal Masieehab na Maryama wa oemmahoe wa man fiel ardie djamiee'aa, wa liellaahie moelkoes samaawaatie wal ardie wa maa bainahoemaa; yaghloeqoe maa Yashaaa'; wallaahoe 'alaa koellie shai'ien Qadieer
5:17 Voorzeker, ongelovig zijn degenen die zeggen: "Allah, Hij is de messias, zoon van Maryam (Maria)." Zeg: "Wie heeft er dan enig macht tegen Allah, als Hij besluit om de messias, zoon van Maryam en zijn moeder, te samen met wat er in en op de aarde is, te vernietigen?" En voor Allah is de heerschappij van de hemelen en de aarde en wat er tussen bevindt. Hij creëert wat Hij wil en Allah is over alles Almachtig.
وَ قَالَتِ الۡیَہُوۡدُ وَ النَّصٰرٰی نَحۡنُ اَبۡنٰٓؤُا اللّٰہِ وَ اَحِبَّآؤُہٗ ؕ قُلۡ فَلِمَ یُعَذِّبُکُمۡ بِذُنُوۡبِکُمۡ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ بَشَرٌ مِّمَّنۡ خَلَقَ ؕ یَغۡفِرُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ۫ وَ اِلَیۡہِ الۡمَصِیۡرُ ﴿۸۱﴾
Wa qaalatiel Yahoedoe wan Nasaaraa nahnoe abnaaa'oel laahie wa ahiebbaaa'oeh; qoel faliema yoe'azzieboekoem biezoenoebiekoem bal antoem basharoem miemman ghalaq; yaghfieroe liemay yashaaa'oe wa yoe'azzieboe may yashaaa'; wa liellaahie moelkoes samaawaatie wal ardie wa maa bainahoemaa wa ielaihiel masieer
5:18 En de Joden en de Christenen zeggen: "Wij zijn de kinderen en de geliefden van Allah." Zeg: "Waarom straft Hij jullie voor jullie zonden? Nee! Jullie zijn mensen, een creatie van Zijn schepping. Hij vergeeft wie Hij wil en bestraft wie Hij wil." En alleen voor Allah is de heerschappij van de hemelen en de aarde en wat er tussen bevindt. En tot Hem is de uiteindelijke terugkeer.
یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ قَدۡ جَآءَکُمۡ رَسُوۡلُنَا یُبَیِّنُ لَکُمۡ عَلٰی فَتۡرَۃٍ مِّنَ الرُّسُلِ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا مَا جَآءَنَا مِنۡۢ بَشِیۡرٍ وَّ لَا نَذِیۡرٍ ۫ فَقَدۡ جَآءَکُمۡ بَشِیۡرٌ وَّ نَذِیۡرٌ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۹۱﴾
Yaaa Ahlal Kietaabie qad djaaa'akoem Rasoeloenaa yoebaiyienoe lakoem 'alaa fatratiem mienar Roesoelie an taqoeloe maa djaaa'anaa miem bashieeriew wa laa nazieerien faqad djaaa'akoem bashieeroew wa nazieer; wallaahoe 'alaa koellie shai'ien Qadieer
5:19 O mensen van het Boek! Voorzeker, na een onderbreking van Profeten is Onze boodschapper tot jullie gekomen om jullie duidelijkheid te verschaffen en zodat jullie niet kunnen zeggen: "Er is geen drager van het goede nieuws tot ons gekomen, noch een waarschuwer." Echter, voorzeker er is (nu) een drager van het goede nieuws en een waarschuwer tot jullie gekomen. En Allah is over alles Almachtig.
وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہٖ یٰقَوۡمِ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَۃَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ اِذۡ جَعَلَ فِیۡکُمۡ اَنۡۢبِیَآءَ وَ جَعَلَکُمۡ مُّلُوۡکًا ٭ۖ وَّ اٰتٰىکُمۡ مَّا لَمۡ یُؤۡتِ اَحَدًا مِّنَ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۰۲﴾
Wa iez qaala Moesaa lieqawmiehiee yaa qawmiez koeroe nie'matal laahie 'alaikoem iez dja'ala fieekoem ambieyaaa'a wa dja'alakoem moeloekaw wa aataakoem maa lam yoe'tie ahadam mienal 'aalamieen
5:20 En (gedenk) toen Moesa (Mozes) tot zijn volk zei: "O mijn mensen, gedenk Allah's gunsten op jullie, toen Hij Profeten onder jullie plaatsten en jullie koningen maakten en Hij jullie gaf wat Hij niemand van de werelden gaf."
یٰقَوۡمِ ادۡخُلُوا الۡاَرۡضَ الۡمُقَدَّسَۃَ الَّتِیۡ کَتَبَ اللّٰہُ لَکُمۡ وَ لَا تَرۡتَدُّوۡا عَلٰۤی اَدۡبَارِکُمۡ فَتَنۡقَلِبُوۡا خٰسِرِیۡنَ ﴿۱۲﴾
Yaa qawmied ghoeloel Ardal Moeqaddasatal latiee katabal laahoe lakoem wa laa tartaddoe 'alaaa adbaariekoem fatanqalieboe ghaasierieenn
5:21 "O mijn mensen! Betreed het heilige land wat door Allah voor jullie is toegewezen. En keer jullie ruggen er niet van af, jullie zullen anders als verliezers terugkeren."
قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِنَّ فِیۡہَا قَوۡمًا جَبَّارِیۡنَ ٭ۖ وَ اِنَّا لَنۡ نَّدۡخُلَہَا حَتّٰی یَخۡرُجُوۡا مِنۡہَا ۚ فَاِنۡ یَّخۡرُجُوۡا مِنۡہَا فَاِنَّا دٰخِلُوۡنَ ﴿۲۲﴾
Qaaloe yaa Moesaaa iennaa fieehaa qawman djabbaarieena wa iennaa lan nadghoelahaa hattaa yaghroedjoe mienhaa fa-iey yaghroedjoe mienhaa fa iennaa daaghieloen
5:22 Zij zeiden: "O Moesa! Er zijn daar zeer sterke mensen met veel kracht. Voorzeker wij zullen het nooit betreden, totdat ze eruit vertrekken. En als ze eruit vertrekken, dan zullen wij het met zekerheid betreden."
قَالَ رَجُلٰنِ مِنَ الَّذِیۡنَ یَخَافُوۡنَ اَنۡعَمَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمَا ادۡخُلُوۡا عَلَیۡہِمُ الۡبَابَ ۚ فَاِذَا دَخَلۡتُمُوۡہُ فَاِنَّکُمۡ غٰلِبُوۡنَ ۬ۚ وَ عَلَی اللّٰہِ فَتَوَکَّلُوۡۤا اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۲﴾
Qaala radjoelaanie mienal lazieena yaghaafoena an'amal laahoe 'alaihiemad ghoeloe 'alaihiemoel baab, fa iezaa daghaltoemoehoe fa iennakoem ghaalieboen; wa 'alal laahie fatawakkaloeo ien koentoem moe'mienieen
5:23 Twee mannen, die Allah vreesden en waarvan Allah hen beide had begunstigd, zeiden: "Val hen aan bij de poort, wanneer jullie dan binnen zijn, dan zullen jullie zeker de overwinnaars zijn. Zet jullie vertrouwen in Allah als jullie gelovig zijn."
قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِنَّا لَنۡ نَّدۡخُلَہَاۤ اَبَدًا مَّا دَامُوۡا فِیۡہَا فَاذۡہَبۡ اَنۡتَ وَ رَبُّکَ فَقَاتِلَاۤ اِنَّا ہٰہُنَا قٰعِدُوۡنَ ﴿۴۲﴾
Qaaloe yaa Moesaaa iennaa lan nadghoelahaa abadam maa daamoe fieehaa fazhab anta wa Rabboeka faqaatielaaa iennaa haahoenaa qaa'iedoen
5:24 Zij zeiden; "O Moesa! wij zullen het nooit betreden, zolang ze zich daar bevinden. Dus ga jij met jouw Heer en vecht beide. Wij wachten hier."
قَالَ رَبِّ اِنِّیۡ لَاۤ اَمۡلِکُ اِلَّا نَفۡسِیۡ وَ اَخِیۡ فَافۡرُقۡ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَ الۡقَوۡمِ الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۵۲﴾
Qaala Rabbie ienniee laaa amliekoe iellaa nafsiee wa aghiee fafroeq bainanaa wa bainal qawmiel faasieqieen
5:25 Hij (Moesa) zei: "O mijn Heer! Ik heb alleen macht over mijzelf en mijn broeder, maak dus een scheiding tussen ons en de provocerend ongehoorzame mensen."
