حٰمٓ ۚ﴿۱﴾
Haa-Mieeem
40:1 Haa Mieeem
تَنۡزِیۡلُ الۡکِتٰبِ مِنَ اللّٰہِ الۡعَزِیۡزِ الۡعَلِیۡمِ ۙ﴿۲﴾
Tanzieeloel Kietaabie mienal laahiel Azieeziel 'Alieem
40:2 De openbaring van het boek (Koran) is van Allah, Al-Aziez (de Almachtige), Al-Aliem (de Alwetende).
غَافِرِ الذَّنۡۢبِ وَ قَابِلِ التَّوۡبِ شَدِیۡدِ الۡعِقَابِ ۙ ذِی الطَّوۡلِ ؕ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ اِلَیۡہِ الۡمَصِیۡرُ ﴿۳﴾
Ghaafieriez zambie wa qaabieliet tawbie shadieediel 'ieqaabie ziet tawlie laaa ielaaha iellaa Hoewa ielaihiel masieer
40:3 De Vergever van de zonden, de Accepteerder van berouw, Streng in het straffen, Bezitter van (al) het rijkdom. Er is geen Deïteit/Godheid dan Hij. Tot Hem is de terugkeer.
مَا یُجَادِلُ فِیۡۤ اٰیٰتِ اللّٰہِ اِلَّا الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَلَا یَغۡرُرۡکَ تَقَلُّبُہُمۡ فِی الۡبِلَادِ ﴿۴﴾
Maa yoedjaadieloe fieee Aayaatiel laahie iellal lazieena kafaroe falaa yaghroerka taqalloeboehoem fiel bielaad
40:4 Niemand gaat tegen de Ayahs (verzenen, tekenen) van Allah in, behalve degenen die niet geloven. Dus laat hun bezigheden in de steden jou niet doen bedriegen.
کَذَّبَتۡ قَبۡلَہُمۡ قَوۡمُ نُوۡحٍ وَّ الۡاَحۡزَابُ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ۪ وَ ہَمَّتۡ کُلُّ اُمَّۃٍۭ بِرَسُوۡلِہِمۡ لِیَاۡخُذُوۡہُ وَ جٰدَلُوۡا بِالۡبَاطِلِ لِیُدۡحِضُوۡا بِہِ الۡحَقَّ فَاَخَذۡتُہُمۡ ۟ فَکَیۡفَ کَانَ عِقَابِ ﴿۵﴾
Kazzabat qablahoem qawmoe Noehiew wal Ahzaaboe mien ba'diehiem wa hammat koelloe oemmatien bie Rasoeliehiem lie ya'ghoezoehoe wa djaadaloe bielbaatielie lie yoed hiedoe biehiel haqqa fa aghaztoehoem fa kaifa kaana 'ieqaab
40:5 (Zo ook) verwierpen voor hen het volk van Noeh (Noach) en de groepen/sektes (die onstaan zijn) na hen. Elk 'Ummah' (gemeenschap) maakten plannen tegen hun boodschapper om hem te grijpen/doden. Ze disputeerden op basis van valsheid om de waarheid te weerleggen. Dus greep Ik hen. Hoe was dus mijn straf?
وَ کَذٰلِکَ حَقَّتۡ کَلِمَتُ رَبِّکَ عَلَی الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَنَّہُمۡ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۘ﴿۶﴾
Wa kazaalieka haqqat Kaliematoe Rabbieka 'alal lazieena kafaroeo annahoem Ashaaboen Naar
40:6 Dus werd het woord van jouw Heer op de ongelovigen, dat ze de bewoners van het vuur zijn, gerechtvaardigd.
اَلَّذِیۡنَ یَحۡمِلُوۡنَ الۡعَرۡشَ وَ مَنۡ حَوۡلَہٗ یُسَبِّحُوۡنَ بِحَمۡدِ رَبِّہِمۡ وَ یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ وَ یَسۡتَغۡفِرُوۡنَ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ۚ رَبَّنَا وَسِعۡتَ کُلَّ شَیۡءٍ رَّحۡمَۃً وَّ عِلۡمًا فَاغۡفِرۡ لِلَّذِیۡنَ تَابُوۡا وَ اتَّبَعُوۡا سَبِیۡلَکَ وَ قِہِمۡ عَذَابَ الۡجَحِیۡمِ ﴿۷﴾
Allazieena yahmieloenal 'Arsha wa man hawlahoe yoesabbiehoena biehamdie Rabbiehiem wa yoe'mienoena biehiee wa yastaghfieroena liellazieena aamanoe Rabbanaa wasie'ta koella shai'ier rahmataw wa 'ielman faghfier liellazieena taaboe wattaba'oe sabieelaka wa qiehiem 'azaabal djahieem
40:7 Degenen (de engelen) die de troon dragen en die er omheen zijn, verheerlijken de lofprijzingen van hun Heer. Ze geloven in Hem en vragen om vergiffenis voor de gelovigen: "Onze Heer, U omvat alles met Uw barmhartigheid en kennis, vergeef dus degenen die berouw tonen en Uw pad volgen. Red hen van de straf van het vuur."
رَبَّنَا وَ اَدۡخِلۡہُمۡ جَنّٰتِ عَدۡنِۣ الَّتِیۡ وَعَدۡتَّہُمۡ وَ مَنۡ صَلَحَ مِنۡ اٰبَآئِہِمۡ وَ اَزۡوَاجِہِمۡ وَ ذُرِّیّٰتِہِمۡ ؕ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ۙ﴿۸﴾
Rabbanaa wa adghielhoem djannaatie 'adnieniel latiee wa'attahoem wa man salaha mien aabaaa'iehiem wa azwaadjiehiem wa zoerrieyyaatiehiem; iennaka Antal 'Azieezoel Hakieem
40:8 "Onze Heer, laat ze toe tot de tuinen van Eden, welke U hen heeft beloofd. En ook degenen wie oprecht was onder hun vaders, hun echtgenoten en hun kinderen. Waarlijk, U bent Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Alwijze)."
وَ قِہِمُ السَّیِّاٰتِ ؕ وَ مَنۡ تَقِ السَّیِّاٰتِ یَوۡمَئِذٍ فَقَدۡ رَحِمۡتَہٗ ؕ وَ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَوۡزُ الۡعَظِیۡمُ ٪﴿۹﴾
Wa qiehiemoes saiyie-aat; wa man taqies saiyie-aatie Yawma'iezien faqad rahiemtah; wa zaalieka hoewal fawzoel 'azieem
40:9 "Bescherm hen voor de slechte daden. En wie U van de slechte daden beschermt (voor de straf) van die dag (dag des oordeels), waarlijk U heeft hem barmhartigheid geschonken. Dat is een groot succes!"
اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا یُنَادَوۡنَ لَمَقۡتُ اللّٰہِ اَکۡبَرُ مِنۡ مَّقۡتِکُمۡ اَنۡفُسَکُمۡ اِذۡ تُدۡعَوۡنَ اِلَی الۡاِیۡمَانِ فَتَکۡفُرُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Innal lazieena kafaroe yoenaadawna lamaqtoel laahie akbaroe miem maqtiekoem anfoesakoem iez toed'awna ielal ieemaanie fatakfoeroen
40:10 Voorzeker, er zal tegen de ongelovigen gezegd worden: "Allah's afkeer was groter dan de haat (nu) op julliezelf, toen jullie geroepen werden tot de Imaan (het geloof, het erkennen en geloven in Allah), maar jullie wilden niet geloven."
قَالُوۡا رَبَّنَاۤ اَمَتَّنَا اثۡنَتَیۡنِ وَ اَحۡیَیۡتَنَا اثۡنَتَیۡنِ فَاعۡتَرَفۡنَا بِذُنُوۡبِنَا فَہَلۡ اِلٰی خُرُوۡجٍ مِّنۡ سَبِیۡلٍ ﴿۱۱﴾
Qaaloe Rabbanaaa amat tanasnatainie wa ahyaitanas natainie fa'tarafnaa biezoenoe bienaa fahal ielaa ghoeroedjiem mien sabieel
40:11 Ze zullen zeggen: "Onze Heer! U heeft ons twee keer doen sterven en twee keer doen leven, we erkennen onze zonden. Is er een manier om er hier uit te komen?" (Notitie: op de dag des oordeels, zal er beseft worden dat slapen een vorm van dood was, zie ook 39:42.)
