کُلُّ الطَّعَامِ کَانَ حِلًّا لِّبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ اِلَّا مَا حَرَّمَ اِسۡرَآءِیۡلُ عَلٰی نَفۡسِہٖ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ تُنَزَّلَ التَّوۡرٰىۃُ ؕ قُلۡ فَاۡتُوۡا بِالتَّوۡرٰىۃِ فَاتۡلُوۡہَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۳۹﴾
Koelloet ta'aamie kaana hiellal lie Banieee Israaa'ieela iellaa maa harrama Israaa'ieeloe 'alaa nafsiehiee mien qablie an toenazzalat Tawraah; qoel faatoe biet Tawraatie fatloehaaa ien koentoem saadieqieen
3:93 Alle voedsel was geoorloofd voor de Kinderen van Israël, behalve wat Israël (hier wordt gerefereerd naar profeet Jakob, Israël was ook een naam van profeet Jakob) voor zichzelf onwettig verklaarde voordat de Taurat neergezonden werd. Zeg: "Breng de Taurat en lees het op als jullie streven naar de waarheid".
فَمَنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ الۡکَذِبَ مِنۡۢ بَعۡدِ ذٰلِکَ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۴۹﴾
Famanief taraa 'alal laahielkazieba miem ba'die zaalieka fa oelaaa'ieka hoemoez zaaliemoen
3:94 Wie dan ook daarna een leugen over Allah verzint, dat zijn de onrechtplegers.
قُلۡ صَدَقَ اللّٰہُ ۟ فَاتَّبِعُوۡا مِلَّۃَ اِبۡرٰہِیۡمَ حَنِیۡفًا ؕ وَ مَا کَانَ مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۵۹﴾
Qoel sadaqal laah; fattabie'oe Miellata Ibraahieema Hanieefaw wa maa kaana mienal moesh riekieen
3:95 Zeg: "Allah heeft de Waarheid gesproken, volg dus de geloofsopvatting van Ibrahiem, een pure monotheïst. En hij behoorde niet tot de polytheïsten".
اِنَّ اَوَّلَ بَیۡتٍ وُّضِعَ لِلنَّاسِ لَلَّذِیۡ بِبَکَّۃَ مُبٰرَکًا وَّ ہُدًی لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۶۹﴾
Inna awwala Baitiew woedie'a liennaasie lallaziee bie Bakkata moebaarakaw wa hoedal liel 'aalamieen
3:96 Voorzeker, het eerste Huis (Kabaa) dat voor de mensheid gebouwd is, is degene die zich bevindt in Bakka (andere benaming voor Mekka), vol van zegeningen en (het centrum voor) leiding voor de werelden. (Notitie: De eerste versie van de Kabaa is door engelen gemaakt. Adam was namelijk de eerste van de mensheid. Zie ook 2:127 en 22:26.)
فِیۡہِ اٰیٰتٌۢ بَیِّنٰتٌ مَّقَامُ اِبۡرٰہِیۡمَ ۬ۚ وَ مَنۡ دَخَلَہٗ کَانَ اٰمِنًا ؕ وَ لِلّٰہِ عَلَی النَّاسِ حِجُّ الۡبَیۡتِ مَنِ اسۡتَطَاعَ اِلَیۡہِ سَبِیۡلًا ؕ وَ مَنۡ کَفَرَ فَاِنَّ اللّٰہَ غَنِیٌّ عَنِ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۹﴾
Fieehie Aayaatoem baiyienaatoem Maqaamoe Ibraahieema wa man daghalahoe kaana aamienaa; wa liellaahie 'alan naasie Hiedjdjoel Baitie manies tataa'a ielaihie sabieelaa; wa man kafara fa iennal laaha ghanieyyoen 'aniel 'aalamieen
3:97 Daarin zijn er duidelijke Tekenen, (zoals) de standplaats van Ibrahiem, en wie dan ook er in binnengaat is veilig. En de bedevaart is verplicht gesteld door Allah op de mensen die in staat zijn om er heen te gaan. Wie dan ongelovig is, voorzeker (weet) dat Allah vrij is van enige behoefte voor het universum.
قُلۡ یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ لِمَ تَکۡفُرُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ ٭ۖ وَ اللّٰہُ شَہِیۡدٌ عَلٰی مَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۸۹﴾
Qoel yaaa Ahlal Kietaabie liema takfoeroena bie Aayaatiellaahie wallaahoe shahieedoen 'alaa maa ta'maloen
3:98 Zeg: "O Mensen van het Boek, waarom geloven jullie niet in de Tekenen van Allah, terwijl Allah een getuige is over datgeen wat jullie doen?"
قُلۡ یٰۤاَہۡلَ الۡکِتٰبِ لِمَ تَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ مَنۡ اٰمَنَ تَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا وَّ اَنۡتُمۡ شُہَدَآءُ ؕ وَ مَا اللّٰہُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۹﴾
Qoel yaaa Ahlal Kietaabie liema toesoeddoena 'an sabieeliel laahie man aamana tabghoenahaa 'iewadjaw wa antoem shoehadaaa'; wa mallaahoe bieghaafielien 'ammaa ta'maloen
3:99 Zeg: "O Mensen van het Boek, waarom bemoeilijken jullie degenen die geloven op de weg van Allah, zoekende om het krom te maken, terwijl jullie getuigen zijn. (Weet dat) Allah weet jullie doen".
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنۡ تُطِیۡعُوۡا فَرِیۡقًا مِّنَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ یَرُدُّوۡکُمۡ بَعۡدَ اِیۡمَانِکُمۡ کٰفِرِیۡنَ ﴿۰۰۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe ien toetiee'oe farieeqam mienal lazieena oetoel Kietaaba yaroeddoekoem ba'da ieemaaniekoem kaafierieen
3:100 O jullie die geloven! Als jullie een groep van de mensen van het Boek gehoorzamen, dan zullen ze jullie tot ongelovigen doen terugkeren nadat jullie hebben geloofd.
وَ کَیۡفَ تَکۡفُرُوۡنَ وَ اَنۡتُمۡ تُتۡلٰی عَلَیۡکُمۡ اٰیٰتُ اللّٰہِ وَ فِیۡکُمۡ رَسُوۡلُہٗ ؕ وَ مَنۡ یَّعۡتَصِمۡ بِاللّٰہِ فَقَدۡ ہُدِیَ اِلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۱۰۱﴾
Wa kaifa takfoeroena wa antoem toetlaa 'alaikoem Aayaatoel laahie wa fieekoem Rasoeloeh; wa may ya'tasiem biellaahie faqad hoedieya ielaa Sieraatiem Moestaqieem
3:101 En hoe kunnen jullie niet geloven, terwijl de verzen van Allah aan jullie voorgelezen worden, en Zijn boodschapper onder jullie bevindt? En wie dan ook zich stevig aan Allah vast houdt, dan voorzeker hij wordt naar de rechte pad geleid.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّقُوا اللّٰہَ حَقَّ تُقٰتِہٖ وَ لَا تَمُوۡتُنَّ اِلَّا وَ اَنۡتُمۡ مُّسۡلِمُوۡنَ ﴿۲۰۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoet taqoel laaha haqqa toeqaatiehiee wa laa tamoetoenna iellaa wa antoem moesliemoen
3:102 O jullie die geloven, vrees Allah omdat Hij het recht heeft om gevreesd te worden, en sterf niet (in een andere overgave) behalve als die van moslims.
وَ اعۡتَصِمُوۡا بِحَبۡلِ اللّٰہِ جَمِیۡعًا وَّ لَا تَفَرَّقُوۡا ۪ وَ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ اِذۡ کُنۡتُمۡ اَعۡدَآءً فَاَلَّفَ بَیۡنَ قُلُوۡبِکُمۡ فَاَصۡبَحۡتُمۡ بِنِعۡمَتِہٖۤ اِخۡوَانًا ۚ وَ کُنۡتُمۡ عَلٰی شَفَا حُفۡرَۃٍ مِّنَ النَّارِ فَاَنۡقَذَکُمۡ مِّنۡہَا ؕ کَذٰلِکَ یُبَیِّنُ اللّٰہُ لَکُمۡ اٰیٰتِہٖ لَعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿۳۰۱﴾
Wa'tasiemoe bie Habliel laahie djamiee'aw wa laa tafarraqoe; wazkoeroe nie'matal laahie alaikoem iez koentoem a'daaa'an fa allafa baina qoeloebiekoem fa asbah toem bienie'matiehieee ieghwaanaw wa koentoem 'alaa shafaa hoefratiem mienan Naarie fa anqazakoem mienhaa; kazaalieka yoebaiyienoel laahoe lakoem aayaatiehiee la'allakoem tahtadoen
3:103 En houdt allen stevig vast aan het touw (de leiding) van Allah en weest niet verdeeld. Gedenk de gunst van Allah op jullie, toen jullie vijanden waren en Hij jullie harten bevriend maakte. Door Zijn gunst werden jullie broeders van elkaar, terwijl jullie zich op de rand van de hel bevonden en Hij jullie daarvan redde. Zo maakt Allah Zijn Tekenen duidelijk voor jullie, zodat jullie (erdoor) geleid mogen worden. (Hier wordt gerefereerd naar de stammen in Medina en hun acceptatie van Islam).
وَلۡتَکُنۡ مِّنۡکُمۡ اُمَّۃٌ یَّدۡعُوۡنَ اِلَی الۡخَیۡرِ وَ یَاۡمُرُوۡنَ بِالۡمَعۡرُوۡفِ وَ یَنۡہَوۡنَ عَنِ الۡمُنۡکَرِ ؕ وَ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۴۰۱﴾
Waltakoem mien-koem oemmatoey yad'oena ielal ghairie wa ya'moeroena biel ma'roefie wa yanhawna 'aniel moen-kar; wa oelaaa'ieka hoemoel moefliehoen
3:104 En laat er mensen onder jullie zijn die tot het goede uitnodigen, die de juistheid bevelen en het slechte verbieden. Zij zijn degenen die groeien in succes.
وَ لَا تَکُوۡنُوۡا کَالَّذِیۡنَ تَفَرَّقُوۡا وَ اخۡتَلَفُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جَآءَہُمُ الۡبَیِّنٰتُ ؕ وَ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۵۰۱﴾
Wa laa takoenoe kallazieena tafarraqoe waghtalafoe miem ba'die maa djaaa'ahoemoel baiyienaat; wa oelaaa'ieka lahoem 'azaaboen 'azieem
3:105 En wees niet als degenen die (onderling) verdeeld raakten en van mening verschilden, nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen. En voor hun is er een zware straf.
یَّوۡمَ تَبۡیَضُّ وُجُوۡہٌ وَّ تَسۡوَدُّ وُجُوۡہٌ ۚ فَاَمَّا الَّذِیۡنَ اسۡوَدَّتۡ وُجُوۡہُہُمۡ ۟ اَکَفَرۡتُمۡ بَعۡدَ اِیۡمَانِکُمۡ فَذُوۡقُوا الۡعَذَابَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡفُرُوۡنَ ﴿۶۰۱﴾
Yawma tabie yaddoe woedjoehoew wa taswaddoe woedjoeh; fa-ammal lazieenas waddat woedjoe hoem akafartoem ba'da ieemaaniekoem fazoeqoel 'azaaba biemaa koentoem takfoeroen
3:106 Op de Dag (des oordeels) zullen er gezichten wit zijn en er zullen gezichten zwart zijn. Wat betreft degenen waarvan de gezichten zwart zijn (er zal tegen hen gezegd worden:) "Zijn jullie tot het ongeloof vervallen nadat jullie hebben getuigt. Proef dan de straf van jullie ongeloof." (Hier wordt gerefereerd naar de getuigenis die ieder persoon heeft gedaan, zie 7:172).
وَ اَمَّا الَّذِیۡنَ ابۡیَضَّتۡ وُجُوۡہُہُمۡ فَفِیۡ رَحۡمَۃِ اللّٰہِ ؕ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۷۰۱﴾
Wa ammal lazieena bie yaddat woedjoehoehoem fafiee rahmatiel laahie hoem fieehaa ghaaliedoen
3:107 En wat betreft degenen waarvan de gezichten wit zijn geworden, ze zullen zich bevinden in de Barmhartigheid van Allah. Ze zullen zich er voor altijd in vertoeven.
تِلۡکَ اٰیٰتُ اللّٰہِ نَتۡلُوۡہَا عَلَیۡکَ بِالۡحَقِّ ؕ وَ مَا اللّٰہُ یُرِیۡدُ ظُلۡمًا لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۰۱﴾
Tielka Aayaatoel laahie natloehaa 'alaika bielhaqq; wa mal laahoe yoerieedoe zoelmalliel 'aalamieen
3:108 Dit zijn de Verzen van Allah: Wij lezen ze in waarheid op voor jou (Mohammed). Allah wil geen onrechtvaardigheid voor de werelden.
وَ لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ اِلَی اللّٰہِ تُرۡجَعُ الۡاُمُوۡرُ ﴿۹۰۱﴾
Wa liellaahie maa fiessamaawaatie wa maa fiel ard; wa ielal laahie toerdja'oel oemoer
3:109 En tot Allah behoort alles wat er in de hemelen en op de aarde bevindt. En alle zaken zullen tot Allah worden teruggebracht.
کُنۡتُمۡ خَیۡرَ اُمَّۃٍ اُخۡرِجَتۡ لِلنَّاسِ تَاۡمُرُوۡنَ بِالۡمَعۡرُوۡفِ وَ تَنۡہَوۡنَ عَنِ الۡمُنۡکَرِ وَ تُؤۡمِنُوۡنَ بِاللّٰہِ ؕ وَ لَوۡ اٰمَنَ اَہۡلُ الۡکِتٰبِ لَکَانَ خَیۡرًا لَّہُمۡ ؕ مِنۡہُمُ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ وَ اَکۡثَرُہُمُ الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿۰۱۱﴾
Koentoem ghaira oemmatien oeghriedjat liennaasie ta'moeroena bielma'roefie wa tanhawna 'aniel moen-karie wa toe'mienoena biellaah; wa law aamana Ahloel Kietaabie lakaana ghairal lahoem mienhoemoel moe'mienoena wa aksaroehoemoel faasieqoen
3:110 Jullie zijn de beste Ummah (gemeenschap) die voortgebracht is uit de mensheid, die de juistheid bevelen en die het slechte verbieden en in Allah geloven. En als de mensen van het Boek maar hadden gelooft, dat zou zeker beter voor hen zelf zijn geweest. Onder hen bevinden zich gelovigen, maar de meeste zijn uitdagend ongehoorzaam.
لَنۡ یَّضُرُّوۡکُمۡ اِلَّاۤ اَذًی ؕ وَ اِنۡ یُّقَاتِلُوۡکُمۡ یُوَلُّوۡکُمُ الۡاَدۡبَارَ ۟ ثُمَّ لَا یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۱۱۱﴾
Lay yadoerroekoem 'iellaaa azaw wa ay yoeqaatieloekoem yoewalloekoemoel adbaara soemma laa yoensaroen
3:111 Zij kunnen jullie (Umah) nooit schade aanbrengen, afgezien van een kwetsing. En als ze met jullie vechten, dan zullen ze jullie de rug toekeren en ze zullen niet worden geholpen.