قَالَ فَاِنَّہَا مُحَرَّمَۃٌ عَلَیۡہِمۡ اَرۡبَعِیۡنَ سَنَۃً ۚ یَتِیۡہُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ ؕ فَلَا تَاۡسَ عَلَی الۡقَوۡمِ الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۶۲﴾
Qaala fa iennahaa moehar ramatoen 'alaihiem arba'ieena sanah; yatieehoena fiel ard; falaa taasa 'alal qawmiel faasieqieen
5:26 Hij (Allah) zei: "Dan voorzeker, het (heilige land) is verboden voor hen voor veertig jaren. Zei zullen (voor deze periode) dwalen op de aarde. Treur daarom niet over de provocerend ongehoorzame mensen”.
وَ اتۡلُ عَلَیۡہِمۡ نَبَاَ ابۡنَیۡ اٰدَمَ بِالۡحَقِّ ۘ اِذۡ قَرَّبَا قُرۡبَانًا فَتُقُبِّلَ مِنۡ اَحَدِہِمَا وَ لَمۡ یُتَقَبَّلۡ مِنَ الۡاٰخَرِ ؕ قَالَ لَاَقۡتُلَنَّکَ ؕ قَالَ اِنَّمَا یَتَقَبَّلُ اللّٰہُ مِنَ الۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۷۲﴾
Watloe 'alaihiem naba abnai Aadama bielhaqq; iez qarrabaa qoerbaanan fatoeqoebbiela mien ahadiehiemaa wa lam yoetaqabbal mienal aagharie qaala la aqtoelannnaka qaala iennamaa yataqabbaloel laahoe mienal moettaqieen
5:27 En lees het verhaal in waarheid voor van de twee zonen van Adam. Toen beide een offer deden, was het slecht van één van hen geaccepteerd. De ene zei: "Ik ga jou zeker doden." (De andere) zei: "Allah aanvaard alleen van de godvrezende."
لَئِنۡۢ بَسَطۡتَّ اِلَیَّ یَدَکَ لِتَقۡتُلَنِیۡ مَاۤ اَنَا بِبَاسِطٍ یَّدِیَ اِلَیۡکَ لِاَقۡتُلَکَ ۚ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اللّٰہَ رَبَّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۲﴾
La'iem basatta ielaiya yadaka lietaqtoelaniee maaa ana biebaasietiey yadieya ielaika lie aqtoelaka iennieee aghaafoel laaha Rabbal 'aalamieen
5:28 Wanneer je jouw hand naar me wendt om me te doden, dan zal ik niet mijn handen naar jou toewenden om jouw te doden. Ik vrees Allah, de Heer van de werelden."
اِنِّیۡۤ اُرِیۡدُ اَنۡ تَبُوۡٓاَ بِاِثۡمِیۡ وَ اِثۡمِکَ فَتَکُوۡنَ مِنۡ اَصۡحٰبِ النَّارِ ۚ وَ ذٰلِکَ جَزٰٓؤُا الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۹۲﴾
Iniee oerieedoe an taboeo'a bie iesmiee wa iesmieka fatakoena mien As-haabien Naar; wa zaalieka djazaaa'oez zaaliemieen
5:29 Voorzeker, ik wil dat je mijn zonde en jouw zonde op je neemt en dat je dan tot de bewoners van de Hel wordt. En dat is de vergelding voor de onrechtvaardige”.
فَطَوَّعَتۡ لَہٗ نَفۡسُہٗ قَتۡلَ اَخِیۡہِ فَقَتَلَہٗ فَاَصۡبَحَ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۰۳﴾
Fatawwa'at lahoe nafsoe hoe qatla aghieehie faqatalahoe fa asbaha mienal ghaasierieen
5:30 Toen zette zijn Nafs (Al-Ammarah) (zijn ego) hem toe om zijn broer te doden. Dus vermoorde hij hem en werd één van de verliezers.
فَبَعَثَ اللّٰہُ غُرَابًا یَّبۡحَثُ فِی الۡاَرۡضِ لِیُرِیَہٗ کَیۡفَ یُوَارِیۡ سَوۡءَۃَ اَخِیۡہِ ؕ قَالَ یٰوَیۡلَتٰۤی اَعَجَزۡتُ اَنۡ اَکُوۡنَ مِثۡلَ ہٰذَا الۡغُرَابِ فَاُوَارِیَ سَوۡءَۃَ اَخِیۡ ۚ فَاَصۡبَحَ مِنَ النّٰدِمِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Faba'asal laahoe ghoeraabay yabhasoe fiel ardie lieyoerieyahoe kaifa yoewaariee saw'ata aghieeh; qaala yaa wailataaa a'adjaztoe an akoena miesla haazal ghoeraabie fa oewaarieya saw ata aghiee fa asbaha mienan naadiemieen
5:31 Toen zond Allah een kraai, die in de grond groef om hem te laten zien hoe hij het dode lichaam van zijn broeder kon bergen. Hij zei: "Wee mij! Ben ik niet in staat, om net als de kraai te graven en het dode lichaam van mijn broer te bergen?" Toen kreeg hij spijt (voor de beperking die hij had na zijn daad, echter hij had geen berouw voor het doden).
مِنۡ اَجۡلِ ذٰلِکَ ۚۛؔ کَتَبۡنَا عَلٰی بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اَنَّہٗ مَنۡ قَتَلَ نَفۡسًۢا بِغَیۡرِ نَفۡسٍ اَوۡ فَسَادٍ فِی الۡاَرۡضِ فَکَاَنَّمَا قَتَلَ النَّاسَ جَمِیۡعًا ؕ وَ مَنۡ اَحۡیَاہَا فَکَاَنَّمَاۤ اَحۡیَا النَّاسَ جَمِیۡعًا ؕ وَ لَقَدۡ جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُنَا بِالۡبَیِّنٰتِ ۫ ثُمَّ اِنَّ کَثِیۡرًا مِّنۡہُمۡ بَعۡدَ ذٰلِکَ فِی الۡاَرۡضِ لَمُسۡرِفُوۡنَ ﴿۲۳﴾
Mien adjlie zaalieka katabnaa 'alaa Baniee Israaa'ieela annahoe man qatala nafsam bieghairie nafsien aw fasaadien fiel ardie faka annammaa qatalan naasa djamiee'aw wa man ahyaahaa faka annamaaa ahyan naasa djamiee'aa; wa laqad djaaa'at hoem Roesoeloenaa bielbaiyienaatie soemma ienna kasieeram mienhoem ba'da zaalieka fiel ardie lamoesriefoen
5:32 Sindsdien, hebben Wij voor de kinderen van Israël bepaald dat, hij die een 'Nafs' (persoon) dood, het is alsof hij de gehele mensheid heeft gedood. Behalve als het gaat om een vergelding van het doden van een andere 'Nafs' of voor het tegengaan van het verspreiden van corruptie op aarde. En wie een 'Nafs' heeft gered, het is alsof hij de gehele mensheid heeft gered. En voorzeker, Onze profeten kwamen met duidelijke bewijzen tot hen. Ondanks dat, zijn velen van hen toch buitensporig op de aarde.
اِنَّمَا جَزٰٓؤُا الَّذِیۡنَ یُحَارِبُوۡنَ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ وَ یَسۡعَوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ فَسَادًا اَنۡ یُّقَتَّلُوۡۤا اَوۡ یُصَلَّبُوۡۤا اَوۡ تُقَطَّعَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ اَرۡجُلُہُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ اَوۡ یُنۡفَوۡا مِنَ الۡاَرۡضِ ؕ ذٰلِکَ لَہُمۡ خِزۡیٌ فِی الدُّنۡیَا وَ لَہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۳۳﴾
Innamaa djazaaa'oel lazieena yoehaarieboenal laaha wa Rasoelahoe wa yas'awna fiel ardie fasaadan ay yoeqattaloeo aw yoesallaboeo aw toeqatta'a aidieehiem wa ardjoeloehoem mien ghielaafien aw yoenfaw mienalard; zaalieka lahoem ghiezyoen fied doenyaa wa lahoem fiel Aaghieratie 'azaaboen 'azieem
5:33 De enige vergelding voor degenen die oorlog voeren tegen Allah en Zijn profeten, en corruptie verspreiden op aarde, is de dood, het kruisigen, of het hakken van hun handen en voeten van tegenovergestelde zijden of verbanning uit het land. Dat is voor hen een vernedering op de wereld en in het hiernamaals is er voor hen een geweldige straf.
