حٰمٓ ۚ﴿۱﴾
Haa-Mieeieem
46:1 Haa Mieeem.

تَنۡزِیۡلُ الۡکِتٰبِ مِنَ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَکِیۡمِ ﴿۲﴾
Tanzieeloel Kietaabie mienal laahiel-'Azieeziel Hakieem
46:2 De openbaring van het boek (de Koran) is van Allah, Al-Aziez (de Al-Machtige), Al-Hakiem (de Al-Wijze).

مَا خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَاۤ اِلَّا بِالۡحَقِّ وَ اَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَمَّاۤ اُنۡذِرُوۡا مُعۡرِضُوۡنَ ﴿۳﴾
Maa ghalaqnas samaawaatie wal arda wa maa bainahoemaaa iellaa bielhaqqie wa adjaliem moesammaa; wallazieena kafaroe 'ammaaa oenzieroe moe'riedoen
46:3 Wij hebben de hemelen, de aarde en wat er tussen hen is alleen op basis van de waarheid geschapen en voor een vastgesteld\bepaald termijn. Echter, de ongelovigen keren zich af voor datgeen waarvoor ze worden gewaarschuwd. (Notitie: De gehele schepping is gebaseerd op de waarheid. Het is dus geen projectie of illusie. Elk iets heeft zijn bestaan, zijn identiteit en verheerlijkt Zijn Heer.)

قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ مَّا تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اَرُوۡنِیۡ مَاذَا خَلَقُوۡا مِنَ الۡاَرۡضِ اَمۡ لَہُمۡ شِرۡکٌ فِی السَّمٰوٰتِ ؕ اِیۡتُوۡنِیۡ بِکِتٰبٍ مِّنۡ قَبۡلِ ہٰذَاۤ اَوۡ اَثٰرَۃٍ مِّنۡ عِلۡمٍ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۴﴾
Qoel ara'aytoem maa tad'oena mien doeniel laahie aroeniee maazaa ghalaqoe mienal ardie am lahoem shierkoen fies samaawaatie ieetoeniee bie kietaabiem mien qablie haazaaa aw asaaratiem mien 'ielmien ien koentoem saadieqieen
46:4 Zeg: "Zien jullie wat jullie aanroepen? Laat me zien wat ze van de aarde hebben geschapen. Of hebben ze een aandeel in de creatie van de hemelen? Als jullie streven naar de waarheid (eerlijk ben), breng me (dan) een boek (met verklaringen) dat eerder is geopenbaard, of geef me iets wat gebaseerd is op kennis. (Doe dit) als jullie streven naar de waarheid."

وَ مَنۡ اَضَلُّ مِمَّنۡ یَّدۡعُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَنۡ لَّا یَسۡتَجِیۡبُ لَہٗۤ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ وَ ہُمۡ عَنۡ دُعَآئِہِمۡ غٰفِلُوۡنَ ﴿۵﴾
Wa man adalloe miemmay yad'oe mien doeniel laahie mallaa yastadjieeboe lahoeo ielaa Yawmiel Qieyaamatie wa hoem'an doe'aaa'iehiem ghaafieloen
46:5 "Wie is er verder afgedwaald dan degene die iets of iemand, naast Allah tot aan de dag van de wederopstanding (dus zijn hele leven lang) aanroept en die hem niet beantwoord? Zij (, degenen die aangeroepen worden,) zijn niet bewust van hun aanroeping." (Notitie: Allah alleen beantwoord elke smeekgebed / aanroeping, zie 17:110.)

وَ اِذَا حُشِرَ النَّاسُ کَانُوۡا لَہُمۡ اَعۡدَآءً وَّ کَانُوۡا بِعِبَادَتِہِمۡ کٰفِرِیۡنَ ﴿۶﴾
Wa iezaa hoeshieran naasoe kaanoe lahoem a'daaa'aw wa kaanoe bie'iebaadatiehiem kaafierieen
46:6 Wanneer de mensen verzameld zullen worden, dan zullen ze (degenen die aanbeden werden) vijanden voor hen (de mensen) zijn. Ze zullen hun aanbidding verwerpen.

وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُنَا بَیِّنٰتٍ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہُمۡ ۙ ہٰذَا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ؕ﴿۷﴾
Wa iezaa toetlaa 'alaihiem Aayaatoenaa baiyienaatien qaalal lazieena kafaroe lielhaqqie lammaa djaaa'ahoem haazaa siehroem moebieen
46:7 En wanneer Onze duidelijke verzen voor hen worden opgelezen, dan zeggen de ongelovigen wanneer ze met de waarheid worden geconfronteerd: "Dit is duidelijke magie."

اَمۡ یَقُوۡلُوۡنَ افۡتَرٰىہُ ؕ قُلۡ اِنِ افۡتَرَیۡتُہٗ فَلَا تَمۡلِکُوۡنَ لِیۡ مِنَ اللّٰہِ شَیۡئًا ؕ ہُوَ اَعۡلَمُ بِمَا تُفِیۡضُوۡنَ فِیۡہِ ؕ کَفٰی بِہٖ شَہِیۡدًۢا بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکُمۡ ؕ وَ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿۸﴾
Am yaqoeloenaf taraahoe qoel ienief taraitoehoe falaa tamliekoena liee mienal laahie shai'an Hoewa a'lamoe biemaa toefieedoena fieehie kafaa biehiee shahieedam bainiee wa bainakoem wa Hoewal Ghafoeroer Rahieem
46:8 Of ze zeggen: "Hij (Mohammed v.z.m.h.) heeft het verzonnen/bedacht." Zeg: "Jullie hebben geen enkel macht om mij te helpen tegen Allah, als ik het had verzonnen. Hij weet waar jullie over praten. Hij alleen is voldoende als getuige tussen jullie en mij. (Weet dat) Hij Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde) is, Ar-Rahiem (de meest Barmhartige voor de gelovigen) is."

قُلۡ مَا کُنۡتُ بِدۡعًا مِّنَ الرُّسُلِ وَ مَاۤ اَدۡرِیۡ مَا یُفۡعَلُ بِیۡ وَ لَا بِکُمۡ ؕ اِنۡ اَتَّبِعُ اِلَّا مَا یُوۡحٰۤی اِلَیَّ وَ مَاۤ اَنَا اِلَّا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۹﴾
Qoel maa koentoe bied'am mienal Roesoelie wa maaa adrieee ma yoef'aloe biee wa laa biekoem ien attabie'oe iellaa maa yoehaaa ielaiya wa maaa ana iellaa nazieeroem moebieen
46:9 Zeg: "Ik (Mohammed v.z.m.h) ben niet nieuw (, op basis van de verkondiging,) onder de boodschappers, noch weet ik wat er met mij of met jullie zal worden gedaan. Ik volg alleen datgeen wat aan mij is geopenbaard. Ik ben alleen een duidelijke waarschuwer."

قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ اِنۡ کَانَ مِنۡ عِنۡدِ اللّٰہِ وَ کَفَرۡتُمۡ بِہٖ وَ شَہِدَ شَاہِدٌ مِّنۡۢ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ عَلٰی مِثۡلِہٖ فَاٰمَنَ وَ اسۡتَکۡبَرۡتُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِی الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۰۱﴾
Qoel ara'aytoem ien kaana mien 'iendiel laahie wa kafartoem biehiee wa shahieda shaahiedoem miem Baniee Israaa'ieela 'alaa miesliehiee fa aamana wastak bartoem iennal laaha laa yahdiel qawmaz zaaliemieen
46:10 Zeg: "Zien jullie dat het van Allah is en jullie er niet in geloven?! Terwijl, een getuige van onder de kinderen van Israël getuigt (dat deze Koran van Allah is), zoals het gelijke (de Thora), vervolgens geloofde hij (en dus aanvaarde de Islam) terwijl jullie te trots zijn (om het te aanvaarden). Zonder twijfel, Allah leidt het misdadig volk niet"

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَوۡ کَانَ خَیۡرًا مَّا سَبَقُوۡنَاۤ اِلَیۡہِ ؕ وَ اِذۡ لَمۡ یَہۡتَدُوۡا بِہٖ فَسَیَقُوۡلُوۡنَ ہٰذَاۤ اِفۡکٌ قَدِیۡمٌ ﴿۱۱﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe liellazieena aamanoe law kaana ghairam maa sabaqoenaaa ielyh; wa iez lam yahtadoe biehiee fasa yaqoeloena haazaaa iefkoen qadieem
46:11 De ongelovigen zeggen over de gelovigen: "Indien het (de Koran) iets goeds was, dan hadden wij eerder dan hen gelooft." En omdat ze (de ongelovigen) er niet door worden geleid zeggen ze: "Dit is een oude leugen."

وَ مِنۡ قَبۡلِہٖ کِتٰبُ مُوۡسٰۤی اِمَامًا وَّ رَحۡمَۃً ؕ وَ ہٰذَا کِتٰبٌ مُّصَدِّقٌ لِّسَانًا عَرَبِیًّا لِّیُنۡذِرَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ٭ۖ وَ بُشۡرٰی لِلۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۲۱﴾
Wa mien qabliehiee kietaaboe Moesaaa iemaamanw-wa rahmah; wa haazaa Kietaaboem moesad dieqoel liesaanan 'Arabieyyal lieyoenzieral lazieena zalamoe wa boeshraa lielmoehsienieen
46:12 Voor deze (Koran) was er het boek dat gegeven was aan Moesa (Mozes) als leiding en barmhartigheid. Dit is een boek dat het (de Thora) bevestigd, in een Arabische taal om de misdadigers te waarschuwen en om het goede nieuws (het paradijs) te geven aan degenen die goed doen.

اِنَّ الَّذِیۡنَ قَالُوۡا رَبُّنَا اللّٰہُ ثُمَّ اسۡتَقَامُوۡا فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۳۱﴾
Innal lazieena qaaloe Rabboenal laahoe soemmas taqaamoe falaa ghawfoen 'alaihiem wa laahoem yahzanoen
46:13 Dat zijn degenen die zeggen: "Onze Heer is Allah" en standvastig zijn (in hun aanbidding). Voor hun is er geen vrees, noch zullen ze treuren.

اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ۚ جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Oelaaa'ieka Ashaboel djannatie ghaaliedieena fieehaa djazaaa'am biemaa kaano ya'maloen
46:14 Dat zijn de bewoners van het paradijs die er voor altijd in zullen blijven, een beloning voor datgeen wat ze hebben gedaan.

وَ وَصَّیۡنَا الۡاِنۡسَانَ بِوَالِدَیۡہِ اِحۡسٰنًا ؕ حَمَلَتۡہُ اُمُّہٗ کُرۡہًا وَّ وَضَعَتۡہُ کُرۡہًا ؕ وَ حَمۡلُہٗ وَ فِصٰلُہٗ ثَلٰثُوۡنَ شَہۡرًا ؕ حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ اَشُدَّہٗ وَ بَلَغَ اَرۡبَعِیۡنَ سَنَۃً ۙ قَالَ رَبِّ اَوۡزِعۡنِیۡۤ اَنۡ اَشۡکُرَ نِعۡمَتَکَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتَ عَلَیَّ وَ عَلٰی وَالِدَیَّ وَ اَنۡ اَعۡمَلَ صَالِحًا تَرۡضٰہُ وَ اَصۡلِحۡ لِیۡ فِیۡ ذُرِّیَّتِیۡ ۚؕ اِنِّیۡ تُبۡتُ اِلَیۡکَ وَ اِنِّیۡ مِنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۵۱﴾
Wa wassainal iensaana biewaaliedaihie iehsaana; hamalat hoe oemmoehoe koerhanw-wa wada'at hoe koerhaw wa hamloehoe wa fiesaaloehoe salaasoena shahraa; hattaaa iezaa balagha ashoeddahoe wa balagha arba'ieena sanatan qaala Rabbie awzie' nieee an ashkoera nie'matakal latieee an'amta 'alaiya wa 'alaa waaliedaiya wa an a'mala saaliehan tardaahoe wa aslieh liee fiee zoerrieyyatiee; ienniee toebtoe ielaika wa ienniee mienal moesliemieen
46:15 Wij hebben goedheid bevolen aan de mens voor zijn ouders. Zijn moeder droeg hem met pijn en baarde hem met pijn. De zwangerschap en het zogen van hem duurde dertig maanden. Wanneer hij volwassen is en zijn veertigste jaar bereikt, zegt hij: "Mijn Heer schenk mij de macht om dankbaar te zijn voor de gunsten die U aan mij en mijn ouders heeft geschonken. En laat mij goede daden verrichten welke U mogen behagen. En maak mij nakomelingen rechtvaardig. Ik keer tot U, Ik behoor tot degenen die zich aan U hebben onderworpen (moslims)."

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ نَتَقَبَّلُ عَنۡہُمۡ اَحۡسَنَ مَا عَمِلُوۡا وَ نَتَجَاوَزُ عَنۡ سَیِّاٰتِہِمۡ فِیۡۤ اَصۡحٰبِ الۡجَنَّۃِ ؕ وَعۡدَ الصِّدۡقِ الَّذِیۡ کَانُوۡا یُوۡعَدُوۡنَ ﴿۶۱﴾
Oelaaa'iekal lazieena nata qabbaloe 'anhoem ahsana maa 'amieloe wa natadjaawazoe 'an saiyieaatiehiem fieee Ashaabiel djannatie Wa'das siedqiel laziee kaanoe yoe'adoen
46:16 Deze zijn het waarvan Wij het beste van wat ze doen accepteren. Wij zullen hun slechte daden over het hoofd zien. Ze zullen tot de bewoners van het paradijs behoren. Een ware belofte die hun was toegezegd.

وَ الَّذِیۡ قَالَ لِوَالِدَیۡہِ اُفٍّ لَّکُمَاۤ اَتَعِدٰنِنِیۡۤ اَنۡ اُخۡرَجَ وَ قَدۡ خَلَتِ الۡقُرُوۡنُ مِنۡ قَبۡلِیۡ ۚ وَ ہُمَا یَسۡتَغِیۡثٰنِ اللّٰہَ وَیۡلَکَ اٰمِنۡ ٭ۖ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ ۚۖ فَیَقُوۡلُ مَا ہٰذَاۤ اِلَّاۤ اَسَاطِیۡرُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۷۱﴾
Wallaziee qaala liewaalie daihie oeffiel lakoemaaa ata'iedanienieee an oeghradja wa qad ghalatiel qoeroenoe mien qabliee wa hoemaa yastaghieesaaniel laaha wailaka aamien ienna wa'dal laahie haqq, fa yaqoeloe maa haazaaa iellaaa asaatieeroel awwalieen
46:17 Maar degene die tegen zijn ouders zegt: "Foei, tegen jullie beiden. Zeggen jullie mij toe dat ik zal worden opgewekt (als ik dood ben) en (ook) de generaties die voor mij zijn heen gegaan?" Vervolgens zoeken beide (ouders) hulp bij Allah: "Foei, tegen jou! Geloof! Zonder twijfel, de toezegging van Allah is waar!" Vervolgens, zegt hij: "Dit zijn alleen fabels/verhalen van de ouden."

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ حَقَّ عَلَیۡہِمُ الۡقَوۡلُ فِیۡۤ اُمَمٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا خٰسِرِیۡنَ ﴿۸۱﴾
Oelaaa'iekal lazieena haqqa 'alaihiemoel qawloe fieee oemamien qad ghalat mien qabliehiem mienal djiennie wal iensie iennahoem kaanoe ghaasierieen
46:18 Deze zijn het waarvan bewezen is dat het woord (de straf) op hun waar is, ook op de generaties van djiens en mensen die voor hen zijn heen gegaan. Zonder twijfel zij zijn de verliezers. (Notitie:, zie 11:119. Het gaat hier om het woord van Allah: "Zeker, Ik zal de hel vullen met djien's en mensen tezamen." Zie ook 51:56, 28:63, 36:7).

وَ لِکُلٍّ دَرَجٰتٌ مِّمَّا عَمِلُوۡا ۚ وَ لِیُوَفِّیَہُمۡ اَعۡمَالَہُمۡ وَ ہُمۡ لَا یُظۡلَمُوۡنَ ﴿۹۱﴾
Wa liekoellien daradjaatoem miemmaa 'amieloe wa lieyoewaf fieyahoem a'maalahoem wa hoem laa yoezlamoen
46:19 Voor iedereen (in het hiernamaals) zijn er rangen voor datgeen wat ze hebben gedaan, zodat Hij hen volledig compenseert voor hun daden. Er zal hun geen onrecht worden aangedaan.