ذٰلِکُمۡ بِاَنَّہٗۤ اِذَا دُعِیَ اللّٰہُ وَحۡدَہٗ کَفَرۡتُمۡ ۚ وَ اِنۡ یُّشۡرَکۡ بِہٖ تُؤۡمِنُوۡا ؕ فَالۡحُکۡمُ لِلّٰہِ الۡعَلِیِّ الۡکَبِیۡرِ ﴿۲۱﴾
Zaaliekoem bie annahoeo iezaa doe'ieyal laahoe wahdahoe kafartoem wa iey yoeshrak biehiee toe'mienoe; falhoekmoe liellaahiel 'Alieyyiel Kabieer
40:12 (De bewakers van de hel zullen zeggen:) "Dat is omdat jullie niet geloofden toen Allah alleen werd aangeroepen. Maar wanneer anderen aan Hem werden toegekend, geloofden jullie. Dus het oordeel is bij Allah, Al-'Alie (De Allerhoogste, de Verhevene), Al-Kabier (De Allergrootste)."
ہُوَ الَّذِیۡ یُرِیۡکُمۡ اٰیٰتِہٖ وَ یُنَزِّلُ لَکُمۡ مِّنَ السَّمَآءِ رِزۡقًا ؕ وَ مَا یَتَذَکَّرُ اِلَّا مَنۡ یُّنِیۡبُ ﴿۳۱﴾
Hoewal laziee yoerieekoem Aayaatiehiee wa yoenazzieloe lakoem mienas samaaa'ie riezqaa; wa maa yatazakkaroe iellaa may yoenieeb
40:13 Hij is Degene Die aan jullie Zijn teken laat zien en voorzieningen voor jullie vanuit de hemel neerzendt. Echter, niemand denkt erover na, behalve degene die zich (naar Hem) toekeert.
فَادۡعُوا اللّٰہَ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ وَ لَوۡ کَرِہَ الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Fad'oel laaha moeghliesieena lahoed dieena wa law kariehal kaafieroen
40:14 Dus roep Allah aan met oprechtheid in de "Dien" (manier van aanbidding, oprechte levenswijze, ethiek, volgens de wetten van Allah), ondanks dat de ongelovigen er een afkeer van hebben.
رَفِیۡعُ الدَّرَجٰتِ ذُو الۡعَرۡشِ ۚ یُلۡقِی الرُّوۡحَ مِنۡ اَمۡرِہٖ عَلٰی مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ لِیُنۡذِرَ یَوۡمَ التَّلَاقِ ﴿۵۱﴾
Rafiee'oed daradjaatie zoel 'Arshie yoelqier roeha mien amriehiee 'alaa may yashaaa'oe mien 'iebaadiehiee lieyoenziera yawmat talaaq
40:15 (Allah Hij is de) Bezitter van de hoogste rang, Bezitter van de troon. Door Zijn bevel, kent Hij de openbaring toe aan wie Hij wil van Zijn dienaren. Dit om te waarschuwen voor de dag van de ontmoeting (met Allah). (Notitie: Ruh is hier vertaald als openbaring, zie ook 42:52.)
یَوۡمَ ہُمۡ بٰرِزُوۡنَ ۬ۚ لَا یَخۡفٰی عَلَی اللّٰہِ مِنۡہُمۡ شَیۡءٌ ؕ لِمَنِ الۡمُلۡکُ الۡیَوۡمَ ؕ لِلّٰہِ الۡوَاحِدِ الۡقَہَّارِ ﴿۶۱﴾
Yawma hoem baariezoena laa yaghfaa 'alal laahie mienhoem shai; liemaniel moelkoel Yawma liellaahiel Waahiediel Qahaar
40:16 Op de dag dat ze voortkomen (voor berechting), zal er niets voor Allah over hen verborgen zijn. Aan wie behoort het Koninkrijk deze dag? Voor Allah, Al-Wahied (de Enige), Al-Kahaar (Degene die alles regelt in zijn koninkrijk).
اَلۡیَوۡمَ تُجۡزٰی کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا کَسَبَتۡ ؕ لَا ظُلۡمَ الۡیَوۡمَ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۷۱﴾
Al-Yawma toedjzaa koelloe nafsiem biemaa kasabat; laa zoelmal Yawm; iennal laaha sariee'oel hiesaab
40:17 Op deze dag, zal elke 'Nafs' beloond/vergolden worden voor datgeen wat het heeft verdiend. (Er is) geen enkel onrechtvaardigheid op deze dag! Voorzeker, Allah is snel in het afrekenen.
وَ اَنۡذِرۡہُمۡ یَوۡمَ الۡاٰزِفَۃِ اِذِ الۡقُلُوۡبُ لَدَی الۡحَنَاجِرِ کٰظِمِیۡنَ ۬ؕ مَا لِلظّٰلِمِیۡنَ مِنۡ حَمِیۡمٍ وَّ لَا شَفِیۡعٍ یُّطَاعُ ﴿۸۱﴾
Wa anzierhoem yawmal aaziefatie ieziel qoeloeboe ladal hanaadjierie kaaziemieen; maa liezzaaliemieena mien hamieemiew wa laa shafiee'ieny-yoetaa'
40:18 Waarschuw hen voor de naderende dag, waarop de hartkloppingen de kelen verstikt. Er is voor de misdadigers geen enkel boezem vriend, noch enige bemiddelaar.
یَعۡلَمُ خَآئِنَۃَ الۡاَعۡیُنِ وَ مَا تُخۡفِی الصُّدُوۡرُ ﴿۹۱﴾
Ya'lamoe ghaaa'ienatal a'yoenie wa maa toeghfies soedoer
40:19 Hij kent de gemene blikken en wat (de harten in) de borsten verbergt.
وَ اللّٰہُ یَقۡضِیۡ بِالۡحَقِّ ؕ وَ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہٖ لَا یَقۡضُوۡنَ بِشَیۡءٍ ؕ اِنَّ اللّٰہَ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡبَصِیۡرُ ﴿۰۲﴾
Wallaahoe yaqdiee bielhaqq, wallazieena yad'oena mien doeniehiee laa yaqdoena bieshai'; iennal laaha Hoewas Samiee'oel Basieer
40:20 Allah oordeelt op basis van de waarheid, terwijl degenen die ze naast Hem aanroepen oordelen op basis van niets. Voorzeker, Allah Hij is As-Samie'oe (de Alhorende), Al-Basier (Al-Ziende).
اَوَ لَمۡ یَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الَّذِیۡنَ کَانُوۡا مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ کَانُوۡا ہُمۡ اَشَدَّ مِنۡہُمۡ قُوَّۃً وَّ اٰثَارًا فِی الۡاَرۡضِ فَاَخَذَہُمُ اللّٰہُ بِذُنُوۡبِہِمۡ ؕ وَ مَا کَانَ لَہُمۡ مِّنَ اللّٰہِ مِنۡ وَّاقٍ ﴿۱۲﴾
Awalam yasieeroe fiel ardie fa yanzoeroe kaifa kaana 'aaqiebatoel lazieena kaanoe mien qabliehiem; kaanoe hoem ashadda mienhoem qoewwataw wa aasaaran fiel ardie fa aghazahoemoel laahoe biezoenoebiehiem wa maa kaana lahoem mienal laahie miew waaq
40:21 Reizen ze niet op de aarde, en zien ze niet hoe het einde was van de generaties vóór hen? Ze hadden meer kracht dan hen en meer sporen (van bouwwerken die ze achtergelaten hebben) op de aarde. Maar Allah greep hen voor hun zonden. Er was geen enkele beschermer voor hen tegen Allah.
ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَانَتۡ تَّاۡتِیۡہِمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ فَکَفَرُوۡا فَاَخَذَہُمُ اللّٰہُ ؕ اِنَّہٗ قَوِیٌّ شَدِیۡدُ الۡعِقَابِ ﴿۲۲﴾
Zaalieka bie annahoem kaanat taatieehiem Roesoeloehoem bielbaiyienaatie fakafaroe fa aghazahoemoel laah; iennahoe qawieyyoen shadieedoel 'ieqaab
40:22 Dat was omdat hun profeten met duidelijke bewijzen tot hen kwamen, maar ze geloofden (de boodschap) niet. Dus Allah greep hen. Voorzeker, Hij is Al-Qawiy (Degene Die boven alle beperkingen staat. Zijn kracht is oppermachtig, onbeperkt en onuitputtelijk), streng in het straffen.
وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا مُوۡسٰی بِاٰیٰتِنَا وَ سُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۳۲﴾
Wa laqad arsalnaa Moesaa bie Aayaatienaa wa soeltaaniem moebieen
40:23 Waarlijk, Wij zonden Moesa (Mozes) met Onze tekenen met een duidelijke autoriteit/gezag/zeggenschap,
اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ ہَامٰنَ وَ قَارُوۡنَ فَقَالُوۡا سٰحِرٌ کَذَّابٌ ﴿۴۲﴾
Ilaa Fier'awna wa Haamaana wa Qaaroena faqaaloe saahieroen kazzaab
40:24 tot Farao, Haman en Qaroen. Maar ze zeiden: "Een magiër, een leugenaar!"