اِلَّا الَّذِیۡنَ تَابُوۡا مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ تَقۡدِرُوۡا عَلَیۡہِمۡ ۚ فَاعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۴۳﴾
Illal lazieena taaboe mien qablie an taqdieroe 'alaihiem fa'lamoeo annnal laaha Ghafoeroer Rahieem
5:34 Behalve voor degenen die berouwen voordat jullie hen overmeesteren. Weet dat Allah meest Vergevensgezind, meest Barmhartig is.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوا اللّٰہَ وَ ابۡتَغُوۡۤا اِلَیۡہِ الۡوَسِیۡلَۃَ وَ جَاہِدُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِہٖ لَعَلَّکُمۡ تُفۡلِحُوۡنَ ﴿۵۳﴾
yaaa aiyoehal lazieena aamanoet taqoel laaha wabtaghoeo ielaihiel wasieelata wa djaahiedoe fiee sabieeliehiee la'allakoem toefliehoen
5:35 O gelovigen! Vrees Allah, zoek naar middelen en werk hard op Zijn weg, zodat jullie succes kunnen behalen.
اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوۡ اَنَّ لَہُمۡ مَّا فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا وَّ مِثۡلَہٗ مَعَہٗ لِیَفۡتَدُوۡا بِہٖ مِنۡ عَذَابِ یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ مَا تُقُبِّلَ مِنۡہُمۡ ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۶۳﴾
Innal lazieena kafaroe law anna lahoem maa fiel ardie djamiee'aw wa mieslahoe ma'ahoe lieyaftadoe biehiee mien 'azaabie Yawmiel Qieyaamatie maa toeqoebbiela mienhoem wa lahoem azaaboen alieem
5:36 Als de ongelovigen alles wat op aarde is en nog het gelijke daarvan zouden hebben om zich vrij te kopen van de straf op de Dag van de dag van de wederopstanding, dan zou het niet van hen worden geaccepteerd. En er is voor hen een pijnlijke straf.
یُرِیۡدُوۡنَ اَنۡ یَّخۡرُجُوۡا مِنَ النَّارِ وَ مَا ہُمۡ بِخٰرِجِیۡنَ مِنۡہَا ۫ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ مُّقِیۡمٌ ﴿۷۳﴾
Yoerieedoena ay yaghroedjoe mienan Naarie wa maa hoem bieghaarie djieena mienhaa wa lahoem 'azaaboem moeqieem
5:37 Ze zullen wensen dat ze uit het vuur zijn, maar zullen er niet uit komen. En voor hen is er een altijddurende straf
وَ السَّارِقُ وَ السَّارِقَۃُ فَاقۡطَعُوۡۤا اَیۡدِیَہُمَا جَزَآءًۢ بِمَا کَسَبَا نَکَالًا مِّنَ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ عَزِیۡزٌ حَکِیۡمٌ ﴿۸۳﴾
Wassaarieqoe wassaarieqatoe faqta'oe aidieyahoemaa djazaaa'am biemaa kasabaa nakaalam mienal laah; wallaahoe 'Azieezoen hakieem
5:38 En hak de handen van de mannelijke en vrouwelijk dief, dit is een vergelding voor wat ze verdienen, een volmaakte straf van Allah. En Allah is Almachtig, Alwijs.
فَمَنۡ تَابَ مِنۡۢ بَعۡدِ ظُلۡمِہٖ وَ اَصۡلَحَ فَاِنَّ اللّٰہَ یَتُوۡبُ عَلَیۡہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۹۳﴾
Faman taaba miem ba'die zoelmiehiee wa aslaha fa iennal laaha yatoeboe 'alaih; iennal laaha Ghafoeroer Rahieem
5:39 Echter, wie berouw toont na zijn misdaad en zich betert, dan voorzeker Allah zal zich als Vergevensgezinde tot hem keren. Voorzeker Allah is meest Vergevensgezind, meest Barmhartig.
اَلَمۡ تَعۡلَمۡ اَنَّ اللّٰہَ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَغۡفِرُ لِمَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۰۴﴾
Alam ta'lam annal laaha lahoe moelkoes samaawaatie wal ardie yoe'az zieboe many-yashaa'oe wa yaghfieroe liemany-yashaaa'; wallaahoe 'alaa koellie shai'ien Qadieer
5:40 Weet je dan niet dat de Heerschappij van de hemelen en de aarde aan Allah toebehoort? Hij straft wie Hij wil en Hij vergeeft wie Hij wil. En Allah is over alles Almachtig.
یٰۤاَیُّہَا الرَّسُوۡلُ لَا یَحۡزُنۡکَ الَّذِیۡنَ یُسَارِعُوۡنَ فِی الۡکُفۡرِ مِنَ الَّذِیۡنَ قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِاَفۡوَاہِہِمۡ وَ لَمۡ تُؤۡمِنۡ قُلُوۡبُہُمۡ ۚۛ وَ مِنَ الَّذِیۡنَ ہَادُوۡا ۚۛ سَمّٰعُوۡنَ لِلۡکَذِبِ سَمّٰعُوۡنَ لِقَوۡمٍ اٰخَرِیۡنَ ۙ لَمۡ یَاۡتُوۡکَ ؕ یُحَرِّفُوۡنَ الۡکَلِمَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَوَاضِعِہٖ ۚ یَقُوۡلُوۡنَ اِنۡ اُوۡتِیۡتُمۡ ہٰذَا فَخُذُوۡہُ وَ اِنۡ لَّمۡ تُؤۡتَوۡہُ فَاحۡذَرُوۡا ؕ وَ مَنۡ یُّرِدِ اللّٰہُ فِتۡنَتَہٗ فَلَنۡ تَمۡلِکَ لَہٗ مِنَ اللّٰہِ شَیۡئًا ؕ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ لَمۡ یُرِدِ اللّٰہُ اَنۡ یُّطَہِّرَ قُلُوۡبَہُمۡ ؕ لَہُمۡ فِی الدُّنۡیَا خِزۡیٌ ۚۖ وَّ لَہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۱۴﴾
Yaaa ayyoehar Rasoeloe laa yahzoen-kal lazieena yoesaa rie'oena fiel koefrie mienal lazieena qaaloe aamannaa bie afwaahiehiem wa lam toe'mien qoeloeboehoem; wa mienal lazieena haadoe sammaa'oena lielkaziebie sammaa'oena lieqawmien aagharieena lam ya'toeka yoeharriefoenal kaliema miem ba'die mawaadie'iehiee yaqoeloena ien oetieetoem haazaa faghoezoehoe wa iel lam toe'tawhoe fahzaroe; wa many-yoeriediel laahoe fietnatahoe falan tamlieka lahoe mienal laahie shai'aa; oelaaa 'iekal lazieena lam yoeriediel laahoe any-yoetahhiera qoeloebahoem; lahoem fied doenyaa ghiezyoew wa lahoem fiel Aaghieratie'azaaboen 'azieem
5:41 O profeet! Wordt niet verdrietig om degenen die haasten naar het ongeloof. Hun monden zeggen: "Wij geloven", echter hun harten geloven niet. En de joden, ze luisteren naar de valsheid van mensen die niet tot jou zijn gekomen (die de verkondiging niet kent). Zij trekken de woorden uit hun verband, zeggende: "Als dit (de wetgeving, openbaring) al eerder tot jullie gegeven is, neem het. Echter, als het niet eerder gegeven is, wees dan op jullie hoede." En als Allah iemand wil beproeven, je zult geen enkel invloed kunnen hebben om hem te helpen tegen Allah. Zij zijn degenen waar Allah nooit hun harten van zuivert! Voor hen is er vernedering op de wereld en voor hen is er in het Hiernamaals een geweldige straf!