وَ یَوۡمَ یُعۡرَضُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَلَی النَّارِ ؕ اَذۡہَبۡتُمۡ طَیِّبٰتِکُمۡ فِیۡ حَیَاتِکُمُ الدُّنۡیَا وَ اسۡتَمۡتَعۡتُمۡ بِہَا ۚ فَالۡیَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ عَذَابَ الۡہُوۡنِ بِمَا کُنۡتُمۡ تَسۡتَکۡبِرُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَفۡسُقُوۡنَ ﴿۰۲﴾
Wa Yawma yoe'radoel lazieena kafaroe 'alan Naarie azhabtoem taiyiebaatiekoem fiee hayaatiekoemoed doenyaa wastam ta'toem biehaa fal Yawma toedjzawna 'azaabal hoenie biemaa koentoem tastakbieroena fiel ardie bieghairiel haqqie wa biemaa koentoem tafsoeqoen
46:20 Op de dag dat de ongelovigen aan het vuur worden blootgesteld (, zal er worden gezegd:) "Jullie hebben de goede dingen tijdens het wereldse leven uitgeput en jullie vermaakten julliezelf ermee. Dus vandaag zullen jullie gecompenseerd worden met een vernederende straf, omdat jullie hoogmoedig op de aarde waren zonder enige recht en omdat jullie provocerend ongehoorzaam waren."

وَ اذۡکُرۡ اَخَا عَادٍ ؕ اِذۡ اَنۡذَرَ قَوۡمَہٗ بِالۡاَحۡقَافِ وَ قَدۡ خَلَتِ النُّذُرُ مِنۡۢ بَیۡنِ یَدَیۡہِ وَ مِنۡ خَلۡفِہٖۤ اَلَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّا اللّٰہَ ؕ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۲﴾
Wazkoer aghaa 'Aad, iez anzara qawmahoe biel Ahqaafie wa qad ghalatien noezoeroe miem bainie yadaihie wa mien ghalfiehieee allaa ta'boedoeo iellal laaha iennieee aghaafoe 'alaikoem 'azaaba Yawmien 'azieem
46:21 En gedenk (O Mohammed v.z.m.h.) de broeder (Hoed) van het volk Aad, toen hij zijn volk bij de Ah-Qaaf (woestijnduinen, grote zandheuvels) waarschuwde. En (weet dat) er al waarschuwers voor zijn tijd waren gekomen en ook na zijn tijd, zeggende: "Aanbid niemand behalve Allah! Ik vrees een grote straf voor jullie op een moeilijke dag."

قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا لِتَاۡفِکَنَا عَنۡ اٰلِہَتِنَا ۚ فَاۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۲۲﴾
Qaaloe adjie'tanaa lie taa fiekanaa 'an aaliehatienaa fa'tienaa biemaa ta'iedoenaaa ien koenta mienas saadieqieen
46:22 Ze zeiden: "Ben jij tot ons gekomen om ons tegen onze goden te keren? Breng ons maar datgeen waar jij mee dreigt, als jij de waarheid spreekt."

قَالَ اِنَّمَا الۡعِلۡمُ عِنۡدَ اللّٰہِ ۫ۖ وَ اُبَلِّغُکُمۡ مَّاۤ اُرۡسِلۡتُ بِہٖ وَ لٰکِنِّیۡۤ اَرٰىکُمۡ قَوۡمًا تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۳۲﴾
Qaala iennamal 'ielmoe iendal laahie wa oeballieghoekoem maaa oersieltoe biehiee wa laakiennieee araakoem qawman tadjhaloen
46:23 Hij (Hoed) zei: "De kennis daarvan is alleen bij Allah. Ik zeg alleen datgeen waarmee ik ben gestuurd. Echter, ik zie dat jullie een volk zijn dat weinig kennis bevat."

فَلَمَّا رَاَوۡہُ عَارِضًا مُّسۡتَقۡبِلَ اَوۡدِیَتِہِمۡ ۙ قَالُوۡا ہٰذَا عَارِضٌ مُّمۡطِرُنَا ؕ بَلۡ ہُوَ مَا اسۡتَعۡجَلۡتُمۡ بِہٖ ؕ رِیۡحٌ فِیۡہَا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۴۲﴾
Falammaa ra awhoe 'aariedam moestaqbiela awdieyatiehiem qaaloe haazaa 'aariedoem moemtieroenaa; bal hoewa masta'djaltoem biehiee rieehoen fieehaa 'azaaboen alieem
46:24 Vervolgens, zagen ze een wolk dat hun valleien naderde. Ze zeiden: "Dit is een wolk dat voor ons regen zal brengen." (

تُدَمِّرُ کُلَّ شَیۡءٍۭ بِاَمۡرِ رَبِّہَا فَاَصۡبَحُوۡا لَا یُرٰۤی اِلَّا مَسٰکِنُہُمۡ ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡقَوۡمَ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۵۲﴾
Toedammieroe koella shai'iem bie-amrie Rabbiehaa fa asbahoe laa yoeraaa iellaa masaakienoehoem; kazaalieka nadjziel qawmal moedjriemieen
Allah zei:) "Nee het is datgeen waar jullie om vroegen om het te verhaasten. Een wind met een pijnlijke straf,"

وَ لَقَدۡ مَکَّنّٰہُمۡ فِیۡمَاۤ اِنۡ مَّکَّنّٰکُمۡ فِیۡہِ وَ جَعَلۡنَا لَہُمۡ سَمۡعًا وَّ اَبۡصَارًا وَّ اَفۡـِٕدَۃً ۫ۖ فَمَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُمۡ سَمۡعُہُمۡ وَ لَاۤ اَبۡصَارُہُمۡ وَ لَاۤ اَفۡـِٕدَتُہُمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ اِذۡ کَانُوۡا یَجۡحَدُوۡنَ ۙ بِاٰیٰتِ اللّٰہِ وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۶۲﴾
Wa laqad makkannaahoem fieemaaa iem makkannaakoem fieehie wadj'alnaa lahoem sam'aw wa absaaraw wa af'iedatan famaaa aghnaa 'anhoem sam'oehoem wa laaa absaaroehoem wa laaa af'iedatoehoem mien shai'ien iez kaanoe yadjhadoena bie Aayaatiel laahie wa haaqa biehiem maa kaanoe biehiee yastahzie'oen
46:25 "die alles vernietigt door het bevel van Zijn Heer." Dus ze werden zo (gestraft) dat er niets anders te zien was dan hun woningen. Zo vergelden Wij het misdadig volk.

وَ لَقَدۡ اَہۡلَکۡنَا مَا حَوۡلَکُمۡ مِّنَ الۡقُرٰی وَ صَرَّفۡنَا الۡاٰیٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Wa laqad ahlaknaa ma hawlakoem mienal qoeraa wa sarrafnal Aayaatie la'allahoem yardjie'oen
46:26 Waarlijk, Wij hadden hen gevestigd zoals Wij jullie vestigen (veilige omgevingen met voorziengen). Wij maakten voor hen het gehoor, zicht en harten (zoals bij jullie). Echter, toen ze de tekenen van Allah verwierpen, gaf hun gehoor, zicht en harten hen geen enkel voordeel. Datgeen wat ze belach maakten omhulde hen. (Notitie: Zie 28:57-58, 16:112-114 m.b.t de voorzieningen die Allah voor de bewoners Mekka heeft gegeven.)

فَلَوۡ لَا نَصَرَہُمُ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ قُرۡبَانًا اٰلِـہَۃً ؕ بَلۡ ضَلُّوۡا عَنۡہُمۡ ۚ وَ ذٰلِکَ اِفۡکُہُمۡ وَ مَا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Falaw laa nasarahoemoel lazieenat taghazoe mien doeniel laahie qoerbaanan aaliehatam bal dalloe 'anhoem' wa zaalieka iefkoehoem wa maa kaanoe yaftaroen
46:27 Waarlijk, Wij vernietigden steden in jullie omgeving. En Wij hebben de 'Ayahs' (tekenen/verzen) verschillend gemaakt zodat ze konden terugkeren (naar het rechte pad).

وَ اِذۡ صَرَفۡنَاۤ اِلَیۡکَ نَفَرًا مِّنَ الۡجِنِّ یَسۡتَمِعُوۡنَ الۡقُرۡاٰنَ ۚ فَلَمَّا حَضَرُوۡہُ قَالُوۡۤا اَنۡصِتُوۡا ۚ فَلَمَّا قُضِیَ وَلَّوۡا اِلٰی قَوۡمِہِمۡ مُّنۡذِرِیۡنَ ﴿۹۲﴾
Wa iez sarafienaaa ielaika nafaram mienal djiennie yastamie'oenal Qoeraana falammaa hadaroehoe qaaloeo ansietoe falammaa qoedieya wallaw ielaa qawmiehiem moenzierieen
46:28 Waarom werden ze dan niet geholpen door degenen die ze naast Allah aanbaden als een middel van toenadering (naar Allah)? Nee, ze waren verdwaald door hen. En dat was (het einde van) hun leugens en hun verzinsels.

قَالُوۡا یٰقَوۡمَنَاۤ اِنَّا سَمِعۡنَا کِتٰبًا اُنۡزِلَ مِنۡۢ بَعۡدِ مُوۡسٰی مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ یَہۡدِیۡۤ اِلَی الۡحَقِّ وَ اِلٰی طَرِیۡقٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ﴿۰۳﴾
Qaaloe yaa qawmanaaa iennaa samie'naa Kietaaban oenziela miem ba'die Moesa moesaddieqal liemaa baina yadiehie yahdieee ielal haqqie wa ielaa Tarieeqiem Moestaqieem
46:29 En (gedenk) toen Wij een groep van (drie tot tien) djiens naar jou (Mohammed v.z.m.h.) toe deden komen, voor het luisteren naar de Koran. Op het moment dat ze het (de Koran recitatie) bijwoonden, zeiden ze: "Luister in alle stilte (dus met volledige aandacht)." Nadat het klaar was, keerden ze terug naar hun volk als waarschuwers.

یٰقَوۡمَنَاۤ اَجِیۡبُوۡا دَاعِیَ اللّٰہِ وَ اٰمِنُوۡا بِہٖ یَغۡفِرۡ لَکُمۡ مِّنۡ ذُنُوۡبِکُمۡ وَ یُجِرۡکُمۡ مِّنۡ عَذَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۱۳﴾
Yaa qawmanaaa adjieeboe daa'ieyal laahie wa aamienoe biehiee yaghfier lakoem mien zoenoebiekoem wa yoedjierkoem mien 'azaabien alieem
46:30 Ze zeiden: "Mijn volk! Wij hebben een boek gehoord, dat geopenbaard is na Moesa. Het bevestigt datgeen wat er voor was, en leidt naar de waarheid en naar het rechte pad."

وَ مَنۡ لَّا یُجِبۡ دَاعِیَ اللّٰہِ فَلَیۡسَ بِمُعۡجِزٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَیۡسَ لَہٗ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءُ ؕ اُولٰٓئِکَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۳﴾
Wa mal laa yoedjieb daa'ieyal laahie falaisa biemoe'djiezien fiel ardie wa laisa lahoe mien doeniehieee awlieyaaa'; oelaaa ieka fiee dalaaliem moebieen
46:31 "Mijn volk! Handel volgens de uitnodiger (Mohammed v.z.m.h.) van Allah en geloof in hem. Hij (Allah) zal jullie zonden vergeven en zal jullie beschermen van een pijnlijke straf.

اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّ اللّٰہَ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ لَمۡ یَعۡیَ بِخَلۡقِہِنَّ بِقٰدِرٍ عَلٰۤی اَنۡ یُّحۡیَِۧ الۡمَوۡتٰی ؕ بَلٰۤی اِنَّہٗ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۳۳﴾
Awalam yaraw annal laahal laziee ghalaqas samaawaatie wal arda wa lam ya'ya bieghal qiehienna bieqaadierien 'alaaa aiyoehyieyal mawtaa; balaaa iennahoe 'alaa koellie shai'ien Qadieer
46:32 "Wie niet volgens de uitnodiger van Allah handelt, weet dan dat hij zich niet op de aarde kan verschuilen, noch is er voor hem beschermers naast Hem (Allah). Dat zijn degenen die duidelijk dwalen."

وَ یَوۡمَ یُعۡرَضُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَلَی النَّارِ ؕ اَلَیۡسَ ہٰذَا بِالۡحَقِّ ؕ قَالُوۡا بَلٰی وَ رَبِّنَا ؕ قَالَ فَذُوۡقُوا الۡعَذَابَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡفُرُوۡنَ ﴿۴۳﴾
Wa Yawma yoe'radoel lazieena kafaroe 'alan naarie alaisa haaza biel haqq; qaaloe balaa wa Rabbienaa; qaala fazoeqoel 'azaaba biemaa koentoem takfoeroen
46:33 Zien ze niet dat Allah, Degene Die de hemelen en de aarde schiep en niet moe werd door hun te creëren, in staat is om leven aan de dode te geven? Zeer zeker, Hij is over elk iets "Al-Qadier" (Degene Die in staat om alles te kunnen bewerkstelligen).

فَاصۡبِرۡ کَمَا صَبَرَ اُولُوا الۡعَزۡمِ مِنَ الرُّسُلِ وَ لَا تَسۡتَعۡجِلۡ لَّہُمۡ ؕ کَاَنَّہُمۡ یَوۡمَ یَرَوۡنَ مَا یُوۡعَدُوۡنَ ۙ لَمۡ یَلۡبَثُوۡۤا اِلَّا سَاعَۃً مِّنۡ نَّہَارٍ ؕ بَلٰغٌ ۚ فَہَلۡ یُہۡلَکُ اِلَّا الۡقَوۡمُ الۡفٰسِقُوۡنَ ﴿۵۳﴾
Fasbier kamaa sabara oeloel 'azmie mienar Roesoelie wa laa tasta'djiel lahoem; ka annahoem Yawma yarawna maa yoe'adoena lam yalbasoeo iellaa saa'atam mien nahaar; balaagh; fahal yoehlakoe iellal qawmoel faasieqoen
46:34 Op de dag wanneer de ongelovigen aan het vuur bloot gesteld worden, zal er worden gezegd: "Is dit niet echt?" Ze zullen zeggen: "Zeer zeker, (wij zweren) bij onze Heer (dat dit echt is)!" Hij (Allah) zal dan zeggen: "Proef dan de straf omdat jullie niet (erin) geloofden."

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
اَلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ اَضَلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۱﴾
Allazieena kafaroe wa saddoe'an sabieeliel laahie adalla a'maalahoem
47:1 Voor degenen die niet geloven en die het pad verhinderen (voor anderen) dat naar Allah leidt, Hij zal hun daden verloren doen gaan.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ اٰمَنُوۡا بِمَا نُزِّلَ عَلٰی مُحَمَّدٍ وَّ ہُوَ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ۙ کَفَّرَ عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ وَ اَصۡلَحَ بَالَہُمۡ ﴿۲﴾
Wallazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie wa aamanoe biemaa noezziela 'alaa Moehammadienw-wa hoewal haqqoe mier Rabbiehiem kaffara 'anhoem saiyieaatiehiem wa aslaha baalahoem
47:2 (Echter,) Voor degenen, die geloven (in Allah) en goede daden verrichten en geloven in wat aan Mohammed (v.z.m.h.) is geopenbaard, en dat is de absolute waarheid van hun Heer, (voor hen) zal Hij hun foute daden wissen en hun toestand verbeteren.

ذٰلِکَ بِاَنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوا اتَّبَعُوا الۡبَاطِلَ وَ اَنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اتَّبَعُوا الۡحَقَّ مِنۡ رَّبِّہِمۡ ؕ کَذٰلِکَ یَضۡرِبُ اللّٰہُ لِلنَّاسِ اَمۡثَالَہُمۡ ﴿۳﴾
Zaalieka bie annal lazieena kafaroet taba'oel baatiela wa annal lazieena aamanoet taba'oel haqqa mier Rabbiehiem; kazaalieka yadrieboel laahoe liennaasie amsaalahoem
47:3 Dit is omdat de ongeloven de leugens volgen en de geloven volgen de waarheid van hun Heer. Zo geeft Allah de gelijknissen.

فَاِذَا لَقِیۡتُمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَضَرۡبَ الرِّقَابِ ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَثۡخَنۡتُمُوۡہُمۡ فَشُدُّوا الۡوَثَاقَ ٭ۙ فَاِمَّا مَنًّۢا بَعۡدُ وَ اِمَّا فِدَآءً حَتّٰی تَضَعَ الۡحَرۡبُ اَوۡزَارَہَا ۬ۚ۟ۛ ذٰؔلِکَ ؕۛ وَ لَوۡ یَشَآءُ اللّٰہُ لَانۡتَصَرَ مِنۡہُمۡ وَ لٰکِنۡ لِّیَبۡلُوَا۠ بَعۡضَکُمۡ بِبَعۡضٍ ؕ وَ الَّذِیۡنَ قُتِلُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ فَلَنۡ یُّضِلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۴﴾
Fa-iezaa laqieetoemoel lazieena kafaroe fadarbar rieqaabie, hattaaa iezaa asghan toemoehoem fashoeddoel wasaaqa, fa iemmaa mannnam ba'doe wa iemmaa fiedaaa'an hattaa tada'al harboe awzaarahaa; zaalieka wa law yashaaa'oel laahoe lantasara mienhoem wa laakien lie yabloewa ba'dakoem bie ba'd; wallazieena qoetieloe fiee sabieeliel laahie falay yoediella a'maalahoem
47:4 Wanneer je de ongelovigen (tijdens de heilige oorlog) ontmoet, sla hun nekken totdat jullie hen hebt overwonnen. Bindt ze (de gevangenen) daarna stevig vast. Vervolgens, als er geen oorlog meer is, laat hen dan vrijwillig of op basis van losgeld vrij. Dat is de bepaling (van Allah). Indien, Allah het had gewild dan kon Hij hen zeker (zelf) vergelden. Echter, het (deze vaststelling) is om enkele van jullie te beproeven door anderen. Weet dat voor degenen die op de weg van Allah zijn gedood, (voor hen) zal Hij nooit hun daden doen verloren gaan.