ضُرِبَتۡ عَلَیۡہِمُ الذِّلَّۃُ اَیۡنَ مَا ثُقِفُوۡۤا اِلَّا بِحَبۡلٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ حَبۡلٍ مِّنَ النَّاسِ وَ بَآءُوۡ بِغَضَبٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ ضُرِبَتۡ عَلَیۡہِمُ الۡمَسۡکَنَۃُ ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَانُوۡا یَکۡفُرُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ یَقۡتُلُوۡنَ الۡاَنۡۢبِیَآءَ بِغَیۡرِ حَقٍّ ؕ ذٰلِکَ بِمَا عَصَوۡا وَّ کَانُوۡا یَعۡتَدُوۡنَ ﴿۲۱۱﴾
Doeriebat 'alaihiemoez ziellatoe aina maa soeqiefoeo iellaa biehabliem mienal laahie wa habliem mienan naasie wa baaa'oe bieghadabiem mienallaahie wa doeriebat 'alaihiemoel maskanah; zaalieka bie-annahoem kaanoe yakfoeroena bie Aayaatiel laahie wa yaqtoeloenal Ambieyaaa'a bieghairie haqq; zaalieka biemaa 'asaw wa kaanoe ya'tadoen
3:112 Ze zijn verslagen met vernedering, waar ze zich ook bevinden. Behalve als er een verbond met Allah en de mensen is. En ze hebben de toorn van Allah opgewekt. Op hen is de vernedering getroffen. Dit is omdat ze niet in de Tekenen van Allah geloven en (omdat) ze de Profeten zonder recht doodden. Dit is omdat ze ongehoorzaam waren en overtraden.
لَیۡسُوۡا سَوَآءً ؕ مِنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ اُمَّۃٌ قَآئِمَۃٌ یَّتۡلُوۡنَ اٰیٰتِ اللّٰہِ اٰنَآءَ الَّیۡلِ وَ ہُمۡ یَسۡجُدُوۡنَ ﴿۳۱۱﴾
Laisoe sawaaa'a; mien Ahliel Kietaabie oemmatoen qaaa'iematoey yatloena Aayaatiel laahie aanaaa'al lailie wa hoem yasdjoedoen
3:113 Niet allemaal zijn hetzelfde, onder de mensen van het Boek zijn er een groep mensen, die staan, prostreren en Allah verzen reciteren gedurende de nacht.
یُؤۡمِنُوۡنَ بِاللّٰہِ وَ الۡیَوۡمِ الۡاٰخِرِ وَ یَاۡمُرُوۡنَ بِالۡمَعۡرُوۡفِ وَ یَنۡہَوۡنَ عَنِ الۡمُنۡکَرِ وَ یُسَارِعُوۡنَ فِی الۡخَیۡرٰتِ ؕ وَ اُولٰٓئِکَ مِنَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۴۱۱﴾
Yoe'mienoena biellaahie wal Yawmiel Aaghierie wa ya'moeroena bielma'roefie wa yanhawna 'aniel moen-karie wa yoesaarie'oena fiel ghairaatie wa oelaaa'ieka mienas saaliehieen
3:114 Ze geloven in Allah en de Laatste Dag. En ze bevelen het goede en verbieden het slechte. En ze haasten zich in het verrichten van de goede daden. Zij behoren tot de oprechten.
وَ مَا یَفۡعَلُوۡا مِنۡ خَیۡرٍ فَلَنۡ یُّکۡفَرُوۡہُ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌۢ بِالۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۵۱۱﴾
Wa maa yaf'aloe mien ghairien falay yoekfaroeh; wallaahoe 'alieemoen bielmoettaqieen
3:11 5 En wat ze ook van het goede doen, het zal niet worden verworpen. En Allah is Alwetend over de Moettaqoen.
اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَنۡ تُغۡنِیَ عَنۡہُمۡ اَمۡوَالُہُمۡ وَ لَاۤ اَوۡلَادُہُمۡ مِّنَ اللّٰہِ شَیۡـًٔا ؕ وَ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۶۱۱﴾
Innal lazieena kafaroe lan toeghnieya 'anhoem amwaaloehoem wa laaa awlaadoehoem mienal laahie shai'aw wa oelaaa'ieka Ashaaboen Naar; hoem fieehaa ghaaliedoen
3:116 Voorwaar degenen die niet geloven, nooit zal er iets van hun rijkdom baten tegen Allah en noch (de hulp van) hun kinderen. En zij zijn de metgezellen van het Vuur. Ze zullen er eeuwig in vertoeven.
مَثَلُ مَا یُنۡفِقُوۡنَ فِیۡ ہٰذِہِ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا کَمَثَلِ رِیۡحٍ فِیۡہَا صِرٌّ اَصَابَتۡ حَرۡثَ قَوۡمٍ ظَلَمُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ فَاَہۡلَکَتۡہُ ؕ وَ مَا ظَلَمَہُمُ اللّٰہُ وَ لٰکِنۡ اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۷۱۱﴾
Masaloe maa yoenfieqoena fiee haaziehiel hayaatied doenyaa kamasalie rieehien fieehaa sierroen asaabat harsa qawmien zalamoeo anfoesahoem fa ahlakath; wa maa zalamahoemoel laahoe wa laakien anfoesahoem yazliemoen
3:117 De gelijkenis van wat ze gedurende deze wereldse leven spenderen, is als een wind met vorst erin, die de oogst van de mensen die zichzelf onrecht aangedaan hebben (een naaste aan Allah toegekend hebben ondanks dat ze eerder getuigt hebben), vernietigt. En Allah heeft hun geen onrecht aangedaan, maar ze deden zichzelf onrecht aan.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَتَّخِذُوۡا بِطَانَۃً مِّنۡ دُوۡنِکُمۡ لَا یَاۡلُوۡنَکُمۡ خَبَالًا ؕ وَدُّوۡا مَا عَنِتُّمۡ ۚ قَدۡ بَدَتِ الۡبَغۡضَآءُ مِنۡ اَفۡوَاہِہِمۡ ۚۖ وَ مَا تُخۡفِیۡ صُدُوۡرُہُمۡ اَکۡبَرُ ؕ قَدۡ بَیَّنَّا لَکُمُ الۡاٰیٰتِ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۸۱۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe laa tattaghiezoe bietaanatam mien doeniekoem laa ya'loenakoem ghabaalaw waddoe maa 'aniettoem qad badatiel baghdaaa'oe mien afwaahiehiem; wa maa toeghfiee soedoeroehoem akbar; qad baiyannaa lakoemoel Aayaatie ien koentoem ta'qieloen
3:118 O jullie die geloven! Neem geen Bitanah (iemand die dichtbij je is) van buiten julliezelf (ongelovigen). Ze zullen de moeilijkheden van jullie laten ontplooien. Ze wensen hetgeen jullie bemoeilijkt. De haat (gesproken) uit hun monden is duidelijk geworden, maar (de haat) die verborgen in hun borsten is, is groter. Wij hebben de Tekenen voor jullie duidelijk gemaakt, als jullie je verstand gebruiken.
ہٰۤاَنۡتُمۡ اُولَآءِ تُحِبُّوۡنَہُمۡ وَ لَا یُحِبُّوۡنَکُمۡ وَ تُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡکِتٰبِ کُلِّہٖ ۚ وَ اِذَا لَقُوۡکُمۡ قَالُوۡۤا اٰمَنَّا ۚ٭ۖ وَ اِذَا خَلَوۡا عَضُّوۡا عَلَیۡکُمُ الۡاَنَامِلَ مِنَ الۡغَیۡظِ ؕ قُلۡ مُوۡتُوۡا بِغَیۡظِکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۹۱۱﴾
Haaa antoem oelaaa'ie toehiebboenahoem wa laa yoehiebboenakoem wa toe'mienoena biel kietaabie koelliehiee wa iezaa laqoekoem qaaloeo aamannaa wa iezaa ghalaw 'addoe 'alaikoemoel anaamiela mienal ghaiz; qoel moetoe bieghai ziekoem; iennal laaha 'alieemoem biezaaties soedoer
3:119 Zie! Jullie zijn degenen die van hen houden, maar ze houden niet van jullie. En jullie geloven alles van het Boek. En wanneer ze jullie ontmoeten, zeggen ze "Wij geloven", maar wanneer ze alleen zijn bijten ze uit woede op hun vingertoppen. Zeg: "Sterf in jullie woede, Allah is op de hoogte van datgeen wat in de harten is".
اِنۡ تَمۡسَسۡکُمۡ حَسَنَۃٌ تَسُؤۡہُمۡ ۫ وَ اِنۡ تُصِبۡکُمۡ سَیِّئَۃٌ یَّفۡرَحُوۡا بِہَا ؕ وَ اِنۡ تَصۡبِرُوۡا وَ تَتَّقُوۡا لَا یَضُرُّکُمۡ کَیۡدُہُمۡ شَیۡـًٔا ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِمَا یَعۡمَلُوۡنَ مُحِیۡطٌ ﴿۰۲۱﴾
In tamsaskoem hasanatoen tasoe'hoem wa ien toesiebkoem saiyie'atoey yafrahoe biehaa wa ien tasbieroe wa tattaqoe laa yad oerroekoem kaidoehoem shai'aa; iennal laaha biemaa ya'maloena moehieet
3:120 Als het goede tot jullie komt doet het hen verdriet. Maar als het slechte jullie overvalt, dan zijn ze er blij mee. En als jullie geduldig zijn en Allah vrezen, dan zal hun listen jullie geen schade berokkenen. Voorwaar, Allah is alomvattend over wat ze doen.
وَ اِذۡ غَدَوۡتَ مِنۡ اَہۡلِکَ تُبَوِّیُٔ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ مَقَاعِدَ لِلۡقِتَالِ ؕ وَ اللّٰہُ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۱۲۱﴾
Wa iez ghadawta mien ahlieka toebawwie'oel moe'mienieena maqaa'ieda lielqietaal; wallaahoe samiee'oen 'alieem
3:121 (Gedenk) toen je in de vroege ochtend jouw thuisfront verliet om de gelovigen voor de veldslag te positioneren. En Allah is de Alhorende, de Alwetende.
اِذۡ ہَمَّتۡ طَّآئِفَتٰنِ مِنۡکُمۡ اَنۡ تَفۡشَلَا ۙ وَ اللّٰہُ وَلِیُّہُمَا ؕ وَ عَلَی اللّٰہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۲۲۱﴾
Iz hammat taaa'iefataanie mien-koem an tafshalaa wallaahoe walieyyoehoemaa; wa 'alal laahie falyatawakkaliel moe'mienoen
3:122 (Gedenk) toen twee groepen van jullie bijna hun moed verloor, ondanks dat (ze wisten dat) Allah hun beschermer was. En in Allah, moeten de gelovigen hun vertrouwen stellen.
وَ لَقَدۡ نَصَرَکُمُ اللّٰہُ بِبَدۡرٍ وَّ اَنۡتُمۡ اَذِلَّۃٌ ۚ فَاتَّقُوا اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۳۲۱﴾
Wa laqad nasarakoemoel laahoe bie-Badriew wa antoem aziellatoen fattaqoel laaha la'allakoem tashkoeroen
3:123 En voorzeker, Allah heeft jullie geholpen in Badr terwijl jullie zwak (in aantal) waren. Vrees dus Allah zodat jullie dankbaar kunnen zijn.
اِذۡ تَقُوۡلُ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ اَلَنۡ یَّکۡفِیَکُمۡ اَنۡ یُّمِدَّکُمۡ رَبُّکُمۡ بِثَلٰثَۃِ اٰلٰفٍ مِّنَ الۡمَلٰٓئِکَۃِ مُنۡزَلِیۡنَ ﴿۴۲۱﴾
Iz taqoeloe lielmoe'mienieena alay yakfieyakoem ai-yoemieddakoem Rabboekoem biesalaasatie aalaafiem mienal malaaa'iekatie moenzalieen
3:124 (Gedenk) toen je tot de gelovigen zei: "Is het niet genoeg dat jullie Heer jullie versterkt met drieduizend neergezonden engelen?"
بَلٰۤی ۙ اِنۡ تَصۡبِرُوۡا وَ تَتَّقُوۡا وَ یَاۡتُوۡکُمۡ مِّنۡ فَوۡرِہِمۡ ہٰذَا یُمۡدِدۡکُمۡ رَبُّکُمۡ بِخَمۡسَۃِ اٰلٰفٍ مِّنَ الۡمَلٰٓئِکَۃِ مُسَوِّمِیۡنَ ﴿۵۲۱﴾
Balaaa; ien tasbieroe wa tattaqoe wa ya'toekoem mien fawriehiem haazaa yoemdiedkoem Rabboekoem bieghamsatie aalaafiem mienal malaaa'iekatie moesawwiemieen
3:125 Zeer zeker, als jullie geduldig zijn en (Allah) vrezen, en ze (de vijand) zullen opeens tot jullie (ten aanval) komen, dan zal jullie Heer jullie met vijfduizend wel-onderscheiden Engelen versterken.
وَ مَا جَعَلَہُ اللّٰہُ اِلَّا بُشۡرٰی لَکُمۡ وَ لِتَطۡمَئِنَّ قُلُوۡبُکُمۡ بِہٖ ؕ وَ مَا النَّصۡرُ اِلَّا مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۶۲۱﴾
Wa maa dja'alahoel laahoe iellaa boeshraa lakoem wa lietatma'ienna qoeloeboekoem bieh' wa man-nasroe iellaa mien 'iendielllaahiel 'Azieeziel Hakieem
3:126 En Allah heeft dit openbaar gemaakt alleen als goed nieuws (de overwinning) voor jullie en om jullie harten ermee te versterken. En de overwinning komt alleen van Allah, de Almachtige, de Alwijze.
لِیَقۡطَعَ طَرَفًا مِّنَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَوۡ یَکۡبِتَہُمۡ فَیَنۡقَلِبُوۡا خَآئِبِیۡنَ ﴿۷۲۱﴾
Laiyaqta'a tarafam mienal lazieena kafaroeo aw yakbietahoem fayanqalieboe ghaaa'iebieen
3:127 (De overwinning wordt jullie gegeven) Zodat Hij (Allah) een gedeelte van de ongelovigen vernietigt of onderdrukt, waardoor ze vernederd terugkeren.
لَیۡسَ لَکَ مِنَ الۡاَمۡرِ شَیۡءٌ اَوۡ یَتُوۡبَ عَلَیۡہِمۡ اَوۡ یُعَذِّبَہُمۡ فَاِنَّہُمۡ ظٰلِمُوۡنَ ﴿۸۲۱﴾
Laisa laka mienal amrieshai'oen aw yatoeba 'alaihiem aw yoe'az zie bahoem fa iennahoem zaaliemoen
3:128 Geen enkel aandeel is er voor jou (Mohammed) in de beslissing. Of Hij (Allah) naar hen toekeert (berouw aanvaard) of straft (de beslissing ligt alleen bij Allah). Voorzeker, zij zijn de onrechtplegers.
وَ لِلّٰہِ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ یَغۡفِرُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۹۲۱﴾
Wa liellahie maa fiessamaawaatie wa maa fiel-ard; yaghfieroe liemai-yashaaa'oe wa yoe'azzieboe mai-yashaaa'; wallaahoe Ghafoeroer Rahieem
3:129 En aan Allah behoort alles wat er in de hemelen en op de aarde is. Hij vergeeft wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil. En Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَاۡکُلُوا الرِّبٰۤوا اَضۡعَافًا مُّضٰعَفَۃً ۪ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تُفۡلِحُوۡنَ ﴿۰۳۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe la takoeloe riebaaa ad'aafam moedaa'afataw wattaqoel laaha la'allakoem toefliehoen
3:130 O jullie die geloven! Eet niet van de rente met veelvoudige verdubbeling. En vrees Allah, zodat jullie kunnen groeien in succes.
وَ اتَّقُوا النَّارَ الَّتِیۡۤ اُعِدَّتۡ لِلۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۱۳۱﴾
Wattaqoen Naaral latieee oe'ieddat lielkaafierieen
3:131 En Vrees de Hel die voor de ongelovigen klaar is gemaakt.
وَ اَطِیۡعُوا اللّٰہَ وَ الرَّسُوۡلَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۲۳۱﴾
Wa atiee'oel laaha war Rasoela la'allakoem toerhamoen
3:132 En gehoorzaam Allah en de boodschapper zodat jullie barmhartigheid mogen ontvangen.