فَلَمَّا جَآءَہُمۡ بِالۡحَقِّ مِنۡ عِنۡدِنَا قَالُوا اقۡتُلُوۡۤا اَبۡنَآءَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَہٗ وَ اسۡتَحۡیُوۡا نِسَآءَہُمۡ ؕ وَ مَا کَیۡدُ الۡکٰفِرِیۡنَ اِلَّا فِیۡ ضَلٰلٍ ﴿۵۲﴾
Falamma djaaa'ahoem biel haqqie mien 'iendienaa qaaloeq toeloeo abnaaa'al lazieena aamanoe ma'ahoe wastahyoe niesaaa'ahoem; wa maa kaidoel kaafierieena iellaa fiee dalaal
40:25 Nadat hij de waarheid van Ons aan hen had gebracht, zeiden ze: "Dood de zonen van degenen die met hem geloven en spaar hun vrouwen." Maar het plan van de ongelovigen is alleen een dwaling (en raakt dus niet zijn doel).
وَ قَالَ فِرۡعَوۡنُ ذَرُوۡنِیۡۤ اَقۡتُلۡ مُوۡسٰی وَ لۡیَدۡعُ رَبَّہٗ ۚ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اَنۡ یُّبَدِّلَ دِیۡنَکُمۡ اَوۡ اَنۡ یُّظۡہِرَ فِی الۡاَرۡضِ الۡفَسَادَ ﴿۶۲﴾
Wa qaala Fier'awnoe zaroenieee aqtoel Moesaa walyad'oe Rabbahoe iennieee aghaafoe ay yoebaddiela dieenakoem aw ay yoezhiera fiel ardiel fasaad
40:26 Farao zei: "Verlaat me, zodat ik Moesa kan doden en laat hem dan zijn Heer aanroepen. Ik ben bang dat hij jullie 'Dien' (manier van leven) zal veranderen of dat hij verderf in het land zal zaaien."
وَ قَالَ مُوۡسٰۤی اِنِّیۡ عُذۡتُ بِرَبِّیۡ وَ رَبِّکُمۡ مِّنۡ کُلِّ مُتَکَبِّرٍ لَّا یُؤۡمِنُ بِیَوۡمِ الۡحِسَابِ ﴿۷۲﴾
Wa qaala Moesaaaa ienniee 'oeztoe bie Rabbiee wa Rabbiekoem mien koellie moetakabbieriel laayoe'mienoe bie Yawmiel Hiesaab
40:27 Moesa zei: "Ik zoek mijn toevlucht bij mijn Heer en jouw Heer tegen elke hoogmoedige die niet in de dag des oordeels gelooft."
وَ قَالَ رَجُلٌ مُّؤۡمِنٌ ٭ۖ مِّنۡ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ یَکۡتُمُ اِیۡمَانَہٗۤ اَتَقۡتُلُوۡنَ رَجُلًا اَنۡ یَّقُوۡلَ رَبِّیَ اللّٰہُ وَ قَدۡ جَآءَکُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ مِنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ وَ اِنۡ یَّکُ کَاذِبًا فَعَلَیۡہِ کَذِبُہٗ ۚ وَ اِنۡ یَّکُ صَادِقًا یُّصِبۡکُمۡ بَعۡضُ الَّذِیۡ یَعِدُکُمۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَہۡدِیۡ مَنۡ ہُوَ مُسۡرِفٌ کَذَّابٌ ﴿۸۲﴾
Wa qaala radjoeloem moe'mienoemmien Aalie Fier'awna yaktoemoe ieemaanahoeo ataqtoeloena radjoelan ay yaqoela Rabbie yal laahoe wa qad djaaa'akoem biel baiyienaatie mier Rabbiekoem wa iey yakoe kaazieban fa'alaihie kazieboeh wa iey yakoe saadieqay yasiebkoem ba'doel laziee ya'iedoekoem iennal laaha laa yahdiee man hoewa moesriefoen kazzaab
40:28 Een gelovige man, die behoorde tot het volk van Farao en die zijn geloof verborg, zei: "Wilt u een man doden, omdat hij alleen zegt: 'Mijn Heer is Allah'? Zonder twijfel, hij is tot jou gekomen met duidelijke bewijzen van jouw Heer. Als hij liegt dan rust (de gevolgen van) de leugen alleen op hem. Maar als hij de waarheid spreekt, dan zal iets van datgeen waarmee hij jou bedreigt jou treffen. Voorzeker, Allah leidt niet degene die onderdrukt en liegt."
یٰقَوۡمِ لَکُمُ الۡمُلۡکُ الۡیَوۡمَ ظٰہِرِیۡنَ فِی الۡاَرۡضِ ۫ فَمَنۡ یَّنۡصُرُنَا مِنۡۢ بَاۡسِ اللّٰہِ اِنۡ جَآءَنَا ؕ قَالَ فِرۡعَوۡنُ مَاۤ اُرِیۡکُمۡ اِلَّا مَاۤ اَرٰی وَ مَاۤ اَہۡدِیۡکُمۡ اِلَّا سَبِیۡلَ الرَّشَادِ ﴿۹۲﴾
Yaa qawmie lakoemoel moelkoel yawma zaahierieena fiel ardie famay yansoeroenaa miem baasiel laahie ien djaaa'anaa; qaala Fier'awnoe maaa oerieekoem iellaa maaa araa wa maaa ahdieekoem iellaa sabieelar Rashaad
40:29 "Mijn volk! Het koninkrijk is vandaag voor jullie, jullie domineren/heersen het land. Maar wie zal ons helpen tegen de straf van Allah als het tot ons komt?" Farao zei: "Ik laat jullie alleen datgeen zien wat ik zie. Ik leid jullie alleen naar het rechte pad."
وَ قَالَ الَّذِیۡۤ اٰمَنَ یٰقَوۡمِ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ مِّثۡلَ یَوۡمِ الۡاَحۡزَابِ ﴿۰۳﴾
Wa qaalal laziee aamana yaa qawmie iennieee aghaafoe 'alaikoem miesla yawmiel Ahzaab
40:30 Degene die geloofde zei: "O mijn volk! Ik vrees voor jullie (een dag) netals de dag van de (vroegere) gemeenschappen/generaties."
مِثۡلَ دَاۡبِ قَوۡمِ نُوۡحٍ وَّ عَادٍ وَّ ثَمُوۡدَ وَ الَّذِیۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ؕ وَ مَا اللّٰہُ یُرِیۡدُ ظُلۡمًا لِّلۡعِبَادِ ﴿۱۳﴾
Miesla daabie qawmie Noehiew wa 'aadiew wa Samoeda wallazieena miem ba'diehiem; wa mal laahoe yoerieedoe zoelmal liel'iebaad
40:31 "Zoals het resultaat van het volk van Noeh (Noach), Aad, en Thamoed, en ook degenen na hen. Allah wil geen enkel onrecht voor Zijn dienaren."
وَ یٰقَوۡمِ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ یَوۡمَ التَّنَادِ ﴿۲۳﴾
Wa yaa qawmie iennieee aghaafoe 'alaikoem yawmat tanaad
40:32 "O mijn volk! Ik vrees voor jullie de dag van het geluid (van de trompet op de dag des oordeels, zie 18:99)."
یَوۡمَ تُوَلُّوۡنَ مُدۡبِرِیۡنَ ۚ مَا لَکُمۡ مِّنَ اللّٰہِ مِنۡ عَاصِمٍ ۚ وَ مَنۡ یُّضۡلِلِ اللّٰہُ فَمَا لَہٗ مِنۡ ہَادٍ ﴿۳۳﴾
Yawma toewalloena moed bierieena maa lakoem mienal laahie mien 'aasiem; wa may yoedlieliel laahoe famaa lahoe mien haad
40:33 "Een dag waarop jullie omdraaien om te vluchten. Er zal geen enkel bescherming voor jullie zijn tegen Allah. En wie Allah laat dwalen dan is er geen enkel leiding voor hem."