سَیَہۡدِیۡہِمۡ وَ یُصۡلِحُ بَالَہُمۡ ۚ﴿۵﴾
Sa-yahdieehiem wa yoesliehoe baalahoem
47:5 Hij zal hen (de gelovigen) leiden, hun toestand verbeteren,

وَ یُدۡخِلُہُمُ الۡجَنَّۃَ عَرَّفَہَا لَہُمۡ ﴿۶﴾
Wa yoedghieloehoemoel djannata 'arrafahaa lahoem
47:6 en hun toelaten tot het paradijs. Hij heeft het hen beloofd.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنۡ تَنۡصُرُوا اللّٰہَ یَنۡصُرۡکُمۡ وَ یُثَبِّتۡ اَقۡدَامَکُمۡ ﴿۷﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoeo ien tansoeroel laaha yansoerkoem wa yoesabbiet aqdaamakoem
47:7 O gelovigen! Als jullie werken op de weg van Allah, dan zal Hij jullie helpen en jullie voeten standvastig maken.

وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَتَعۡسًا لَّہُمۡ وَ اَضَلَّ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۸﴾
Wallazieena kafaroe fata' sal lahoem wa adalla a'maalahoem
47:8 Echter, voor de ongelovigen is er vernietiging. Hij zal hun daden waardeloos maken. (Notitie: de ongelovigen denken dat ze goed doen, echter voor Allah heeft hun daden geen waarde. Allah vermeld in de Koran wat goede daden zijn, zie o.a. 5:12)

ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَرِہُوۡا مَاۤ اَنۡزَلَ اللّٰہُ فَاَحۡبَطَ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۹﴾
Zaalieka bie annahoem kariehoe maaa anzal allaahoe fa ahbata a'maalahoem
47:9 Dat is omdat ze datgeen haten wat Allah heeft geopenbaard. Dus heeft Hij hun daden waardeloos gemaakt.

اَفَلَمۡ یَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ دَمَّرَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ ۫ وَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ اَمۡثَالُہَا ﴿۰۱﴾
Afalam yasieeroe fiel ardie fayanzoeroe kaifa kaana 'aaqiebatoel lazieena mien qabliehiem; dammaral laahoe 'alaihiem wa lielkaafierieena amsaaloehaa
47:10 Reizen ze niet op aarde en zien ze niet hoe het einde was van de generaties voor hen? Allah vernietigde hen en voor de ongelovigen geldt hetzelfde. (Notitie: zie ook 48:23)

ذٰلِکَ بِاَنَّ اللّٰہَ مَوۡلَی الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ اَنَّ الۡکٰفِرِیۡنَ لَا مَوۡلٰی لَہُمۡ ﴿۱۱﴾
Zaalieka bie annal laaha mawlal lazieena aamanoe wa annal kaafierieena laa mawlaa lahoem
47:11 Dat is omdat Allah de Beschermer is voor de gelovigen. Voor de ongelovigen is er geen beschermer.

اِنَّ اللّٰہَ یُدۡخِلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ؕ وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا یَتَمَتَّعُوۡنَ وَ یَاۡکُلُوۡنَ کَمَا تَاۡکُلُ الۡاَنۡعَامُ وَ النَّارُ مَثۡوًی لَّہُمۡ ﴿۲۱﴾
Innal-laaha yoedghieloel lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe wallazieena kafaroe yatamatta'oena wa ya'koeloena kamaa ta'koeloel an'aamoe wan Naaroe maswan lahoem
47:12 Zonder twijfel, Allah zal degenen die geloven en goed daden verrichten toelaten tot de tuinen (het paradijs), waar rivieren onder stromen. Echter, de ongelovigen genieten (van het wereldse leven) en eten als vee. Het vuur zal hun verblijf plaats zijn.

وَ کَاَیِّنۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ ہِیَ اَشَدُّ قُوَّۃً مِّنۡ قَرۡیَتِکَ الَّتِیۡۤ اَخۡرَجَتۡکَ ۚ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ فَلَا نَاصِرَ لَہُمۡ ﴿۳۱﴾
Wa ka ayyiem mien qaryatien hieya ashaddoe qoewwatam mien qaryatiekal latieee aghradjatka ahlaknaahoem falaa naasiera lahoem
47:13 (Zie) Hoeveel steden hebben Wij vernietigd, die sterker waren dan jouw stad, (de stad) die jou heeft uit gedreven. Er waren geen helpers voor hen.

اَفَمَنۡ کَانَ عَلٰی بَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ کَمَنۡ زُیِّنَ لَہٗ سُوۡٓءُ عَمَلِہٖ وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ ﴿۴۱﴾
Afaman kaana 'alaa baiyienatiem mier Rabbiehiee kaman zoeyyiena lahoe soeo'oe 'amaliehiee wattaba'oeo ahwaaa'ahoem
47:14 Is degene die zich berust op een duidelijk bewijs van zijn Heer, gelijk aan degene waarvoor zijn slechte daden aantrekkelijk is gemaakt en die hun verlangens na streven?

مَثَلُ الۡجَنَّۃِ الَّتِیۡ وُعِدَ الۡمُتَّقُوۡنَ ؕ فِیۡہَاۤ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ مَّآءٍ غَیۡرِ اٰسِنٍ ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ لَّبَنٍ لَّمۡ یَتَغَیَّرۡ طَعۡمُہٗ ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ خَمۡرٍ لَّذَّۃٍ لِّلشّٰرِبِیۡنَ ۬ۚ وَ اَنۡہٰرٌ مِّنۡ عَسَلٍ مُّصَفًّی ؕ وَ لَہُمۡ فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ وَ مَغۡفِرَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ ؕ کَمَنۡ ہُوَ خَالِدٌ فِی النَّارِ وَ سُقُوۡا مَآءً حَمِیۡمًا فَقَطَّعَ اَمۡعَآءَہُمۡ ﴿۵۱﴾
Masaloel djannatiel latiee woe'iedal moettaqoena fieehaaa anhaaroem mien maaa'ien ghayrie aasieniew wa anhaaroem miel labaniel lam yataghaiyar ta'moehoe wa anhaaroem mien ghamriel lazzatien lie shaariebieena wa anhaaroem mien 'asaliem moesaffaw wa lahoem fieeha mien koellies samaraatie wa maghfieratoem mier Rabbiehiem kaman hoewa ghaaliedoen fien naarie wa soeqoe maaa'an hamieeman faqatta'a am'aaa'ahoem
47:15 Een omschrijving van het paradijs, welke beloofd is aan de Moetaqoens (zie 2:2-5), (is als een tuin.) Daarin zijn er rivieren met zuiver water, rivieren van melk die niet van smaak verandert, rivieren van wijn heerlijk voor de drinkers en rivieren van zuiver honing. En alle vruchten zijn er voor hen daar. En vergiffenis van hun Heer. Is dit gelijk aan degene die voor altijd in het vuur zal blijven? (Daarin) zullen ze kokend water te drinken krijgen, wat hun ingewanden in stukken zal snijden. (Notitie: zie ook 13:35)

وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ یَّسۡتَمِعُ اِلَیۡکَ ۚ حَتّٰۤی اِذَا خَرَجُوۡا مِنۡ عِنۡدِکَ قَالُوۡا لِلَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ مَاذَا قَالَ اٰنِفًا ۟ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ طَبَعَ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ وَ اتَّبَعُوۡۤا اَہۡوَآءَہُمۡ ﴿۶۱﴾
Wa mienhoem may yastamie'oe ielaika hattaaa iezaa gharadjoe mien 'iendieka qaaloe liel lazieena oetoel 'ielma maazaa qaala aaniefaa; oelaaa'iekal lazieena taba'al laahoe 'alaa qoeloebiehiem wattaba'oeo ahwaaa'ahoem
47:16 Onder hen (de hypocrieten) zijn er enkelen die naar jou luisteren. Wanneer ze weggaan van jou, zeggen ze tegen degenen met kennis: "Wat heeft hij net gezegd?" Dat zijn degenen waarop Allah een zegel op hun harten heeft geplaatst en die hun verlangens volgen.

وَ الَّذِیۡنَ اہۡتَدَوۡا زَادَہُمۡ ہُدًی وَّ اٰتٰہُمۡ تَقۡوٰىہُمۡ ﴿۷۱﴾
Wallazieenah tadaw zaadahoem hoedaw wa aataahoem taqwaahoem
47:17 Degenen die de leiding accepteren, hij laat hen toenemen in leiding en geeft hen hun godsvreesheid. (Notitie: zie ook 9:124)

فَہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا السَّاعَۃَ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ بَغۡتَۃً ۚ فَقَدۡ جَآءَ اَشۡرَاطُہَا ۚ فَاَنّٰی لَہُمۡ اِذَا جَآءَتۡہُمۡ ذِکۡرٰىہُمۡ ﴿۸۱﴾
Fahal yanzoeroena iellas Saa'ata an ta'tieyahoem baghtatan faqad djaaa'a ashraatoehaa; fa annaa lahoem iezaa djaaa'at hoem ziekraahoem
47:18 Wachten ze (de ongelovigen) alleen op het uur (dood, dag des oordeels), wat plotseling hen zal overvallen? Echter, (weet dat) de tekenen ervan zijn gekomen. Hoe kan dan het gedenken van hun (aan Allah, dag des oordeels, etc) voordeel hebben op het moment dat het (uur) tot hen komt? (Notitie: zie 54:1 voor een teken.)

فَاعۡلَمۡ اَنَّہٗ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا اللّٰہُ وَ اسۡتَغۡفِرۡ لِذَنۡۢبِکَ وَ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ مُتَقَلَّبَکُمۡ وَ مَثۡوٰىکُمۡ ﴿۹۱﴾
Fa'lam annahoe laaa ielaaha iellal laahoe wastaghfier liezambieka wa lielmoe'mienieena walmoe'mienaat; wallaahoe ya'lamoe moetaqallabakoem wa maswaakoem
47:19 Weet dus dat er geen andere godheid\deïteit is dan Allah en vraag vergiffenis voor je zonden en die van gelovigen mannen en gelovigen vrouwen. Allah weet waar jullie naar toe gaan en kent (de huizen) waar jullie naar terugkeren.

وَ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَوۡ لَا نُزِّلَتۡ سُوۡرَۃٌ ۚ فَاِذَاۤ اُنۡزِلَتۡ سُوۡرَۃٌ مُّحۡکَمَۃٌ وَّ ذُکِرَ فِیۡہَا الۡقِتَالُ ۙ رَاَیۡتَ الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ یَّنۡظُرُوۡنَ اِلَیۡکَ نَظَرَ الۡمَغۡشِیِّ عَلَیۡہِ مِنَ الۡمَوۡتِ ؕ فَاَوۡلٰی لَہُمۡ ﴿۰۲﴾
Wa yaqoeloel lazieena aamanoe law laa noezzielat Soeratoen fa iezaaa oenzielat Soeratoem Moehkamatoew wa zoekiera fieehal qietaaloe ra aytal lazieena fiee qoeloebiehiem maradoey yanzoeroena ielaika nazaral maghshieyyie 'alaihie mienal mawtie fa'awlaa lahoem
47:20 De gelovigen zeggen: "Waarom is er geen vers geopenbaard (voor toestemming om te vechten)?" Echter, wanneer er een overduidelijke vers wordt geopenbaard waarin het vechten wordt vermeld (zie 22:39), dan zie je degenen met een ziekte in het hart, naar jou kijken alsof ze flauwvallen zoals ze flauwvallen wanneer ze dood gaan. Echter, het is beter voor hen,

طَاعَۃٌ وَّ قَوۡلٌ مَّعۡرُوۡفٌ ۟ فَاِذَا عَزَمَ الۡاَمۡرُ ۟ فَلَوۡ صَدَقُوا اللّٰہَ لَکَانَ خَیۡرًا لَّہُمۡ ﴿۱۲﴾
Taa'atoew wa qawloem ma'roef; fa iezaa 'azamal amroe falaw sadaqoel laaha lakaana ghairal lahoem
47:21 om gehoorzaam te zijn en vriendelijk te spreken. En wanneer de kwestie (van strijden) bepaald is, dan indien ze aan Allah trouw zijn gebleven, dan zou dat zeker beter voor hen zijn.

فَہَلۡ عَسَیۡتُمۡ اِنۡ تَوَلَّیۡتُمۡ اَنۡ تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ تُقَطِّعُوۡۤا اَرۡحَامَکُمۡ ﴿۲۲﴾
Fahal 'asaitoem ien tawallaitoem an toefsiedoe fiel ardie wa toeqattie'oeo arhaamakoem
47:22 Zouden jullie dan misschien verderf op aarde willen zaaien en familiebanden willen verbreken als jullie de gezag/overhand krijgen?

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ لَعَنَہُمُ اللّٰہُ فَاَصَمَّہُمۡ وَ اَعۡمٰۤی اَبۡصَارَہُمۡ ﴿۳۲﴾
Oelaaa'iekal lazieena la'anahoemoel laahoe fa asammahoem wa a'maaa absaarahoem
47:23 Dat zijn degenen die vervloekt zijn door Allah. Hij heeft ze dus doof gemaakt en hun zicht verblind.

اَفَلَا یَتَدَبَّرُوۡنَ الۡقُرۡاٰنَ اَمۡ عَلٰی قُلُوۡبٍ اَقۡفَالُہَا ﴿۴۲﴾
Afalaa yatadabbaroenal Qoer-aana am 'alaa qoeloebien aqfaaloehaa
47:24 Denken ze dan niet na over de Koran of zijn hun harten op slot?

اِنَّ الَّذِیۡنَ ارۡتَدُّوۡا عَلٰۤی اَدۡبَارِہِمۡ مِّنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡہُدَی ۙ الشَّیۡطٰنُ سَوَّلَ لَہُمۡ ؕ وَ اَمۡلٰی لَہُمۡ ﴿۵۲﴾
Innal lazieenar taddoe 'alaaa adbaariehiem mien ba'die maa tabaiyana lahoemoel hoedash Shaitaanoe sawwala lahoem wa amlaa lahoem
47:25 Zonder twijfel, de satan heeft degenen verleid die hun rug toekeren (naar de leiding) nadat de leiding duidelijk is geworden en hun hoop geven.

ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ قَالُوۡا لِلَّذِیۡنَ کَرِہُوۡا مَا نَزَّلَ اللّٰہُ سَنُطِیۡعُکُمۡ فِیۡ بَعۡضِ الۡاَمۡرِ ۚۖ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ اِسۡرَارَہُمۡ ﴿۶۲﴾
Zaalieka bie annahoem qaaloe liellazieena kariehoe maa nazzalal laahoe sanoetiee'oekoem fiee ba'diel amrie wallaahoe ya'lamoe iesraarahoem
47:26 Dat is omdat ze (de hypocrieten) zeggen tegen degenen die haten wat Allah heeft geopenbaard (de joden van Medina, Quraish): "Wij zullen jullie steunen in de kwestie (oorlog tegen Mohamed v.z.m.h.)." Echter Allah kent hun geheimen. (Notitie: zie 59:11, 59:16, 63:7)

فَکَیۡفَ اِذَا تَوَفَّتۡہُمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ یَضۡرِبُوۡنَ وُجُوۡہَہُمۡ وَ اَدۡبَارَہُمۡ ﴿۷۲﴾
Fakaifa iezaa tawaffat hoemoel malaaa'iekatoe yadrieboena woedjoehahoem wa adbaa rahoem
47:27 Hoe zal het moment zijn, wanneer de engelen hen slaan op hun gezichten en hun ruggen (voordat de ziel weggenomen wordt) bij de dood? (Notitie: zie ook 6:93, 8:50.)

ذٰلِکَ بِاَنَّہُمُ اتَّبَعُوۡا مَاۤ اَسۡخَطَ اللّٰہَ وَ کَرِہُوۡا رِضۡوَانَہٗ فَاَحۡبَطَ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۸۲﴾
Zaalieka bie annahoemoet taba'oe maaa asghatal laaha wa kariehoe riedwaanahoe fa ahbata a'maalahoem
47:28 Dat is omdat ze datgeen volgen wat Allah woedend heeft gemaakt en Zijn tevredenheid (de rechtvaardige levenwijze) haten, daarom heeft Hij hun daden waardeloos gemaakt.

اَمۡ حَسِبَ الَّذِیۡنَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ مَّرَضٌ اَنۡ لَّنۡ یُّخۡرِجَ اللّٰہُ اَضۡغَانَہُمۡ ﴿۹۲﴾
Am hasiebal lazieena fiee qoeloebiehiem maradoen al lay yoeghriedjal laahoe adghaanahoem
47:29 Of denken degenen die een ziekte in hun hart hebben dat Allah nooit hun haatgevoelens zou onthullen?