سَمّٰعُوۡنَ لِلۡکَذِبِ اَکّٰلُوۡنَ لِلسُّحۡتِ ؕ فَاِنۡ جَآءُوۡکَ فَاحۡکُمۡ بَیۡنَہُمۡ اَوۡ اَعۡرِضۡ عَنۡہُمۡ ۚ وَ اِنۡ تُعۡرِضۡ عَنۡہُمۡ فَلَنۡ یَّضُرُّوۡکَ شَیۡئًا ؕ وَ اِنۡ حَکَمۡتَ فَاحۡکُمۡ بَیۡنَہُمۡ بِالۡقِسۡطِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ الۡمُقۡسِطِیۡنَ ﴿۲۴﴾
Sammaa'oena lielkaziebie akkaaloena liessoeht; fa ien djaaa'oeka fahkoem bainahoem aw a'ried anhoem wa ien toe'ried 'anhoem falany-yadoerroeka shai'aw wa ien hakamta fahkoem bainahoem bielqiest; iennal laaha yoehiebboel moeqsietieen
5:42 Luisteraars van de valsheid, vreters van het verbodene! Als ze dus tot jou komen, oordeel tussen hen of wendt je van hen af. En indien je van hen afkeert, dan zullen ze nooit kwaad tegen jou kunnen doen. En indien je oordeelt, oordeel dan tussen hen met rechtvaardigheid. Voorzeker, Allah houdt van degenen die rechtvaardig zijn.
وَ کَیۡفَ یُحَکِّمُوۡنَکَ وَ عِنۡدَہُمُ التَّوۡرٰىۃُ فِیۡہَا حُکۡمُ اللّٰہِ ثُمَّ یَتَوَلَّوۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ ؕ وَ مَاۤ اُولٰٓئِکَ بِالۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۴﴾
Wa kaifa yoehakkiemoenaka wa 'iendahoemoet Tawraatoe fieehaa hoekmoel laahie soemma yatawallawna miem ba'die zaaliek; wa maaa oelaaa'ieka bielmoe'mienieen
5:43 Om welke reden wijzen ze jou toe als rechter, terwijl ze de Thora hebben met Allah's wetten erin? Ondanks dat keren ze toch van (Allah's wetten) af. Ze behoren niet tot gelovigen.
اِنَّاۤ اَنۡزَلۡنَا التَّوۡرٰىۃَ فِیۡہَا ہُدًی وَّ نُوۡرٌ ۚ یَحۡکُمُ بِہَا النَّبِیُّوۡنَ الَّذِیۡنَ اَسۡلَمُوۡا لِلَّذِیۡنَ ہَادُوۡا وَ الرَّبّٰنِیُّوۡنَ وَ الۡاَحۡبَارُ بِمَا اسۡتُحۡفِظُوۡا مِنۡ کِتٰبِ اللّٰہِ وَ کَانُوۡا عَلَیۡہِ شُہَدَآءَ ۚ فَلَا تَخۡشَوُا النَّاسَ وَ اخۡشَوۡنِ وَ لَا تَشۡتَرُوۡا بِاٰیٰتِیۡ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ؕ وَ مَنۡ لَّمۡ یَحۡکُمۡ بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿۴۴﴾
Innaaa anzalnat Tawraata fieehaa hoedaw wa noer; yahkoemoe biehan Nabieyyoenal lazieena aslamoe liellazieena haadoe war rabbaanieyyoena wal ahbaaroe biemas toehfiezoe mien Kietaabiel laahie wa kaanoe 'alaihie shoehadaaa'; falaa taghshawoen naasa waghshawnie wa laa tashtaroe bie aayaatiee samanan qalieelaa; wa mal lam yahkoem biemaaa anzalal laahoe fa oelaaa'ieka hoemoel kaafieroen
5:44 Voorzeker, Wij hebben de Thora neergezonden met leiding en licht erin. De profeten, die zich aan Allah overgegeven hadden, oordeelden ermee onder de joden. Zo ook de rabbijnen en de schriftgeleerden oordeelden met wat ze van het Boek van Allah gekregen hadden. En ze (de joden) waren er getuigen van. Dus vrees de mensen niet, maar vrees Mij (Allah). En verkoop Mijn tekenen/verzen niet voor een geringe prijs. En wie niet volgens Allah's wetten oordeelt, zij zijn de ongelovigen.
وَ کَتَبۡنَا عَلَیۡہِمۡ فِیۡہَاۤ اَنَّ النَّفۡسَ بِالنَّفۡسِ ۙ وَ الۡعَیۡنَ بِالۡعَیۡنِ وَ الۡاَنۡفَ بِالۡاَنۡفِ وَ الۡاُذُنَ بِالۡاُذُنِ وَ السِّنَّ بِالسِّنِّ ۙ وَ الۡجُرُوۡحَ قِصَاصٌ ؕ فَمَنۡ تَصَدَّقَ بِہٖ فَہُوَ کَفَّارَۃٌ لَّہٗ ؕ وَ مَنۡ لَّمۡ یَحۡکُمۡ بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۵۴﴾
Wa katabnaa 'alaihiem fieehaaa annan nafsa biennafsie wal'aina biel'ainie wal anfa bielanfie wal oezoena biel oezoenie wassienna biessiennie waldjoeroeha qiesaas; faman tasaddaqa biehiee fahoewa kaffaaratoel lah; wa mal lam yahkoem biemaaa anzalal laahoe fa oelaaa'ieka hoemoez zaliemoen
5:45 En Wij bepaalde voor hen erin, het leven voor een leven, een oog voor een oog, een neus voor een neus, een oor voor een oor, een tand voor een tand en vergeldingen voor wonden. Maar als het kwijt wordt gescholden, dan is er een boete voor hem. En wie niet oordeelt volgens Allah's wetten, zij zijn dan de onrechtplegers.
وَ قَفَّیۡنَا عَلٰۤی اٰثَارِہِمۡ بِعِیۡسَی ابۡنِ مَرۡیَمَ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ مِنَ التَّوۡرٰىۃِ ۪ وَ اٰتَیۡنٰہُ الۡاِنۡجِیۡلَ فِیۡہِ ہُدًی وَّ نُوۡرٌ ۙ وَّ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ مِنَ التَّوۡرٰىۃِ وَ ہُدًی وَّ مَوۡعِظَۃً لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۶۴﴾
Wa qaffainaa 'alaaa aasaaariehiem bie 'Eesab nie Maryama moesaddieqal liemaa baina yadaihie mienat Tawraatie wa aatainaahoel Indjieela fieehie hoedaw wa noeroew wa moesaddieqal liemaa baina yadaihie mienat Tawraatie wa hoedaw wa maw'iezatal lielmoettaqieen
5:46 En op de voetstappen (van Moesa), zonden Wij Isa (Jezus), zoon van Maryam. Hij bevestigde wat voor zijn tijd geopenbaard was van de Thora. En Wij gaven hem de Indjiel (Evangelie, openbaring aan Isa) waarin leiding, licht, en de bevestiging was van wat voor zijn tijd in de Thora geopenbaard was aan leiding, licht en van de vermaning voor Mataqoens.
وَ لۡیَحۡکُمۡ اَہۡلُ الۡاِنۡجِیۡلِ بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ فِیۡہِ ؕ وَ مَنۡ لَّمۡ یَحۡکُمۡ بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿۷۴﴾
Walyahkoem Ahloel Indjieelie biemaaa anzalal laahoe fieeh; wa mal lam yahkoem biemaaa anzalal laahoe fa oelaaa'ieka hoemoel faasieqoen
5:47 En laat de Mensen van de Indjil (Christenen) oordelen met wat Allah daarin heeft geopenbaard. En wie niet oordeelt volgens Allah's wetten\openbaring, ze zijn provocerend ongehoorzaam.
وَ اَنۡزَلۡنَاۤ اِلَیۡکَ الۡکِتٰبَ بِالۡحَقِّ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ مِنَ الۡکِتٰبِ وَ مُہَیۡمِنًا عَلَیۡہِ فَاحۡکُمۡ بَیۡنَہُمۡ بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ وَ لَا تَتَّبِعۡ اَہۡوَآءَہُمۡ عَمَّا جَآءَکَ مِنَ الۡحَقِّ ؕ لِکُلٍّ جَعَلۡنَا مِنۡکُمۡ شِرۡعَۃً وَّ مِنۡہَاجًا ؕ وَ لَوۡ شَآءَ اللّٰہُ لَجَعَلَکُمۡ اُمَّۃً وَّاحِدَۃً وَّ لٰکِنۡ لِّیَبۡلُوَکُمۡ فِیۡ مَاۤ اٰتٰىکُمۡ فَاسۡتَبِقُوا الۡخَیۡرٰتِ ؕ اِلَی اللّٰہِ مَرۡجِعُکُمۡ جَمِیۡعًا فَیُنَبِّئُکُمۡ بِمَا کُنۡتُمۡ فِیۡہِ تَخۡتَلِفُوۡنَ ﴿۸۴﴾
Wa anzalnaa ielaikal Kietaaba bielhaqqie moesaddieqalliemaa baina yadaihie mienal Kietaabie wa moehaimienan 'alaihie fahkoem bainahoem biemaa anzalal laahoe wa laa tattabie' ahwaaa'ahoem 'ammaa djaaa'aka mienal haqq; liekoellien dja'alnaa mien-koem shier'ataw wa mienhaadjaa; wa law shaaa'al laahoe ladja'alakoem oemmataw waahiedataw wa laakiel lieyabloewakoem fiee maa aataakoem fastabieqoel ghairaat; ielal laahie mardjie'oekoem djamiee'an fayoenab bie'oekoem biemaa koentoem fieehie taghtaliefoen
5:48 En Wij hebben aan jou het Boek (de Koran) in Waarheid neergezonden, die de waarheid bevestigd van wat er nog overgebleven is in de eerdere geopenbaarde boeken en die bepaald wat er daarin waar is. Dus oordeel, tussen hen met wat Allah heeft neergezonden. En wanneer de waarheid tot jou is gekomen, volg hun ijdele verlangens niet. Wij hebben voor jullie een wet en een duidelijke weg gemaakt. En als Allah het wilde, zou Hij jullie tot één gemeenschap maken. Echter, Hij test jullie in hetgeen van wat jullie hebben gekregen. Dus wedijver, concurreer met elkaar in het doen van goed. Tot Allah zullen jullie allen terugkeren. Hij zal jullie inlichten waar jullie in verschilden.