وَ لَقَدۡ جَآءَکُمۡ یُوۡسُفُ مِنۡ قَبۡلُ بِالۡبَیِّنٰتِ فَمَا زِلۡتُمۡ فِیۡ شَکٍّ مِّمَّا جَآءَکُمۡ بِہٖ ؕ حَتّٰۤی اِذَا ہَلَکَ قُلۡتُمۡ لَنۡ یَّبۡعَثَ اللّٰہُ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ رَسُوۡلًا ؕ کَذٰلِکَ یُضِلُّ اللّٰہُ مَنۡ ہُوَ مُسۡرِفٌ مُّرۡتَابُۨ ﴿۴۳﴾
Wa laqad djaaa'akoem Yoesoefoe mien qabloe biel baiyienaatie famaa zieltoem fiee shakkiem miemmaa djaaa'akoem biehiee hattaaa iezaa halaka qoeltoem lay yab asal laahoe miem ba'diehiee Rasoelaa; kazaalieka yoedielloel laahoe man hoewa Moesriefoem moertaab
40:34 "Waarlijk Yusuf (Jozef), kwam eerder tot jullie met duidelijke bewijzen. Echter, jullie hielden je vast aan twijfel over datgeen wat hij voor jullie had gebracht. Totdat hij stierf, (toen) zeiden jullie: "Nooit zal Allah een (nieuwe) boodschapper na hem sturen." Allah laat degenen dwalen die een Musrif (godenaanbidder, overtreder, misdadiger, zware zondenaar) is en die twijfelt (aan het monotheïsme)."
الَّذِیۡنَ یُجَادِلُوۡنَ فِیۡۤ اٰیٰتِ اللّٰہِ بِغَیۡرِ سُلۡطٰنٍ اَتٰہُمۡ ؕ کَبُرَ مَقۡتًا عِنۡدَ اللّٰہِ وَ عِنۡدَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ؕ کَذٰلِکَ یَطۡبَعُ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ قَلۡبِ مُتَکَبِّرٍ جَبَّارٍ ﴿۵۳﴾
Allazieena yoedjaadieloena fieee Aaayaatiel laahie bieghairie soeltaanien ataahoem kaboera maqtan 'iendal laahie wa 'iendal lazieena aamanoe; kazaalieka yatbahoel laahoe 'alaa koellie qalbie moetakabbierien djabbaar
40:35 "Degenen die de Ayahs (tekenen, verzen) van Allah tegenwerken\weerleggen zonder dat er enige autoriteit/gezag (ervoor) tot hen was gekomen, zij zijn zeer afkerig bij Allah en bij de gelovigen. Allah verzegeld daarom elk hart van een arrogante tiran."
وَ قَالَ فِرۡعَوۡنُ یٰہَامٰنُ ابۡنِ لِیۡ صَرۡحًا لَّعَلِّیۡۤ اَبۡلُغُ الۡاَسۡبَابَ ﴿۶۳﴾
Wa qaala Fier'awnoe yaa Haamaanoeb-nie liee sarhal la'allieee abloeghoel asbaab
40:36 Farao zei: "Haman! Bouw voor mij een hoge bouwwerk, zodat dat ik de wegen kan bereiken,
اَسۡبَابَ السَّمٰوٰتِ فَاَطَّلِعَ اِلٰۤی اِلٰہِ مُوۡسٰی وَ اِنِّیۡ لَاَظُنُّہٗ کَاذِبًا ؕ وَ کَذٰلِکَ زُیِّنَ لِفِرۡعَوۡنَ سُوۡٓءُ عَمَلِہٖ وَ صُدَّ عَنِ السَّبِیۡلِ ؕ وَ مَا کَیۡدُ فِرۡعَوۡنَ اِلَّا فِیۡ تَبَابٍ ﴿۷۳﴾
Asbaabas samaawaatie faattalie'a ielaaa ielaahie Moesaa wa ienniee la azoennoehoe kaaziebaa; wa kazaalieka zoeyyiena lie-Fier'awna soeo'oe 'amaliehiee wa soedda 'anies sabieel; wa maa kaidoe Fier'awna iellaa fiee tabaab
40:37 de wegen naar de hemelen toe. Zodat ik de godheid/deïteit van Moesa kan zien. Ik denk echt dat hij liegt." En dus werd voor Farao het kwaad van zijn daad schoonschijnend gemaakt. Hij was afgedwaald van (het rechte) pad. Het plan van Farao leidde alleen naar verderf en ondergang.
وَ قَالَ الَّذِیۡۤ اٰمَنَ یٰقَوۡمِ اتَّبِعُوۡنِ اَہۡدِکُمۡ سَبِیۡلَ الرَّشَادِ ﴿۸۳﴾
Wa qaalal lazieee aamana yaa qawmiet tabie'oenie ahdiekoem sabieelar rashaad
40:38 Degenen die geloofde zei: "O mijn volk! Volg mij, ik zal jullie leiden naar het rechte pad."
یٰقَوۡمِ اِنَّمَا ہٰذِہِ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا مَتَاعٌ ۫ وَّ اِنَّ الۡاٰخِرَۃَ ہِیَ دَارُ الۡقَرَارِ ﴿۹۳﴾
Yaa qawmie iennamaa haaziehiel hayaatoed doenyaa mataa'oew wa iennal Aaghierata hieya daaroel qaraar
40:39 "Mijn volk! Dit is alleen de genieting van het wereldse leven! Het huis in het hiernamaals is voor altijd."
مَنۡ عَمِلَ سَیِّئَۃً فَلَا یُجۡزٰۤی اِلَّا مِثۡلَہَا ۚ وَ مَنۡ عَمِلَ صَالِحًا مِّنۡ ذَکَرٍ اَوۡ اُنۡثٰی وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَاُولٰٓئِکَ یَدۡخُلُوۡنَ الۡجَنَّۃَ یُرۡزَقُوۡنَ فِیۡہَا بِغَیۡرِ حِسَابٍ ﴿۰۴﴾
Man 'amiela saiyie'atan falaa yoedjzaaa iellaa mieslahaa wa man 'amiela saalieham mien zakarien aw oensaa wa hoewa moe'mienoen fa oelaaa'ieka yadghoeloenal djannata yoerzaqoena fieehaa bieghairie hiesaab
40:40 "Wie slecht doet, dan zal hij alleen vergolden worden met het gelijke ervan. En wie goed doet, zowel mannelijk als vrouwelijk en gelovig is, dan zullen ze het paradijs betreden. Zij zullen erin voorzien worden zonder enige afrekening\tegen prestatie."
وَ یٰقَوۡمِ مَا لِیۡۤ اَدۡعُوۡکُمۡ اِلَی النَّجٰوۃِ وَ تَدۡعُوۡنَنِیۡۤ اِلَی النَّارِ ﴿۱۴﴾
Wa yaa qawmie maa lieee ad'oekoem ielan nadjaatie wa tad'oenanieee ielan Naar
40:41 "Mijn volk! Hoe kan ik jullie tot de verlossing roepen, terwijl jullie mij tot het vuur roepen?!"
تَدۡعُوۡنَنِیۡ لِاَکۡفُرَ بِاللّٰہِ وَ اُشۡرِکَ بِہٖ مَا لَیۡسَ لِیۡ بِہٖ عِلۡمٌ ۫ وَّ اَنَا اَدۡعُوۡکُمۡ اِلَی الۡعَزِیۡزِ الۡغَفَّارِ ﴿۲۴﴾
Tad'oenaniee lie-akfoera biellaahie wa oeshrieka biehiee maa laisa liee biehiee 'ielmoew wa ana ad'oekoem ielal'Azieeziel Ghaffaar
40:42 "Jullie nodig mij uit om niet in Allah te geloven en deelgenoten aan toe te kennen waar ik geen enkel kennis van heb. Ik roep jullie tot Al-Aziez (de Machtige), Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde)."
لَا جَرَمَ اَنَّمَا تَدۡعُوۡنَنِیۡۤ اِلَیۡہِ لَیۡسَ لَہٗ دَعۡوَۃٌ فِی الدُّنۡیَا وَ لَا فِی الۡاٰخِرَۃِ وَ اَنَّ مَرَدَّنَاۤ اِلَی اللّٰہِ وَ اَنَّ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ہُمۡ اَصۡحٰبُ النَّارِ ﴿۳۴﴾
Laa djarama annamaa tad'oenaniee ielaihie laisa lahoe da'watoen fied doenyaa wa laa fiel Aaghieratie wa anna maraddanaaa ielal laahie wa annal moesriefieenahoem Ashaaboen Naar
40:43 "Ongetwijfeld, datgeen waar jullie me naar toe roepen, hebben niets te zeggen over de wereld of het hiernamaals. Onze terugkeer is naar Allah en de Al-Musrifoen (goden aanbidders, de overtreders die tegen Allah's wetten in gaan) zullen de bewoners van het Vuur zijn."