وَ لَوۡ نَشَآءُ لَاَرَیۡنٰکَہُمۡ فَلَعَرَفۡتَہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ ؕ وَ لَتَعۡرِفَنَّہُمۡ فِیۡ لَحۡنِ الۡقَوۡلِ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۰۳﴾
Wa law nashaaa'oe la-arainaakahoem fala 'araftahoem bie sieemaahoem; wa lata'riefan nahoem fiee lahniel qawl; wallaahoe ya'lamoe a'maalakoem
47:30 Indien Wij het willen dan zouden Wij hen aan jou (Mohammed v.z.m.h.) kunnen tonen. Je herkent ze aan hun kenmerken. Jij zult hen zeker herkenen aan de manier van praten. Allah kent jullie daden.

وَ لَنَبۡلُوَنَّکُمۡ حَتّٰی نَعۡلَمَ الۡمُجٰہِدِیۡنَ مِنۡکُمۡ وَ الصّٰبِرِیۡنَ ۙ وَ نَبۡلُوَا۠ اَخۡبَارَکُمۡ ﴿۱۳﴾
Wa lanabloewannakoem hattaa na'lamal moedjaahiedieena mien-koem wassaabierieena wa nabloewa aghbaarakoem
47:31 Zonder twijfel, Wij zullen jullie beproeven totdat Wij het duidelijk maken wie degenen zijn die strijden en die geduldig zijn. Wij zullen jullie kwesties beproeven.

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ شَآقُّوا الرَّسُوۡلَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا تَبَیَّنَ لَہُمُ الۡہُدٰی ۙ لَنۡ یَّضُرُّوا اللّٰہَ شَیۡئًا ؕ وَ سَیُحۡبِطُ اَعۡمَالَہُمۡ ﴿۲۳﴾
Innal lazieena kafaroe wa saddoe 'an sabieeliel laahie wa shaaaqqoer Rasoela mien ba'die maa tabaiyana lahoemoel hoedaa lay yadoerroel laaha shai'aw wa sa yoehbietoe a'maalahoem
47:32 Degenen die niet geloven en zich afkeren van de weg van Allah en zich verzetten tegen de boodschapper nadat de leiding voor hen duidelijk is geworden, nooit kunnen ze enige schade toebrengen aan Allah. Hij zal hun daden waardeloos maken.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَطِیۡعُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوا الرَّسُوۡلَ وَ لَا تُبۡطِلُوۡۤا اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۳۳﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe atiee'oel laaha wa atiee'oer Rasoela wa laa toebtieloeo a'maalakoem
47:33 O gelovigen! Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de boodschapper. Maak jullie daden niet waardeloos.

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ثُمَّ مَاتُوۡا وَ ہُمۡ کُفَّارٌ فَلَنۡ یَّغۡفِرَ اللّٰہُ لَہُمۡ ﴿۴۳﴾
Innal lazieena kafaroe wa saddoe 'an sabieeliel laahie soemma maatoe wa hoem koeffaaroen falay yaghfierallaahoe lahoem
47:34 Zonder twijfel, degenen die niet geloven en zich afkeren van de weg van Allah, vervolgens dood gaan en ongelovig zijn, nooit zal Allah hen vergeven.

فَلَا تَہِنُوۡا وَ تَدۡعُوۡۤا اِلَی السَّلۡمِ ٭ۖ وَ اَنۡتُمُ الۡاَعۡلَوۡنَ ٭ۖ وَ اللّٰہُ مَعَکُمۡ وَ لَنۡ یَّتِرَکُمۡ اَعۡمَالَکُمۡ ﴿۵۳﴾
Falaa tahienoe wa tad'oeo ielas salmie wa antoemoel a'lawna wallaahoe ma'akoem wa lay yatierakoem a'maalakoem
47:35 Verzwak dus niet en roep tot vrede wanneer jullie de overhand hebben. Allah is met jullie en zal nooit de beloning van jullie daden verminderen.

اِنَّمَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا لَعِبٌ وَّ لَہۡوٌ ؕ وَ اِنۡ تُؤۡمِنُوۡا وَ تَتَّقُوۡا یُؤۡتِکُمۡ اُجُوۡرَکُمۡ وَ لَا یَسۡـَٔلۡکُمۡ اَمۡوَالَکُمۡ ﴿۶۳﴾
Innamal hayaatoed doenyaa la'ieboew wa lahw; wa ien toe'mienoe wa tattaqoe yoe'tiekoem oedjoerakoem wa laa yas'alkoem amwaalakoem
47:36 Het wereldse leven is alleen een spel en vermaak. Indien jullie geloven en Allah vrezen, zal Hij jullie jullie beloning geven en Hij zal niet vragen om jullie (volledige) rijkdommen.

اِنۡ یَّسۡـَٔلۡکُمُوۡہَا فَیُحۡفِکُمۡ تَبۡخَلُوۡا وَ یُخۡرِجۡ اَضۡغَانَکُمۡ ﴿۷۳﴾
Iy yas'alkoemoehaa fa yoehfiekoem tabghaloe wa yoeghriedj adghaanakoem
47:37 Als Hij het (de rijkdommen) zou opeisen en jullie er toe zou dwingen, dan zouden jullie (enige rijkdommen) achterhouden en Hij zou jullie haat onthullen.

ہٰۤاَنۡتُمۡ ہٰۤؤُلَآءِ تُدۡعَوۡنَ لِتُنۡفِقُوۡا فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ۚ فَمِنۡکُمۡ مَّنۡ یَّبۡخَلُ ۚ وَ مَنۡ یَّبۡخَلۡ فَاِنَّمَا یَبۡخَلُ عَنۡ نَّفۡسِہٖ ؕ وَ اللّٰہُ الۡغَنِیُّ وَ اَنۡتُمُ الۡفُقَرَآءُ ۚ وَ اِنۡ تَتَوَلَّوۡا یَسۡتَبۡدِلۡ قَوۡمًا غَیۡرَکُمۡ ۙ ثُمَّ لَا یَکُوۡنُوۡۤا اَمۡثَالَکُمۡ ﴿۸۳﴾
Haaa antoem haaa'oelaaa'ie toed'awna lietoenfieqoe fiee sabieeliellaahie famien-koem may yabghaloe wa may yabghal fa iennamaa yabghaloe 'an nafsieh; wallaahoe Ghanieyyoe wa antoemoel foeqaraaa'; wa ien tatawallaw yastabdiel qawman ghairakoem soemma laa yakoenoeo amsaalakoem
47:38 Aanschouw, deze (de gelovigen) zijn het die worden aangespoort om te bestedigen voor Allah's weg. Echter, enkele van jullie zijn gierig. En weet dat wie gierig is dat hij gierig is voor zichzelf. Weet dat Allah vrij is van enige behoefte, terwijl jullie de behoeftige zijn. Indien jullie je afkeren, dan zal Hij jullie vervangen met een ander volk, die niet zoals jullie zullen zijn. (Notitie: zie ook 34:39.)

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
اِنَّا فَتَحۡنَا لَکَ فَتۡحًا مُّبِیۡنًا ۙ﴿۱﴾
Innaa fatahnaa laka Fatham Moebieenaa
48:1 Wij hebben jou (Mohammed v.z.m.h.) de overwinning gegeven, een duidelijke overwinning.

لِّیَغۡفِرَ لَکَ اللّٰہُ مَا تَقَدَّمَ مِنۡ ذَنۡۢبِکَ وَ مَا تَاَخَّرَ وَ یُتِمَّ نِعۡمَتَہٗ عَلَیۡکَ وَ یَہۡدِیَکَ صِرَاطًا مُّسۡتَقِیۡمًا ۙ﴿۲﴾
Lieyaghfiera lakal laahoe maa taqaddama mien zanbieka wa maa ta aghghara wa yoetiemma nie'matahoe 'alaika wa yahdieyaka sieraatan moestaqieema
48:2 (De ultieme overwinning,) dat Allah voor jou (Mohammed v.z.m.h.), jouw zonden die begaan zijn en die zullen komen vergeeft. En dat Hij Zijn gunsten voor jou vervolmaakt en dat Hij jou leidt naar een recht pad.

وَّ یَنۡصُرَکَ اللّٰہُ نَصۡرًا عَزِیۡزًا ﴿۳﴾
Wa yansoerakal laahoe nasran 'azieezaa
48:3 En (de gunst) dat Allah jou een majestueuze overwinning schenkt. (Notitie: hier wordt gerefereerd naar het verdrag van Hoedaibiya, zie 48:24. Gedurende deze vredesverdrag zijn er veel ongelovigen van Mekka tot de Islam bekeert. Hoedaibiya werd in de eerste instantie niet als een overwinning gezien. Echter in deze Soerah, wordt bevestigd dat het verdrag van Hoedaibiya een overwinning is.)

ہُوَ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ السَّکِیۡنَۃَ فِیۡ قُلُوۡبِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ لِیَزۡدَادُوۡۤا اِیۡمَانًا مَّعَ اِیۡمَانِہِمۡ ؕ وَ لِلّٰہِ جُنُوۡدُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلِیۡمًا حَکِیۡمًا ۙ﴿۴﴾
Hoewal lazieee anzalas sakieenata fiee qoeloebiel moe'mienieena lieyazdaadoeo ieemaanamma'a ieemaaniehiem; wa liellaahie djoenoedoes samawaatie wal ard; wa kaanal laahoe 'Alieeman Hakieemaa
48:4 Hij is Degene Die rust in de harten van de gelovigen doet neerdalen, zodat hun Imaan (geloofsovertuiging) groter wordt. (Weet dat) de leger (van engelen) in de hemelen en op de aarde aan Allah toebehoort. Allah is Al-Aliem (Al-wetend), Al-Hakiem (AL-Wijs).

لِّیُدۡخِلَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ الۡمُؤۡمِنٰتِ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا وَ یُکَفِّرَ عَنۡہُمۡ سَیِّاٰتِہِمۡ ؕ وَ کَانَ ذٰلِکَ عِنۡدَ اللّٰہِ فَوۡزًا عَظِیۡمًا ۙ﴿۵﴾
Lieyoedghielal moe'mienieena walmoe'mienaatie djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe ghaaliedieena fieehaa wa yoekaffiera 'anhoem saiyie aatiehiem; wa kaana zaalieka 'iendal laahie fawzan 'azieemaa
48:5 Hij laat de gelovige mannen en vrouwen tot het paradijs toe, waar onder rivieren stromen, eeuwig verblijfend erin en verwijdert hun slechte daden. Dat is bij Allah een groot succes.

وَّ یُعَذِّبَ الۡمُنٰفِقِیۡنَ وَ الۡمُنٰفِقٰتِ وَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ وَ الۡمُشۡرِکٰتِ الظَّآنِّیۡنَ بِاللّٰہِ ظَنَّ السَّوۡءِ ؕ عَلَیۡہِمۡ دَآئِرَۃُ السَّوۡءِ ۚ وَ غَضِبَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ وَ لَعَنَہُمۡ وَ اَعَدَّ لَہُمۡ جَہَنَّمَ ؕ وَ سَآءَتۡ مَصِیۡرًا ﴿۶﴾
Wa yoe'azziebal moenaafieqieena walmoenaafieqaatie wal moeshriekieena walmoeshriekaatiez zaaannieena biellaahie zannas saw'; 'alaihiem daaa'ieratoes saw'ie wa ghadiebal laahoe 'alaihiem wa la'anahoem wa a'adda lahoem djahannama wa saaa' at masieeraa
48:6 En dat Hij de hypocrieten en de goden aanbidders, zowel man als vrouw, kan straffen. Dat zijn degene die slecht over Allah dachten. Op hen wordt het kwaad en Allah's woede gekeerd. Hij heeft hen vervloekt (uitgesloten van Zijn barmhartigheid) en de hel voor hen voorbereid. Zeer ellendig is de bestemming.

وَ لِلّٰہِ جُنُوۡدُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَزِیۡزًا حَکِیۡمًا ﴿۷﴾
Wa liellaahie djoenoedoes samaawaatie wal ard; wa kaanal laahoe 'azieezan hakieema
48:7 Aan Allah behoort het (engelen) leger van de hemelen en de aarde. Allah is Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Alwijze).

اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ شَاہِدًا وَّ مُبَشِّرًا وَّ نَذِیۡرًا ۙ﴿۸﴾
Innaaa arsalnaaka shaahie daw wa moebashshieraw wa nazieera
48:8 Zonder twijfel, Wij hebben jou (Mohammed v.z.m.h.) gestuurd als een getuige (voor de éénheid van Allah), als een brenger van goed nieuws (het paradijs) en als een waarschuwer (voor de hel).

لِّتُؤۡمِنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ وَ تُعَزِّرُوۡہُ وَ تُوَقِّرُوۡہُ ؕ وَ تُسَبِّحُوۡہُ بُکۡرَۃً وَّ اَصِیۡلًا ﴿۹﴾
Lietoe mienoe biellaahie wa Rasoeliehiee wa toe'azzieroehoe watoewaqqieroehoe watoesabbie hoehoe boekrataw wa asieelaa
48:9 Zodat jullie in Allah en Zijn boodschapper (Mohammed v.z.m.h.) geloven. En dat jullie hem (Mohamed v.z.m.h.) ondersteunen (volgen) en respecteren. En (dat jullie) Hem (Allah) lofprijzen in de ochtend en de avond.

اِنَّ الَّذِیۡنَ یُبَایِعُوۡنَکَ اِنَّمَا یُبَایِعُوۡنَ اللّٰہَ ؕ یَدُ اللّٰہِ فَوۡقَ اَیۡدِیۡہِمۡ ۚ فَمَنۡ نَّکَثَ فَاِنَّمَا یَنۡکُثُ عَلٰی نَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ اَوۡفٰی بِمَا عٰہَدَ عَلَیۡہُ اللّٰہَ فَسَیُؤۡتِیۡہِ اَجۡرًا عَظِیۡمًا ﴿۰۱﴾
Innal lazieena yoebaayie'oenaka iennamaa yoebaayie'oenal laaha yadoel laahie fawqa aydieehiem; faman nakasa fa-iennamaa yan-koesoe 'alaa nafsiehiee wa man awfaa biemaa 'aahada 'alaihoellaaha fasa yoe'tieehie adjran 'azieemaa
48:10 Zonder twijfel, degenen die zweren om jou trouw te blijven, zweren direct de trouwheid aan Allah. De hand van Allah is over hun handen. Wie dus de belofte (van trouwheid) verbreekt, dan verbreekt hij het alleen ten nadele van hemzelf. En wie het verbond met Allah in stand houdt, dan zal Hij hem spoedig een zeer grote beloning geven.

سَیَقُوۡلُ لَکَ الۡمُخَلَّفُوۡنَ مِنَ الۡاَعۡرَابِ شَغَلَتۡنَاۤ اَمۡوَالُنَا وَ اَہۡلُوۡنَا فَاسۡتَغۡفِرۡ لَنَا ۚ یَقُوۡلُوۡنَ بِاَلۡسِنَتِہِمۡ مَّا لَیۡسَ فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ ؕ قُلۡ فَمَنۡ یَّمۡلِکُ لَکُمۡ مِّنَ اللّٰہِ شَیۡئًا اِنۡ اَرَادَ بِکُمۡ ضَرًّا اَوۡ اَرَادَ بِکُمۡ نَفۡعًا ؕ بَلۡ کَانَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ خَبِیۡرًا ﴿۱۱﴾
Sa yaqoeloe lakal moeghal lafoena mienal-A'raabie shaighalatnaaa amwaaloenaa wa ahloenaa fastaghfier lanaa; yaqoeloena bie alsienatiehiem maa laisa fiee qoeloebiehiem; qoel famay yamliekoe lakoem mienal laahie shai'an ien araada biekoem darran aw araada biekoem naf'aa; bal kaanal laahoe biemaa ta'maloena ghabieeraa
48:11 De bedoeïenen die achterbleven (tijdens de strijd) zeggen tegen jou (Mohammed v.z.m.h.): "Onze eigendommen en families heeft ons bezig gehouden, vraag daarom om vergiffenis voor ons." (Echter,) ze zeggen met hun tongen wat niet in hun harten is. Zeg (Mohammed v.z.m.h.): "Wie zal jullie helpen tegen Allah, als Hij nadeel of (zelfs) voordeel voor jullie wil? Nee, Allah is Alwetend over datgeen wat jullie doen."

بَلۡ ظَنَنۡتُمۡ اَنۡ لَّنۡ یَّنۡقَلِبَ الرَّسُوۡلُ وَ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ اِلٰۤی اَہۡلِیۡہِمۡ اَبَدًا وَّ زُیِّنَ ذٰلِکَ فِیۡ قُلُوۡبِکُمۡ وَ ظَنَنۡتُمۡ ظَنَّ السَّوۡءِ ۚۖ وَ کُنۡتُمۡ قَوۡمًۢا بُوۡرًا ﴿۲۱﴾
Bal zanantoem al lay yanqaliebar Rasoeloe walmoe'mienoena ielaaa ahlieehiem abadaw wa zoeyyiena zaalieka fiee qoeloebiekoem wa zanantoem zannnas saw'ie wa koentoem qawmam boeraa
48:12 "Nee, jullie dachten dat de boodschapper en de gelovigen nooit terug zouden keren naar hun familieleden. Voor jullie harten was dat aangenaam\plezierig. Jullie verondersteling was zeer kwaad. (Daardoor,) werden Jullie een verderfelijk volk.