وَ اَنِ احۡکُمۡ بَیۡنَہُمۡ بِمَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ وَ لَا تَتَّبِعۡ اَہۡوَآءَہُمۡ وَ احۡذَرۡہُمۡ اَنۡ یَّفۡتِنُوۡکَ عَنۡۢ بَعۡضِ مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ اِلَیۡکَ ؕ فَاِنۡ تَوَلَّوۡا فَاعۡلَمۡ اَنَّمَا یُرِیۡدُ اللّٰہُ اَنۡ یُّصِیۡبَہُمۡ بِبَعۡضِ ذُنُوۡبِہِمۡ ؕ وَ اِنَّ کَثِیۡرًا مِّنَ النَّاسِ لَفٰسِقُوۡنَ ﴿۹۴﴾
Wa anieh koem bainahoem biemaaa anzalal laahoe wa laa tattabie' ahwaaa'ahoem wahzarhoem ay yaftienoeka 'am ba'die maaa anzalal laahoe ielaika fa ien tawallaw fa'lam annamaa yoerieedoel laahoe ay yoesieebahoem bieba'die zoenoebiehiem; wa ienna kasieeram mienan naasie lafaasieqoen
5:49 En (de Koran is neergezonden) zodat je oordeelt onder hen met wat Allah heeft neergezonden. En volg niet hun ijdele verlangens en wees op je hoede voor hen, zodat ze jou niet weg verleiden van iets wat Allah aan je heeft geopenbaard. En indien ze zich afwenden, weet dan dat Allah hen wil straffen voor sommige van hun zonden. En veel van ze zijn provocerend ongehoorzaam.
اَفَحُکۡمَ الۡجَاہِلِیَّۃِ یَبۡغُوۡنَ ؕ وَ مَنۡ اَحۡسَنُ مِنَ اللّٰہِ حُکۡمًا لِّقَوۡمٍ یُّوۡقِنُوۡنَ ﴿۰۵﴾
Afahoekmal djaahielieyyatie yabghoen; wa man ahsanoe mienal laahie hoekmal lieqawmiey yoeqienoen
5:50 Wensen ze dan de wet van de onwetendheid (door het afwenden van Allah's openbaring)? En wie is er beter dan Allah in het oordelen voor een volk dat standvastig gelooft.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَتَّخِذُوا الۡیَہُوۡدَ وَ النَّصٰرٰۤی اَوۡلِیَآءَ ۘؔ بَعۡضُہُمۡ اَوۡلِیَآءُ بَعۡضٍ ؕ وَ مَنۡ یَّتَوَلَّہُمۡ مِّنۡکُمۡ فَاِنَّہٗ مِنۡہُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۵﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamanoe laa tattaghiezoel Yahoeda wan nasaaraaa awlieyaaa'; ba'doehoem awlieyaaa'oe ba'd; wa may yatawallahoem mien-koem fa iennahoe mienhoem; iennal laaha laa yahdiel qawmaz zaaliemieen
5:51 O gelovigen! Neem de Joden en de Christenen niet als Awliya (beschermers, bondgenoten, helpers, geallieerde, etc). Sommige zijn Awliya van elkaar. En wie ze als Awliya neemt, dan is hij net als hen. Voorzeker, Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.
فَتَرَی الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ یُّسَارِعُوۡنَ فِیۡہِمۡ یَقُوۡلُوۡنَ نَخۡشٰۤی اَنۡ تُصِیۡبَنَا دَآئِرَۃٌ ؕ فَعَسَی اللّٰہُ اَنۡ یَّاۡتِیَ بِالۡفَتۡحِ اَوۡ اَمۡرٍ مِّنۡ عِنۡدِہٖ فَیُصۡبِحُوۡا عَلٰی مَاۤ اَسَرُّوۡا فِیۡۤ اَنۡفُسِہِمۡ نٰدِمِیۡنَ ﴿۲۵﴾
Fataral lazieena fiee qoeloebiehiem maradoey yoesaarie'oena fieehiem yaqoeloena naghshaaa an toesieebanaa daaa'ierah; fa'asallaahoe ay yaatieya bielfathie aw amriem mien 'iendiehiee fa yoesbiehoe 'alaa maaa asarroe fieee anfoesiehiem naadiemieen
5:52 En je ziet degenen waarvan er een ziekte in hart is (hypocrieten), zich haasten naar hen (Joden en Christenen). Ze zeggen: "We vrezen voor een tegenslag." Maar misschien brengt Allah juist de overwinning of een bepaling van Hem (ten nadelen van hen). Ze zullen dan voor hetgeen ze verborgen hielden (de hypocrisie) spijt krijgen.
وَ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَہٰۤؤُلَآءِ الَّذِیۡنَ اَقۡسَمُوۡا بِاللّٰہِ جَہۡدَ اَیۡمَانِہِمۡ ۙ اِنَّہُمۡ لَمَعَکُمۡ ؕ حَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ فَاَصۡبَحُوۡا خٰسِرِیۡنَ ﴿۳۵﴾
Wa yaqoeloel lazieena aamanoeo ahaaa'oelaaa'iel lazieena aqsamoe biellaahie djahda aimaaniehiem iennahoem lama'akoem; habietat a'maaloehoem fa asbahoe ghaasierieen
5:53 En de gelovigen zullen (onderling, tegen elkaar) zeggen: "Waren het deze die zweerden bij Allah, met hun sterkste eed, dat ze met jullie zouden zijn? Hun daden zijn waardeloos geworden en ze behoren tot de verliezers."
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَنۡ یَّرۡتَدَّ مِنۡکُمۡ عَنۡ دِیۡنِہٖ فَسَوۡفَ یَاۡتِی اللّٰہُ بِقَوۡمٍ یُّحِبُّہُمۡ وَ یُحِبُّوۡنَہٗۤ ۙ اَذِلَّۃٍ عَلَی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ اَعِزَّۃٍ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ۫ یُجَاہِدُوۡنَ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ لَا یَخَافُوۡنَ لَوۡمَۃَ لَآئِمٍ ؕ ذٰلِکَ فَضۡلُ اللّٰہِ یُؤۡتِیۡہِ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ وَاسِعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۴۵﴾
Yaa aiyoehal lazieena aamanoe may yartadda mien-koem 'an dieeniehiee fasawfa ya'tiellaahoe bieqawmiey yoehiebboehoem wa yoehiebboenahoe aziellatien 'alal moe'mienieena a'iezzatien 'alal kaafierieena yoedjaahiedoena fiee sabieeliel laahie wa laa yaghaafoena lawmata laaa'iem; zaalieka fadloel laahie yoe'tieehie may yashaaa'; wallaahoe Waasie'oen 'Alieem
5:54 O jullie die (claimen te) geloven (Christenen en Joden)! Wie zich van Zijn Dien (de rechtvaardige levenswijze die Allah voorgeschreven heeft) afkeert, weet dan dat Allah spoedig een volk zal voortbrengen dat Hem zal behagen en dat (het volk) van Hem zal houden. En dat het zachtmoedig tot de gelovigen en streng/ernstig tegenover de ongelovigen zal zijn. Strevend op de weg van Allah en niet vrezend voor enig kritiek. Dat is de gunst van Allah, Hij schenkt het aan wie Hij het wil. En Allah is Allesomvattend, Alwetend.