فَسَتَذۡکُرُوۡنَ مَاۤ اَقُوۡلُ لَکُمۡ ؕ وَ اُفَوِّضُ اَمۡرِیۡۤ اِلَی اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بَصِیۡرٌۢ بِالۡعِبَادِ ﴿۴۴﴾
Fasatazkoeroena maaa aqoeloe lakoem; wa oefawwiedoe amrieee ielal laah; iennallaaha basieeroem biel'iebaad
40:44 "Jullie zullen (dan) herinneren wat ik tegen jullie heb gezegd. Ik stel mijn vertrouwen op Allah. Zonder twijfel Allah is Al-ziende over zijn dienaren."
فَوَقٰىہُ اللّٰہُ سَیِّاٰتِ مَا مَکَرُوۡا وَ حَاقَ بِاٰلِ فِرۡعَوۡنَ سُوۡٓءُ الۡعَذَابِ ﴿۵۴﴾
Fa waqaahoel laahoe saiyieaatie maa makaroe wa haaqa bie Aalie-Fier'awna soeo'oel 'azaab
40:45 Dus Allah beschermde hem tegen het kwaad wat ze planden, en greep het volk van Farao met zware straffen.
اَلنَّارُ یُعۡرَضُوۡنَ عَلَیۡہَا غُدُوًّا وَّ عَشِیًّا ۚ وَ یَوۡمَ تَقُوۡمُ السَّاعَۃُ ۟ اَدۡخِلُوۡۤا اٰلَ فِرۡعَوۡنَ اَشَدَّ الۡعَذَابِ ﴿۶۴﴾
An Naaroe yoe'radoena 'alaihaa ghoedoewwaw wa 'ashieyyaw wa Yawma taqoemoes Saa'aatoe adghieloeo Aala Fier'awna ashaddal 'azaab
40:46 (Hun verblijf plaats is) Het vuur, ze worden er in de ochtend en in de avond aan blootgesteld. Op de dag dat het uur wordt gevestigd (zal er worden gezegd:) "Geef het volk van de Farao de zwaarste straf."
وَ اِذۡ یَتَحَآجُّوۡنَ فِی النَّارِ فَیَقُوۡلُ الضُّعَفٰٓؤُا لِلَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡۤا اِنَّا کُنَّا لَکُمۡ تَبَعًا فَہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّغۡنُوۡنَ عَنَّا نَصِیۡبًا مِّنَ النَّارِ ﴿۷۴﴾
Wa iez yatahaaadjdjoena fien Naarie fa-yaqoeloed doe'afaaa'oe liellazieenas takbaroeo iennaa koennaa lakoem taba'an fahal antoem moeghnoena annaa nasieebam mienan Naar
40:47 Wanneer ze met elkaar discussiëren in het vuur, dan zullen de zwakken tegen degenen die hoogmoedig waren, zeggen: "Voorzeker, wij waren jullie volgelingen, kunnen jullie daarom een deel van het vuur voor ons afwenden\tegen houden?"
قَالَ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡۤا اِنَّا کُلٌّ فِیۡہَاۤ ۙ اِنَّ اللّٰہَ قَدۡ حَکَمَ بَیۡنَ الۡعِبَادِ ﴿۸۴﴾
Qaalal lazieenas takbaroeo iennaa koelloen fieehaaa iennal laaha qad hakama baynal'iebaad
40:48 Degenen die hoogmoedig waren, zullen zeggen: "Wij zijn er allemaal in. Allah heeft al geoordeeld over Zijn dienaren."
وَ قَالَ الَّذِیۡنَ فِی النَّارِ لِخَزَنَۃِ جَہَنَّمَ ادۡعُوۡا رَبَّکُمۡ یُخَفِّفۡ عَنَّا یَوۡمًا مِّنَ الۡعَذَابِ ﴿۹۴﴾
Wa qaalal lazieena fien Naarie lieghazanatie djahannamad-'oe Rabbakoem yoeghaffief 'annaa yawmam mienal 'azaab
40:49 Degenen die in het vuur zijn zullen tegen de bewakers van de hel zeggen: "Vraag jullie Heer, om voor ons de straf met één dag te verlichten."
قَالُوۡۤا اَوَ لَمۡ تَکُ تَاۡتِیۡکُمۡ رُسُلُکُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ ؕ قَالُوۡا بَلٰی ؕ قَالُوۡا فَادۡعُوۡا ۚ وَ مَا دُعٰٓؤُا الۡکٰفِرِیۡنَ اِلَّا فِیۡ ضَلٰلٍ ﴿۰۵﴾
Qaaloeo awalam takoe taatieekoem Roesoeloekoem bielbaiyienaatie qaaloe balaa' qaaloe fad'oe; wa maa doe'aaa'oel kaafierieena iellaa fiee dalaal
40:50 Zij (de bewakers) zullen zeggen: "Kwamen er geen boodschappers tot jullie met duidelijke bewijzen?" Ze zullen zeggen: "Ja." Zij (de bewakers) zullen zeggen: "Roep dan (zelf) aan. Maar (weet dat) de aanroeping van de ongelovigen is niets anders dan dwaling."
اِنَّا لَنَنۡصُرُ رُسُلَنَا وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ یَوۡمَ یَقُوۡمُ الۡاَشۡہَادُ ﴿۱۵﴾
Innaa lanansoeroe Roesoelanaa wallazieena aamanoe fiel hayaatied doenyaa wa Yawma yaqoemoel ashhaad
40:51 Wij (Allah) zullen zonder twijfel Onze boodschappers en (ook) degenen die geloven gedurende het wereldse leven helpen en (ook) op de dag waarop de getuigen zullen staan.
یَوۡمَ لَا یَنۡفَعُ الظّٰلِمِیۡنَ مَعۡذِرَتُہُمۡ وَ لَہُمُ اللَّعۡنَۃُ وَ لَہُمۡ سُوۡٓءُ الدَّارِ ﴿۲۵﴾
Yawma laa yanfa'oez zaaliemieena ma'zieratoehoem wa lahoemoel la'natoe wa lahoem soeoeed daar
40:52 (Op die) dag zal het excuus van de misdadigers geen voordeel bieden. Voor hen is de vloek (de uitsluiting van Allah's barmhartigheid zie 7:44) en de slechtste thuis plek (de hel).
وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡہُدٰی وَ اَوۡرَثۡنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ الۡکِتٰبَ ﴿۳۵﴾
Wa laqad aatainaa Moesal hoedaa wa awrasnaa Banieee Israaa 'ieelal Kietaab
40:53 Waarlijk, Wij gaven Moesa de leiding en deden de kinderen van Israël het boek erven,
ہُدًی وَّ ذِکۡرٰی لِاُولِی الۡاَلۡبَابِ ﴿۴۵﴾
Hoedaw wa ziekraa lie oeliel albaab
40:54 als een leiding en een herinnering voor degenen met verstand.
فَاصۡبِرۡ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ اسۡتَغۡفِرۡ لِذَنۡۢبِکَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ بِالۡعَشِیِّ وَ الۡاِبۡکَارِ ﴿۵۵﴾
Fasbier ienna wa'dal laahie haqqoew wastaghfier liezambieka wa sabbieh biehamdie Rabbieka biel'ashieyyie wal iebkaar
40:55 Wees dus geduldig. Voorzeker, de belofte van Allah is waar. Vraag vergiffenis voor jouw zonden. Betoon dank en eer aan jouw Heer, in de avond en in de ochtend.
اِنَّ الَّذِیۡنَ یُجَادِلُوۡنَ فِیۡۤ اٰیٰتِ اللّٰہِ بِغَیۡرِ سُلۡطٰنٍ اَتٰہُمۡ ۙ اِنۡ فِیۡ صُدُوۡرِہِمۡ اِلَّا کِبۡرٌ مَّا ہُمۡ بِبَالِغِیۡہِ ۚ فَاسۡتَعِذۡ بِاللّٰہِ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡبَصِیۡرُ ﴿۶۵﴾
Innal lazieena yoedjaadie loena fieee Aayaatiel laahie bieghairie soeltaanien ataahoem ien fiee soedoeriehiem iellaa kiebroem maa hoem biebaalieghieeh; fasta'iez biellaahie iennahoe Hoewas Samiee'oel Basieer
40:56 Degenen die ruzie maken/disputeren met betrekking tot de tekenen van Allah, zonder dat er enige machtiging/gezag/autoriteit aan hen gegeven is, hebben niets anders dan hoogmoed in hun borsten. Ze zullen het (doel) niet kunnen bereiken. Dus, zoek toevlucht bij Allah, Hij is As-Samie'oe (de Alhorende), Al-Basier (de Alziende). (Notitie, zie 61:8 het doel is dat ze Allah's licht door hun monden proberen te doven.)
لَخَلۡقُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ اَکۡبَرُ مِنۡ خَلۡقِ النَّاسِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۷۵﴾
Laghalqoes samaawaatie wal ardie akbaroe mien ghalqien naasie wa laakienna aksaran naasie laa ya'lamoen
40:57 Zonder twijfel, de schepping van de hemelen en de aarde is groter dan de schepping van de mens. Maar de meeste mensen zien dat niet.
وَ مَا یَسۡتَوِی الۡاَعۡمٰی وَ الۡبَصِیۡرُ ۬ۙ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ لَا الۡمُسِیۡٓءُ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿۸۵﴾
Wa maa yastawiel a'maa walbasieeroe wallazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie wa lal moesieee'; qalieelam maa tatazakkaroen
40:58 De blinde is niet gelijk aan de ziende. Noch zijn degenen die geloven en goede daden verrichten gelijk aan degenen die kwaad doen. Weinig is waar jullie er lering uit trekken.
اِنَّ السَّاعَۃَ لَاٰتِیَۃٌ لَّا رَیۡبَ فِیۡہَا وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۹۵﴾
Innas Saa'ata la aatieyatoel laa raiba fieehaa wa laakienna aksaran naasie laa yoe'mienoen
40:59 Het uur komt zeker. Er is geen enkel twijfel eraan, maar de meeste mensen geloven niet.
وَ قَالَ رَبُّکُمُ ادۡعُوۡنِیۡۤ اَسۡتَجِبۡ لَکُمۡ ؕ اِنَّ الَّذِیۡنَ یَسۡتَکۡبِرُوۡنَ عَنۡ عِبَادَتِیۡ سَیَدۡخُلُوۡنَ جَہَنَّمَ دٰخِرِیۡنَ ﴿۰۶﴾
Wa qaala Rabboekoemoed 'oenieee astadjieb lakoem; iennal lazieena yastakbieroena an 'iebaadatiee sa yadghoeloena djahannama daaghierieen
40:60 Jouw Heer zei: "Roep mij aan! Ik zal jullie antwoorden. Degenen die hoogmoedig zijn om Mij te aanbidden zullen vernederd de hel betreden."
اَللّٰہُ الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الَّیۡلَ لِتَسۡکُنُوۡا فِیۡہِ وَ النَّہَارَ مُبۡصِرًا ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَذُوۡ فَضۡلٍ عَلَی النَّاسِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۱۶﴾
Allaahoel laziee dja'ala lakoemoel laila liettaskoenoe fieehie wannahaara moebsieraa; iennal laaha lazoe fadlien 'alan naasie wa laakienna aksaran naasie laa yashkoeroen
40:61 Allah is Degene Die voor jullie de nacht heeft gemaakt, zodat jullie erin kunnen rusten. En de dag heeft Hij zo gemaakt dat alles zichtbaar is. Zonder twijfel, Allah is vol van gunsten voor de mensheid, echter de meeste mensen zijn niet dankbaar.
ذٰلِکُمُ اللّٰہُ رَبُّکُمۡ خَالِقُ کُلِّ شَیۡءٍ ۘ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۫ۚ فَاَنّٰی تُؤۡفَکُوۡنَ ﴿۲۶﴾
Zaaliekoemoel laahoe Rabboekoem ghaalieqoe koellie shai'ien; laaa ielaaha iellaa Hoewa fa annaa toe'fakoen
40:62 Dat is Allah! Jullie Heer, de Schepper van alles! Er is geen Deïteit/Godheid dan Hem. Hoe komt het dat jullie misleid zijn?"
کَذٰلِکَ یُؤۡفَکُ الَّذِیۡنَ کَانُوۡا بِاٰیٰتِ اللّٰہِ یَجۡحَدُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Kazaalieka yoe'fakoel lazieena kaanoe bie Aayaatiel laahie yadjhadoen
40:63 Dus degenen die de Ayahs (tekenen, verzen) van Allah verwierpen, werden misleid.
اَللّٰہُ الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ قَرَارًا وَّ السَّمَآءَ بِنَآءً وَّ صَوَّرَکُمۡ فَاَحۡسَنَ صُوَرَکُمۡ وَ رَزَقَکُمۡ مِّنَ الطَّیِّبٰتِ ؕ ذٰلِکُمُ اللّٰہُ رَبُّکُمۡ ۚۖ فَتَبٰرَکَ اللّٰہُ رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Allaahoel laziee dja'ala lakoemoel arda qaraaraw wassa maaa'a bienaaa'aw wa sawwarakoem fa ahsana soewarakoem wa razaqakoem mienat taiyiebaat; zaaliekoemoel laahoe Rabboekoem fatabaarakal laahoe Rabboel 'aalamieen
40:64 Allah is Degene Die voor jullie de aarde maakte als een verblijfplaats en de hemel als een overkapping. Hij heeft jullie gevormd, vervolgens jullie vorm perfect gemaakt en heeft jullie voorzien van goede dingen. Dat is Allah jullie Heer. Gezegend is Allah de Heer van de werelden (van de mensen, de djiens en de engelen). (Notitie: Met "de werelden van mensen, de djiens en de engelen" wordt verwezen naar alle habitats/leefomgevingen van mensen, djiens en engelen.)
ہُوَ الۡحَیُّ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ فَادۡعُوۡہُ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ ؕ اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۵۶﴾
Hoewal Hayyoe laaa ielaaha iellaa Hoewa fad'oehoe moegh liesieena lahoed-dieen; alhamdoe liellaahie Rabbiel 'aalamieen
40:65 Hij is Al-Hay (Degene Die altijd leeft en geen enkel vorm van degradatie heeft). Er is geen Deïteit/Godheid dan Hij. Dus roep Hem aan met oprechtheid in 'Dien' (manier van aanbidding, de levenswijze, ethiek, volgens de wetten van Allah). Al-Hamd (Alle lof, eer en dank) komt Allah toe, de Heer van de werelden (van de mensen, de djiens en de engelen).
قُلۡ اِنِّیۡ نُہِیۡتُ اَنۡ اَعۡبُدَ الَّذِیۡنَ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ لَمَّا جَآءَنِیَ الۡبَیِّنٰتُ مِنۡ رَّبِّیۡ ۫ وَ اُمِرۡتُ اَنۡ اُسۡلِمَ لِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۶۶﴾
Qoel ienniee noehieetoe an a'boedal lazieena tad'oena mien doeniel laahie lammaa djaaa'a nieyal baiyienaatoe mier Rabbiee wa oemiertoe an oesliema lie Rabbiel 'aalamieen
40:66 Zeg: "Voorzeker, het is mij verboden verklaard om degenen die jullie naast Allah aanroepen, te aanbidden. De duidelijke bewijzen van mijn Heer zijn tot me gekomen. Het is mij opgedragen om mezelf te onderwerpen aan de Heer van de werelden (van de mensen, de djiens, en de engelen)."
ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ مِّنۡ تُرَابٍ ثُمَّ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ ثُمَّ مِنۡ عَلَقَۃٍ ثُمَّ یُخۡرِجُکُمۡ طِفۡلًا ثُمَّ لِتَبۡلُغُوۡۤا اَشُدَّکُمۡ ثُمَّ لِتَکُوۡنُوۡا شُیُوۡخًا ۚ وَ مِنۡکُمۡ مَّنۡ یُّتَوَفّٰی مِنۡ قَبۡلُ وَ لِتَبۡلُغُوۡۤا اَجَلًا مُّسَمًّی وَّ لَعَلَّکُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۷۶﴾
Hoewal laziee ghalaqakoem mien toeraabien soemma mien noetfatien soemma mien 'alaqatien soemma yoeghriedjoekoem tieflan soemma lietabloeghoeo ashoeddakoem soemma lietakoenoe shoeyoeghaa; wa mien-koem may yoetawaffaa mien qabloe wa lietabloeghoeo adjalam moesam manw-wa la'allakoem ta'qieloen
40:67 Hij is Degene Die jullie (Adam) schiep vanuit (sterren-)stof, vervolgens uit een 'Nutfa' (één enkele cel) tot een 'Alaq' (aantal samen geklonterde cellen die zich vasthechten aan de baarmoeder). Vervolgens, brengt Hij jullie naar buiten als een kind, en laat jullie volwassen en uiteindelijk oud worden. En onder jullie zijn er (mensen) die eerder sterven (dan de ouderdom bereikt te hebben), zodat jullie een vastgesteld leeftijd bereiken. (Dit alles is een duidelijk teken) zodat jullie je verstand kunnen gebruiken. (Notitie: zie ook 22:5.)