وَ مَنۡ لَّمۡ یُؤۡمِنۡۢ بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ فَاِنَّاۤ اَعۡتَدۡنَا لِلۡکٰفِرِیۡنَ سَعِیۡرًا ﴿۳۱﴾
Wa mal lam yoe'miem biellaahie wa Rasoeliehiee fa-iennaaa a'tadnaa lielkaafierieena sa'ieeraa
48:13 En wie niet in Allah en Zijn boodschapper heeft gelooft, zonder twijfel, weet dan dat Wij voor de ongeloven een razende vuur hebben voorbereid.

وَ لِلّٰہِ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ یَغۡفِرُ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یُعَذِّبُ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ غَفُوۡرًا رَّحِیۡمًا ﴿۴۱﴾
Wa liellaahieie moelkoes samaawaatie wal ard; yaghfieroe liemay yashaaa'oe wa yoe'azzieboe may yashaaa'; wa kaanal laahoe Ghafoerar Rahieemaa
48:14 Aan Allah behoort het koninkrijk van de hemelen en de aarde. Hij vergeeft wie Hij wil en straft wie Hij wil. Allah is Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (meest Barmhartig voor de gelovigen).

سَیَقُوۡلُ الۡمُخَلَّفُوۡنَ اِذَا انۡطَلَقۡتُمۡ اِلٰی مَغَانِمَ لِتَاۡخُذُوۡہَا ذَرُوۡنَا نَتَّبِعۡکُمۡ ۚ یُرِیۡدُوۡنَ اَنۡ یُّبَدِّلُوۡا کَلٰمَ اللّٰہِ ؕ قُلۡ لَّنۡ تَتَّبِعُوۡنَا کَذٰلِکُمۡ قَالَ اللّٰہُ مِنۡ قَبۡلُ ۚ فَسَیَقُوۡلُوۡنَ بَلۡ تَحۡسُدُوۡنَنَا ؕ بَلۡ کَانُوۡا لَا یَفۡقَہُوۡنَ اِلَّا قَلِیۡلًا ﴿۵۱﴾
Sa yaqoeloel moeghalla foena iezan talaqtoem ielaa maghaaniema lietaaghoezoehaa zaroenaa nattabie'koem yoerieedoena ay yoebaddieloe Kalaamallaah; qoel lan tattabie'oenaa kazaaliekoem qaalal laahoe mien qabloe fasa yaqoeloena bal tahsoedoenanna; bal kaanoe laa yafqahoena iellaa qalieela
48:15 Wanneer jij (Mohammed v.z.m.h.) op weg gaat om de buit op te halen, dan zullen degenen die waren achtergebleven (m.b.t. de deelname aan de oorlog) zeggen: "Sta ons toe om jou te volgen." Ze willen Allah's woorden veranderen. Zeg: "Nooit zullen jullie ons volgen. Dat had Allah al eerder gezegd (zie 9:83)." Vervolgens, zullen ze zeggen: "Nee, jullie zijn jaloers op ons." Nee! Zij begrijpen het alleen maar een beetje.

قُلۡ لِّلۡمُخَلَّفِیۡنَ مِنَ الۡاَعۡرَابِ سَتُدۡعَوۡنَ اِلٰی قَوۡمٍ اُولِیۡ بَاۡسٍ شَدِیۡدٍ تُقَاتِلُوۡنَہُمۡ اَوۡ یُسۡلِمُوۡنَ ۚ فَاِنۡ تُطِیۡعُوۡا یُؤۡتِکُمُ اللّٰہُ اَجۡرًا حَسَنًا ۚ وَ اِنۡ تَتَوَلَّوۡا کَمَا تَوَلَّیۡتُمۡ مِّنۡ قَبۡلُ یُعَذِّبۡکُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿۶۱﴾
Qoel lielmoeghallafieena mienal A'raabie satoed'awna ielaa qawmien oeliee baasien shadieedien toeqaatie loenahoem aw yoesliemoena fa ien toetiee'oe yoe'tiekoemoel laahoe adjran hasanaw wa ien tatawallaw kamaa tawallaitoem mien qabloe yoe'azziebkoem 'azaaban alieemaa
48:16 Zeg tegen de bedoeïenen die achter bleven: "Jullie zullen worden opgeroepen om te vechten tegen een grote leger. Dan zullen jullie tegen hen vechten of ze zullen zich overgeven. Als jullie gehoorzamen, dan zal Allah jullie een goede beloningen geven.Maar indien jullie je afkeren, zoals jullie dat eerder deden, dan zal Hij jullie pijnlijk straffen."

لَیۡسَ عَلَی الۡاَعۡمٰی حَرَجٌ وَّ لَا عَلَی الۡاَعۡرَجِ حَرَجٌ وَّ لَا عَلَی الۡمَرِیۡضِ حَرَجٌ ؕ وَ مَنۡ یُّطِعِ اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ یُدۡخِلۡہُ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ۚ وَ مَنۡ یَّتَوَلَّ یُعَذِّبۡہُ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿۷۱﴾
Laisa 'alal a'maa haradjoew wa laa 'alal a'radjie haradjoew wa laa 'alal marieedie haradj' wa may yoetiel'iel laaha wa Rasoelahoe yoedghielhoe djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe wa may yatawalla yoe'azziebhoe 'azaaban alieemaa
48:17 "Op de blinde, noch op de lamme, noch op de zieke rust er enige schuld (voor het niet meevechten). (Weet dat,) Wie gehoorzaam is aan Allah en Zijn boodschapper, dan zal Hij hem toelaten tot tuinen waar rivieren onder stromen. Echter, wie zich afkeert zal Hij pijnlijk straffen."

لَقَدۡ رَضِیَ اللّٰہُ عَنِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ اِذۡ یُبَایِعُوۡنَکَ تَحۡتَ الشَّجَرَۃِ فَعَلِمَ مَا فِیۡ قُلُوۡبِہِمۡ فَاَنۡزَلَ السَّکِیۡنَۃَ عَلَیۡہِمۡ وَ اَثَابَہُمۡ فَتۡحًا قَرِیۡبًا ﴿۸۱﴾
Laqad radieyal laahoe 'aniel moe'mienieena iez yoebaayie 'oenaka tahtash shadjaratie fa'aliema maa fiee qoeloebiehiem fa anzalas sakieenata 'alaihiem wa asaa bahoem fat han qarieebaa
48:18 Waarlijk, Allah was tevreden met de gelovigen toen ze hun trouwheid aan jou (Mohammed) beloofde onder de boom. Hij (Allah) wist wat in hun harten was, dus zond Hij rust op hen en beloonde hen met een spoedige (toekomstige) overwinning,

وَّ مَغَانِمَ کَثِیۡرَۃً یَّاۡخُذُوۡنَہَا ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَزِیۡزًا حَکِیۡمًا ﴿۹۱﴾
Wa maghaaniema kasieera tay yaaghoezoenahaa; wa kaanal laahoe 'Azieezan Hakieemaa
48:19 en een grote buit, die ze zullen bemachtigen. Allah is Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Alwijze).

وَعَدَکُمُ اللّٰہُ مَغَانِمَ کَثِیۡرَۃً تَاۡخُذُوۡنَہَا فَعَجَّلَ لَکُمۡ ہٰذِہٖ وَ کَفَّ اَیۡدِیَ النَّاسِ عَنۡکُمۡ ۚ وَ لِتَکُوۡنَ اٰیَۃً لِّلۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ یَہۡدِیَکُمۡ صِرَاطًا مُّسۡتَقِیۡمًا ﴿۰۲﴾
Wa'adakoemoel laahoe ma ghaaniema kasieeratan taaghoezoe nahaa fa'adjdjala lakoem haaziehiee wa kaffa aydieyan naasie 'an-koem wa lietakoena aayatal lielmoe'mienieena wa yahdieyakoem sieraatam moestaqieema
48:20 Allah heeft een grote buit aan jullie beloofd, die jullie zullen toe-eigenen. Hij heeft het (de beloning) voor jullie sneller beschikbaar gesteld en Hij houdt de handen van jullie vijanden tegen, zodat het een teken wordt voor de gelovigen. En zodat Hij jullie kan leiden naar het rechte pad.

وَّ اُخۡرٰی لَمۡ تَقۡدِرُوۡا عَلَیۡہَا قَدۡ اَحَاطَ اللّٰہُ بِہَا ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرًا ﴿۱۲﴾
Wa oeghraa lam taqdieroe 'alaihaa qad ahaatal laahoe biehaa; wa kaanal laahoe 'alaa koellie shai'ien qadieera
48:21 En ook anderen, waar jullie geen macht over hadden (zal Hij leiden naar het rechte pad). Waarlijk, Allah omvat hen en Allah is over alles "Al-Qadier" (Degene Die in staat om alles te kunnen bewerkstelligen).

وَ لَوۡ قٰتَلَکُمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوَلَّوُا الۡاَدۡبَارَ ثُمَّ لَا یَجِدُوۡنَ وَلِیًّا وَّ لَا نَصِیۡرًا ﴿۲۲﴾
Wa law qaatalakoemoel lazieena kafaroe la wallawoel adbaara soemma laa yadjiedoena walieyanw-wa laa nasieeraa
48:22 Indien de ongelovigen jullie bevechten, dan zullen ze zeker terug trekken. Ze zullen dan geen enkele beschermer vinden, noch een helper.

سُنَّۃَ اللّٰہِ الَّتِیۡ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلُ ۚۖ وَ لَنۡ تَجِدَ لِسُنَّۃِ اللّٰہِ تَبۡدِیۡلًا ﴿۳۲﴾
Soennatal laahiel latiee qad ghalat mien qabloe wa lan tadjieda liesoennatiel laahie tabdieelaa
48:23 Dat is ook de handelwijze van Allah geweest op degenen die eerder heen zijn gegaan. Nooit zal je een verandering vinden in de handelwijze van Allah.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ کَفَّ اَیۡدِیَہُمۡ عَنۡکُمۡ وَ اَیۡدِیَکُمۡ عَنۡہُمۡ بِبَطۡنِ مَکَّۃَ مِنۡۢ بَعۡدِ اَنۡ اَظۡفَرَکُمۡ عَلَیۡہِمۡ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرًا ﴿۴۲﴾
Wa Hoewal laziee kaffa aydieyahoem 'an-koem wa aydieyakoem 'anhoem biebatnie Makkata miem ba'die an azfarakoem 'alaihiem; wa kaanal laahoe biemaa ta'maloena Basieera
48:24 Nadat Hij (Allah) jullie de overwinning over hen had gegeven bij Mekka, is Hij (Allah) degene geweest Die hun handen tegenhield voor (het bevechten van) jullie en (ook) jullie handen tegenhield voor (het bevechten van) hen. Allah is Alziende over datgeen wat jullie doen. (Notitie: er wordt hier gerefereerd naar het vredesverdrag van Hoedaibiya.)

ہُمُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا وَ صَدُّوۡکُمۡ عَنِ الۡمَسۡجِدِ الۡحَرَامِ وَ الۡہَدۡیَ مَعۡکُوۡفًا اَنۡ یَّبۡلُغَ مَحِلَّہٗ ؕ وَ لَوۡ لَا رِجَالٌ مُّؤۡمِنُوۡنَ وَ نِسَآءٌ مُّؤۡمِنٰتٌ لَّمۡ تَعۡلَمُوۡہُمۡ اَنۡ تَطَـُٔوۡہُمۡ فَتُصِیۡبَکُمۡ مِّنۡہُمۡ مَّعَرَّۃٌۢ بِغَیۡرِ عِلۡمٍ ۚ لِیُدۡخِلَ اللّٰہُ فِیۡ رَحۡمَتِہٖ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ لَوۡ تَزَیَّلُوۡا لَعَذَّبۡنَا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡہُمۡ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿۵۲﴾
Hoemoel lazieena kafaroe wa saddoekoem 'aniel-Masdjiediel-Haraamie walhadya ma'koefan ay yabloegha mahiellah; wa law laa riedjaaloem moe'mienoena wa niesaaa'oem moe'mienaatoel lam ta'lamoehoem an tata'oehoem fatoesieebakoem mienhoem ma'arratoem bieghairie 'ielmien lieyoed ghielal laahoe fiee rahmatiehiee may yashaaa'; law tazayyaloe la'azzabnal lazieena kafaroe mienhoem 'azaaban alieema
48:25 (ALlah weet dat) Zij degenen zijn die niet geloofden en jullie verhinderden van de moskee Al-Haram (de heilige moskee in Mekka) en de offerdieren tegenhielden om zijn bestemming te bereiken. Echter, jullie hadden gelovige mannen en vrouwen die jullie niet kennen, kunnen verwonden/betrappen, zodat er een schuld op jullie zou rusten zonder dat jullie het wisten. Weet dat Allah tot Zijn Barmhartigheid toelaat wie Hij wil. Als zij (de gelovigen en de ongelovigen) gescheiden waren, dan zouden Wij de ongelovigen onder hen zeker bestraffen met een zeer pijnlijke straf.

اِذۡ جَعَلَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فِیۡ قُلُوۡبِہِمُ الۡحَمِیَّۃَ حَمِیَّۃَ الۡجَاہِلِیَّۃِ فَاَنۡزَلَ اللّٰہُ سَکِیۡنَتَہٗ عَلٰی رَسُوۡلِہٖ وَ عَلَی الۡمُؤۡمِنِیۡنَ وَ اَلۡزَمَہُمۡ کَلِمَۃَ التَّقۡوٰی وَ کَانُوۡۤا اَحَقَّ بِہَا وَ اَہۡلَہَا ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمًا ﴿۶۲﴾
Iz dja'alal lazieena kafaroe fiee qoeloebiehiemoel hamieyyata hamieyyatal djaahielieyyatie fa anzalal laahoe sakieenatahoe 'alaa Rasoeliehiee wa 'alal moe mienieena wa alzamahoem kaliematat taqwaa wa kaanoeo ahaqqa biehaa wa ahlahaa; wa kaanal laahoe biekoellie shai'ien Alieema
48:26 Toen de ongelovigen hoogmoed en trost (minachting naar de gelovigen), zoals mensen met zeer weinig verstand, in hun harten hadden gezet, zond Allah Zijn kalmte/rust neer op Zijn boodschapper en op de gelovigen en zorgde ervoor dat ze zich hielden aan het woord van godsvreesheid (La ielaha IellAllah). Zij waren meer waardiger en verheven dan hen. Allah is over alles Alwetend.

لَقَدۡ صَدَقَ اللّٰہُ رَسُوۡلَہُ الرُّءۡیَا بِالۡحَقِّ ۚ لَتَدۡخُلُنَّ الۡمَسۡجِدَ الۡحَرَامَ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ اٰمِنِیۡنَ ۙ مُحَلِّقِیۡنَ رُءُوۡسَکُمۡ وَ مُقَصِّرِیۡنَ ۙ لَا تَخَافُوۡنَ ؕ فَعَلِمَ مَا لَمۡ تَعۡلَمُوۡا فَجَعَلَ مِنۡ دُوۡنِ ذٰلِکَ فَتۡحًا قَرِیۡبًا ﴿۷۲﴾
Laqad sadaqal laahoe Rasoelahoer roe'yaa bielhaqq, latadghoeloennal Masdjiedal-Haraama ien shaaa'al laahoe aamienieena moehallieqieena roe'oesakoem wa moeqassierieena laa taghaafoena fa'aliema maa lam ta'lamoe fadja'ala mien doenie zaalieka fathan qarieebaa
48:27 Waarlijk, Allah heeft de droom van Zijn boodschapper in waarheid vervult. (De droom,) Dat jullie zonder enige twijfel de moskee Al-Haram zullen betreden, Ins-Sha-Allah (indien Allah het wilde), veilig met geschoren of kort geknipt haar, zonder enige vrees. Hij (Allah) wist wat jullie niet wisten. (Voor deze overwinning,) maakte Hij voor jullie een eerdere overwinning (het verdrag Hoedaibiya).

ہُوَ الَّذِیۡۤ اَرۡسَلَ رَسُوۡلَہٗ بِالۡہُدٰۦ وَ دِیۡنِ الۡحَقِّ لِیُظۡہِرَہٗ عَلَی الدِّیۡنِ کُلِّہٖ ؕ وَ کَفٰی بِاللّٰہِ شَہِیۡدًا ﴿۸۲﴾
Hoewal lazieee arsala Rasoelahoe bielhoedaa wa dieeniel haqqie lieyoezhierahoe 'alad dieenie koellieh; wa kafaa biellaahie Shahieeda
48:28 Hij (Allah) is Degene Die Zijn boodschapper heeft gestuurd met leiding en de ware/zuivere "Dien" (levenswijze, geloof, ethiek, wetgeving), zodat Hij het laat overheersen over alle (andere) Dien. Allah is voldoende als getuige (hiervan).