اِنَّمَا وَلِیُّکُمُ اللّٰہُ وَ رَسُوۡلُہٗ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا الَّذِیۡنَ یُقِیۡمُوۡنَ الصَّلٰوۃَ وَ یُؤۡتُوۡنَ الزَّکٰوۃَ وَ ہُمۡ رٰکِعُوۡنَ ﴿۵۵﴾
Innamaa walieyyoekoemoel laahoe wa Rasoeloehoe wal lazieena aamanoel lazieena yoeqieemoenas Salaata wa yoe'toenaz Zakaata wa hoem raakie'oen
5:55 Alleen Allah, Zijn boodschapper en de gelovigen die het gebed onderhouden en zakaat geven tijdens het prostreren (Sadin Ali), zijn jullie Awliya (bondgenoten, helpers, vrienden, geallieerde).
وَ مَنۡ یَّتَوَلَّ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فَاِنَّ حِزۡبَ اللّٰہِ ہُمُ الۡغٰلِبُوۡنَ ﴿۶۵﴾
Wa may yatawallal laaha wa Rasoelahoe wallazieena aamanoe fa ienna hiezbal laahie hoemoel ghaalieboen
5:56 En wie Allah, zijn boodschapper en de gelovigen tot Awliya nemen, weet dan voorzeker dat Allah's partij de overwinnaar is.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَتَّخِذُوا الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا دِیۡنَکُمۡ ہُزُوًا وَّ لَعِبًا مِّنَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ وَ الۡکُفَّارَ اَوۡلِیَآءَ ۚ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۷۵﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamanoe laa tattaghiezoel lazieenat taghazoe dieenakoem hoezoewaw wa la'iebam mienal lazieena oetoel Kietaaba mien qabliekoem walkoeffaara awlieyaaa'; wattaqoel laaha ien koentoem moeoe'mienieen
5:57 O gelovigen! Neem geen Awliyas onder de mensen van het Boek, die het geloof belachelijk en er grapjes over maken. En vrees Allah (alleen), als jullie geloven.
وَ اِذَا نَادَیۡتُمۡ اِلَی الصَّلٰوۃِ اتَّخَذُوۡہَا ہُزُوًا وَّ لَعِبًا ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَوۡمٌ لَّا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۸۵﴾
Wa iezaa naadaitoem ielas Salaatiet taghazoehaa hoezoe wan'w wa la'iebaa; zaalieka bieannnahoem qawmoel laa ya'qieloen
5:58 En wanneer jullie oproepen tot het gebed, dan maken ze het (de oproep) belachelijk en er grapjes over. Dat is omdat ze tot de mensen behoren die niet begrijpen.
قُلۡ یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ ہَلۡ تَنۡقِمُوۡنَ مِنَّاۤ اِلَّاۤ اَنۡ اٰمَنَّا بِاللّٰہِ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡنَا وَ مَاۤ اُنۡزِلَ مِنۡ قَبۡلُ ۙ وَ اَنَّ اَکۡثَرَکُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۹۵﴾
Qoel yaaa Ahlal Kietaabie hal tanqiemoena miennaaa iellaaa an aamannaa biellaahie wa maaa oenziela ielainaa wa maa oenziela mien qabloe wa annna aksarakoem faasieqoen
5:59 Zeg: "O mensen van het boek! Haten jullie ons omdat we alleen geloven in Allah en geloven wat aan ons en wat vroeger geopenbaard is? De meeste van jullie zijn provocerende misdadigers!"
قُلۡ ہَلۡ اُنَبِّئُکُمۡ بِشَرٍّ مِّنۡ ذٰلِکَ مَثُوۡبَۃً عِنۡدَ اللّٰہِ ؕ مَنۡ لَّعَنَہُ اللّٰہُ وَ غَضِبَ عَلَیۡہِ وَ جَعَلَ مِنۡہُمُ الۡقِرَدَۃَ وَ الۡخَنَازِیۡرَ وَ عَبَدَ الطَّاغُوۡتَ ؕ اُولٰٓئِکَ شَرٌّ مَّکَانًا وَّ اَضَلُّ عَنۡ سَوَآءِ السَّبِیۡلِ ﴿۰۶﴾
Qoel hal oenabbie'oekoem biesharriem mien zaalieka masoebatan 'iendal laah; malla'ana hoel laahoe wa ghadieba 'alaihie wa dja'ala mienhoemoel qieradata wal ghanaazieera wa 'abadat Taaghoet; oelaaa'ieka sharroem makaanaw wa adalloe 'an Sawaaa'ies Sabieel
5:60 Zeg: "Zal ik jullie informeren over iets erger? Dat is de vergelding van Allah. Wie vervloekt is door Allah, en op wie Allah boos is, en wie tot apen en zwijnen, varkens zijn gemaakt en wie valse deïteiten aanbidden, zij zijn degenen die zich bevinden in de slechtste toestand. En ze zijn ver afgedwaald van het rechte pad.
وَ اِذَا جَآءُوۡکُمۡ قَالُوۡۤا اٰمَنَّا وَ قَدۡ دَّخَلُوۡا بِالۡکُفۡرِ وَ ہُمۡ قَدۡ خَرَجُوۡا بِہٖ ؕ وَ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا کَانُوۡا یَکۡتُمُوۡنَ ﴿۱۶﴾
Wa iezaa djaaa'oekoem qaaloeo aamannaa wa qad daghaloe bielkoefrie wa hoem qad gharadjoe bieh; wallaahoe a'lamoe biemaa kaanoe yaktoemoen
5:61 En wanneer ze bij jullie komen, zeggen ze: "Wij geloven.” Echter, voorzeker, ze kwamen met ongeloof (in hun hart) en ze vertrokken met ongeloof. En Allah heeft de volledige kennis van hetgeen ze verborgen houden.
وَ تَرٰی کَثِیۡرًا مِّنۡہُمۡ یُسَارِعُوۡنَ فِی الۡاِثۡمِ وَ الۡعُدۡوَانِ وَ اَکۡلِہِمُ السُّحۡتَ ؕ لَبِئۡسَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۶﴾
Wa taraa kasieeram mienhoem yoesaarie'oena fiel iesmie wal'oedwaanie wa akliehiemoes soeht; labie'sa maa kaanoe ya'maloen
5:62 En je ziet velen van hen zich haasten naar zonden, overtredingen en het vreten van het verbodene. Slecht is wat ze verrichten!
لَوۡ لَا یَنۡہٰہُمُ الرَّبّٰنِیُّوۡنَ وَ الۡاَحۡبَارُ عَنۡ قَوۡلِہِمُ الۡاِثۡمَ وَ اَکۡلِہِمُ السُّحۡتَ ؕ لَبِئۡسَ مَا کَانُوۡا یَصۡنَعُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Law laa yanhaahoemoer rabbaanieyyoena wal ahbaaroe 'an qawliehiemoel iesmaa wa akliehiemoes soeht; labie'sa maa kaanoe yasna'oen
5:63 Waarom verbieden de rabbijnen en de schriftgeleerden hen (het volk) niet van de zondige uitspraken en het eten van het verbodene? Slecht is wat ze (het volk) doen!
وَ قَالَتِ الۡیَہُوۡدُ یَدُ اللّٰہِ مَغۡلُوۡلَۃٌ ؕ غُلَّتۡ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ لُعِنُوۡا بِمَا قَالُوۡا ۘ بَلۡ یَدٰہُ مَبۡسُوۡطَتٰنِ ۙ یُنۡفِقُ کَیۡفَ یَشَآءُ ؕ وَ لَیَزِیۡدَنَّ کَثِیۡرًا مِّنۡہُمۡ مَّاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ مِنۡ رَّبِّکَ طُغۡیَانًا وَّ کُفۡرًا ؕ وَ اَلۡقَیۡنَا بَیۡنَہُمُ الۡعَدَاوَۃَ وَ الۡبَغۡضَآءَ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ ؕ کُلَّمَاۤ اَوۡقَدُوۡا نَارًا لِّلۡحَرۡبِ اَطۡفَاَہَا اللّٰہُ ۙ وَ یَسۡعَوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ فَسَادًا ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Wa qaalatiel Yahoedoe Yadoellaahie maghloelah; ghoellat aidieehiem wa loe'ienoe biemaa qaaloe; bal yadaahoe mabsoe tataanie yoenfieqoe kaifa yashaaa'; wa la yazieedanna kasieeramm mienhoem maaa oenziela ielaika mier Rabbieka toeghyaanaw wa koefraa; wa alqainaa bainahoemoel 'adaawata wal baghdaaa a' ielaa Yawmiel Qieyaamah; koellamaaa awqadoe naaral lielharbie at fa-ahal laah; wa yas'awna fiel ardie fasaadaa; wal laahoe laa yoehiebboel moefsiedieen
5:64 En de Joden zeiden: "De hand van Allah is geketend” (in het niet kunnen bestraffen van de Joden vanwege het contract of in het voorzien van hun behoeften). Hun handen zijn geketend! En ze zijn vervloekt voor wat ze zeiden. Nee! Zijn handen strekken zich (elke dag) uit (in het voorzien of in het bestraffen). Hij geeft hoe Hij het wil. En veel van hen nemen toe in provocerende verzet en ongeloof tegen wat Wij aan jou neergezonden hebben (Koran). En Wij hebben vijandschap en haat tot aan de Dag der wederopstanding tussen hen gegooid. Telkens wanneer ze het vuur voor het begaan van een oorlog (tegen de gelovigen) ontsteken, wordt het gedoofd door Allah. En ze doen moeite (proberen) om corruptie op aarde te verspreiden. En Allah houdt niet van de verderfzaaiers.