ہُوَ الَّذِیۡ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ۚ فَاِذَا قَضٰۤی اَمۡرًا فَاِنَّمَا یَقُوۡلُ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۸۶﴾
Hoewal laziee yoehyiee wa yoemieetoe fa iezaa qadaaa amran fa iennamaa yaqoeloe lahoe koen fa yakoen
40:68 Hij is Degene Die leven geeft en doet sterven. Wanneer Hij iets bepaald, dan zegt Hij alleen: "Koen (Wees!)", en het gebeurt.
اَلَمۡ تَرَ اِلَی الَّذِیۡنَ یُجَادِلُوۡنَ فِیۡۤ اٰیٰتِ اللّٰہِ ؕ اَنّٰی یُصۡرَفُوۡنَ ﴿۹۶﴾
Alam tara ielal lazieena yoedjaadieloena fieee Aayaatiel laahie annaa yoesrafoen
40:69 Zie je niet dat degenen die ruzie maken\disputeren over de tekenen van Allah, hoe ze afgekeerd zijn (van het rechte pad)?
الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِالۡکِتٰبِ وَ بِمَاۤ اَرۡسَلۡنَا بِہٖ رُسُلَنَا ۟ۛ فَسَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۰۷﴾
Allazieena kazzaboe biel Kietaabie wa biemaa arsalnaa biehiee Roesoelanaa fasawfa ya'lamoen
40:70 Dat zijn degenen die het boek (de openbaring) en datgeen wat Wij daarbij aan Onze boodschappers hebben gezonden (de Sunnah), verwerpen. Maar spoedig zullen ze te weten komen.
اِذِ الۡاَغۡلٰلُ فِیۡۤ اَعۡنَاقِہِمۡ وَ السَّلٰسِلُ ؕ یُسۡحَبُوۡنَ ﴿۱۷﴾
Iziel aghlaaloe fieee a'naaqie-hiem wassalaasieloe yoeshaboen
40:71 (Het is het moment,) wanneer de ijzeren halsbanden om hun nekken zullen zijn, samen met ketenen. Ze zullen worden gesleept,
فِی الۡحَمِیۡمِ ۬ۙ ثُمَّ فِی النَّارِ یُسۡجَرُوۡنَ ﴿۲۷﴾
Fiel hamieemie soemma fien Naarie Yasdjaroen
40:72 in het kokend water, vervolgens zullen ze verbrand worden in het vuur.
ثُمَّ قِیۡلَ لَہُمۡ اَیۡنَ مَا کُنۡتُمۡ تُشۡرِکُوۡنَ ﴿۳۷﴾
Soemmaa qieela lahoem ayna maa koentoem toeshriekoen
40:73 Daarna, zal er tegen hen worden gezegd: "Waar is datgeen wat jullie aan deelgenoten toekenden,
مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ قَالُوۡا ضَلُّوۡا عَنَّا بَلۡ لَّمۡ نَکُنۡ نَّدۡعُوۡا مِنۡ قَبۡلُ شَیۡئًا ؕ کَذٰلِکَ یُضِلُّ اللّٰہُ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۴۷﴾
Mien doeniel laahie qaaloe dalloe 'annaa bal lam nakoen nad'oe mien qabloe shai'aa; kazaalieka yoedielloel laahoel kaafierieen
40:74 naast Allah?" Ze zullen zeggen: "Ze hebben ons verlaten! Wij hebben niets aangeroepen!" Dit is hoe Allah de ongelovigen laat dwalen (in hun eigen leugens).
ذٰلِکُمۡ بِمَا کُنۡتُمۡ تَفۡرَحُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَمۡرَحُوۡنَ ﴿۵۷﴾
Zaaliekoem biemaa koentoem tafrahoena fiel ardie bieghairiel haqqie wa biemaa koentoem tamrahoen
40:75 "Dat is omdat jullie blij waren op de aarde met dingen die niet gebaseerd waren op waarheid. Jullie waren extreem blij (in de dwaling)."
اُدۡخُلُوۡۤا اَبۡوَابَ جَہَنَّمَ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ۚ فَبِئۡسَ مَثۡوَی الۡمُتَکَبِّرِیۡنَ ﴿۶۷﴾
Oedghoeloeo abwaaba djahannama ghaaliedieena fieehaa fabie'sa maswal moetakabbierieen
40:76 "Betreed de poorten van de hel om er voor eeuwig in te blijven! Zeer ellendig is de plaats van degenen die hoogmoedig zijn."
فَاصۡبِرۡ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ ۚ فَاِمَّا نُرِیَنَّکَ بَعۡضَ الَّذِیۡ نَعِدُہُمۡ اَوۡ نَتَوَفَّیَنَّکَ فَاِلَیۡنَا یُرۡجَعُوۡنَ ﴿۷۷﴾
Fasbier ienna wa'dal laahie haqq; fa iemmaa noerieyannak ba'dal laziee na'ie doehoem aw natawaffayannaka fa ielainaa yoerdja'oen
40:77 (O profeet Mohammed v.z.m.h.) Wees dus geduldig. Zonder twijfel, de belofte van Allah is waar. Als Wij een gedeelte van wat Wij hen hebben toegezegd (de straf), jou laten zien of als Wij jou doen sterven, (zodat Allah alleen een Getuige is over datgeen wat ze doen, in beide gevallen) zal hun terugkeer tot Ons zijn. (Notitie: zie ook 10:46.)
وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا رُسُلًا مِّنۡ قَبۡلِکَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ قَصَصۡنَا عَلَیۡکَ وَ مِنۡہُمۡ مَّنۡ لَّمۡ نَقۡصُصۡ عَلَیۡکَ ؕ وَ مَا کَانَ لِرَسُوۡلٍ اَنۡ یَّاۡتِیَ بِاٰیَۃٍ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ۚ فَاِذَا جَآءَ اَمۡرُ اللّٰہِ قُضِیَ بِالۡحَقِّ وَ خَسِرَ ہُنَالِکَ الۡمُبۡطِلُوۡنَ ﴿۸۷﴾
Wa laqad arsalnaa Roesoelam mien qablieka mienhoem man qasasnaa 'alaika wa mienhoem mal lam naqsoes 'alaik; wa maa kaana lie Rasoelien ay yaatieya bie Aayatien iellaa bie iezniel laah; fa iezaa djaaa'a amroel laahie qoedieya bielhaqqie wa ghasiera hoenaaliekal moebtieloen
40:78 Waarlijk, Wij hebben (eerder) boodschappers voor (de generaties die voor) jou (leefden) gestuurd. Over sommige hebben Wij jou verteld en over andere hebben Wij jou niet verteld. Het is niet door de wil van een boodschapper dat hij een Ayah (vers/teken) brengt, het gebeurt alleen met de toestemming van Allah. Dus als het bevel van Allah komt, zal de kwestie met de waarheid worden beslist, en de volgelingen van onwaarheid zullen dan verloren gaan.
اَللّٰہُ الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَنۡعَامَ لِتَرۡکَبُوۡا مِنۡہَا وَ مِنۡہَا تَاۡکُلُوۡنَ ﴿۹۷﴾
Allaahoel laziee dja'ala lakoemoel an'aama lietarkaboe mienhaa wa mienhaa taakoeloen
40:79 Allah is Degene Die het vee voor jullie heeft gemaakt, zodat jullie sommige ervan kunnen berijden en andere ervan kunnen eten.
وَ لَکُمۡ فِیۡہَا مَنَافِعُ وَ لِتَبۡلُغُوۡا عَلَیۡہَا حَاجَۃً فِیۡ صُدُوۡرِکُمۡ وَ عَلَیۡہَا وَ عَلَی الۡفُلۡکِ تُحۡمَلُوۡنَ ﴿۰۸﴾
Wa lakoem fieehaa manaafie'oe wa lietabloeghoe 'alaihaa haadjatan fiee soedoeriekoem wa 'alaihaa wa 'alal foelkie toehmaloen
40:80 Voor jullie zijn er voordelen in hem en zodat jullie via hen een behoefte kunnen bevredigen dat in de harten is. Zowel op hen als op de schepen worden jullie gedragen.
وَ یُرِیۡکُمۡ اٰیٰتِہٖ ٭ۖ فَاَیَّ اٰیٰتِ اللّٰہِ تُنۡکِرُوۡنَ ﴿۱۸﴾
Wa yoerieekoem Aayaatiehiee fa ayya Aayaatiel laahie toen-kieroen
40:81 Hij toont jullie Zijn tekenen. Welke van Allah's tekenen willen jullie dan verwerpen?