مُحَمَّدٌ رَّسُوۡلُ اللّٰہِ ؕ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗۤ اَشِدَّآءُ عَلَی الۡکُفَّارِ رُحَمَآءُ بَیۡنَہُمۡ تَرٰىہُمۡ رُکَّعًا سُجَّدًا یَّبۡتَغُوۡنَ فَضۡلًا مِّنَ اللّٰہِ وَ رِضۡوَانًا ۫ سِیۡمَاہُمۡ فِیۡ وُجُوۡہِہِمۡ مِّنۡ اَثَرِ السُّجُوۡدِ ؕ ذٰلِکَ مَثَلُہُمۡ فِی التَّوۡرٰىۃِ ۚۖۛ وَ مَثَلُہُمۡ فِی الۡاِنۡجِیۡلِ ۚ۟ۛ کَزَرۡعٍ اَخۡرَجَ شَطۡـَٔہٗ فَاٰزَرَہٗ فَاسۡتَغۡلَظَ فَاسۡتَوٰی عَلٰی سُوۡقِہٖ یُعۡجِبُ الزُّرَّاعَ لِیَغِیۡظَ بِہِمُ الۡکُفَّارَ ؕ وَعَدَ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ مِنۡہُمۡ مَّغۡفِرَۃً وَّ اَجۡرًا عَظِیۡمًا ﴿۹۲﴾
Moehammadoer Rasoeloel laah; wallazieena ma'ahoeo ashieddaaa'oe 'alal koeffaaarie roehamaaa'oe bainahoem taraahoem roekka'an soedjdjaday yabtaghoena fadlam mienal laahie wa riedwaana sieemaahoem fiee woedjoehiehiem mien asaries soedjoed; zaalieka masaloehoem fiet tawraah; wa masaloehoem fiel Indjieelie kazar'ien aghradja shat 'ahoe fa 'aazarahoe fastaghlaza fastawaa 'alaa soeqiehiee yoe'djieboez zoerraa'a lieyaghieeza biehiemoel koeffaar; wa'adal laahoel lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie mienhoem maghfierataw wa adjran 'azieemaa
48:29 Mohammed (v.z.m.h.) is de boodschapper van Allah. Degenen die met hem zijn, zijn streng tegen de ongelovigen en barmhartig tegen elkaar. Je ziet ze buigen en prostreren, zoekend naar Allah's gunsten en tevredenheid. Hun markering van het prostreren zijn zichtbaar in hun gezichten. Zo worden ze beschreven in de Thora, En in de Indjiel (Evangelie, openbaring aan Isa) worden ze beschreven als een zaad die ontspruit dan sterk wordt en vervolgens dik wordt en rechtop staat op zijn stengel, verheugend voor de zaaiers en woedend makend voor de ongelovigen. Allah heeft aan degenen die gelooft en goede daden doen vergiffenis en een geweldige beloning belooft. (Notitie: Deze Ayah (vers) is de enige Ayah waarin alle 29 letters van het arabische alphabet voorkomt. De nummer van deze Ayah is ook 29.)

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تُقَدِّمُوۡا بَیۡنَ یَدَیِ اللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۱﴾
Yaa ayyoehal lazieena aamanoe la toeqaddiemoe baina yada yiel laahie wa Rasoeliehiee wattaqoel laah; iennal laaha samiee'oen 'Alieem
49:1 O gelovigen! Wees niet voorbij strevend dan Allah en Zijn boodschapper, maar vrees Allah. Zonder enige twijfel, Allah is As-Samie'oe (de Alhorende), Al-Aliem (de Alwetend). (Notitie: Met anderen woorden ga niet in discussie met betrekking tot dingen die bepaald zijn, door Allah en Zijn boodschapper. Zie ook 24:63.)

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا تَرۡفَعُوۡۤا اَصۡوَاتَکُمۡ فَوۡقَ صَوۡتِ النَّبِیِّ وَ لَا تَجۡہَرُوۡا لَہٗ بِالۡقَوۡلِ کَجَہۡرِ بَعۡضِکُمۡ لِبَعۡضٍ اَنۡ تَحۡبَطَ اَعۡمَالُکُمۡ وَ اَنۡتُمۡ لَا تَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲﴾
Yaa ayyoehal lazieena aamanoe laa tarfa'oeo aswaatakoem fawqa sawtien Nabieyie wa laa tadjharoe lahoe bielqawlie kadjahrie ba'diekoem lieba 'dien an tahbata a 'maaloekoem wa antoem laa tash'oeroen
49:2 O gelovigen! Verhef jullie stemmen niet boven de stem van de profeet en spreek niet luid met hem, zoals enkele van jullie luid spreken tegen anderen, anders zullen jullie daden waardeloos worden terwijl jullie het niet weten.

اِنَّ الَّذِیۡنَ یَغُضُّوۡنَ اَصۡوَاتَہُمۡ عِنۡدَ رَسُوۡلِ اللّٰہِ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ امۡتَحَنَ اللّٰہُ قُلُوۡبَہُمۡ لِلتَّقۡوٰی ؕ لَہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ وَّ اَجۡرٌ عَظِیۡمٌ ﴿۳﴾
Innal lazieena yaghoed doena aswaatahoem 'ienda Rasoeliel laahie oelaaa'iekal lazieenam tah anal laahoe qoeloebahoem liettaqwaa; lahoem maghfieratoew wa'adjroen 'azieem
49:3 Degenen die hun stem verlagen in het bijzijn van de Allah's boodschapper, dat zijn degenen waarvan Allah hun harten heeft beproeft op godsvreesheid. Voor hen is er vergiffenis en een geweldige beloning.

اِنَّ الَّذِیۡنَ یُنَادُوۡنَکَ مِنۡ وَّرَآءِ الۡحُجُرٰتِ اَکۡثَرُہُمۡ لَا یَعۡقِلُوۡنَ ﴿۴﴾
Innal lazieena yoenaadoe naka miew waraaa'iel hoedjoeraatie aksaroehoem laa ya'qieloen
49:4 Zonder twijfel, degenen die jou van buiten de kamer aanroepen, (weet dat) de meeste van hen geen verstand hebben.

وَ لَوۡ اَنَّہُمۡ صَبَرُوۡا حَتّٰی تَخۡرُجَ اِلَیۡہِمۡ لَکَانَ خَیۡرًا لَّہُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۵﴾
Wa law annahoem sabaroe hatta taghroedja ielaihiem lakaana ghairal lahoem; wallaahoe Ghafoeroer Rahieem
49:5 Als ze geduldig waren geweest totdat jij (Mohammed v.z.m.h.) tot hen kwam, dan zou dat beter voor hen zijn geweest. Echter, Allah is Gafoer (de meest Vergevingsgezinde), Rahiem (Barmhartig voor de gelovigen.)

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اِنۡ جَآءَکُمۡ فَاسِقٌۢ بِنَبَاٍ فَتَبَیَّنُوۡۤا اَنۡ تُصِیۡبُوۡا قَوۡمًۢا بِجَہَالَۃٍ فَتُصۡبِحُوۡا عَلٰی مَا فَعَلۡتُمۡ نٰدِمِیۡنَ ﴿۶﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe ien djaaa'akoem faasieqoem bienaba ien fatabaiyanoeo an toesieeboe qawmam biedjahalatien fatoesbiehoe 'alaa maa fa'altoem naadiemieen
49:6 O gelovigen! Als er een slecht persoon met nieuws tot jullie komt, onderzoek het eerst, anders zullen jullie een volk schaden zonder dat jullie het weten, dan zullen jullie spijt krijgen over datgeen wat jullie hebben gedaan.

وَ اعۡلَمُوۡۤا اَنَّ فِیۡکُمۡ رَسُوۡلَ اللّٰہِ ؕ لَوۡ یُطِیۡعُکُمۡ فِیۡ کَثِیۡرٍ مِّنَ الۡاَمۡرِ لَعَنِتُّمۡ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ حَبَّبَ اِلَیۡکُمُ الۡاِیۡمَانَ وَ زَیَّنَہٗ فِیۡ قُلُوۡبِکُمۡ وَ کَرَّہَ اِلَیۡکُمُ الۡکُفۡرَ وَ الۡفُسُوۡقَ وَ الۡعِصۡیَانَ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الرّٰشِدُوۡنَ ۙ﴿۷﴾
Wa'lamoeo anna fieekoem Rasoelal laah; law yoetiee'oekoem fiee kasieeriem mienal amriela'aniettoem wa laakiennal laaha habbaba ielaikoemoel ieemaana wa zaiyanahoe fiee qoeloebiekoem wa karraha ielaikoemoel koefra walfoesoeqa wal'iesyaan; oelaaaika hoemoer raashiedoen
49:7 En weet dat Allah's boodschapper zich onder jullie bevindt. Indien hij aan jullie verzoeken in veel kwesties zou toegeven, dan zouden jullie zeker in moeilijkheden zijn geraakt. Maar Allah heeft de Imaan (geloofsovertuiging) mooi en plezierig in jullie harten gemaakt. Hij heeft voor jullie ongeloof, corruptie/verderf en ongehoorzaamheid hatelijk gemaakt. Zij, dat zijn degenen die geleid zijn.

فَضۡلًا مِّنَ اللّٰہِ وَ نِعۡمَۃً ؕ وَ اللّٰہُ عَلِیۡمٌ حَکِیۡمٌ ﴿۸﴾
Fadlam mienal laahie wa nie'mah; wallaahoe 'Alieemoen Hakieem
49:8 (Het is) een beloning en een gunst van Allah. Allah is Al-Aliem (Al-Wetend), Al-Hakiem (Al-Wijs).

وَ اِنۡ طَآئِفَتٰنِ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ اقۡتَتَلُوۡا فَاَصۡلِحُوۡا بَیۡنَہُمَا ۚ فَاِنۡۢ بَغَتۡ اِحۡدٰىہُمَا عَلَی الۡاُخۡرٰی فَقَاتِلُوا الَّتِیۡ تَبۡغِیۡ حَتّٰی تَفِیۡٓءَ اِلٰۤی اَمۡرِ اللّٰہِ ۚ فَاِنۡ فَآءَتۡ فَاَصۡلِحُوۡا بَیۡنَہُمَا بِالۡعَدۡلِ وَ اَقۡسِطُوۡا ؕ اِنَّ اللّٰہَ یُحِبُّ الۡمُقۡسِطِیۡنَ ﴿۹﴾
Wa ien taaa'iefataanie mienal moe'mienieena naqtataloe fa asliehoe bainahoemaa; fa-iem baghat iehdaahoemaa 'alal oeghraa faqaatieloel latiee tabghiee hattaa tafieee'a ielaaa amriel laah; fa-ien faaa'at fa asliehoe bainahoemaa biel'adlie wa aqsietoe, iennal laaha yoehiebboel moeqsietieen
49:9 Indien twee partijen onder de (zeer) gelovigen vechten, sticht vrede tussen beide. Echter, indien (na de vredestichting) de ene de andere onderdrukt, bevecht de onderdrukker totdat het terugkeert tot het bevel van Allah (van vrede). Als het dan terugkeert (naar het willen verzoenen) sticht vrede met hem op basis van transparante rechtvaardigheid in het openbaar en handel rechtvaardig. Allah houdt van degene die rechtvaardig handelt.

اِنَّمَا الۡمُؤۡمِنُوۡنَ اِخۡوَۃٌ فَاَصۡلِحُوۡا بَیۡنَ اَخَوَیۡکُمۡ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Innamal moe'mienoena ieghwatoen fa asliehoe baina aghawaykoem wattaqoel laaha la'allakoem toerhamoen
49:10 De gelovigen zijn werkelijke broeders, sticht dus vrede tussen jullie broeders. En vrees Allah zodat jullie de barmhartigheid kunnen krijgen.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا لَا یَسۡخَرۡ قَوۡمٌ مِّنۡ قَوۡمٍ عَسٰۤی اَنۡ یَّکُوۡنُوۡا خَیۡرًا مِّنۡہُمۡ وَ لَا نِسَآءٌ مِّنۡ نِّسَآءٍ عَسٰۤی اَنۡ یَّکُنَّ خَیۡرًا مِّنۡہُنَّ ۚ وَ لَا تَلۡمِزُوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ وَ لَا تَنَابَزُوۡا بِالۡاَلۡقَابِ ؕ بِئۡسَ الِاسۡمُ الۡفُسُوۡقُ بَعۡدَ الۡاِیۡمَانِ ۚ وَ مَنۡ لَّمۡ یَتُبۡ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الظّٰلِمُوۡنَ ﴿۱۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoe laa yasghar qawmoem mien qawmien 'asaaa anyyakoenoe ghairam mienhoem wa laa niesaaa'oem mien niesaaa'ien 'Asaaa ay yakoenna ghairam mienhoenna wa laa talmiezoeo anfoesakoem wa laa tanaabazoe biel alqaab; bie'sal iesmoel foesoeqoe ba'dal ieemaan; wa mal-lam yatoeb fa-oelaaa'ieka hoemoez zaaliemoen
49:11 O gelovigen! Laat een volk niet vernederend spreken over een ander volk, noch laat vrouwen vernederend spreken over andere vrouwen, misschien zijn ze beter dan hen (volgens Allah's oordeel). En verneder elkaar niet en roep elkaar niet aan met (vernederende/sarcastische) bijnamen. Zeer slecht is het om slechte/ongepaste woorden te gebruiken nadat Imaan (sterke geloofsovertuiging) is verkregen. En degenen die geen berouw hebben, dat zijn de misdadigers.

یٰۤاَیُّہَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوا اجۡتَنِبُوۡا کَثِیۡرًا مِّنَ الظَّنِّ ۫ اِنَّ بَعۡضَ الظَّنِّ اِثۡمٌ وَّ لَا تَجَسَّسُوۡا وَ لَا یَغۡتَبۡ بَّعۡضُکُمۡ بَعۡضًا ؕ اَیُحِبُّ اَحَدُکُمۡ اَنۡ یَّاۡکُلَ لَحۡمَ اَخِیۡہِ مَیۡتًا فَکَرِہۡتُمُوۡہُ ؕ وَ اتَّقُوا اللّٰہَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ تَوَّابٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۲۱﴾
Yaaa ayyoehal lazieena aamanoedj tanieboe kasieeram mienaz zannie ienna ba'daz zannieiesmoew wa laa tadjassasoe wa la yaghtab ba'doekoem ba'daa; a yoehiebboe ahadoekoem ay yaakoela lahma aghieehie maitan fakarieh toemoeh; wattaqoel laa; iennal laaha tawwaaboer Rahieem
49:12 O gelovigen! Vermijd veronderstellingen (over iemand). Zonder twijfel, sommige veronderstellingen zijn zondens. En bespioneer elkaar niet, noch roddel overelkaar. Wil één van jullie soms het vlees van zijn dode broeder eten? Zeker niet, jullie zouden het verafschuwen! Vrees Allah, Allah is At-Tawaab (De Accepteerder van berouw), Ar-Rahiem (Barmhartig voor de gelovigen).

یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اِنَّا خَلَقۡنٰکُمۡ مِّنۡ ذَکَرٍ وَّ اُنۡثٰی وَ جَعَلۡنٰکُمۡ شُعُوۡبًا وَّ قَبَآئِلَ لِتَعَارَفُوۡا ؕ اِنَّ اَکۡرَمَکُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ اَتۡقٰکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌ خَبِیۡرٌ ﴿۳۱﴾
Yaaa ayyoehan naasoe iennaa ghalaqnaakoem mien zakariew wa oensaa wa dja'alnaakoem shoe'oebaw wa qabaaa'iela lieta'aarafoe ienna akramakoem 'iendal laahie atqaakoem iennal laaha 'Alieemoen ghabieer
49:13 O mensen! Zonder twijfel, Wij hebben jullie geschapen vanuit een man en een vrouw. Wij hebben jullie tot gemeenschappen en stammen gemaakt, zodat jullie elkaar kunnen kennen. De meest nobele van jullie volgens Allah, is degene die het meest bewust is van Allah. Allah is Al-Aliem (de Alwetende), Al-Gabier (Degene Die bekend is met alles).

قَالَتِ الۡاَعۡرَابُ اٰمَنَّا ؕ قُلۡ لَّمۡ تُؤۡمِنُوۡا وَ لٰکِنۡ قُوۡلُوۡۤا اَسۡلَمۡنَا وَ لَمَّا یَدۡخُلِ الۡاِیۡمَانُ فِیۡ قُلُوۡبِکُمۡ ؕ وَ اِنۡ تُطِیۡعُوا اللّٰہَ وَ رَسُوۡلَہٗ لَا یَلِتۡکُمۡ مِّنۡ اَعۡمَالِکُمۡ شَیۡئًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۴۱﴾
Qaalatiel-A 'raaboe aamannaa qoel lam toe'mienoe wa laakien qoeloeo aslamnaa wa lamma yadghoeliel ieemaanoe fiee qoeloebiekoem wa ien toetiee'oel laaha wa Rasoelahoe laa yalietkoem mien a'maaliekoem shai'aa; iennal laaha Ghafoeroer Rahieem
49:14 De bedoeïenen zeggen: "Wij geloven" (Wij zijn Momien). Zeg (tegen hen): "Jullie geloven niet (als een Momien), maar het is beter om te zeggen 'Wij hebben ons overgegeven (wij zijn moslims)'. Wanneer de Imaan (de geloofsovertuiging) jullie harten heeft bereikt (dan zijn jullie pas Momien). Echter, Hij zal de beloning van jullie daden niet doen verminderen zolang jullie Allah en Zijn boodschapper gehoorzamen." Zonder twijfel Allah is Gafoer (Vergevensgezind), Ar-Rahiem (Barmhartig tegen de gelovigen.) (Notitie: zie ook 5:93, 8:2).