وَ سَارِعُوۡۤا اِلٰی مَغۡفِرَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ جَنَّۃٍ عَرۡضُہَا السَّمٰوٰتُ وَ الۡاَرۡضُ ۙ اُعِدَّتۡ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۳۳۱﴾
Wa saarie'oeo ielaa maghfieratiem mier Rabbiekoem wa djannatien ardoehassamaawaatoe wal ardoe oe'ieddat lielmoettaqieen
3:133 En haast naar de vergiffenis van jullie Heer en (naar) het Paradijs. Haar breedte is gelijk aan die van de hemelen en aarde. Klaar gemaakt voor de Moettaqoens (godsvrezenden, 2:2-5).
الَّذِیۡنَ یُنۡفِقُوۡنَ فِی السَّرَّآءِ وَ الضَّرَّآءِ وَ الۡکٰظِمِیۡنَ الۡغَیۡظَ وَ الۡعَافِیۡنَ عَنِ النَّاسِ ؕ وَ اللّٰہُ یُحِبُّ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۴۳۱﴾
Allazieena yoenfieqoena fiessarraaa'ie waddarraaa'ie wal kaaziemieenal ghaiza wal aafieena 'anien-naas; wallaahoe yoehiebboel moehsienieen
3:134 (Dat zijn) Degenen die in voorspoed en in tegenspoed uitgeven. En degenen die de woede in bedwang houden en degenen die mensen vergeven. En Allah houdt van de mensen die goed doen.
وَ الَّذِیۡنَ اِذَا فَعَلُوۡا فَاحِشَۃً اَوۡ ظَلَمُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ ذَکَرُوا اللّٰہَ فَاسۡتَغۡفَرُوۡا لِذُنُوۡبِہِمۡ ۪ وَ مَنۡ یَّغۡفِرُ الذُّنُوۡبَ اِلَّا اللّٰہُ ۪۟ وَ لَمۡ یُصِرُّوۡا عَلٰی مَا فَعَلُوۡا وَ ہُمۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۵۳۱﴾
Wallazieena iezaa fa'aloe faahieshatan aw zalamoeo anfoesahoem zakaroel laaha fastaghfaroe liezoenoebiehiem; wa may yaghfieroez zoenoeba iellal laahoe wa lam yoesierroe 'alaa maa fa'aloe wa hoem ya'lamoen
3:135 En (dat zijn) degenen die als ze een zedeloosheid hebben begaan of zichzelf onrecht hebben aangedaan, dan Allah gedenken en om vergiffenis vragen voor hun zonden. En wie kan de zonden vergeven behalve Allah? En wanneer ze ervan (het onrecht) weten, volharden ze niet in hetgeen ze hebben gedaan.
اُولٰٓئِکَ جَزَآؤُہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ وَ جَنّٰتٌ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ وَ نِعۡمَ اَجۡرُ الۡعٰمِلِیۡنَ ﴿۶۳۱﴾
Oelaaa'ieka djazaaa'oehoem maghfieratoem mier Rabbiehiem wa djannaatoen tadjriee mien tahtiehal anhaaroe ghaaliedieena fieeha; wa nie'ma adjroel 'aamielieen
3:136 Zij, hun beloning is vergiffenis van hun Heer en Tuinen waar rivieren onder doorstromen, voor altijd vertoevend erin. Een voortreffelijke beloning voor de werkende!
قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ سُنَنٌ ۙ فَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَانۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُکَذِّبِیۡنَ ﴿۷۳۱﴾
Qad ghalat mien qabliekoem soenanoem fasieeroe fiel ardie fanzoeroe kaifa kaana 'aaqieba toel moekazziebieen
3:137 Voorzeker, er zijn situaties voor jullie tijd geweest; dus reis op de aarde en zie hoe het einde was van degenen die loochenden.
ہٰذَا بَیَانٌ لِّلنَّاسِ وَ ہُدًی وَّ مَوۡعِظَۃٌ لِّلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۸۳۱﴾
Haazaa bayaanoel liennaasie wa hoedaw wa maw'iezatoel lielmoettaqieen
3:138 Dit is een verklaring (deze Koran) voor de mensen en (bedoeld als) leiding en vermaning voor de Moettaqoens.
وَ لَا تَہِنُوۡا وَ لَا تَحۡزَنُوۡا وَ اَنۡتُمُ الۡاَعۡلَوۡنَ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۹۳۱﴾
Wa laa tahienoe wa laa tahzanoe wa antoemoel a'lawna ien koentoem moe'mienieen
3:139 En verzwak niet en treur niet en jullie zullen de overwinnaars zijn als jullie gelovig zijn.
اِنۡ یَّمۡسَسۡکُمۡ قَرۡحٌ فَقَدۡ مَسَّ الۡقَوۡمَ قَرۡحٌ مِّثۡلُہٗ ؕ وَ تِلۡکَ الۡاَیَّامُ نُدَاوِلُہَا بَیۡنَ النَّاسِ ۚ وَ لِیَعۡلَمَ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ یَتَّخِذَ مِنۡکُمۡ شُہَدَآءَ ؕ وَ اللّٰہُ لَا یُحِبُّ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۰۴۱﴾
Iny-yamsaskoem qarhoem faqad massal qawma qarhoem miesloeh; wa tielkal ayyaamoe noedaawieloehaa bainan naasie wa lieya'lamal laahoel lazieena aamanoe wa yattaghieza mien-koem shoehadaaa'; wallaahoe laa yoeh iebboez zaaliemieen
3:140 Als jullie verwond zijn, zo zeker, een soort gelijke verwonding heeft zich voorgedaan op de mensen (van de vijanden). En dergelijke dagen wisselen Wij tussen de mensen (de moeilijkheden/beproevingen) af, zodat Allah het duidelijk maakt wie gelooft en om onder jullie martelaren/geloofsgetuige te nemen. En Allah houdt niet van de onrechtvaardigen.
وَ لِیُمَحِّصَ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ یَمۡحَقَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۱۴۱﴾
Wa lieyoemahhiesal laahoel lazieena aamanoe wa yamhaqal kaafierieen
3:141 En zodat Allah degenen die geloven beproeft (op zijn geloofsgetuigenis) en de ongelovigen vernietigt.
اَمۡ حَسِبۡتُمۡ اَنۡ تَدۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ وَ لَمَّا یَعۡلَمِ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ جٰہَدُوۡا مِنۡکُمۡ وَ یَعۡلَمَ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۲۴۱﴾
Am hasiebtoem an tadghoeloel djannnata wa lammaa ya'lamiel laahoel lazieena djaahadoe mien-koem wa ya'lamas saabierieen
3:142 Of denken jullie dat jullie het Paradijs zullen betreden terwijl Allah het nog niet duidelijk heeft gemaakt (door beproevingen) wie onder jullie hard werkten en standvastig (geduldig) waren.
وَ لَقَدۡ کُنۡتُمۡ تَمَنَّوۡنَ الۡمَوۡتَ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ تَلۡقَوۡہُ ۪ فَقَدۡ رَاَیۡتُمُوۡہُ وَ اَنۡتُمۡ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿۳۴۱﴾
Wa laqad koentoem tamannnawnal mawta mien qablie an talqawhoe faqad ra aitoemoehoe wa antoem tanzoeroen
3:143 En voorzeker, jullie verlangde naar de dood toen jullie er nog niet mee waren geconfronteerd. Nu, toen jullie toekeken hebben jullie hem werkelijk (met jullie eigen ogen) gezien.
وَ مَا مُحَمَّدٌ اِلَّا رَسُوۡلٌ ۚ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہِ الرُّسُلُ ؕ اَفَا۠ئِنۡ مَّاتَ اَوۡ قُتِلَ انۡقَلَبۡتُمۡ عَلٰۤی اَعۡقَابِکُمۡ ؕ وَ مَنۡ یَّنۡقَلِبۡ عَلٰی عَقِبَیۡہِ فَلَنۡ یَّضُرَّ اللّٰہَ شَیۡئًا ؕ وَ سَیَجۡزِی اللّٰہُ الشّٰکِرِیۡنَ ﴿۴۴۱﴾
Wa maa Moehammadoen iellaa Rasoeloen qad ghalat mien qabliehier Roesoel; afa'iem maata aw qoetielan qalabtoem 'alaaa a'qaabiekoem; wa may yanqalieb 'alaa aqiebaihie falay yadoerral laaha shai'aa; wa sayadjziel laahoesh shaakierieen
3:144 En Mohammed is niet meer dan een boodschapper, voorzeker er zijn al eerder boodschappers heen gegaan. Als hij sterft of gedood wordt, zullen jullie je dan op je hielen omkeren (terug keren naar het verval)? En wie dan ook zich omkeert op zijn hielen, (weet dat) hij nooit Allah in iets kan benadelen. En Allah zal de dankbaren belonen.
وَ مَا کَانَ لِنَفۡسٍ اَنۡ تَمُوۡتَ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ کِتٰبًا مُّؤَجَّلًا ؕ وَ مَنۡ یُّرِدۡ ثَوَابَ الدُّنۡیَا نُؤۡتِہٖ مِنۡہَا ۚ وَ مَنۡ یُّرِدۡ ثَوَابَ الۡاٰخِرَۃِ نُؤۡتِہٖ مِنۡہَا ؕ وَ سَنَجۡزِی الشّٰکِرِیۡنَ ﴿۵۴۱﴾
Wa maa kaana lienafsien an tamoeta iellaa bie iezniellaahie kietaabam moe'adjdjalaa; wa may yoeried sawaabad doenyaa noe'tiehiee mienhaa wa may yoeried sawaabal Aaghieratie noe'tiehiee mienhaa; wa sanadjziesh shaakierieen
3:145 En geen 'Nafs' (persoon/eigen ik) kan sterven, behalve met de toestemming van Allah, (de dood van de Nafs is vastgelegd) op een bepaald tijdstip. En wie de beloning van het wereldse leven verlangt, Wij zullen hem ervan geven. En wie de beloning van het hiernamaals verlangt, Wij zullen hem ervan geven. En Wij zullen de dankbaren belonen.
وَ کَاَیِّنۡ مِّنۡ نَّبِیٍّ قٰتَلَ ۙ مَعَہٗ رِبِّیُّوۡنَ کَثِیۡرٌ ۚ فَمَا وَہَنُوۡا لِمَاۤ اَصَابَہُمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ مَا ضَعُفُوۡا وَ مَا اسۡتَکَانُوۡا ؕ وَ اللّٰہُ یُحِبُّ الصّٰبِرِیۡنَ ﴿۶۴۱﴾
Wa ka aiyiem mien Nabieyyien qaatala ma'ahoe riebbieyyoena kasieeroen famaa wahanoe liemaaa Asaabahoem fiee sabieeliel laahie wa maa da'oefoe wa mas takaanoe; wallaahoe yoehiebboes saabierieen
3:146 En hoeveel van de Profeten vergezeld met vele religieuze geleerden vochten (op de weg van Allah). Maar ze verloren geen moed door het geen hen trof op de weg van Allah. En noch verzwakte ze en noch gaven ze het op. En Allah houdt van de geduldigen.
وَ مَا کَانَ قَوۡلَہُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡا رَبَّنَا اغۡفِرۡ لَنَا ذُنُوۡبَنَا وَ اِسۡرَافَنَا فِیۡۤ اَمۡرِنَا وَ ثَبِّتۡ اَقۡدَامَنَا وَ انۡصُرۡنَا عَلَی الۡقَوۡمِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۷۴۱﴾
Wa maa kaana qawlahoem iellaa an qaaloe Rabbanagh fier lanaa zoenoebanaa wa iesraafanaa fieee amrienaa wa sabbiet aqdaamanaa wansoernaa 'alal qawmiel kaafierieen
3:147 En hun woorden waren niet anders dan dat ze zeiden: "Onze Heer, vergeef onze zonden en onze buitensporigheden in onze zaken en maak onze voeten standvastig en geef ons de overwinning over het ongelovige volk".
فَاٰتٰىہُمُ اللّٰہُ ثَوَابَ الدُّنۡیَا وَ حُسۡنَ ثَوَابِ الۡاٰخِرَۃِ ؕ وَ اللّٰہُ یُحِبُّ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۸۴۱﴾
Fa aataahoemoel laahoe sawaabad doenyaa wa hoesna sawaabiel Aaghierah; wallaahoe yoehiebboel moehsienieen
3:148 Zodoende gaf Allah hen een beloning in de wereld en een goede beloning in het Hiernamaals. En Allah houdt van de weldoeners.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنۡ تُطِیۡعُوا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا یَرُدُّوۡکُمۡ عَلٰۤی اَعۡقَابِکُمۡ فَتَنۡقَلِبُوۡا خٰسِرِیۡنَ ﴿۹۴۱﴾
Yaaa 'aiyoehal lazieena aamanoe ien toetiee'oellazieena kafaroe yaroeddoekoem 'alaaa a'qaabiekoem fatanqalieboe ghaasierieen
3:149 O jullie die geloven! Als jullie degenen die niet geloven gehoorzamen, dan zullen ze jullie doen omdraaien op jullie hielen (naar het verval). Jullie zullen dan als verliezers terugkeren.
بَلِ اللّٰہُ مَوۡلٰىکُمۡ ۚ وَ ہُوَ خَیۡرُ النّٰصِرِیۡنَ ﴿۰۵۱﴾
Baliel laahoe mawlaakoem wa Hoewa ghairoen naasierieen
3:150 Nee! Allah is jullie Beschermer en Hij is de Beste van de Helpers.
سَنُلۡقِیۡ فِیۡ قُلُوۡبِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوا الرُّعۡبَ بِمَاۤ اَشۡرَکُوۡا بِاللّٰہِ مَا لَمۡ یُنَزِّلۡ بِہٖ سُلۡطٰنًا ۚ وَ مَاۡوٰىہُمُ النَّارُ ؕ وَ بِئۡسَ مَثۡوَی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۵۱﴾
Sanoelqiee fiee qoeloebiel lazieena kafaroer roe'ba biemaaa ashrakoe biellaahie maa lam yoenazziel biehiee soeltaana wa ma'wahoemoen Naar; wa bie'sa maswaz zaaliemieen
3:151 Wij zullen angst in de harten van de ongelovigen werpen, omdat ze metgezellen aan Allah hebben toegekend. Waarover Hij geen enkel autoriteit heeft gezonden. En hun toevlucht zal de hel zijn. En het is een zeer ellendige verblijfplaats voor de onrechtplegers.
وَ لَقَدۡ صَدَقَکُمُ اللّٰہُ وَعۡدَہٗۤ اِذۡ تَحُسُّوۡنَہُمۡ بِاِذۡنِہٖ ۚ حَتّٰۤی اِذَا فَشِلۡتُمۡ وَ تَنَازَعۡتُمۡ فِی الۡاَمۡرِ وَ عَصَیۡتُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَاۤ اَرٰىکُمۡ مَّا تُحِبُّوۡنَ ؕ مِنۡکُمۡ مَّنۡ یُّرِیۡدُ الدُّنۡیَا وَ مِنۡکُمۡ مَّنۡ یُّرِیۡدُ الۡاٰخِرَۃَ ۚ ثُمَّ صَرَفَکُمۡ عَنۡہُمۡ لِیَبۡتَلِیَکُمۡ ۚ وَ لَقَدۡ عَفَا عَنۡکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ ذُوۡ فَضۡلٍ عَلَی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲۵۱﴾
Wa laqad sadaqakoemoel laahoe wa'dahoeo iez tahoessoe nahoem bie iezniehiee hattaaa iezaa fashieltoem wa tanaaza'toem fiel amrie wa 'asaitoem miem ba'die maaa araakoem maa toehiebboen; mien-koem may yoerieedoed doenyaa wa mien-koem may yoerieedoel Aaghierah; soemma sarafakoem 'anhoem lieyabtalieyakoem wa laqad 'afaa 'an-koem; wallaahoe zoe fadlien 'alal moe'mienieen
3:152 En voorzeker Allah heeft Zijn belofte (om te helpen) aan jullie vervuld toen jullie hen met Zijn toestemming doodden (tijdens de slag van Oehoed). Totdat jullie de moed verloren en jullie in onenigheid raakten over het bevel (om te blijven op de berg van Oehoed). En jullie ongehoorzaamden zelfs nadat Hij (Allah) hetgeen waarvan jullie houden heeft laten zien (de oorlogsbuit). Onder jullie zijn er die het wereldse leven verlangen en onder jullie zijn er die het Hiernamaals verlangen. Toen heeft Hij (Allah) jullie doen laten terugtrekken van (het gevecht met) de ongelovigen om jullie te beproeven. En voorzeker Hij (Allah) heeft jullie vergeven. En Allah is de Bezitter van de grootste geschenken voor de gelovigen.