وَ لَوۡ اَنَّ اَہۡلَ الۡکِتٰبِ اٰمَنُوۡا وَ اتَّقَوۡا لَکَفَّرۡنَا عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ وَ لَاَدۡخَلۡنٰہُمۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿۵۶﴾
Wa law anna Ahlal Kietaabie aamanoe wattaqaw lakaffarnaa 'anhoem saiyieaatiehiem wa la adghalnaahoe djannaatien Na'ieem
5:65 En als de mensen van het Boek gelooft en (Allah) gevreesd hadden, dan hadden Wij met zekerheid hun slechte daden verwijderd en hen toegelaten tot de tuinen van gelukzaligheid.
وَ لَوۡ اَنَّہُمۡ اَقَامُوا التَّوۡرٰىۃَ وَ الۡاِنۡجِیۡلَ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡہِمۡ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ لَاَکَلُوۡا مِنۡ فَوۡقِہِمۡ وَ مِنۡ تَحۡتِ اَرۡجُلِہِمۡ ؕ مِنۡہُمۡ اُمَّۃٌ مُّقۡتَصِدَۃٌ ؕ وَ کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ سَآءَ مَا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۶۶﴾
Wa law annahoem aqaamoet Tawraata wal Indjieela wa maaa oenziela ielaihiem mier Rabbiehiem la akaloe mien fawqiehiem wa mien tahtie ardjoeliehiem; mienhoem oemmatoem moeqta siedatoew wa kasieeroem mienhoem saaa'a maa ya'maloen
5:66 En indien ze zich stevig hadden vastgehouden aan de Thora, de Indjiel en aan wat aan hen van hun Heer was neergezonden, dan zouden ze van boven hen en van onder hun voeten, hebben gegeten. Onder hen (de mensen van het boek) is er een gemeenschap die bescheiden is. Maar veel hen, slecht is wat zeer doen!
یٰۤاَیُّہَا الرَّسُوۡلُ بَلِّغۡ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ مِنۡ رَّبِّکَ ؕ وَ اِنۡ لَّمۡ تَفۡعَلۡ فَمَا بَلَّغۡتَ رِسَالَتَہٗ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡصِمُکَ مِنَ النَّاسِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۷۶﴾
Yaaa aiyoehar Rasoeloe balliegh maaa oenziela ielaika mier Rabbieka wa iel lam taf'al famaaa ballaghta Riesaalatah; wallaahoe ya'siemoeka mienan naas; iennal laaha laa yahdiel qawmal kaafierieen
5:67 O boodschapper! Verkondig wat aan jou van jouw Heer is neergezonden. En als je dat niet doet, dan heb je Zijn boodschap niet overgebracht. En Allah zal jou beschermen tegen de mensen. Voorzeker, Allah leidt het ongelovige volk niet.
قُلۡ یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ لَسۡتُمۡ عَلٰی شَیۡءٍ حَتّٰی تُقِیۡمُوا التَّوۡرٰىۃَ وَ الۡاِنۡجِیۡلَ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکُمۡ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ وَ لَیَزِیۡدَنَّ کَثِیۡرًا مِّنۡہُمۡ مَّاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ مِنۡ رَّبِّکَ طُغۡیَانًا وَّ کُفۡرًا ۚ فَلَا تَاۡسَ عَلَی الۡقَوۡمِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۸۶﴾
Qoel yaaa Ahlal Kietaabie lastoem 'alaa shai'ien hattaa toeqieemoet Tawraata wal Indjieela wa maaa oenziela ielaikoem mier Rabbiekoem; wa layazieedanna kasieeram mienhoem maa oenziela ielaika mier Rabbieka toegh yaanaw wa koefran falaa taasa 'alal qawmiel kaafierieen
5:68 Zeg: "O mensen van het Boek! Jullie bevinden zich nergens totdat jullie je stevig vast houden aan de Thora, de Indjiel en wat er aan jullie van jullie Heer is neergezonden (Koran)." En veel van hen nemen toe in provocerende verzet en ongeloof tegen wat Wij aan jou hebben neergezonden. Dus wordt niet verdrietig om degenen die haasten naar het ongeloof.
اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ الَّذِیۡنَ ہَادُوۡا وَ الصّٰبِـُٔوۡنَ وَ النَّصٰرٰی مَنۡ اٰمَنَ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۹۶﴾
Innal lazieena aamanoe wallazieena haadoe was saabie'oena wan Nasaaraa man aamana biellaahie wal yawmiel Aaghierie wa 'amiela saaliehan falaa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
5:69 Degenen (van de moslims) die geloven (in de éénheid van Allah), en ook van de Joden, de Sabiërs, de Christenen of wie dan ook in (de éénheid van) Allah gelooft (dus geen enige vorm van partnerschap aan Hem toekent) en in de laatste Dag gelooft en goede daden verricht, dan rust er geen angst op hen, noch zullen ze treuren.
لَقَدۡ اَخَذۡنَا مِیۡثَاقَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ وَ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلَیۡہِمۡ رُسُلًا ؕ کُلَّمَا جَآءَہُمۡ رَسُوۡلٌۢ بِمَا لَا تَہۡوٰۤی اَنۡفُسُہُمۡ ۙ فَرِیۡقًا کَذَّبُوۡا وَ فَرِیۡقًا یَّقۡتُلُوۡنَ ﴿۰۷﴾
Laqad aghaznaa mieesaaqa Baniee Israaa'ieela wa arsalnaaa ielaihiem Roesoelan koellamaa djaaa'ahoem Rasoeloem biemaa laa tahwaaa anfoesoehoem farieeqan kazzaboe wa farieeqay yaqtoeloen
5:70 Voorzeker, Wij sloten een verbond met de Kinderen van Israël en Wij zonden boodschappers naar hen. Iedere keer wanneer er een boodschapper tot hen kwam met datgeen wat hun Nafs (ego) niet verlangende, verwierpen ze sommigen (van de boodschappers en maakte ze hen uit als leugenaars) en andere werden vermoord.
وَ حَسِبُوۡۤا اَلَّا تَکُوۡنَ فِتۡنَۃٌ فَعَمُوۡا وَ صَمُّوۡا ثُمَّ تَابَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ ثُمَّ عَمُوۡا وَ صَمُّوۡا کَثِیۡرٌ مِّنۡہُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِمَا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۷﴾
Wa hasieboeo allaa takoena fietnatoen fa'amoe wa sammoe soemma taabal laahoe 'alaihiem soemma 'amoe wa sammoe kasieeroem mienhoem; wallaahoe basieeroem biemaa ya'maloen
5:71 En ze dachten dat ze niet beproeft zou worden, dus werden ze blind en doof (door hun arrogantie en hoogmoedigheid). Vervolgens wende Allah tot hen (in het verschaffen van vergiffenis door hun berouw). Echter, werden velen van hen weer blind en doof. En Allah is de Alles-ziener van het geen ze doen.