اِنَّمَا الۡمُؤۡمِنُوۡنَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہٖ ثُمَّ لَمۡ یَرۡتَابُوۡا وَ جٰہَدُوۡا بِاَمۡوَالِہِمۡ وَ اَنۡفُسِہِمۡ فِیۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الصّٰدِقُوۡنَ ﴿۵۱﴾
Innamal moeoe'mienoenal lazieena aamanoe biellaahie wa Rasoeliehiee soemma lam yartaaboe wa djaahadoe bieamwaaliehiem wa anfoesiehiem fiee sabieeliel laah; oelaaaika hoemoes saadieqoen
49:15 De zeer gelovigen (Momien) zijn degenen die in Allah en Zijn boodschappers geloven en niet twijfelen, maar strijden met hun rijkdommen en hun leven op de weg van Allah. Dat zijn degenen die altijd streven naar de waarheid.

قُلۡ اَتُعَلِّمُوۡنَ اللّٰہَ بِدِیۡنِکُمۡ ؕ وَ اللّٰہُ یَعۡلَمُ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ بِکُلِّ شَیۡءٍ عَلِیۡمٌ ﴿۶۱﴾
Qoel atoe'alliemoenal laaha biedieeniekoem wallaahoe ya'lamoe maa fies samaawaatie wa maa fiel ard; wallaahoe biekoellie shai'ien 'Alieem
49:16 Zeg: "Willen jullie Allah vertellen over jullie levenswijze, ondanks dat Allah weet wat er in de hemel en op aarde is? Allah is over alles Alwetend."

یَمُنُّوۡنَ عَلَیۡکَ اَنۡ اَسۡلَمُوۡا ؕ قُلۡ لَّا تَمُنُّوۡا عَلَیَّ اِسۡلَامَکُمۡ ۚ بَلِ اللّٰہُ یَمُنُّ عَلَیۡکُمۡ اَنۡ ہَدٰىکُمۡ لِلۡاِیۡمَانِ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۷۱﴾
Yamoennoena 'alaika an aslamoe qoel laa tamoennoe 'alaiya Islaamakoem baliellaahoe yamoennoe 'alaikoem an hadaakoem liel ieemaanie ien koentoem saadieqieen
49:17 Ze beschouwen het accepteren van de Islam als een gunst voor jou (Momhammed v.z.m.h.). Zeg: "Het accepteren van de Islam door jullie, is geen gunst voor mij. Nee, Allah verleend jullie een gunst, dat Hij jullie leidt naar de 'Imaan' (sterke geloofsovertuiging), indien jullie streven naar de waarheid."

اِنَّ اللّٰہَ یَعۡلَمُ غَیۡبَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ وَ اللّٰہُ بَصِیۡرٌۢ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۸۱﴾
Innal laaha ya'lamoe ghaibas samaawaatie wal ard; wallaahoe basieeroem biemaa ta'maloen
49:18 Zonder twijfel, Allah kent de 'Ghayb' (het ongeziene, hetgeen wat nog niet gebeurt is) van de hemelen en de aarde. Allah is Alziende over datgeen wat jullie doen.

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
قٓ ۟ۚ وَ الۡقُرۡاٰنِ الۡمَجِیۡدِ ۚ﴿۱﴾
Qaaaf; wal Qoer aaniel Madjieed
50:1 Qaaf. Bij de Koran, de 'Majied' (Majestueuze). (Notitie: Al-Majied, is een van de namen van Allah dat de Majesteit betekent.)

بَلۡ عَجِبُوۡۤا اَنۡ جَآءَہُمۡ مُّنۡذِرٌ مِّنۡہُمۡ فَقَالَ الۡکٰفِرُوۡنَ ہٰذَا شَیۡءٌ عَجِیۡبٌ ۚ﴿۲﴾
Bal 'adjieboeo an djaa'ahoem moenzieroem mienhoem faqaalal kaafieroena haazaa shai'oen 'adjieeb
50:2 Nee! Ze verwonderen dat er een waarschuwer vanuit hun eigen gemeenschap tot hen is gekomen. De ongelovigen zeggen dus: "Dit is iets verbazingwekkend!"

ءَاِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا ۚ ذٰلِکَ رَجۡعٌۢ بَعِیۡدٌ ﴿۳﴾
'A-iezaa mietnaa wa koennaa toeraaban zaalieka radj'oem ba'ieed
50:3 "Wat! Zullen we (wederopstaan), wanneer we dood zijn en tot stof zijn geworden? Dat is een terugkeer die onmogelijk is."

قَدۡ عَلِمۡنَا مَا تَنۡقُصُ الۡاَرۡضُ مِنۡہُمۡ ۚ وَ عِنۡدَنَا کِتٰبٌ حَفِیۡظٌ ﴿۴﴾
Qad 'aliemnaa maa tanqoe-soel-ardoe mienhoem wa 'iendanaa Kietaaboen Hafieez
50:4 Waarlijk! Wij (Allah) weten wie en wat van hen in de aarde vergaat. Bij ons is een boek (Lawh Al-Mahfuz) dat wordt bewaakt. (Notitie: zie vers 2:2 m.b.t. Lawh Al-Mahfuz).

بَلۡ کَذَّبُوۡا بِالۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہُمۡ فَہُمۡ فِیۡۤ اَمۡرٍ مَّرِیۡجٍ ﴿۵﴾
Bal kazzaboe bielhaqqie lammaa djaaa'ahoem fahoem fieee amriem marieedj
50:5 Nee! Ze verwierpen de waarheid, toen het hen bereikte. Ze bevinden zich dus (nadat ze op zullen staan vanuit de dood) in een verwarde toestand.

اَفَلَمۡ یَنۡظُرُوۡۤا اِلَی السَّمَآءِ فَوۡقَہُمۡ کَیۡفَ بَنَیۡنٰہَا وَ زَیَّنّٰہَا وَ مَا لَہَا مِنۡ فُرُوۡجٍ ﴿۶﴾
Afalam yanzoeroeo ielas samaaa'ie fawqahoem kaifa banainaahaa wa zaiyannaahaa wa maa lahaa mien foeroedj
50:6 Kijken ze dan niet naar de hemel boven hen, hoe Wij deze hebben gestructureerd en versierd, en dat er geen enkel breuk/spleet erin is?

وَ الۡاَرۡضَ مَدَدۡنٰہَا وَ اَلۡقَیۡنَا فِیۡہَا رَوَاسِیَ وَ اَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ زَوۡجٍۭ بَہِیۡجٍ ۙ﴿۷﴾
Wal arda madadnaahaa wa alqainaa fieehaa rawaasieya wa ambatnaa fieehaa mien koellie zawdjiem bahieedj
50:7 En (kijken ze niet naar) de aarde? Deze hebben Wij verspreid en daarop stevige bergen gezet. En Wij deden daarop elke mooie soort groeien.

تَبۡصِرَۃً وَّ ذِکۡرٰی لِکُلِّ عَبۡدٍ مُّنِیۡبٍ ﴿۸﴾
Tabsierataw wa ziekraa liekoellie 'abdiem moenieeb
50:8 Het geeft een inzicht en het is een herinnering voor elke dienaar die zich keert (naar het gedenken van Allah).

وَ نَزَّلۡنَا مِنَ السَّمَآءِ مَآءً مُّبٰرَکًا فَاَنۡۢبَتۡنَا بِہٖ جَنّٰتٍ وَّ حَبَّ الۡحَصِیۡدِ ۙ﴿۹﴾
Wa nazzalnaa mienas samaaa'ie maaa'am moebaarakan fa ambatnaa biehiee djannaatiew wa habbal hasieed
50:9 Wij hebben gezegend water van de hemel (op de aarde) gezonden. Vervolgens, lieten Wij tuinen en graan voor de oogst ermee groeien,

وَ النَّخۡلَ بٰسِقٰتٍ لَّہَا طَلۡعٌ نَّضِیۡدٌ ﴿۰۱﴾
Wannaghla baasieqaatiel laha tal'oen nadieed
50:10 en hoge dadelpalmen die geordende lagen hebben.

رِّزۡقًا لِّلۡعِبَادِ ۙ وَ اَحۡیَیۡنَا بِہٖ بَلۡدَۃً مَّیۡتًا ؕ کَذٰلِکَ الۡخُرُوۡجُ ﴿۱۱﴾
Riezqal liel'iebaad, wa ahyainaa biehiee baldatam maitaa; kazaaliekal ghoeroedj
50:11 (De regen is) Een voorziening voor de dienaren. En Wij geven leven aan een dood land ermee. Zo zal dus (ook) de opstanding (van de doden) zijn.

کَذَّبَتۡ قَبۡلَہُمۡ قَوۡمُ نُوۡحٍ وَّ اَصۡحٰبُ الرَّسِّ وَ ثَمُوۡدُ ﴿۲۱﴾
Kazzabat qablahoem qawmoe Noehiew wa Ashaaboer Rassie wa Samoed
50:12 Van de generaties die voor hen leefden verwierpen het volk van Noeh (Noach), de bewoners van Ar-Rass, het volk Thamoed,

وَ عَادٌ وَّ فِرۡعَوۡنُ وَ اِخۡوَانُ لُوۡطٍ ﴿۳۱﴾
Wa 'Aadoew wa Fier'awnoe wa ieghwaanoe loet
50:13 het volk Aad, Farao en de mannen die met Loeth (Lot) levenden,

وَّ اَصۡحٰبُ الۡاَیۡکَۃِ وَ قَوۡمُ تُبَّعٍ ؕ کُلٌّ کَذَّبَ الرُّسُلَ فَحَقَّ وَعِیۡدِ ﴿۴۱﴾
Wa Ashaaboel Aykatie wa qawmoe Toebba'; koelloen kazzabar Roesoela fahaqqa wa'ieed
50:14 de bewoners van Aikah (zie 15:78) en het volk Toebba. Allen verwierpen de boodschappers, daarom werd Mijn bedreiging bewaarheid.

اَفَعَیِیۡنَا بِالۡخَلۡقِ الۡاَوَّلِ ؕ بَلۡ ہُمۡ فِیۡ لَبۡسٍ مِّنۡ خَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ﴿۵۱﴾
Afa'a yieenaa bielghalqiel awwal; bal hoem fiee labsiem mien ghalqien djadieed
50:15 Waren Wij dan moe met de eerste schepping? Nee, ze twijfelen over de nieuwe schepping!

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا الۡاِنۡسَانَ وَ نَعۡلَمُ مَا تُوَسۡوِسُ بِہٖ نَفۡسُہٗ ۚۖ وَ نَحۡنُ اَقۡرَبُ اِلَیۡہِ مِنۡ حَبۡلِ الۡوَرِیۡدِ ﴿۶۱﴾
Wa laqad ghalaqnal iensaana wa na'lamoe maa toewaswiesoe biehiee nafsoehoe wa Nahnoe aqraboe ielaihie mien habliel warieed
50:16 Zonder enige twijfel, Wij zijn de schepper van de mens en Wij weten wat zijn "Nafs" (eigen ik, ego) toefluistert. Wij zijn dichterbij hem dan zijn halsader.

اِذۡ یَتَلَقَّی الۡمُتَلَقِّیٰنِ عَنِ الۡیَمِیۡنِ وَ عَنِ الشِّمَالِ قَعِیۡدٌ ﴿۷۱﴾
'Iz yatalaqqal moetalaqqie yaanie 'aniel yamieenie wa 'aniesh shiemaalie qa'ieed
50:17 Bovendien noteren er twee schrijvers (engelen), één gevestigd aan de rechterkant en de andere aan de linkerkant.

مَا یَلۡفِظُ مِنۡ قَوۡلٍ اِلَّا لَدَیۡہِ رَقِیۡبٌ عَتِیۡدٌ ﴿۸۱﴾
Maa yalfiezoe mien qawlien iellaa ladaihie raqieeboen 'atieed
50:18 Hij uit nog geen woord of er is een observeerder bij hem, die peraat staat (om het te noteren).

وَ جَآءَتۡ سَکۡرَۃُ الۡمَوۡتِ بِالۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ مَا کُنۡتَ مِنۡہُ تَحِیۡدُ ﴿۹۱﴾
Wa djaaa'at sakratoel mawtie bielhaqq; zaalieka maa koenta mienhoe tahieed
50:19 En de bedwelming\roes van de dood zal de waarheid met zich meebrengen (zeggende:) "Dat is hetgeen wat je had genegeerd."

وَ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡوَعِیۡدِ ﴿۰۲﴾
Wa noefiegha fies Soer; zaalieka yawmoel wa'ieed
50:20 En er zal geblazen worden op de trompet. Dat is de dag waarvoor er werd gewaarschuwd.

وَ جَآءَتۡ کُلُّ نَفۡسٍ مَّعَہَا سَآئِقٌ وَّ شَہِیۡدٌ ﴿۱۲﴾
Wa djaaa'at koelloe nafsiem ma'ahaa saaa'ieqoew wa shahieed
50:21 En elke "Nafs" (eigen ik/persoon) zal komen met een begeleider (engel) en een getuige (engel) (bij Allah).

لَقَدۡ کُنۡتَ فِیۡ غَفۡلَۃٍ مِّنۡ ہٰذَا فَکَشَفۡنَا عَنۡکَ غِطَآءَکَ فَبَصَرُکَ الۡیَوۡمَ حَدِیۡدٌ ﴿۲۲﴾
Laqad koenta fiee ghaf latiem mien haazaa fakashafnaa 'an-ka ghietaaa'aka fabasaroekal yawma hadieed
50:22 (Er zal door Allah worden gezegd:) "Waarlijk, je was onachtzaam met betrekking tot dit. Nu hebben Wij jouw bedekking weggehaald, dus jou zicht is vandaag zeer scherp."

وَ قَالَ قَرِیۡنُہٗ ہٰذَا مَا لَدَیَّ عَتِیۡدٌ ﴿۳۲﴾
Wa qaala qarieenoehoe haazaa maa ladaiya 'atieed
50:23 Zijn begeleider zal zeggen: "Hier is datgeen (het volledige dossier van jou leven) wat bij mij is, compleet."

اَلۡقِیَا فِیۡ جَہَنَّمَ کُلَّ کَفَّارٍ عَنِیۡدٍ ﴿۴۲﴾
Alqieyaa fiee djahannama koella kaffaarien 'anieed
50:24 (Allah zal tegen de engelen zeggen:) "Gooi elke koppige ongelovige in de hell!"

مَّنَّاعٍ لِّلۡخَیۡرِ مُعۡتَدٍ مُّرِیۡبِۣ ﴿۵۲﴾
Mannaa'iel lielghayrie moe'tadiem moerieeb
50:25 "De verbieder van het goede. Overtreder, twijfelaar,"

الَّذِیۡ جَعَلَ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ فَاَلۡقِیٰہُ فِی الۡعَذَابِ الشَّدِیۡدِ ﴿۶۲﴾
Allaziee dja'ala ma'al laahie ielaahan aaghara fa alqieyaahoe fiel'azaabiesh shadieed
50:26 "degene die een andere godheid/deïteit aan Allah toekende. Dus gooi hem in de zeer pijnlijke straf!"

قَالَ قَرِیۡنُہٗ رَبَّنَا مَاۤ اَطۡغَیۡتُہٗ وَ لٰکِنۡ کَانَ فِیۡ ضَلٰلٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۷۲﴾
Qaala qarieenoehoe Rabbanaa maaa atghaitoehoe wa laakien kaana fiee dalaalien ba'ieed
50:27 Zijn Qarien zal zeggen: "Heer, ik deed hem niet doen overtreden, hij was (zelf) ver afgedwaald (van rechtvaardigheid/ het rechte pad)." (Notitie: Qarien is een djien die gebonden is aan een individu. Elk mens heeft een djien bij zich.)

قَالَ لَا تَخۡتَصِمُوۡا لَدَیَّ وَ قَدۡ قَدَّمۡتُ اِلَیۡکُمۡ بِالۡوَعِیۡدِ ﴿۸۲﴾
Qaala laa taghtasiemoe ladaayya wa qad qaddamtoe ielaikoem bielwa'ieed
50:28 Hij (Allah) zal zeggen: "Maak geen ruzie in Mijn aanwezigheid. Waarlijk, Ik heb jullie de waarschuwing gestuurd."

مَا یُبَدَّلُ الۡقَوۡلُ لَدَیَّ وَ مَاۤ اَنَا بِظَلَّامٍ لِّلۡعَبِیۡدِ ﴿۹۲﴾
Maa yoebaddaloel qawloe ladaiya wa maaa ana biezal laamiel liel'abieed
50:29 "Het oordeel bij Mij zal niet worden veranderd. Ik ben niet onrechtvaardig tegen Mijn dienaren."