اِذۡ تُصۡعِدُوۡنَ وَ لَا تَلۡوٗنَ عَلٰۤی اَحَدٍ وَّ الرَّسُوۡلُ یَدۡعُوۡکُمۡ فِیۡۤ اُخۡرٰىکُمۡ فَاَثَابَکُمۡ غَمًّۢا بِغَمٍّ لِّکَیۡلَا تَحۡزَنُوۡا عَلٰی مَا فَاتَکُمۡ وَ لَا مَاۤ اَصَابَکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ خَبِیۡرٌۢ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۳۵۱﴾
Iz toes'iedoena wa laa talwoena 'alaaa ahadiew war Rasoeloe yad'oekoem fieee oeghraakoem fa asaabakoem ghammam bieghammiel liekailaa tahzanoe 'alaa maa faatakoem wa laa maaa asaabakoem; wallaahoe ghabieeroem biemaa ta'maloen
3:153 (Gedenkt) toen jullie vluchten zonder acht te slaan op iemand, terwijl de boodschapper jullie riep met betrekking tot jullie hiernamaals (ze hadden een overeenkomst gesloten met Allah om niet te vluchten zie 33:15). Toen bracht Hij (Allah) jullie tot berouw door middel van moeilijkheden op moeilijkheden, zodat jullie ervan konden leren en dat jullie niet treuren over wat jullie niet gekregen hebben (oorlogsbuit) en over de nederlaag. En Allah is Alziende over wat jullie doen.
ثُمَّ اَنۡزَلَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ الۡغَمِّ اَمَنَۃً نُّعَاسًا یَّغۡشٰی طَآئِفَۃً مِّنۡکُمۡ ۙ وَ طَآئِفَۃٌ قَدۡ اَہَمَّتۡہُمۡ اَنۡفُسُہُمۡ یَظُنُّوۡنَ بِاللّٰہِ غَیۡرَ الۡحَقِّ ظَنَّ الۡجَاہِلِیَّۃِ ؕ یَقُوۡلُوۡنَ ہَلۡ لَّنَا مِنَ الۡاَمۡرِ مِنۡ شَیۡءٍ ؕ قُلۡ اِنَّ الۡاَمۡرَ کُلَّہٗ لِلّٰہِ ؕ یُخۡفُوۡنَ فِیۡۤ اَنۡفُسِہِمۡ مَّا لَا یُبۡدُوۡنَ لَکَ ؕ یَقُوۡلُوۡنَ لَوۡ کَانَ لَنَا مِنَ الۡاَمۡرِ شَیۡءٌ مَّا قُتِلۡنَا ہٰہُنَا ؕ قُلۡ لَّوۡ کُنۡتُمۡ فِیۡ بُیُوۡتِکُمۡ لَبَرَزَ الَّذِیۡنَ کُتِبَ عَلَیۡہِمُ الۡقَتۡلُ اِلٰی مَضَاجِعِہِمۡ ۚ وَ لِیَبۡتَلِیَ اللّٰہُ مَا فِیۡ صُدُوۡرِکُمۡ وَ لِیُمَحِّصَ مَا فِیۡ قُلُوۡبِکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۴۵۱﴾
Soemma anzala 'alaikoem miem ba'diel ghammie amanatan noe'aasay yaghshaa taaa' iefatam mien-koem wa taaa'iefatoen qad ahammat-hoem anfoesoehoem yazoennoena biellaahie ghairal haqqie zannal djaahielieyyatie yaqoeloena hal lanaa mienal amrie mien shai'; qoel iennal amra koellahoe liellaah; yoeghfoena fiee anfoesiehiem maa laa yoebdoena laka yaqoeloena law kaana lanaa mienal amrie shai'oemmaa qoetielnaa haahoenaa; qoel law koentoem fiee boeyoetiekoem labarazal lazieena koetieba 'alaihiemoel qatloe ielaa madaadjie'iehiem wa lieyabtalieyal laahoe maa fiee soedoeriekoem wa lieyoemah hiesa maa fiee qoeloebiekoem; wallaahoe 'alieemoem biezaaties soedoer
3:154 Vervolgens liet Hij na de moeilijke situatie, vrede en veiligheid op jullie neerdalen. Dit maakte een gedeelte van jullie slaperig, terwijl een andere groep zich zorgen maakte over hunzelf door in onwetendheid iets anders dan de waarheid over Allah te denken, zeggende: "Is er voor ons iets over de zaak (de nederlaag) te zeggen?" Zeg (O, Mohammed): "Voorzeker, de zaak behoort geheel aan Allah toe". Ze verbergen in hunzelf wat ze jou niet bekend maken. Ze zeggen: "Hadden we maar iets over de zaak te zeggen, dan waren we hier niet gedood." Zeg: "Al waren jullie in jullie huizen: degenen voor wie de dood was bepaald, zouden naar hun rustplaatsen zijn gegaan. En (dit is) zodat Allah datgeen wat in jullie borstkast is beproeft. En zodat Hij hetgeen in jullie harten is reinigt. En Allah is Alwetend van hetgeen in de harten is.
اِنَّ الَّذِیۡنَ تَوَلَّوۡا مِنۡکُمۡ یَوۡمَ الۡتَقَی الۡجَمۡعٰنِ ۙ اِنَّمَا اسۡتَزَلَّہُمُ الشَّیۡطٰنُ بِبَعۡضِ مَا کَسَبُوۡا ۚ وَ لَقَدۡ عَفَا اللّٰہُ عَنۡہُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ حَلِیۡمٌ ﴿۵۵۱﴾
Innal lazieena tawallaw mien-koem yawmal taqal djam'aanie iennamas tazallahoemoesh Shaitaanoe bieba'die maa kasaboe wa laqad 'afal laahoe 'anhoem; iennnal laaha Ghafoeroen Halieem
3:155 Zonder twijfel, degenen van jullie die omkeerden op de dag dat de legers elkaar troffen (bij Oehoed), (weet dat) de satan alleen hen liet struikelen (de fout liet maken) voor datgeen ze verdienden (de ongehoorzaamheid). En Allah heeft hen zeker vergeven, voorzeker, Allah is Al-Gafoer (de meest Vergevendgezinde), Al-Haleem (de meeste Verdraagzaam).
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَکُوۡنُوۡا کَالَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ قَالُوۡا لِاِخۡوَانِہِمۡ اِذَا ضَرَبُوۡا فِی الۡاَرۡضِ اَوۡ کَانُوۡا غُزًّی لَّوۡ کَانُوۡا عِنۡدَنَا مَا مَاتُوۡا وَ مَا قُتِلُوۡا ۚ لِیَجۡعَلَ اللّٰہُ ذٰلِکَ حَسۡرَۃً فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ ؕ وَ اللّٰہُ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۶۵۱﴾
Yaaa ayyoehoel lazieena aamanoe laa takoenoe kallazieena kafaroe wa qaaloe lie ieghwaaniehiem iezaa daraboe fiel ardie aw kaanoe ghoezzal law kaanoe 'iendanaa maa maatoe wa maa qoetieloe lieyadj'alal laahoe zaalieka hasratan fiee qoeloebiehiem; wallaahoe yoehyiee wa yoemieet; wallaahoe biemaa ta'maloena Basieer
3:156 O jullie die geloven! Wees niet zoals degenen die niet geloven. En ze zeggen over hun broeders wanneer ze (de broeders) op de aarde reizen of wanneer ze (de broeders) vochten: "Waren ze maar bij ons gebleven, dan zouden ze niet dood zijn of dan zouden ze niet gedood zijn." Zo maakt Allah dat als een verdriet in hun harten." En Allah (alleen) geeft leven en doet sterven. En Allah is alziende over wat jullie doen.
وَ لَئِنۡ قُتِلۡتُمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ اَوۡ مُتُّمۡ لَمَغۡفِرَۃٌ مِّنَ اللّٰہِ وَ رَحۡمَۃٌ خَیۡرٌ مِّمَّا یَجۡمَعُوۡنَ ﴿۷۵۱﴾
Wa la'ien qoetieltoem fiee sabieeliel laahie aw moettoem lamaghfieratoem mienal laahie wa rahmatoen ghairoem miemmaa yadjma'oen
3:157 En als jullie gedood worden op de Weg van Allah, of sterven: Zeker de vergeving van Allah en (Zijn) Barmhartigheid zijn beter dan wat ze verzamelen.
وَ لَئِنۡ مُّتُّمۡ اَوۡ قُتِلۡتُمۡ لَاِالَی اللّٰہِ تُحۡشَرُوۡنَ ﴿۸۵۱﴾
Wa la'iem moettoem 'aw qoetieltoem la iel allahie toehsharoen
3:158 En als jullie sterven, of als jullie gedood worden, zeker tot Allah worden jullie verzameld.
فَبِمَا رَحۡمَۃٍ مِّنَ اللّٰہِ لِنۡتَ لَہُمۡ ۚ وَ لَوۡ کُنۡتَ فَظًّا غَلِیۡظَ الۡقَلۡبِ لَانۡفَضُّوۡا مِنۡ حَوۡلِکَ ۪ فَاعۡفُ عَنۡہُمۡ وَ اسۡتَغۡفِرۡ لَہُمۡ وَ شَاوِرۡہُمۡ فِی الۡاَمۡرِ ۚ فَاِذَا عَزَمۡتَ فَتَوَکَّلۡ عَلَی اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ الۡمُتَوَکِّلِیۡنَ ﴿۹۵۱﴾
Fabiemaa rahmatiem mienal laahie lienta lahoem wa law koenta fazzan ghalieezal qalbie lanfaddoe mien hawlieka fa'afoe 'anhoem wastaghfier lahoem wa shaawierhoem fiel amrie fa iezaa 'azamta fatawakkal 'alal laah; iennallaaha yoehiebboel moetawak kielieen
3:159 Door de barmhartigheid van Allah ging jij (Mohammed) zachtmoedig met hen om. En als je grof en ruw van hart was geweest, dan zouden ze zeker van jou zijn weggaan. Vergeef hen en vraag om vergiffenis voor hen en geef hun advies in de zaak. Wanneer je dan besloten heb, stel je vertrouwen in Allah. Voorzeker, Allah houdt van degenen die vertrouwen stellen in Hem.
اِنۡ یَّنۡصُرۡکُمُ اللّٰہُ فَلَا غَالِبَ لَکُمۡ ۚ وَ اِنۡ یَّخۡذُلۡکُمۡ فَمَنۡ ذَا الَّذِیۡ یَنۡصُرُکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِہٖ ؕ وَ عَلَی اللّٰہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۰۶۱﴾
Iny-yansoerkoemoel laahoe falaa ghaalieba lakoem wa ieny-yaghzoelkoem faman zal laziee yansoeroekoem mien ba'dieh; wa 'alal laahie falyatawakkaliel moe'mienoen
3:160 Als Allah jullie helpt dan worden jullie niet overwonnen. En als Hij jullie niet helpt wie is dan degenen die jullie kan helpen afgezien van Hem (Allah)? En laten de gelovigen hun vertrouwen in Allah stellen.
وَ مَا کَانَ لِنَبِیٍّ اَنۡ یَّغُلَّ ؕ وَ مَنۡ یَّغۡلُلۡ یَاۡتِ بِمَا غَلَّ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ۚ ثُمَّ تُوَفّٰی کُلُّ نَفۡسٍ مَّا کَسَبَتۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۱۶۱﴾
Wa maa kaana lie Nabieyyien ay yaghoell; wa may yaghloel ya'tiebiemaa ghalla Yawmal Qieyaamah; soemma toewaffaa koelloe nafsiem maa kasabat wa hoem laa yoezlamoen
3:161 En het is niet mogelijk dat een Profeet iets achterhoudt (hier wordt gerefereerd naar de verdeling van de oorlogsbuit). En wie iets achterhoudt zal op de Dag desoordeels datgeen wat hij achtergehouden had naar voren brengen. Dan wordt elke ziel uitbetaald voor wat ze heeft verdiend. en er zal geen onrecht op hen worden aangedaan.
اَفَمَنِ اتَّبَعَ رِضۡوَانَ اللّٰہِ کَمَنۡۢ بَآءَ بِسَخَطٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ مَاۡوٰىہُ جَہَنَّمُ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمَصِیۡرُ ﴿۲۶۱﴾
Afamaniet taba'a Riedwaanal laahie kamam baaa'a biesaghatiem mienal laahie wa ma'waahoe djahannam; wa bie'sal masieer
3:162 Is degene die dan naar het welbehagen van Allah streeft gelijk aan degene die de toorn van Allah over zich zelf oproept? (Degenen die beladen is met de toorn van Allah) zijn verblijfplaats is de Hel en zeer ellendig is de eindbestemming!
ہُمۡ دَرَجٰتٌ عِنۡدَ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِمَا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۳۶۱﴾
Hoem daradjaatoen 'iendal laah; wallaahoe basieeroem biemaa ya'maloen
3:163 (Degenen die streven naar Allah's welbehagen) ze hebben verschillende graden bij Allah en Allah is Alziende over wat ze doen.
لَقَدۡ مَنَّ اللّٰہُ عَلَی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ اِذۡ بَعَثَ فِیۡہِمۡ رَسُوۡلًا مِّنۡ اَنۡفُسِہِمۡ یَتۡلُوۡا عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتِہٖ وَ یُزَکِّیۡہِمۡ وَ یُعَلِّمُہُمُ الۡکِتٰبَ وَ الۡحِکۡمَۃَ ۚ وَ اِنۡ کَانُوۡا مِنۡ قَبۡلُ لَفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۶۱﴾
Laqad mannal laahoe 'alal moe'mienieena iez ba'asa fieehiem Rasoelam mien anfoesiehiem yatloe 'alaihiem Aayaatiehiee wa yoezakkieehiem wa yoe'alliemoe hoemoel Kietaaba wal Hiekmata wa ien kaanoe mien qabloe lafiee dalaaliem moebieen
3:164 Voorzeker, Allah heeft een gunst aan de gelovigen geschonken. Hij deed onder hen een boodschapper oprijzen vanuit henzelf (uit hun eigen volk), die Zijn Verzen aan hen reciteert, hen zuivert, en hen het Boek en 'Al-Hikmah' (Allah's wetgeving, ethiek, etiquette, Sunnah, de wijze van aanbidding) onderwijst. Ondanks dat ze daarvoor in duidelijk dwaling verkeerden.
اَوَ لَمَّاۤ اَصَابَتۡکُمۡ مُّصِیۡبَۃٌ قَدۡ اَصَبۡتُمۡ مِّثۡلَیۡہَا ۙ قُلۡتُمۡ اَنّٰی ہٰذَا ؕ قُلۡ ہُوَ مِنۡ عِنۡدِ اَنۡفُسِکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۵۶۱﴾
Awa lammaaa asaabatkoem moesieebatoen qad asabtoem mieslaihaa qoeltoem annaa haazaa qoel hoewa mien 'iendie anfoesiekoem; iennal laaha 'alaa koellie shai'ien Qadieer
3:165 Jullie hadden hen (de vijanden) al twee keer verslagen. Echter, toen jullie in moeilijkheden verkeerden (tijdens de slag van Oehoed), zeiden jullie: "Waar komt dit (de tegenslag) vandaan?" Zeg:" Het komt door jezelf." Voorzeker, Allah is over alles Almachtig.