لَقَدۡ کَفَرَ الَّذِیۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ الۡمَسِیۡحُ ابۡنُ مَرۡیَمَ ؕ وَ قَالَ الۡمَسِیۡحُ یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اعۡبُدُوا اللّٰہَ رَبِّیۡ وَ رَبَّکُمۡ ؕ اِنَّہٗ مَنۡ یُّشۡرِکۡ بِاللّٰہِ فَقَدۡ حَرَّمَ اللّٰہُ عَلَیۡہِ الۡجَنَّۃَ وَ مَاۡوٰىہُ النَّارُ ؕ وَ مَا لِلظّٰلِمِیۡنَ مِنۡ اَنۡصَارٍ ﴿۲۷﴾
Laqad kafaral lazieena qaaloeo iennal laaha Hoewal masieehoeb noe Maryama wa qaalal Masieehoe yaa Banieee Israaa'ieela oe'boedoel laaha Rabbiee wa Rabbakoem iennnahoe many-yoeshriek biellaahie faqad harramal laahoe 'alaihiel djannata wa maa waahoen Naaroe wa maa liezzaaliemieena mien ansaar
5:72 Voorzeker, ongelovig zijn degenen die zeggen: "De messias, de zoon van Maryam, hij is Allah." Terwijl de messias zei: "O kinderen van Israël! Aanbidt Allah, mijn Heer en jullie Heer." Degenen die partnerschap toekent aan Allah, weet dan met zekerheid dat Allah voor hem het Paradijs heeft voorboden. En zijn verblijf plaats is het vuur. En voor de verderfzaaiers, onrechtplegers zijn er geen helper
لَقَدۡ کَفَرَ الَّذِیۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ ثَالِثُ ثَلٰثَۃٍ ۘ وَ مَا مِنۡ اِلٰہٍ اِلَّاۤ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ؕ وَ اِنۡ لَّمۡ یَنۡتَہُوۡا عَمَّا یَقُوۡلُوۡنَ لَیَمَسَّنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۳۷﴾
laqad kafaral lazieena qaaloeo iennal laaha saaliesoe salaasah; wa maa mien ielaahien iellaaa Ilaahoew waahied; wa iellam yantahoe 'ammaa yaqoeloena layamas sannal lazieena kafaroe mienhoem 'azaaboen alieem
5:73 Voorzeker, ongelovig zijn degenen die zeggen: "Allah is de derde van de drie." En er zijn geen goden/deïteiten behalve Allah, de enige deïteit. En als ze niet stoppen met wat ze zeggen, dan zal er zeker een pijnlijke straf voor hen zijn.
اَفَلَا یَتُوۡبُوۡنَ اِلَی اللّٰہِ وَ یَسۡتَغۡفِرُوۡنَہٗ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۴۷﴾
Afalaa yatoeboena ielal laahie wa yastaghfieroenah; wallaahoe Ghafoeroer Rahieem
5:74 Wat verhindert hen dat ze niet terugkeren in berouw tot Allah, zoekend naar Zijn vergiffenis? En Allah is zeer Vergevensgezind, meest Barmhartig.
مَا الۡمَسِیۡحُ ابۡنُ مَرۡیَمَ اِلَّا رَسُوۡلٌ ۚ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہِ الرُّسُلُ ؕ وَ اُمُّہٗ صِدِّیۡقَۃٌ ؕ کَانَا یَاۡکُلٰنِ الطَّعَامَ ؕ اُنۡظُرۡ کَیۡفَ نُبَیِّنُ لَہُمُ الۡاٰیٰتِ ثُمَّ انۡظُرۡ اَنّٰی یُؤۡفَکُوۡنَ ﴿۵۷﴾
Mal Masieehoeb noe Maryama iellaa Rasoeloen qad ghalat mien qabliehier Roesoeloe wa oemmoehoe sieddieeqatoen kaanaa yaa koelaaniet ta'aam; oenzoer kaifa noebaiyienoe lahoemoel Aayaatie soemman zoer annaa yoe'fakoen
5:75 Niets dan een boodschapper is de messias, zoon van Maryam! Voorzeker, voor zijn tijd waren er andere boodschappers. En zijn moeder was oprecht, beide aten voedsel. Zie hoe Wij de tekenen aan hen duidelijk maken en zie hoe ze misleid zijn.
قُلۡ اَتَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَا لَا یَمۡلِکُ لَکُمۡ ضَرًّا وَّ لَا نَفۡعًا ؕ وَ اللّٰہُ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۶۷﴾
Qoel ata'boedoena mien doeniel laahie maa laa yamliekoe lakoem darraw wa laa naf'aa; wallaahoe Hoewas Samiee'oel 'Alieem
5:76 Zeg: "Aanbidden jullie iets naast Allah wat geen macht heeft om jullie te schaden of jullie van enig nut kan voorzien? Terwijl Allah, Hij is de Al-horende, de Alwetende!
قُلۡ یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ لَا تَغۡلُوۡا فِیۡ دِیۡنِکُمۡ غَیۡرَ الۡحَقِّ وَ لَا تَتَّبِعُوۡۤا اَہۡوَآءَ قَوۡمٍ قَدۡ ضَلُّوۡا مِنۡ قَبۡلُ وَ اَضَلُّوۡا کَثِیۡرًا وَّ ضَلُّوۡا عَنۡ سَوَآءِ السَّبِیۡلِ ﴿۷۷﴾
Qoel yaaa Ahlal Kietaabie laa taghloe fiee dieeniekoem ghairal haqqie wa laa tattabie'oeo ahwaaa'a qawmien qad dalloe mien qabloe wa adalloe kasieeraw wa dalloe 'an Sawaaa'ies Sabieel
5:77 Zeg: "O mensen van het boek! Overdrijf niet in jullie Dien (levenswijze) op basis van leugens. En volg niet dezelfde verlangens van een volk dat heen is gegaan en dat afgedwaald was van het rechte pad."
لُعِنَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡۢ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ عَلٰی لِسَانِ دَاوٗدَ وَ عِیۡسَی ابۡنِ مَرۡیَمَ ؕ ذٰلِکَ بِمَا عَصَوۡا وَّ کَانُوۡا یَعۡتَدُوۡنَ ﴿۸۷﴾
Loe'ienal lazieena kafaroe miem Banieee iesraaa'ieela 'alaa liesaanie Daawoeda wa 'Eesab nie Maryam; zaalieka biemaa 'asaw wa kaanoe ya'tadoen
5:78 De ongelovigen onder het joodse volk werden vervloekt door de tong van Dawoed (David) en die van Isa de zoon van Maryam, omdat ze ongehoorzaamden en zondigden.
کَانُوۡا لَا یَتَنَاہَوۡنَ عَنۡ مُّنۡکَرٍ فَعَلُوۡہُ ؕ لَبِئۡسَ مَا کَانُوۡا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۹۷﴾
Kaanoe laa yatanaahawna 'am moen-karien fa'aloeh; labie'sa maa kaanoe yafa'loen
5:79 Ze weerhielden elkaar niet van de slechte daden die ze verrichten. Zeer slecht was het wat ze deden!
تَرٰی کَثِیۡرًا مِّنۡہُمۡ یَتَوَلَّوۡنَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ؕ لَبِئۡسَ مَا قَدَّمَتۡ لَہُمۡ اَنۡفُسُہُمۡ اَنۡ سَخِطَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ وَ فِی الۡعَذَابِ ہُمۡ خٰلِدُوۡنَ ﴿۰۸﴾
Taraa kasieeram mienhoem yatawallawnal lazieena kafaroe; labie'sa maa qaddamat lahoem anfoesoehoem an saghietal laahoe 'alaihiem wa fiel 'azaabie hoem ghaaliedoen
5:80 Je ziet dat velen van hen (joodse volk) de ongelovigen (van Quraish) als beschermers/bondgenoten nemen. Zeer slecht is wat hun Nafs voor hen voortbracht, zo slecht dat Allah zelfs op hen boos werd. In de bestraffing zullen ze eeuwig vertoeven!
وَ لَوۡ کَانُوۡا یُؤۡمِنُوۡنَ بِاللّٰہِ وَ النَّبِیِّ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡہِ مَا اتَّخَذُوۡہُمۡ اَوۡلِیَآءَ وَ لٰکِنَّ کَثِیۡرًا مِّنۡہُمۡ فٰسِقُوۡنَ ﴿۱۸﴾
Wa law kaanoe yoe'mienoena biellaahie wan nabieyyie wa maaa oenziela ielaihie mattaghazoehoem awlieyaaa'a wa laakienna kasieeram mienhoem faasieqoen
5:81 Hadden ze maar in Allah, de profeet (Mohammed v.z.m.h.) en wat er aan hem geopenbaard is gelooft, dan zouden ze hen niet als bondgenoten hebben genomen. Maar velen van hen zijn provocerend ongehoorzaam.