یَوۡمَ نَقُوۡلُ لِجَہَنَّمَ ہَلِ امۡتَلَاۡتِ وَ تَقُوۡلُ ہَلۡ مِنۡ مَّزِیۡدٍ ﴿۰۳﴾
Yawma naqoeloe lie'djahannama haliem talaatie wa taqoeloe hal miem mazieed
50:30 (Het is de) Dag dat Wij tegen de hel zullen zeggen: "Ben je vol?" Het zal zeggen: "Is er meer?"

وَ اُزۡلِفَتِ الۡجَنَّۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ غَیۡرَ بَعِیۡدٍ ﴿۱۳﴾
Wa oezliefatiel djannatoe liel moettaqieena ghaira ba'ieed
50:31 Het paradijs zal dichtbij de Moetaqoens (degen met godvreesheid, zie 2:2-5) worden gebracht. Het zal niet meer ver zijn.

ہٰذَا مَا تُوۡعَدُوۡنَ لِکُلِّ اَوَّابٍ حَفِیۡظٍ ﴿۲۳﴾
Haaza maa toe'adoena liekoellie awwaabien hafieez
50:32 (Er wordt gezegd:) "Dit is datgeen wat beloofd was aan iedereen die zich keerde (naar Allah), die over zichzelf waakte,"

مَنۡ خَشِیَ الرَّحۡمٰنَ بِالۡغَیۡبِ وَ جَآءَ بِقَلۡبٍ مُّنِیۡبِۣ ﴿۳۳﴾
Man ghashieyar Rahmaana bielghaibie wa djaaa'a bieqalbiem moenieeb
50:33 "die Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige) vreesde vanuit het ongeziene (dus zonder Allah gezien te hebben) en met een hart kwam dat steeds terugkeert (naar Allah voor hulp, steun, toevertrouwen, berouw, dankbaarheid, etc.)."

ادۡخُلُوۡہَا بِسَلٰمٍ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡخُلُوۡدِ ﴿۴۳﴾
Oedghoeloehaa biesalaamien zaalieka yawmoel ghoeloed
50:34 "Betreedt het in vrede. Dit is een dag die eeuwig zal duren."

لَہُمۡ مَّا یَشَآءُوۡنَ فِیۡہَا وَلَدَیۡنَا مَزِیۡدٌ ﴿۵۳﴾
Lahoem maa yashaaa'oena fieehaa wa ladainaa mazieed
50:35 Voor hen is er daar wat ze maar ook wensen en nog veel meer is er bij Ons. (Notitie: zie ook 10:26.)

وَ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنۡ قَرۡنٍ ہُمۡ اَشَدُّ مِنۡہُمۡ بَطۡشًا فَنَقَّبُوۡا فِی الۡبِلَادِ ؕ ہَلۡ مِنۡ مَّحِیۡصٍ ﴿۶۳﴾
Wa kam ahlaknaa qablahoem mien qarnien hoem ashaddoe mienhoem batshan fanaqqaboe fiel bielaad, hal miem mahiees
50:36 (Zie dan,) Hoeveel generaties Wij hebben vernietigd. Zij waren krachtiger dan hen in macht. Zij verkende het land (om de ramp te ontwijken). (Zie,) Is er (dan) een plek om naartoe te vluchten?

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَذِکۡرٰی لِمَنۡ کَانَ لَہٗ قَلۡبٌ اَوۡ اَلۡقَی السَّمۡعَ وَ ہُوَ شَہِیۡدٌ ﴿۷۳﴾
Inna fiee zaalieka laziekraa lieman kaana lahoe qalboen aw alqas sam'a wa hoewa shahieed
50:37 Daarin (het vergaan van voorgaande generaties) is zeker een teken voor degene die een goed hart heeft en die luistert als hij getuigt.

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنَا السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ٭ۖ وَّ مَا مَسَّنَا مِنۡ لُّغُوۡبٍ ﴿۸۳﴾
Wa laqad ghalaqnas samaawaatie wal arda wa maa bainahoemaa fiee siettatie ayyaamien wa maa massanaa miel loeghoeb
50:38 Waarlijk, Wij schiepen de hemelen, de aarde en wat er tussen beide is, in zes dagen. Vermoeidheid heeft Ons niet geraakt.

فَاصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ قَبۡلَ طُلُوۡعِ الشَّمۡسِ وَ قَبۡلَ الۡغُرُوۡبِ ﴿۹۳﴾
Fasbier 'alaa maa yaqoeloena wa sabbieh biehamdie Rabbieka qabla toeloe'iesh shamsie wa qablal ghoeroeb
50:39 Wees dus geduldig met datgeen wat ze zeggen en verklaar de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming (Subhaan Allah) en betuig dank en eer (Alhumdoe-LillAh) aan jouw Heer, voor zonsopkomst en voor zonsondergang.

وَ مِنَ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡہُ وَ اَدۡبَارَ السُّجُوۡدِ ﴿۰۴﴾
Wa mienal lailie fasabbieh hoe wa adbaaras soedjoed
50:40 Verklaar het gedurende de nacht en na het prostreren.

وَ اسۡتَمِعۡ یَوۡمَ یُنَادِ الۡمُنَادِ مِنۡ مَّکَانٍ قَرِیۡبٍ ﴿۱۴﴾
Wastamie' yawma yoenaa diel moenaadie miem makaanien qarieeb
50:41 Luister! (Op die) Dag zal de roeper vanuit een dichtbijzijnde plek roepen. (Notitie: zie ook 20:108)

یَّوۡمَ یَسۡمَعُوۡنَ الصَّیۡحَۃَ بِالۡحَقِّ ؕ ذٰلِکَ یَوۡمُ الۡخُرُوۡجِ ﴿۲۴﴾
Yawma yasma-oenas sai hata bielhaqq zaalieka yawmoel ghoeroedj
50:42 (Op die) Dag zullen ze de knal met waarheid horen. Dat is de dag van de wederopstanding.

اِنَّا نَحۡنُ نُحۡیٖ وَ نُمِیۡتُ وَ اِلَیۡنَا الۡمَصِیۡرُ ﴿۳۴﴾
Innaa Nahnoe noehyiee wa noemieetoe wa ielainal masieer
50:43 Zonder enige twijfel, Wij zijn het Die leven geven en Die de dood veroorzaken. Tot Ons is de uiteindelijke terugkeer.

یَوۡمَ تَشَقَّقُ الۡاَرۡضُ عَنۡہُمۡ سِرَاعًا ؕ ذٰلِکَ حَشۡرٌ عَلَیۡنَا یَسِیۡرٌ ﴿۴۴﴾
Yawma tashaqqaqoel ardoe 'anhoem sieraa'aa; zaalieka hashroen 'alainaa yasieer
50:44 (Op die) Dag zal de aarde hen snel afstoten. Dat is een makkelijke manier van verzamelen voor Ons.

نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ مَاۤ اَنۡتَ عَلَیۡہِمۡ بِجَبَّارٍ ۟ فَذَکِّرۡ بِالۡقُرۡاٰنِ مَنۡ یَّخَافُ وَعِیۡدِ ﴿۵۴﴾
Nahnoe a'lamoe biemaa yaqoeloena wa maaa anta 'alaihiem biedjabbaarien fazakkier biel qoeraanie may yaghaafoe wa'ieed
50:45 Wij weten het beste wat ze zeggen. Jij (Mohammed v.z.m.h.) bent geen onderdrukker (om het geloof op te dwingen). Maar, waarschuw met de Koran aan degene die Mijn dreiging vreest.

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
وَالذّٰرِیٰتِ ذَرۡوًا ۙ﴿۱﴾
Waz-zaarieyaatie zarwaa
51:1 Bij degenen (de winden) die stof en deeltjes verspreiden, (Notitie: Allah zweert bij de engelen / winden).

فَالۡحٰمِلٰتِ وِقۡرًا ۙ﴿۲﴾
Falhaamielaatie wieqraa
51:2 en degenen (de wolken) die een gewicht (van water) dragen,

فَالۡجٰرِیٰتِ یُسۡرًا ۙ﴿۳﴾
Faldjaarieyaatie yoesraa
51:3 en de varenden die rustig voortgaan,

فَالۡمُقَسِّمٰتِ اَمۡرًا ۙ﴿۴﴾
Falmoeqassiemaatie amraa
51:4 en degenen (engelen) die de opdracht (van Allah) verdelen,

اِنَّمَا تُوۡعَدُوۡنَ لَصَادِقٌ ۙ﴿۵﴾
Innamaa toe'adoena la-saadieq
51:5 wat aan jullie beloofd is, is zeker waar.

وَّ اِنَّ الدِّیۡنَ لَوَاقِعٌ ؕ﴿۶﴾
Wa iennad dieena la waaqie'
51:6 De berechting (van elke persoon) zal zeker gebeuren.

وَ السَّمَآءِ ذَاتِ الۡحُبُکِ ۙ﴿۷﴾
Wassamaaa'ie zaatiel hoeboek
51:7 Bij de hemelen, die zeer veel wegen\perfectie kent.

اِنَّکُمۡ لَفِیۡ قَوۡلٍ مُّخۡتَلِفٍ ۙ﴿۸﴾
Innakoem lafiee qawliem moeghtalief
51:8 Zonder twijfel, jullie hebben verschillende meningen.

یُّؤۡفَکُ عَنۡہُ مَنۡ اُفِکَ ﴿۹﴾
Yoe'fakoe 'anhoe man oefiek
51:9 Daarvan afgewend (van de Koran) is degene die is afgewend (van het rechte pad).

قُتِلَ الۡخَرّٰصُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Qoetielal gharraasoen
51:10 Vervloekt zijn de leugenaars. (Notitie: zie ook 2:159. De vloek van Allah betekent dat degene wordt uitgesloten van Zijn barmhartigheid.)

الَّذِیۡنَ ہُمۡ فِیۡ غَمۡرَۃٍ سَاہُوۡنَ ﴿۱۱﴾
Allazieena hoem fiee ghamratien saahoen
51:11 Dat zijn degenen die zich in een vloed van onachtzaamheid bevinden (m.b.t. het hiernamaals).

یَسۡـَٔلُوۡنَ اَیَّانَ یَوۡمُ الدِّیۡنِ ﴿۲۱﴾
Yas'aloena ayyaana yawmoed Dieen
51:12 Ze vragen: "Wanneer is de dag des oordeels?"

یَوۡمَ ہُمۡ عَلَی النَّارِ یُفۡتَنُوۡنَ ﴿۳۱﴾
Yawma hoem 'alan naarie yoeftanoen
51:13 (Het is) Een dag waarop ze in het vuur worden bestraft.

ذُوۡقُوۡا فِتۡنَتَکُمۡ ؕ ہٰذَا الَّذِیۡ کُنۡتُمۡ بِہٖ تَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Zoeqoe fietnatakoem haa zal laziee koentoem biehiee tas ta'djieloen
51:14 "Proef (het resultaat van) jullie beproeving. Dit is datgeen wat jullie wilde verhaasten."

اِنَّ الۡمُتَّقِیۡنَ فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿۵۱﴾
Innal moettaqieena fiee djannaatiew wa 'oeyoen
51:15 Zonder twijfel de 'Moetaqoens' (zie 2:2-5) zullen zich bevinden in tuinen met fonteinen/bronnen.

اٰخِذِیۡنَ مَاۤ اٰتٰہُمۡ رَبُّہُمۡ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَبۡلَ ذٰلِکَ مُحۡسِنِیۡنَ ﴿۶۱﴾
Aaghiezieena maaa aataahoem Rabboehoem; iennahoem kaanoe qabla zaalieka moehsienieen
51:16 Genietend van datgeen hun Heer hen heeft gegeven. Zonder twijfel, ze behoorden voorheen (tijdens het wereldse leven) tot degenen die goed deden.

کَانُوۡا قَلِیۡلًا مِّنَ الَّیۡلِ مَا یَہۡجَعُوۡنَ ﴿۷۱﴾
kaanoe qalieelam mienal lailie maa yahdja'oen
51:17 Ze sliepen weinig gedurende de nacht.

وَ بِالۡاَسۡحَارِ ہُمۡ یَسۡتَغۡفِرُوۡنَ ﴿۸۱﴾
Wa biel as haarie hoem yastaghfieroen
51:18 En in de uren voor zonsopgang, vroegen ze om vergiffenis.

وَ فِیۡۤ اَمۡوَالِہِمۡ حَقٌّ لِّلسَّآئِلِ وَ الۡمَحۡرُوۡمِ ﴿۹۱﴾
Wa fieee amwaaliehiem haqqoel liessaaa'ielie walmahroem
51:19 En in hun vermogen was een aandeel voor bedelaars en voor de armen die niet bedelen.

وَ فِی الۡاَرۡضِ اٰیٰتٌ لِّلۡمُوۡقِنِیۡنَ ﴿۰۲﴾
Wa fiel ardie aayaatoel lielmoeqienieen
51:20 Op de aarde bevinden zich tekenen voor degenen die overtuigd zijn.

وَ فِیۡۤ اَنۡفُسِکُمۡ ؕ اَفَلَا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۱۲﴾
Wa fieee anfoesiekoem; afalaa toebsieroen
51:21 En (ook) in julliezelf. Willen jullie dan niet zien?

وَ فِی السَّمَآءِ رِزۡقُکُمۡ وَ مَا تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۲۲﴾
Wa fiessamaaa'ie riezqoekoem wa maa toe'adoen
51:22 In de hemelen bevindt zich jullie voorzieningen en (ook) wat jullie is beloofd (wat jullie nog krijgen). (Notitie: Alle voorzieningen van elk persoon staat vast in de Lawh Al-Mahfuz. Echter, Allah schenkt baraqat/zegeningen in de voorzieningen, zie 7:96.)

فَوَ رَبِّ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ اِنَّہٗ لَحَقٌّ مِّثۡلَ مَاۤ اَنَّکُمۡ تَنۡطِقُوۡنَ ﴿۳۲﴾
Fawa Rabbies samaaa'ie wal ardie iennahoe lahaqqoem miesla maa annakoem tantieqoen
51:23 Bij de Heer van de hemelen en de aarde, het is zonder enige twijfel waar net zoals hoe jullie spreken.

ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ ضَیۡفِ اِبۡرٰہِیۡمَ الۡمُکۡرَمِیۡنَ ﴿۴۲﴾
Hal ataaka hadieesoe daifie Ibraahieemal moekramieen
51:24 Heeft de berichtgeving van de gasten van Ibrahiem jullie bereikt?

اِذۡ دَخَلُوۡا عَلَیۡہِ فَقَالُوۡا سَلٰمًا ؕ قَالَ سَلٰمٌ ۚ قَوۡمٌ مُّنۡکَرُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Iz daghaloe 'alaihie faqaaloe salaaman qaala salaamoen qawmoem moen-karoen
51:25 Toen ze bij hem kwamen, zeiden ze: "Vrede." Hij (Ibrahiem) zei: "Vrede", "Onbekend volk."

فَرَاغَ اِلٰۤی اَہۡلِہٖ فَجَآءَ بِعِجۡلٍ سَمِیۡنٍ ﴿۶۲﴾
Faraagha ielaaa ahliehiee fadjaaa'a bie'iedjlien samieen
51:26 Vervolgens, ging hij naar zijn gezin en kwam terug met een dikke kalf.

فَقَرَّبَہٗۤ اِلَیۡہِمۡ قَالَ اَلَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Faqarrabahoeo ielaihiem qaala alaa taakoeloen
51:27 Hij plaatste het voor hen en zei: "Willen jullie niet eten?"

فَاَوۡجَسَ مِنۡہُمۡ خِیۡفَۃً ؕ قَالُوۡا لَا تَخَفۡ ؕ وَ بَشَّرُوۡہُ بِغُلٰمٍ عَلِیۡمٍ ﴿۸۲﴾
Fa awdjasa mienhoem ghiee fatan qaaloe laa taghaf wa bashsharoehoe bieghoelaamien 'alieem
51:28 Toen werd hij angstig van hen. Ze zeiden: "Wees niet bang." Ze gaven hem het goede nieuws van een zoon met kennis (die hij zou krijgen, Ishaq/Izaak).

فَاَقۡبَلَتِ امۡرَاَتُہٗ فِیۡ صَرَّۃٍ فَصَکَّتۡ وَجۡہَہَا وَ قَالَتۡ عَجُوۡزٌ عَقِیۡمٌ ﴿۹۲﴾
Fa aqbalatiem ra-atoehoe fiee sarratien fasakkat wadjhahaa wa qaalat 'adjoezoen 'aqieem
51:29 Daarna kwam zijn vrouw met een luide stem en slaand in haar gezicht. Ze zei: "Een oude onvruchtbare vrouw!"

قَالُوۡا کَذٰلِکِ ۙ قَالَ رَبُّکِ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡحَکِیۡمُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۰۳﴾
Qaaloe kazaaliekie qaala Rabboekie iennahoe hoewal hakieemoel 'alieem (26)
51:30 Ze zeiden: "Zo heeft jullie Heer het bepaald. Hij is Al-Hakiem (de Alwijze), Al-Aliem (de Alwetende)."


www.heiligekoran.nl