وَ مَاۤ اَصَابَکُمۡ یَوۡمَ الۡتَقَی الۡجَمۡعٰنِ فَبِاِذۡنِ اللّٰہِ وَ لِیَعۡلَمَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۶۶۱﴾
Wa maa asaabakoem yawmal taqal djam'aanie fabie iezniel laahie wa lieya'lamal moe'mienieen
3:166 En wat jullie trof op de dag toen de twee legers elkaar ontmoetten (slag van Oehoed), was met de toestemming ven Allah, zodat Allah het duidelijk maakt wie gelooft.
وَ لِیَعۡلَمَ الَّذِیۡنَ نَافَقُوۡا ۚۖ وَ قِیۡلَ لَہُمۡ تَعَالَوۡا قَاتِلُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ اَوِ ادۡفَعُوۡا ؕ قَالُوۡا لَوۡ نَعۡلَمُ قِتَالًا لَّا تَّبَعۡنٰکُمۡ ؕ ہُمۡ لِلۡکُفۡرِ یَوۡمَئِذٍ اَقۡرَبُ مِنۡہُمۡ لِلۡاِیۡمَانِ ۚ یَقُوۡلُوۡنَ بِاَفۡوَاہِہِمۡ مَّا لَیۡسَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ ؕ وَ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا یَکۡتُمُوۡنَ ﴿۷۶۱﴾
Wa lieya'lamal lazieena naafaqoe; wa qieela lahoem ta'aalaw qaatieloe fiee sabieeliel laahie awied fa'oe qaaloe law na'lamoe qietaalallat taba'naakoem; hoem lielkoefrie yawma'iezien aqraboe mienhoem liel ieemaan; yaqoeloena bie afwaahiehiem maa laisa fiee qoeloebiehiem; wallaahoe a'lamoe biemaa yaktoemoen
3:167 En zodat Hij het duidelijk maakt wie de hypocrieten zijn. En er werd tegen hen gezegd: "Vecht op de weg van Allah of verdedig (tijdens de slag)." Ze zeiden: "Als wij kennis hadden om te vechten, dan zouden wij jullie zeker hebben gevolgd". Op die dag waren ze dichter bij het ongeloof dan bij het geloof, zeggende hetgeen met hun monden terwijl het niet in hun harten was. En Allah is het Meest Wetend over datgeen wat ze verbergen.
اَلَّذِیۡنَ قَالُوۡا لِاِخۡوَانِہِمۡ وَ قَعَدُوۡا لَوۡ اَطَاعُوۡنَا مَا قُتِلُوۡا ؕ قُلۡ فَادۡرَءُوۡا عَنۡ اَنۡفُسِکُمُ الۡمَوۡتَ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۸۶۱﴾
Allazieena qaaloe lie ieghwaaniehiem wa qa'adoe law ataa'oenaa maa qoetieloe; qoel fadra'oe'an anfoesiekoemoel mawta ien koentoem saadieqieen
3:168 Dat zijn degenen die tegen hun broeders zeiden terwijl ze zaten (niet vochten): "Als ze ons gehoorzaamd hadden, dan waren ze niet gedood". Zeg: "Wend de dood (dan) van jullie af, als jullie streven naar de waarheid!"
وَ لَا تَحۡسَبَنَّ الَّذِیۡنَ قُتِلُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ اَمۡوَاتًا ؕ بَلۡ اَحۡیَآءٌ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ یُرۡزَقُوۡنَ ﴿۹۶۱﴾
Wa laa tahsabannal lazieena qoetieloe fiee sabieeliellaahie amwaata; bal ahyaaa'oen 'ienda Rabbiehiem yoerzaqoen
3:169 En denk niet over degenen die op de Weg van Allah gedood zijn, als doden. Nee! Zij zijn dichtbij hun Heer levend. Ze krijgen voorzieningen.
فَرِحِیۡنَ بِمَاۤ اٰتٰہُمُ اللّٰہُ مِنۡ فَضۡلِہٖ ۙ وَ یَسۡتَبۡشِرُوۡنَ بِالَّذِیۡنَ لَمۡ یَلۡحَقُوۡا بِہِمۡ مِّنۡ خَلۡفِہِمۡ ۙ اَلَّا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۰۷۱﴾
Fariehieena biemaaa aataa hoemoel laahoe mien fadliehiee wa yastabshieroena biellazieena lam yalhaqoe biehiem mien ghalfiehiem allaa ghawfoen 'alaihiem wa laa hoem yahzanoen
3:170 Ze genieten van Allah's gunsten die Hij aan hen heeft geschonken. Tevens, krijgen ze het goede bericht over degenen die nog niet met hun verenigd zijn, (en het bericht) dat er geen angst op hen zal zijn en dat ze niet zullen ze treuren.
یَسۡتَبۡشِرُوۡنَ بِنِعۡمَۃٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ فَضۡلٍ ۙ وَّ اَنَّ اللّٰہَ لَا یُضِیۡعُ اَجۡرَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۷۱﴾
Yastabshieroena bienie'matiem mienal laahie wa fad liew wa annal laaha laa yoediee'oe adjral moe'mienieen
3:171 Ze krijgen het goede nieuws over gunsten en beloningen van Allah en dat Allah de beloningen van de gelovigen niet doet vergaan.
اَلَّذِیۡنَ اسۡتَجَابُوۡا لِلّٰہِ وَ الرَّسُوۡلِ مِنۡۢ بَعۡدِ مَاۤ اَصَابَہُمُ الۡقَرۡحُ ؕۛ لِلَّذِیۡنَ اَحۡسَنُوۡا مِنۡہُمۡ وَ اتَّقَوۡا اَجۡرٌ عَظِیۡمٌ ﴿۲۷۱﴾
Allazieenas tadjaaboe liel laahie war Rasoelie miem ba'die maaa asaabahoemoelqarh; liellazieena ahsanoe mienhoem wattaqaw adjroen 'azieem
3:172 Degenen die voldeden aan de oproep van Allah en de boodschapper nadat ze gewond raakten en die goed deden en Allah vreesde, voor hen is een grote beloning.
اَلَّذِیۡنَ قَالَ لَہُمُ النَّاسُ اِنَّ النَّاسَ قَدۡ جَمَعُوۡا لَکُمۡ فَاخۡشَوۡہُمۡ فَزَادَہُمۡ اِیۡمَانًا ٭ۖ وَّ قَالُوۡا حَسۡبُنَا اللّٰہُ وَ نِعۡمَ الۡوَکِیۡلُ ﴿۳۷۱﴾
Allazieena qaala lahoemoen naasoe iennan naasa qad djama'oe lakoem faghshawhoem fazaadahoem emaanaw wa qaaloe hasboenal laahoe wa nie'malwakieel
3:173 Toen er mensen tegen hen zeiden: "Voorzeker de mensen hebben zich verzameld tegen jullie, dus vrees hen." Maar het versterkte hun geloof en ze zeiden: "Allah is voldoende voor ons, en Hij is de beste der volbrenger/uitvoerder/uitwerker van de zaken".
فَانۡقَلَبُوۡا بِنِعۡمَۃٍ مِّنَ اللّٰہِ وَ فَضۡلٍ لَّمۡ یَمۡسَسۡہُمۡ سُوۡٓءٌ ۙ وَّ اتَّبَعُوۡا رِضۡوَانَ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ ذُوۡ فَضۡلٍ عَظِیۡمٍ ﴿۴۷۱﴾
Fanqalaboe bienie'matiem mienal laahie wa fadliel lam yamsashoem soeo'oew wattaba'oe riedwaanal laah; wallaahoe zoe fadlien 'azieem
3:174 Dus keerden ze terug (na de slag) met de gunsten en beloningen van Allah zonder enige moeilijkheid. En ze streefden naar de tevredenheid van Allah en Allah is de Bezitter van geweldige beloningen.
اِنَّمَا ذٰلِکُمُ الشَّیۡطٰنُ یُخَوِّفُ اَوۡلِیَآءَہٗ ۪ فَلَا تَخَافُوۡہُمۡ وَ خَافُوۡنِ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۷۱﴾
Innamaa zaaliekoemoesh Shaitaanoe yoeghawwiefoe awlieyaaa'ahoe falaa taghaafoehoem wa ghaafoenie ien koentoem moe'mienieen
3:175 De satan en zijn volgelingen jagen slechts angst aan. Dus wees niet bang voor hen, maar vrees Mij als jullie tot de gelovigen behoren.
وَ لَا یَحۡزُنۡکَ الَّذِیۡنَ یُسَارِعُوۡنَ فِی الۡکُفۡرِ ۚ اِنَّہُمۡ لَنۡ یَّضُرُّوا اللّٰہَ شَیۡئًا ؕ یُرِیۡدُ اللّٰہُ اَلَّا یَجۡعَلَ لَہُمۡ حَظًّا فِی الۡاٰخِرَۃِ ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ عَظِیۡمٌ ﴿۶۷۱﴾
Wa laa yahzoen-kal lazieena yoesaarie'oena fiel Koefr; iennahoem lay yadoerroel laaha shai'aa; yoerieedoel laahoe allaa yadj'ala lahoem hazzan fiel Aaghieratie wa lahoem 'azaaboen 'azieem
3:176 En wees niet bedroevend over de degenen die zich haasten in het ongeloof. Voorzeker, zij kunnen Allah nooit iets aan schade berokkenen. Allah wil niet dat Hij hen een aandeel (van het goede) zal geven in het Hiernamaals. En voor hen is er een zware bestraffing.
اِنَّ الَّذِیۡنَ اشۡتَرَوُا الۡکُفۡرَ بِالۡاِیۡمَانِ لَنۡ یَّضُرُّوا اللّٰہَ شَیۡئًا ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۷۷۱﴾
Innal lazieenash tarawoel koefra biel ieemaanie lay yadoerroel laaha shai'aw wa lahoem 'azaaboen alieem
3:177 Voorzeker, degenen die het ongeloof gekocht hebben met het geloof (ieder ziel heeft getuigt over de eenheid van Allah en dus gelooft in zijn eenheid), nooit kunnen ze Allah in iets schaden. En voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
وَ لَا یَحۡسَبَنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَنَّمَا نُمۡلِیۡ لَہُمۡ خَیۡرٌ لِّاَنۡفُسِہِمۡ ؕ اِنَّمَا نُمۡلِیۡ لَہُمۡ لِیَزۡدَادُوۡۤا اِثۡمًا ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ مُّہِیۡنٌ ﴿۸۷۱﴾
Wa laa yahsabannal lazieena kafaroeo annamaa noemliee lahoem ghairoellie anfoesiehiem; iennamaa noemliee lahoem lieyazdaadoeo iesmaa wa lahoem 'azaaboem moehieen
3:178 En laat de ongelovigen niet denken dat het uitstel die Wij geven, goed voor hen is. Wij geven slechts uitstel zodat ze in zonden kunnen toenemen. En voor hen is er een vernederende bestraffing.
مَا کَانَ اللّٰہُ لِیَذَرَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ عَلٰی مَاۤ اَنۡتُمۡ عَلَیۡہِ حَتّٰی یَمِیۡزَ الۡخَبِیۡثَ مِنَ الطَّیِّبِ ؕ وَ مَا کَانَ اللّٰہُ لِیُطۡلِعَکُمۡ عَلَی الۡغَیۡبِ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَجۡتَبِیۡ مِنۡ رُّسُلِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ۪ فَاٰمِنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رُسُلِہٖ ۚ وَ اِنۡ تُؤۡمِنُوۡا وَ تَتَّقُوۡا فَلَکُمۡ اَجۡرٌ عَظِیۡمٌ ﴿۹۷۱﴾
Maa kaanal laahoe lieyazaral moe'mienieena 'alaa maaa antoem 'alaihie hattaa yamieezal ghabieesa mienat taiyieb; wa maa kaanal laahoe lieyoetlie'akoem 'alal ghaibie wa laakiennal laaha yadjtabiee mier roesoeliehiee may yashaaa'; fa aamienoe biellaahie wa Roesoelieh; wa ien toe 'mienoe wa tattaqoe falakoem adjroen 'azieem
3:179 Allah zal de gelovigen niet voor altijd in de toestand laten verkeren waarin jullie zich nu in bevinden, maar zal het veranderen wanneer Hij een onderscheid tussen het kwade en het goede heeft gemaakt. Allah zal jullie niet informeren over het ongeziene, maar Allah kiest Zijn boodschappers van wie Hij wil. Dus geloof in Allah en zijn boodschappers. En als jullie geloven en Allah vrezen dan is er voor jullie een grote beloning.
وَ لَا یَحۡسَبَنَّ الَّذِیۡنَ یَبۡخَلُوۡنَ بِمَاۤ اٰتٰہُمُ اللّٰہُ مِنۡ فَضۡلِہٖ ہُوَ خَیۡرًا لَّہُمۡ ؕ بَلۡ ہُوَ شَرٌّ لَّہُمۡ ؕ سَیُطَوَّقُوۡنَ مَا بَخِلُوۡا بِہٖ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ وَ لِلّٰہِ مِیۡرَاثُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرٌ ﴿۰۸۱﴾
Wa laa yahsabannal lazieena yabghaloena biemaa aataahoemoel laahoe mien fadielhiee hoewa ghairal lahoem bal hoewa sharroel lahoem sayoetaw waqoena maa baghieloe biehiee Yawmal Qieyaamah; wa liellaahie mieeraasoes samaawaatie wal ard; wallaahoe biemaa ta'maloena ghabieer
3:180 En laat degenen die niet uitgeven van datgeen wat Allah van Zijn gunsten aan hen heeft gegeven, niet denken dat het goed voor ze is. Nee, het is slecht voor ze! Op de dag desoordeels zullen hun nekken worden omringd met datgeen wat ze achter hielden. (Weet dat) Aan Allah behoort de erfenis van de hemelen en de aarde. Allah is Alwetend over datgeen wat jullie doen.
لَقَدۡ سَمِعَ اللّٰہُ قَوۡلَ الَّذِیۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ فَقِیۡرٌ وَّ نَحۡنُ اَغۡنِیَآءُ ۘ سَنَکۡتُبُ مَا قَالُوۡا وَ قَتۡلَہُمُ الۡاَنۡۢبِیَآءَ بِغَیۡرِ حَقٍّ ۙ وَّ نَقُوۡلُ ذُوۡقُوۡا عَذَابَ الۡحَرِیۡقِ ﴿۱۸۱﴾
Laqad samie'al laahoe qawlal lazieena qaaloeo iennal laaha faqieeroew wa nahnoe aghnieyaaa'; sanaktoeboe maa qaaloe wa qatlahoemoel Ambieyaa'a bieghairie haqqiew wa naqoeloe zoeqoe 'azaabal Harieeq
3:181 Waarlijk, Allah hoorde de uitspraken van degenen die zeiden: "Voorwaar, Allah is arm en wij zijn rijk". Wij zullen datgeen wat ze zeiden vastleggen en ook hun moord van profeten zonder enig recht. Wij zullen zeggen:" Proef de straf van het (eeuwig) brandende vuur."
ذٰلِکَ بِمَا قَدَّمَتۡ اَیۡدِیۡکُمۡ وَ اَنَّ اللّٰہَ لَیۡسَ بِظَلَّامٍ لِّلۡعَبِیۡدِ ﴿۲۸۱﴾
Zaalieka biemaa qaddamat aidieekoem wa annal laaha laisa biezallaamiel liel'abieed
3:182 Dat is vanwege datgeen wat jullie handen voortbrachten en dat Allah niet onrechtvaardig tegenover Zijn dienaren is.
اَلَّذِیۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ عَہِدَ اِلَیۡنَاۤ اَلَّا نُؤۡمِنَ لِرَسُوۡلٍ حَتّٰی یَاۡتِیَنَا بِقُرۡبَانٍ تَاۡکُلُہُ النَّارُ ؕ قُلۡ قَدۡ جَآءَکُمۡ رُسُلٌ مِّنۡ قَبۡلِیۡ بِالۡبَیِّنٰتِ وَ بِالَّذِیۡ قُلۡتُمۡ فَلِمَ قَتَلۡتُمُوۡہُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۳۸۱﴾
Allazieena qaaloeo iennal laaha 'ahieda ielainaaa allaa noe'miena lieRasoelien hatta ya'tieyanaa bieqoerbaanien ta koeloehoen naar; qoel qad djaaa'akoem Roesoeloem mien qabliee bielbaiyienaatie wa biellaziee qoeltoem faliema qataltoemoehoem ien koentoem saadieqieen
3:183 (Dat zijn) degenen die zeiden: "Voorwaar, Allah heeft een belofte van ons geaccepteerd, dat wij niet zullen geloven in een boodschapper totdat hij voor ons een offer brengt dat verteerd wordt door het vuur." Zeg: "Er zijn boodschappers gekomen met duidelijke tekenen en met datgeen wat jullie verkondigen. Waarom hebben jullie hen dan gedood als jullie streven naar de waarheid?"
فَاِنۡ کَذَّبُوۡکَ فَقَدۡ کُذِّبَ رُسُلٌ مِّنۡ قَبۡلِکَ جَآءُوۡ بِالۡبَیِّنٰتِ وَ الزُّبُرِ وَ الۡکِتٰبِ الۡمُنِیۡرِ ﴿۴۸۱﴾
Fa ien kaz zaboeka faqad koez zieba Roesoeloem mien qablieka djaaa'oe bielbaiyienaatie waz Zoeboerie wal Kietaabiel Moenieer
3:184 Als ze jou (Mohammed v.z.m.h.) verwerpen, weet dan dat de eerdere boodschappers ook werden verworpen, ondanks dat ze met duidelijke tekenen, met de heilige schriften en met het verlichtende boek kwamen.
کُلُّ نَفۡسٍ ذَآئِقَۃُ الۡمَوۡتِ ؕ وَ اِنَّمَا تُوَفَّوۡنَ اُجُوۡرَکُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ فَمَنۡ زُحۡزِحَ عَنِ النَّارِ وَ اُدۡخِلَ الۡجَنَّۃَ فَقَدۡ فَازَ ؕ وَ مَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَاۤ اِلَّا مَتَاعُ الۡغُرُوۡرِ ﴿۵۸۱﴾
Koelloe nafsien zaaa'ieqatoel mawt; wa iennamaa toewaffawna oedjoerakoem Yawmal Qieyaamatie faman zoehzieha 'anien Naarie wa oedghielal djannata faqad faaz; wa mal hayaatoed doenyaaa iellaa mataa'oel ghoeroer
3:185 Iedere 'Nafs' (persoon/eigen ik) zal de dood beproeven en pas op de dag desoordeels zullen jullie je beloningen volledig uitbetaald krijgen. Wie dan weg getrokken wordt van het vuur en toegelaten wordt tot het paradijs, zonder twijfel, hij heeft succes behaald. En het wereldse leven is niet anders dan een illusie van vermaak.
لَتُبۡلَوُنَّ فِیۡۤ اَمۡوَالِکُمۡ وَ اَنۡفُسِکُمۡ ۟ وَ لَتَسۡمَعُنَّ مِنَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ وَ مِنَ الَّذِیۡنَ اَشۡرَکُوۡۤا اَذًی کَثِیۡرًا ؕ وَ اِنۡ تَصۡبِرُوۡا وَ تَتَّقُوۡا فَاِنَّ ذٰلِکَ مِنۡ عَزۡمِ الۡاُمُوۡرِ ﴿۶۸۱﴾
Latoeblawoenna fieee amwaaliekoem wa anfoesiekoem wa latasma'oenna mienal lazieena oetoel Kietaaba mien qabliekoem wa mienal lazieena ashrakoeo azan kasieeraa; wa ien tasbieroe wa tattaqoe fa ienna zaalieka mien 'azmiel oemoer
3:186 Jullie zullen zeker beproefd worden in jullie eigendommen en in julliezelf. Jullie zullen zeker veel pijnlijke dingen horen van degenen aan wie het boek voorafgaand aan jullie gegeven was en van degenen die deelgenoten aan Allah toekennen. En als jullie geduldig zijn en (Allah) vrezen: voorwaar, dat behoort tot de aanbevolen daden.
وَ اِذۡ اَخَذَ اللّٰہُ مِیۡثَاقَ الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡکِتٰبَ لَتُبَیِّنُنَّہٗ لِلنَّاسِ وَ لَا تَکۡتُمُوۡنَہٗ ۫ فَنَبَذُوۡہُ وَرَآءَ ظُہُوۡرِہِمۡ وَ اشۡتَرَوۡا بِہٖ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ؕ فَبِئۡسَ مَا یَشۡتَرُوۡنَ ﴿۷۸۱﴾
Wa iez aghazal laahoe mieesaaqal lazieena oetoel Kietaaba latoebaiyienoennahoe liennaasie wa laa taktoemoena hoe fanabazoehoe waraaa'a zoehoeriehiem washtaraw biehiee samanan qalieelan fabie'sa maa yashtaroen
3:187 En gedenk toen Allah een verbond aanging met degenen aan wie het boek gegeven was: "Maak het voor de mensheid duidelijk en verberg het niet." Toen verwierpen zij het achter hun ruggen en ze verruilde het tegen een kleine prijs. En zeer slecht is datgeen wat ze hebben gekocht.
لَا تَحۡسَبَنَّ الَّذِیۡنَ یَفۡرَحُوۡنَ بِمَاۤ اَتَوۡا وَّ یُحِبُّوۡنَ اَنۡ یُّحۡمَدُوۡا بِمَا لَمۡ یَفۡعَلُوۡا فَلَا تَحۡسَبَنَّہُمۡ بِمَفَازَۃٍ مِّنَ الۡعَذَابِ ۚ وَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۸۸۱﴾
Laa tahsabannal lazieena yafrahoena biemaaa ataw wa yoehiebbona ay yoehmadoe biemaa lam yaf'aloe falaa tahsaboennahoem biemafaazatiem mienal 'azaabie wa lahoem 'azaaboen alieem
3:188 En denk niet dat degenen die blij zijn met wat ze hebben verricht en die houden om geprezen te worden voor datgeen wat ze niet doen (of hebben gedaan), denk dus niet, dat ze aan de straf zullen ontsnappen. En voor hen is er een pijnlijke straf.
وَ لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۹۸۱﴾
Wa liellaahie moelkoes samaawaatie wal ard; wallaahoe 'alaa koellie shai'ien Qadieer
3:189 En aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde toe. En Allah is op elk gebied Almachtig.
اِنَّ فِیۡ خَلۡقِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ اخۡتِلَافِ الَّیۡلِ وَ النَّہَارِ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی الۡاَلۡبَابِ ﴿۰۹۱﴾
Inna fiee ghalqies samaawaatie wal ardie waghtielaafiel lailie wannahaarie la Aayaatiel lieoeliel albaab
3:190 Voorwaar, in de schepping van de hemelen en de aarde en in het afwisselen van de nacht en de dag, daarin zijn zeker tekenen voor bezitters van verstand.
الَّذِیۡنَ یَذۡکُرُوۡنَ اللّٰہَ قِیٰمًا وَّ قُعُوۡدًا وَّ عَلٰی جُنُوۡبِہِمۡ وَ یَتَفَکَّرُوۡنَ فِیۡ خَلۡقِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ رَبَّنَا مَا خَلَقۡتَ ہٰذَا بَاطِلًا ۚ سُبۡحٰنَکَ فَقِنَا عَذَابَ النَّارِ ﴿۱۹۱﴾
Allazieena yazkoeroenal laaha qieyaamanw-wa qoe'oedanw-wa 'alaa djoeno obiehiem wa yatafakkaroena fiee ghalqies samaawaatie wal ardie Rabbanaa maa ghalaqta haaza baatielan Soebhaanaka faqienaa 'azaaban Naar
3:191 Degenen die Allah gedenken terwijl ze staan, zitten of liggen op hun zijde, en ze denken over de schepping van de hemelen en de aarde na, zeggend: "Onze Heer U heeft dit alles niet als nutteloos geschapen. Soebhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) bent U, bescherm ons van de straf van het vuur."
رَبَّنَاۤ اِنَّکَ مَنۡ تُدۡخِلِ النَّارَ فَقَدۡ اَخۡزَیۡتَہٗ ؕ وَ مَا لِلظّٰلِمِیۡنَ مِنۡ اَنۡصَارٍ ﴿۲۹۱﴾
Rabbanaaa iennaka man toedghielien Naara faqad aghzai tahoe wa maa liezzaaliemieena mien ansaar
3:192 Onze Heer, degenen die U tot de Hel toelaat, U heeft hem dan zeer zeker vernederd en voor de onrechtplegers is er geen helpers.
رَبَّنَاۤ اِنَّنَا سَمِعۡنَا مُنَادِیًا یُّنَادِیۡ لِلۡاِیۡمَانِ اَنۡ اٰمِنُوۡا بِرَبِّکُمۡ فَاٰمَنَّا ٭ۖ رَبَّنَا فَاغۡفِرۡ لَنَا ذُنُوۡبَنَا وَ کَفِّرۡ عَنَّا سَیِّاٰتِنَا وَ تَوَفَّنَا مَعَ الۡاَبۡرَارِ ﴿۳۹۱﴾
Rabbanaaa iennanaa samie'naa moenaadieyay yoenaadiee liel ieemaanie an aamienoe bie Rabbiekoem fa aamannaa; Rabbanaa faghfier lanaa zoenoebanaa wa kaffier 'annaa saiyie aatiena wa tawaffanaa ma'al abraar
3:193 Onze Heer, voorwaar, wij hebben een oproeper gehoord die tot het geloof oproept: "Geloof in jullie Heer," Dus geloven wij. Onze Heer, vergeef dus onze zonden voor ons en verwijder van ons onze slechte daden, en laat ons sterven met de vromen.
رَبَّنَا وَ اٰتِنَا مَا وَعَدۡتَّنَا عَلٰی رُسُلِکَ وَ لَا تُخۡزِنَا یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ اِنَّکَ لَا تُخۡلِفُ الۡمِیۡعَادَ ﴿۴۹۱﴾
Rabbanaa wa aatienaa maa wa'attanaa 'alaa Roesoelieka wa laa toeghzienaa Yawmal Qieyaamah; iennaka laa toeghliefoel miee'aad
3:194 Onze Heer, schenk ons wat U via Uw Boodschappers belooft hebt en onteer ons niet op de dag van de wederopstanding. Voorwaar, U verbreekt de belofte niet".
فَاسۡتَجَابَ لَہُمۡ رَبُّہُمۡ اَنِّیۡ لَاۤ اُضِیۡعُ عَمَلَ عَامِلٍ مِّنۡکُمۡ مِّنۡ ذَکَرٍ اَوۡ اُنۡثٰی ۚ بَعۡضُکُمۡ مِّنۡۢ بَعۡضٍ ۚ فَالَّذِیۡنَ ہَاجَرُوۡا وَ اُخۡرِجُوۡا مِنۡ دِیَارِہِمۡ وَ اُوۡذُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِیۡ وَ قٰتَلُوۡا وَ قُتِلُوۡا لَاُکَفِّرَنَّ عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ وَ لَاُدۡخِلَنَّہُمۡ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۚ ثَوَابًا مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ عِنۡدَہٗ حُسۡنُ الثَّوَابِ ﴿۵۹۱﴾
Fastadjaaba lahoem Rabboehoem anniee laaa Oediee'oe 'amala 'aamieliem mien-koem mien zakarien aw oensaa ba'doekoem mien ba'dien fal lazieena haadjaroe wa oeghriedjoe mien dieyaariehiem wa oezoe fiee sabieeliee wa qaataloe wa qoetieloe la oekaffieranna 'anhoem saiyie aatiehiem wa la oedghielanna hoem djannnatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe sawaabam mien 'iendiel laah; wallaahoe 'iendahoe hoesnoes sawaab
3:195 Toen reageerde hun Heer: "Voorzeker, Ik zal de daden van een werkende onder jullie niet verloren doen gaan, of het nu een man of een vrouw is, jullie komen uit elkaar voort. Dus degenen die emigreerde, en verjaagd werden uit hun huizen, die benadeeld werden op Mijn weg of die vochten en gedood werden, zeker Ik zal hun kwade daden verwijderen. En Ik zal ze zeker in de tuinen met eronder rivieren toelaten. Een beloning van Allah en bij Allah zijn de beste beloningen."
لَا یَغُرَّنَّکَ تَقَلُّبُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فِی الۡبِلَادِ ﴿۶۹۱﴾
Laa yaghoerrannaka taqal loeboel lazieena kafaroe fiel bielaad
3:196 Laat de handeling van de ongelovigen in het land, je niet bedriegen.
مَتَاعٌ قَلِیۡلٌ ۟ ثُمَّ مَاۡوٰىہُمۡ جَہَنَّمُ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمِہَادُ ﴿۷۹۱﴾
Mataa'oen qalieeloen soemma ma'waahoem djahannam; wa bie'sal miehaad
3:197 Het is een tijdelijke vermaak, daarna is hun verblijf de hel, een ellendig rustplaats.
لٰکِنِ الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا رَبَّہُمۡ لَہُمۡ جَنّٰتٌ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا نُزُلًا مِّنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ ؕ وَ مَا عِنۡدَ اللّٰہِ خَیۡرٌ لِّلۡاَبۡرَارِ ﴿۸۹۱﴾
Laakieniel lazieenat taqaw Rabbahoem lahoem djannnaatoen tadjriee mien tahtiehal anhaaroe ghaaliedieena fieehaa noezoelammien 'iendiel laah; wa maa 'iendal laahie ghairoel liel abraar
3:198 Maar degenen die hun Heer vrezen, voor hen zullen er tuinen zijn met stromende rivieren eronder. Ze zullen voor altijd erin vertoeven, een vriendelijkheid van Allah. En wat bij Allah is, is het beste voor de rechtvaardigen.
وَ اِنَّ مِنۡ اَہۡلِ الۡکِتٰبِ لَمَنۡ یُّؤۡمِنُ بِاللّٰہِ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکُمۡ وَ مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡہِمۡ خٰشِعِیۡنَ لِلّٰہِ ۙ لَا یَشۡتَرُوۡنَ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ ثَمَنًا قَلِیۡلًا ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ اَجۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۹۹۱﴾
Wa ienna mien Ahliel Kietaabie lamay yoe'mienoe biellaahie wa maaa oenziela ielaikoem wa maaa oenziela ielaihiem ghaashie 'ieena liellaahie laa yashtaroena bie Aayaatiel laahie samanan qalieelaa; oelaaa'ieka lahoem adjroehoem 'ienda Rabbiehiem; iennal laaha sariee'oel hiesaab
3:199 En voorzeker, onder de mensen van het Boek, zijn er die geloven in Allah en wat aan jou (Mohammed) geopenbaard is en wat aan hen is geopenbaard. Ze zijn nederig onderdanig tot Allah. Zij verruilen de verzen van Allah niet voor een kleine prijs. Zij, voor hen zijn er beloningen bij hun Heer. Voorzeker, Allah is snel in het afrekenen.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اصۡبِرُوۡا وَ صَابِرُوۡا وَ رَابِطُوۡا ۟ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تُفۡلِحُوۡنَ ﴿۰۰۲﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamanoes bieroe wa saabieroe wa raabietoe wattaqoel laaha la'allakoem toefliehoen
3:200 O jullie die geloven, wees standvastig, geduldig, behoudend en vrees Allah, zodat jullie succes zullen hebben.
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اتَّقُوۡا رَبَّکُمُ الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ مِّنۡ نَّفۡسٍ وَّاحِدَۃٍ وَّ خَلَقَ مِنۡہَا زَوۡجَہَا وَ بَثَّ مِنۡہُمَا رِجَالًا کَثِیۡرًا وَّ نِسَآءً ۚ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ الَّذِیۡ تَسَآءَلُوۡنَ بِہٖ وَ الۡاَرۡحَامَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ کَانَ عَلَیۡکُمۡ رَقِیۡبًا ﴿۱﴾
Yaaaa ay yoehan naasoet taqoe rabbakoemoel laziee ghalaqakoem mien nafsiew waahiedatiew wa ghalaqa mienhaa zawdjahaa wa bas sa mienhoemaa riedjaalan kasieeraw wa niesaaa'aa; wattaqoel laahallaziee tasaaa 'aloena biehiee wal arhaam; iennal laaha kaana 'alaikoem Raqieeba
4:1 O mensheid! Vrees jullie Heer, (Hij is) Degene Die jullie vanuit één enkele Nafs (Adam) creëerde. En Die daaruit zijn echtgenote schiep en (vervolgens) uit beiden vele mannen en vrouwen deed verspreiden. En vrees Allah bij wie jullie je rechten ten opzichte van elkaar en van de baarmoeders (nakomelingen) toe claimen. Voorzeker, Allah is altijd Waakzaam over jullie.
وَ اٰتُوا الۡیَتٰمٰۤی اَمۡوَالَہُمۡ وَ لَا تَتَبَدَّلُوا الۡخَبِیۡثَ بِالطَّیِّبِ ۪ وَ لَا تَاۡکُلُوۡۤا اَمۡوَالَہُمۡ اِلٰۤی اَمۡوَالِکُمۡ ؕ اِنَّہٗ کَانَ حُوۡبًا کَبِیۡرًا ﴿۲﴾
Wa aatoel yataamaaa amwaalahoem wa laa tatabad daloel ghabieesa biettaiyiebie wa laa ta'koeloeo amwaalahoem ielaaa amwaaliekoem; iennahoe kaana hoeban kabieeraa
4:2 En geef de wezen (wanneer ze volwassen worden) hun rijkdommen terug. En verruil het slechte van jullie niet met het goede van hen. En consumeer hun rijkdommen niet door het te vermengen met jullie eigendommen. Voorwaar, het is een grote zonde.
وَ اِنۡ خِفۡتُمۡ اَلَّا تُقۡسِطُوۡا فِی الۡیَتٰمٰی فَانۡکِحُوۡا مَا طَابَ لَکُمۡ مِّنَ النِّسَآءِ مَثۡنٰی وَ ثُلٰثَ وَ رُبٰعَ ۚ فَاِنۡ خِفۡتُمۡ اَلَّا تَعۡدِلُوۡا فَوَاحِدَۃً اَوۡ مَا مَلَکَتۡ اَیۡمَانُکُمۡ ؕ ذٰلِکَ اَدۡنٰۤی اَلَّا تَعُوۡلُوۡا ؕ﴿۳﴾
Wa ien ghieftoem allaa toeqsietoe fiel yataamaa fan-kiehoe maa taaba lakoem mienan niesaaa'ie masnaa wa soelaasa wa roebaa'a fa'ien ghieftoem allaa ta'dieloe fawaahiedatan aw maa malakat aimaanoekoem; zaalieka adnaaa allaa ta'oeloe
4:3 En als jullie vrezen dat jullie niet in staat zijn om rechtvaardig voor de wezen te zijn, trouw dan met andere vrouwen die voor jullie geschikt zijn, twee, drie of vier. Maar indien jullie vrezen dat jullie niet rechtvaardig naar hen toe kunnen handelen, trouw dan met één vrouw of wat jullie rechterhanden (aan slavinnen of gevangenen) bezitten. Dit is meer deugdelijk zodat jullie (de wezen) niet zullen onderdrukken.
وَ اٰتُوا النِّسَآءَ صَدُقٰتِہِنَّ نِحۡلَۃً ؕ فَاِنۡ طِبۡنَ لَکُمۡ عَنۡ شَیۡءٍ مِّنۡہُ نَفۡسًا فَکُلُوۡہُ ہَنِیۡٓــًٔا مَّرِیۡٓــًٔا ﴿۴﴾
Wa aatoen niesaaa'a sadoe qaatiehienna niehlah; fa ien tiebna lakoem 'an shai'iem mienhoe nafsan fakoeloehoe haniee'am marieee'aa
4:4 Geef de vrouwen hun bruidsschatten op een vriendelijke manier. Maar indien ze iets ervan aan jullie vrijwillig teruggeven, eet het dan in tevredenheid en gemak.
وَ لَا تُؤۡتُوا السُّفَہَآءَ اَمۡوَالَکُمُ الَّتِیۡ جَعَلَ اللّٰہُ لَکُمۡ قِیٰمًا وَّ ارۡزُقُوۡہُمۡ فِیۡہَا وَ اکۡسُوۡہُمۡ وَ قُوۡلُوۡا لَہُمۡ قَوۡلًا مَّعۡرُوۡفًا ﴿۵﴾
Wa laa toe'toes soefahaaa'a amwaalakoemoel latiee dja'alal laahoe lakoem qieyaamanw-warzoeqoehoem fieehaa waksoehoem wa qoeloe lahoem qawlam ma'roefaa
4:5 En geef niet jullie eigendommen, die Allah voor jullie als onderhoud heeft gemaakt, aan degene die zwak van begrip zijn, maar onderhoud hun ermee, voorzie hun van kleding en spreek vriendelijk tot hen.
وَ ابۡتَلُوا الۡیَتٰمٰی حَتّٰۤی اِذَا بَلَغُوا النِّکَاحَ ۚ فَاِنۡ اٰنَسۡتُمۡ مِّنۡہُمۡ رُشۡدًا فَادۡفَعُوۡۤا اِلَیۡہِمۡ اَمۡوَالَہُمۡ ۚ وَ لَا تَاۡکُلُوۡہَاۤ اِسۡرَافًا وَّ بِدَارًا اَنۡ یَّکۡبَرُوۡا ؕ وَ مَنۡ کَانَ غَنِیًّا فَلۡیَسۡتَعۡفِفۡ ۚ وَ مَنۡ کَانَ فَقِیۡرًا فَلۡیَاۡکُلۡ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ؕ فَاِذَا دَفَعۡتُمۡ اِلَیۡہِمۡ اَمۡوَالَہُمۡ فَاَشۡہِدُوۡا عَلَیۡہِمۡ ؕ وَ کَفٰی بِاللّٰہِ حَسِیۡبًا ﴿۶﴾
Wabtaloel yataamaa hattaaa iezaa balaghoen niekaaha fa ien aanastoem mienhoem roeshdan fad fa'oeo ielaihiem amwaalahoem wa laa ta' koeloehaaa iesraafaw wa biedaaran ay yakbaroe; wa man kaana ghanieyyan falyasta' fief wa man kaana faqieeran fal ya' koel bielma'roef; fa iezaa dafa'toem ielaihiem amwaalahoem fa ash-hiedoe 'alaihiem; wa kafaa biellaahie Hasieeba
4:6 En beoordeel de wezen (op zelfstandigheid) totdat ze de huwbare leeftijd bereiken. Als jullie hun verstandig hebben bevonden, geef dan hun rijkdommen terug. En eet er niet overdreven en haastig van, vrezend dat ze (snel) zullen opgroeien. En wie rijk is, hij moet zich ervan onthouden. En wie arm is, laat hem dan op een gepaste manier ervan eten. Wanneer jullie hun rijkdommen teruggeven, neem dan getuigens (die dit toezien). En Allah alleen is voldoende als Berekenaar/Boekhouder.
لِلرِّجَالِ نَصِیۡبٌ مِّمَّا تَرَکَ الۡوَالِدٰنِ وَ الۡاَقۡرَبُوۡنَ ۪ وَ لِلنِّسَآءِ نَصِیۡبٌ مِّمَّا تَرَکَ الۡوَالِدٰنِ وَ الۡاَقۡرَبُوۡنَ مِمَّا قَلَّ مِنۡہُ اَوۡ کَثُرَ ؕ نَصِیۡبًا مَّفۡرُوۡضًا ﴿۷﴾
Lierriedjaalie nasieeboem miemmaa tarakal waaliedaanie wal aqraboena wa lien niesaaa'ie nasieeboem miemmaa tarakal waaliedaanie wal aqraboena miemmaa qalla mienhoe aw kasoer; nasieebam mafroedaa
4:7 Voor de mannen is er een deel bestemd wat achtergelaten is door de ouders en de dichtstbijzijnde familieleden (na het overlijden). En voor de vrouwen is er een (ander) deel bestemd wat achtergelaten is door de ouders en de dichtstbijzijnde familieleden. Of het weinig of veel is, het is een verplichte aandeel.
وَ اِذَا حَضَرَ الۡقِسۡمَۃَ اُولُوا الۡقُرۡبٰی وَ الۡیَتٰمٰی وَ الۡمَسٰکِیۡنُ فَارۡزُقُوۡہُمۡ مِّنۡہُ وَ قُوۡلُوۡا لَہُمۡ قَوۡلًا مَّعۡرُوۡفًا ﴿۸﴾
Wa iezaa hadaral qiesmata oeloel qoerbaa walyataamaa walmasaakieenoe farzoeqoehoem mienhoe wa qoeloe lahoem qawlam ma'roefaa
4:8 En wanneer bij de verdeling familieleden (die geen erfrecht hebben), wezen of armen aanwezig zijn, voorzie hun dan ervan. En spreek vriendelijk tot hen.
وَ لۡیَخۡشَ الَّذِیۡنَ لَوۡ تَرَکُوۡا مِنۡ خَلۡفِہِمۡ ذُرِّیَّۃً ضِعٰفًا خَافُوۡا عَلَیۡہِمۡ ۪ فَلۡیَتَّقُوا اللّٰہَ وَ لۡیَقُوۡلُوۡا قَوۡلًا سَدِیۡدًا ﴿۹﴾
Walyaghshal lazieena law tarakoe mien ghalfiehiem zoerrieyyatan die'aafan ghaafoe 'alaihiem falyattaqoel laaha walyaqoeloe qawlan sadieedaa
4:9 En laat degenen (voogd/uitvoerder van de verdeling) vrezen, net zo vrezen alsof ze zelf een zwak nageslacht zouden achterlaten. Laten ze dus Allah vrezen en goede woorden uitspreken.
اِنَّ الَّذِیۡنَ یَاۡکُلُوۡنَ اَمۡوَالَ الۡیَتٰمٰی ظُلۡمًا اِنَّمَا یَاۡکُلُوۡنَ فِیۡ بُطُوۡنِہِمۡ نَارًا ؕ وَ سَیَصۡلَوۡنَ سَعِیۡرًا ﴿۰۱﴾
Innal lazieena ya'koeloena amwaalal yataamaa zoelman iennamaa ya'koeloena fiee boetoeniehiem Naaranw-wa sayaslawna sa'ieeraa
4:10 Voorwaar, degenen die de rijkdommen van de wezen op een onrechtmatige manier consumeren, verteren slechts vuur in hun buiken. Ze zullen verbrand worden door een razende vuur.
یُوۡصِیۡکُمُ اللّٰہُ فِیۡۤ اَوۡلَادِکُمۡ ٭ لِلذَّکَرِ مِثۡلُ حَظِّ الۡاُنۡثَیَیۡنِ ۚ فَاِنۡ کُنَّ نِسَآءً فَوۡقَ اثۡنَتَیۡنِ فَلَہُنَّ ثُلُثَا مَا تَرَکَ ۚ وَ اِنۡ کَانَتۡ وَاحِدَۃً فَلَہَا النِّصۡفُ ؕ وَ لِاَبَوَیۡہِ لِکُلِّ وَاحِدٍ مِّنۡہُمَا السُّدُسُ مِمَّا تَرَکَ اِنۡ کَانَ لَہٗ وَلَدٌ ۚ فَاِنۡ لَّمۡ یَکُنۡ لَّہٗ وَلَدٌ وَّ وَرِثَہٗۤ اَبَوٰہُ فَلِاُمِّہِ الثُّلُثُ ۚ فَاِنۡ کَانَ لَہٗۤ اِخۡوَۃٌ فَلِاُمِّہِ السُّدُسُ مِنۡۢ بَعۡدِ وَصِیَّۃٍ یُّوۡصِیۡ بِہَاۤ اَوۡ دَیۡنٍ ؕ اٰبَآؤُکُمۡ وَ اَبۡنَآؤُکُمۡ لَا تَدۡرُوۡنَ اَیُّہُمۡ اَقۡرَبُ لَکُمۡ نَفۡعًا ؕ فَرِیۡضَۃً مِّنَ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ کَانَ عَلِیۡمًا حَکِیۡمًا ﴿۱۱﴾
Yoesieekoemoel laahoe fieee awlaadiekoem liez zakarie miesloe hazziel oensayayn; fa ien koenna niesaaa'an fawqas natainie falahoenna soeloesaa maa taraka wa ien kaanat waahiedatan falahan niesf; wa lie abawaihie liekoellie waahiediem mienhoemas soedoesoe miemmma taraka ien kaana lahoe walad; fa iel lam yakoel lahoe waladoew wa wariesahoeo abawaahoe falie oemmiehies soeloes; fa ien kaana lahoe ieghwatoen falie oemmiehies soedoes; miem ba'die wasieyyatiey yoesiee biehaaa aw dayn; aabaaa'oekoem wa abnaaa'oekoem laa tadroena aiyoehoem aqraboe lakoem naf'aa; farieedatam mienallaah; iennal laaha kaana 'Alieeman Hakieemaa
4:11 Allah gebied jullie (het volgende) met betrekking tot (het erfrecht van) jullie kinderen. Voor de man is er een gelijke deel als dat voor twee vrouwen. Maar als er alleen vrouwen zijn, meer dan twee, dan is er voor hun twee-derde van wat hij achterlaat. En als er alleen één (vrouw) is, dan is er voor haar de helft. En voor zijn ouders, is er voor elk één-zesde deel van wat er over is, als hij (de overledene) een kind heeft. Maar als hij geen nageslacht (kinderen) had en zijn ouders leven nog, dan is er voor zijn moeder één-derde. En als hij broers en zusters heeft, dan is er één-zesde voor zijn moeder, na aftrek van wilsbeschikkingen die hij opgemaakt had in een testament of van beschikking door schulden. Jullie ouders en jullie kinderen, jullie weten niet welke van hen dichterbij staan in jullie voordeel. (Dit is een) verplichting van Allah. Voorzeker, Allah is alwetend.
وَ لَکُمۡ نِصۡفُ مَا تَرَکَ اَزۡوَاجُکُمۡ اِنۡ لَّمۡ یَکُنۡ لَّہُنَّ وَلَدٌ ۚ فَاِنۡ کَانَ لَہُنَّ وَلَدٌ فَلَکُمُ الرُّبُعُ مِمَّا تَرَکۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِ وَصِیَّۃٍ یُّوۡصِیۡنَ بِہَاۤ اَوۡ دَیۡنٍ ؕ وَ لَہُنَّ الرُّبُعُ مِمَّا تَرَکۡتُمۡ اِنۡ لَّمۡ یَکُنۡ لَّکُمۡ وَلَدٌ ۚ فَاِنۡ کَانَ لَکُمۡ وَلَدٌ فَلَہُنَّ الثُّمُنُ مِمَّا تَرَکۡتُمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ وَصِیَّۃٍ تُوۡصُوۡنَ بِہَاۤ اَوۡ دَیۡنٍ ؕ وَ اِنۡ کَانَ رَجُلٌ یُّوۡرَثُ کَلٰلَۃً اَوِ امۡرَاَۃٌ وَّ لَہٗۤ اَخٌ اَوۡ اُخۡتٌ فَلِکُلِّ وَاحِدٍ مِّنۡہُمَا السُّدُسُ ۚ فَاِنۡ کَانُوۡۤا اَکۡثَرَ مِنۡ ذٰلِکَ فَہُمۡ شُرَکَآءُ فِی الثُّلُثِ مِنۡۢ بَعۡدِ وَصِیَّۃٍ یُّوۡصٰی بِہَاۤ اَوۡ دَیۡنٍ ۙ غَیۡرَ مُضَآرٍّ ۚ وَصِیَّۃً مِّنَ اللّٰہِ ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌ حَلِیۡمٌ ﴿۲۱﴾
Wa lakoem niesfoe maa taraka azwaadjoekoem iel lam yakoel lahoenna walad; fa ien kaana lahoenna waladoen falakoemoer roeb'oe miemmaa tarakna miem ba'die wasieyyatiey yoesieena biehaaa aw dayn; wa lahoennar roeboe'oe miemmaa taraktoem iel lam yakoel lakoem walad; fa ien kaana lakoem waladoen falahoennas soemoenoe miemmaa taraktoem; miem ba'die wasieyyatien toesoena biehaaa aw dayn; wa ien kaana radjoeloey yoerasoe kalaalatan awiem ra atoew wa lahoeo aghoen aw oeghtoen faliekoellie waahiediem mienhoemas soedoes; fa ien kaanoeo aksara mien zaalieka fahoem shoerakaaa'oe fiessoeloes; miem ba'die wasieyyatiey yoesaa biehaaa aw dainien ghaira moedaaarr; wasieyyatam mienal laah; wallaahoe 'Alieemoen Halieem
4:12 En voor jou is de helft van wat er door jullie vrouwen wordt achtergelaten, indien ze geen kind hebben. Maar als ze een kind hebben, dan is er voor jou één-vierde van wat ze achterlaten na aftrek van wilsbeschikkingen die ze opgemaakt hebben (in een testament) of van beschikking door schulden. En voor hun (achtergelaten echtgenotes) is er één vierde van wat jullie achterlaten als jullie geen kind hebben. Maar als jullie een kind hebben, dan is er voor hun één-achtste van wat jullie achterlaten na aftrek van wilsbeschikkingen die jullie opgemaakt hebben (in een testament) of van beschikking door schulden. En als er van een man of vrouw geërfd wordt, die geen ouders en kind heeft maar wel een broer of een zuster, dan is er voor elk één-zesde deel. Maar als er meer dan twee zijn, dan is er voor hun samen één-derde deel na aftrek van wilsbeschikkingen en schulden, zonder (iemand) te benadelen. Dit is als gebod van Allah en Allah is Al-Aliem (de Alwetende), Al-Haliem (de meest Verdraagzame).
تِلۡکَ حُدُوۡدُ اللّٰہِ ؕ وَ مَنۡ یُّطِعِ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ یُدۡخِلۡہُ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ وَ ذٰلِکَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ﴿۳۱﴾
Tielka hoedoedoel laah; wa may yoetie'iel laaha wa Rasoelahoe yoedghielhoe djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe ghaaliedieena fieehaa; wa zaaliekal fawzoel 'azieem
4:13 Dit zijn de grenzen van Allah en wie Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt, Hij zal hem toelaten tot de Tuinen waaronder rivieren stromen. Ze zullen er voor altijd in vertoeven. En dat is een zeer groot succes.
وَ مَنۡ یَّعۡصِ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ وَ یَتَعَدَّ حُدُوۡدَہٗ یُدۡخِلۡہُ نَارًا خَالِدًا فِیۡہَا ۪ وَ لَہٗ عَذَابٌ مُّہِیۡنٌ ﴿۴۱﴾
Wa may ya'siel laaha wa Rasoelahoe wa yata'adda hoedoedahoe yoedghielhoe Naaran ghaaliedan fieehaa wa lahoe 'azaaboem moehieen
4:14 En wie Allah en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt en Zijn Grenzen overtreedt, Hij zal hem toekennen tot het Vuur en zal er voor altijd in vertoeven. En voor hem is er een vernederende bestraffing.
وَ الّٰتِیۡ یَاۡتِیۡنَ الۡفَاحِشَۃَ مِنۡ نِّسَآئِکُمۡ فَاسۡتَشۡہِدُوۡا عَلَیۡہِنَّ اَرۡبَعَۃً مِّنۡکُمۡ ۚ فَاِنۡ شَہِدُوۡا فَاَمۡسِکُوۡ ہُنَّ فِی الۡبُیُوۡتِ حَتّٰی یَتَوَفّٰہُنَّ الۡمَوۡتُ اَوۡ یَجۡعَلَ اللّٰہُ لَہُنَّ سَبِیۡلًا ﴿۵۱﴾
Wallaatiee ya'tieenal faahieshata mien niesaaa'iekoem fastash-hiedoe 'alaihienna arba'atam mien-koem fa ien shahiedoe fa amsiekoehoenna fiel boeyoetie hatta yatawaffaa hoennal mawtoe aw yadj'alal laahoe lahoenna sabieelaa
4:15 En degene onder jullie vrouwen die ontucht plegen (met elkaar), neem dan vier getuigen onder jullie tegen hen. En als ze getuigen (dat er sprake is van ontucht), sluit ze op in hun huizen totdat de dood tot hen komt of totdat Allah een weg voor hen verschaft.
وَ الَّذٰنِ یَاۡتِیٰنِہَا مِنۡکُمۡ فَاٰذُوۡہُمَا ۚ فَاِنۡ تَابَا وَ اَصۡلَحَا فَاَعۡرِضُوۡا عَنۡہُمَا ؕ اِنَّ اللّٰہَ کَانَ تَوَّابًا رَّحِیۡمًا ﴿۶۱﴾
Wallazaanie ya'tieyaaniehaa mien-koem fa aazoehoemaa fa ien taabaa wa aslahaa fa a'riedoe 'anhoemaaa; iennal laaha kaana Tawwaabar Rahieema
4:16 En de twee (mannen) die ontucht plegen onder jullie (mannen onder elkaar) straf hen beide. Maar als ze (de daad) berouwen en zich herstellen, laat beide van hen met rust. Voorzeker Allah is de Meest Vergevensgezind, Meest Barmhartig.
اِنَّمَا التَّوۡبَۃُ عَلَی اللّٰہِ لِلَّذِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ السُّوۡٓءَ بِجَہَالَۃٍ ثُمَّ یَتُوۡبُوۡنَ مِنۡ قَرِیۡبٍ فَاُولٰٓئِکَ یَتُوۡبُ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلِیۡمًا حَکِیۡمًا ﴿۷۱﴾
Innamat tawbatoe 'alallaahie liellazieena ya'maloenas soeo'a biedjahaalatien soemma yatoeboena mien qarieebien fa oelaa'ieka yatoeboel laahoe 'alaihiem; wa kaanal laahoe 'Alieeman Hakieemaa
4:17 Het accepteren van berouw door Allah is alleen voor degenen die de zonden in onwetendheid begaan en die dan op een korte termijn (voordat de dood komt of Allah's teken komt, bijvoorbeeld de zonsopkomst vanuit het westen) berouwen. Ze zullen de vergeving van Allah op hun hebben en Allah is Alwetend, Alwijs.
وَ لَیۡسَتِ التَّوۡبَۃُ لِلَّذِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ السَّیِّاٰتِ ۚ حَتّٰۤی اِذَا حَضَرَ اَحَدَہُمُ الۡمَوۡتُ قَالَ اِنِّیۡ تُبۡتُ الۡـٰٔنَ وَ لَا الَّذِیۡنَ یَمُوۡتُوۡنَ وَ ہُمۡ کُفَّارٌ ؕ اُولٰٓئِکَ اَعۡتَدۡنَا لَہُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿۸۱﴾
Wa laisatiet tawbatoe liellazieena ya'maloenas saiyieaatie hattaaa iezaa hadara ahadahoemoel mawtoe qaala ienniee toebtoel 'aana wa lallazieena yamoetoena wa hoem koeffaar; oelaaa'ieka a'tadnaa lahoem 'azaaban alieemaa
4:18 En er is geen aanvaarding voor berouw voor degen die zonden begaan (en doorgaan) totdat de dood één van hen treft en Hij zegt: "Voorzeker ik heb nu berouw." En niet voor degenen die dood gaan terwijl ze ongelovig zijn. Voor hen hebben Wij een pijnlijke straf voorbereid.
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا یَحِلُّ لَکُمۡ اَنۡ تَرِثُوا النِّسَآءَ کَرۡہًا ؕ وَ لَا تَعۡضُلُوۡہُنَّ لِتَذۡہَبُوۡا بِبَعۡضِ مَاۤ اٰتَیۡتُمُوۡہُنَّ اِلَّاۤ اَنۡ یَّاۡتِیۡنَ بِفَاحِشَۃٍ مُّبَیِّنَۃٍ ۚ وَ عَاشِرُوۡہُنَّ بِالۡمَعۡرُوۡفِ ۚ فَاِنۡ کَرِہۡتُمُوۡہُنَّ فَعَسٰۤی اَنۡ تَکۡرَہُوۡا شَیۡئًا وَّ یَجۡعَلَ اللّٰہُ فِیۡہِ خَیۡرًا کَثِیۡرًا ﴿۹۱﴾
Yaaa aiyoehal lazieena aamanoe laa yahielloe lakoem an tariesoen niesaaa'a karhan wa laa ta'doeloehoenna lietazhaboe bieba'die maaa aataitoemoehoenna iellaaa ay ya'tieena biefaahieshatiem moebaiyienah; wa 'aashieroe hoenna bielma'roef; fa ien kariehtoemoehoenna fa'asaaa an takrahoe shai'aw wa yadj'alal laahoe fieehie ghairan kasieeraa
4:19 O jullie die geloven! Het is niet wettig dat jullie de vrouwen met dwang toe-eigenen. En ook niet dat jullie hen beperkingen opleggen zodat jullie een deel van wat jullie aan hen gegeven hadden ontnemen, behalve als ze open onzedelijkheid plegen. En leef met hun in vriendelijkheid. Maar als jullie een afkeer van hen hebben, misschien hebben jullie een afkeer van iets waar Allah veel goeds in heeft verschaft.
وَ اِنۡ اَرَدۡتُّمُ اسۡتِبۡدَالَ زَوۡجٍ مَّکَانَ زَوۡجٍ ۙ وَّ اٰتَیۡتُمۡ اِحۡدٰہُنَّ قِنۡطَارًا فَلَا تَاۡخُذُوۡا مِنۡہُ شَیۡئًا ؕ اَتَاۡخُذُوۡنَہٗ بُہۡتَانًا وَّ اِثۡمًا مُّبِیۡنًا ﴿۰۲﴾
Wa ien arattoemoestieb daala zawdjiem makaana zawdjien wa aataitoem iehdaahoenna qientaaran falaa ta'ghoezoe mienhoe shai'aa; ata'ghoezoenahoe boehtaannaw wa iesmam moebieenaa
4:20 En als jullie een echtgenote willen vervangen voor een andere vrouw, ontneem dan niets van haar (eigendommen), zelfs als jullie haar een hoop van goud hebben gegeven. Zouden jullie het ontnemen door haar te lasteren of door een duidelijke zonde te plegen?
وَ کَیۡفَ تَاۡخُذُوۡنَہٗ وَ قَدۡ اَفۡضٰی بَعۡضُکُمۡ اِلٰی بَعۡضٍ وَّ اَخَذۡنَ مِنۡکُمۡ مِّیۡثَاقًا غَلِیۡظًا ﴿۱۲﴾
Wa kaifa ta'ghoezoenahoe wa qad afdaa ba'doekoem ielaa ba'diew wa aghazna mien-koem mieesaaqan ghalieezaa
4:21 En hoe kunnen jullie het (terug)nemen, terwijl jullie tot elkander zijn gekomen en ze een sterke verbond met jullie hebben gesloten?
وَ لَا تَنۡکِحُوۡا مَا نَکَحَ اٰبَآؤُکُمۡ مِّنَ النِّسَآءِ اِلَّا مَا قَدۡ سَلَفَ ؕ اِنَّہٗ کَانَ فَاحِشَۃً وَّ مَقۡتًا ؕ وَ سَآءَ سَبِیۡلًا ﴿۲۲﴾
Wa laa tan-kiehoe maa nakaha aabaaa'oekoem mienan niesaaa'ie iellaa maa qad salaf; iennahoe kaana faahieshataw wa maqtaw wa saaa'a sabieelaa
4:22 En huw niet de vrouwen waarvan jullie vaders mee gehuwd waren, ondanks dat het vroeger is gebeurt. Voorzeker, het was een onzedelijke, een hatelijke en een onheilse/gruwelijke weg.
حُرِّمَتۡ عَلَیۡکُمۡ اُمَّہٰتُکُمۡ وَ بَنٰتُکُمۡ وَ اَخَوٰتُکُمۡ وَ عَمّٰتُکُمۡ وَ خٰلٰتُکُمۡ وَ بَنٰتُ الۡاَخِ وَ بَنٰتُ الۡاُخۡتِ وَ اُمَّہٰتُکُمُ الّٰتِیۡۤ اَرۡضَعۡنَکُمۡ وَ اَخَوٰتُکُمۡ مِّنَ الرَّضَاعَۃِ وَ اُمَّہٰتُ نِسَآئِکُمۡ وَ رَبَآئِبُکُمُ الّٰتِیۡ فِیۡ حُجُوۡرِکُمۡ مِّنۡ نِّسَآئِکُمُ الّٰتِیۡ دَخَلۡتُمۡ بِہِنَّ ۫ فَاِنۡ لَّمۡ تَکُوۡنُوۡا دَخَلۡتُمۡ بِہِنَّ فَلَا جُنَاحَ عَلَیۡکُمۡ ۫ وَ حَلَآئِلُ اَبۡنَآئِکُمُ الَّذِیۡنَ مِنۡ اَصۡلَابِکُمۡ ۙ وَ اَنۡ تَجۡمَعُوۡا بَیۡنَ الۡاُخۡتَیۡنِ اِلَّا مَا قَدۡ سَلَفَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ کَانَ غَفُوۡرًا رَّحِیۡمًا ﴿۳۲﴾
Hoerriemat 'alaikoem oemma haatoekoem wa banaatoekoem wa aghawaatoekoem wa 'ammaatoekoem wa ghaalaatoekoem wa banaatoel aghie wa banaatoel oeghtie wa oemmahaatoe koemoel laatieee arda' nakoem wa aghawaatoekoem mienarradaa'atie wa oemmahaatoe niesaaa'iekoem wa rabaaa'ie boekoemoel laatiee fiee hoedjoeriekoem mien niesaaa'iekoemoel laatiee daghaltoem biehienna Fa iel lam takoenoe daghaltoem biehienna falaa djoenaaha 'alaikoem wa halaaa'ieloe abnaaa'iekoemoel lazieena mien aslaabiekoem wa an tadjma'oe bainal oeghtainie iellaa maa qad salaf; iennallaaha kaana Ghafoerar Rahieema
4:23 Verboden voor jullie zijn (voor het aangaan van een huwelijk met) jullie moeders, dochters, zusters, tantes van vaders- en moederskant, dochters van broers en zusters (nichtjes), de moeders die jullie zoogden, de zoog-zusters (de vrouwen die gezoogd zijn door jullie zoogmoeder), de moeders van jullie vrouwen en jullie stiefdochters die onder jullie voogdij vallen, waarvan jullie met hun moeders gemeenschap hebben gehad. Maar als jullie nog geen gemeenschap met hun hebben gehad, dan is er geen zonde op jullie (voor het huwen van de stiefdochter). En de (ex-)vrouwen van jullie zonen die uit jullie voortkomen. En (verboden is) dat jullie twee zusters huwen. datgeen wat vroeger gebeurde is nu verleden tijd. Voorzeker, Allah is meest Vergevensgezind, meest Barmhartig.
www.heiligekoran.nl