اَفَلَمۡ یَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ کَانُوۡۤا اَکۡثَرَ مِنۡہُمۡ وَ اَشَدَّ قُوَّۃً وَّ اٰثَارًا فِی الۡاَرۡضِ فَمَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۲۸﴾
Afalam yasieeroe fiel ardie fa yanzoeroe kaifa kaana 'aaqiebatoel lazieena mien qabliehiem; kaanoe aksara mienhoem wa ashadda qoewwataw wa aasaaran fiel ardie famaaa aghnaa 'anhoem maa kaanoe yaksieboen
40:82 Reizen ze niet op de aarde en zien ze niet hoe het einde was van de generaties die voor hen hebben geleefd? Ze waren groter in aantal, sterker in kracht en hadden meer sporen (van bouwwerken) op de aarde dan hen. Echter, datgeen wat ze deden (verdienden) gaf hen geen enkel voordeel. (Notitie: zie ook 40:21)
فَلَمَّا جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ فَرِحُوۡا بِمَا عِنۡدَہُمۡ مِّنَ الۡعِلۡمِ وَ حَاقَ بِہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۳۸﴾
Falammaa djaaa'at hoem Roesoeloehoem bielbaiyienaatie fariehoe biemaa 'iendahoem mienal 'ielmie wa haaqa biehiem maa kaanoe biehiee yastahzie'oen
40:83 Toen hun boodschappers met duidelijke bewijzen tot hen kwamen, (bespotten ze de boodschap en) genoten ze van (de dingen die verkregen waren op basis van) de kennis die ze hadden. Echter, datgeen wat ze bespotten (de straf) omringde hen.
فَلَمَّا رَاَوۡا بَاۡسَنَا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِاللّٰہِ وَحۡدَہٗ وَ کَفَرۡنَا بِمَا کُنَّا بِہٖ مُشۡرِکِیۡنَ ﴿۴۸﴾
Falammaa ra aw baasanaa qaaloeo aamannaa biellaahie wahdahoe wa kafarnaa biemaa koennaa biehiee moeshriekieen
40:84 Toen ze Onze straf zagen, zeiden ze: "We geloven in Allah alleen en verwerpen datgeen wat we aan Hem toekenden/associeerden."
فَلَمۡ یَکُ یَنۡفَعُہُمۡ اِیۡمَانُہُمۡ لَمَّا رَاَوۡا بَاۡسَنَا ؕ سُنَّتَ اللّٰہِ الَّتِیۡ قَدۡ خَلَتۡ فِیۡ عِبَادِہٖ ۚ وَ خَسِرَ ہُنَالِکَ الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿۵۸﴾
Falam yakoe yanfa 'oehoem ieemaanoehoem lammaa ra-aw ba'sana soennatal laahiel latiee qad ghalat fiee 'iebaadiehiee wa ghasiera hoenaaliekal kaafieroen
40:85 Echter, op het moment dat ze Onze straf zagen, gaf hun geloof hen geen (enkel) voordeel. Dit is de handelswijze van Allah welke (al eerder) op Zijn dienaren is toegepast. Dus daar (, op het moment wanneer het bevel wordt gegeven, dan) hebben de ongelovigen verloren.
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
حٰمٓ ۚ﴿۱﴾
Haa Mieeem
41:1 Haa Mieeem
تَنۡزِیۡلٌ مِّنَ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ ۚ﴿۲﴾
Tanzieeloem Mienar-Rahmaanier-Rahieem
41:2 (Dit is) Een openbaring van Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige, Die barmhartig is voor iedereen. De barmhartigheid is alleen tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen).
کِتٰبٌ فُصِّلَتۡ اٰیٰتُہٗ قُرۡاٰنًا عَرَبِیًّا لِّقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ۙ﴿۳﴾
Kietaaboen foessielat Aayaatoehoe Qoer-aanan 'Arabieyyal lieqawmiey ya'lamoen
41:3 (Dit is) Een boek. Zijn verzen zijn in details beschreven. Een oplezing (Koran) in het Arabisch voor mensen met verstand/kennis.
بَشِیۡرًا وَّ نَذِیۡرًا ۚ فَاَعۡرَضَ اَکۡثَرُہُمۡ فَہُمۡ لَا یَسۡمَعُوۡنَ ﴿۴﴾
Bashieeraw wa nazieeran fa-a'rada aksaroehoem fahoem laa yasma'oen
41:4 Het verkondigt goed nieuws (het paradijs) en waarschuwt (voor de hel). Maar de meeste van hen keren zich (ervan) af, dus ze horen (de openbaring) niet.
وَ قَالُوۡا قُلُوۡبُنَا فِیۡۤ اَکِنَّۃٍ مِّمَّا تَدۡعُوۡنَاۤ اِلَیۡہِ وَ فِیۡۤ اٰذَانِنَا وَقۡرٌ وَّ مِنۡۢ بَیۡنِنَا وَ بَیۡنِکَ حِجَابٌ فَاعۡمَلۡ اِنَّنَا عٰمِلُوۡنَ ؓ﴿۵﴾
Wa qaaloe qoeloeboenaa fieee akiennatiem miemmaa tad'oenaaa ielaihie wa fieee aazaanienaa waqroew wa miem bainienaa wa bainieka hiedjaaboen fa'mal iennanaa 'aamieloen
41:5 Ze zeggen: "Onze harten zijn bedekt voor datgeen waartoe jij ons roept en onze oren zijn (ervoor) doof. Tussen ons en jou is er een scherm. Dus werk, wij werken ook."
قُلۡ اِنَّمَاۤ اَنَا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ یُوۡحٰۤی اِلَیَّ اَنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمۡ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ فَاسۡتَقِیۡمُوۡۤا اِلَیۡہِ وَ اسۡتَغۡفِرُوۡہُ ؕ وَ وَیۡلٌ لِّلۡمُشۡرِکِیۡنَ ۙ﴿۶﴾
Qoel iennamaaa ana basharoem miesloekoem yoehaaa ielaiya annamaaa ielaahoekoem Ilaahoew waahiedoen fastaqieemoeo ielaihie wastaghfieroeh; wa wailoel liel moeshriekieen
41:6 Zeg: "Ik ben alleen een mens net als jullie. (Maar, ) Aan mij is geopenbaard dat jullie godheid/deïteit één deïteit is. Dus neem een recht pad naar Hem en vraag om vergiffenis." En wee de godenaanbidders,
الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡتُوۡنَ الزَّکٰوۃَ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ ہُمۡ کٰفِرُوۡنَ ﴿۷﴾
Allazieena laa yoe'toenaz Zakaata wa hoem biel-Aaghieratiehoem kaafieroen
41:7 (Dat zijn) Degenen die de zakaat (arme belasting) niet geven en niet geloven in het hiernamaals.
اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَہُمۡ اَجۡرٌ غَیۡرُ مَمۡنُوۡنٍ ٪﴿۸﴾
Innal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie lahoem adjroen ghairoe mamnoen
41:8 Zonder twijfel, degenen die geloven en goede daden verrichten, voor hen is er een beloning dat nooit stopt.
قُلۡ اَئِنَّکُمۡ لَتَکۡفُرُوۡنَ بِالَّذِیۡ خَلَقَ الۡاَرۡضَ فِیۡ یَوۡمَیۡنِ وَ تَجۡعَلُوۡنَ لَہٗۤ اَنۡدَادًا ؕ ذٰلِکَ رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ۚ﴿۹﴾
Qoel a'iennakoem latakfoeroena biellaziee ghalaqal arda fiee yawmainie wa tadj'aloena lahoeo andaadaa; zaalieka Rabboel 'aalamieen
41:9 Zeg: "Geloven jullie daad werkelijk niet in Degenen Die de aarde in twee dagen/periodes heeft geschapen? En hebben jullie naast Hem concurrenten (van afgoden) geplaatst? Dat is de Heer van de werelden!"
وَ جَعَلَ فِیۡہَا رَوَاسِیَ مِنۡ فَوۡقِہَا وَ بٰرَکَ فِیۡہَا وَ قَدَّرَ فِیۡہَاۤ اَقۡوَاتَہَا فِیۡۤ اَرۡبَعَۃِ اَیَّامٍ ؕ سَوَآءً لِّلسَّآئِلِیۡنَ ﴿۰۱﴾
Wa dja'ala fieehaa rawaa sieya mien fawqiehaa wa baaraka fieehaa wa qaddara fieehaaaa aqwaatahaa fieee arba'atie ayyaamien sawaaa'al liessaaa'ielieen
41:10 Hij plaatste stevig gevestigde bergen daar boven op en Hij heeft deze (de bergen) gezegend (regen, mineralen, grondstoffen, rivieren, etc). Hij bepaalde daarop (op de aarde) de voorzieningen in vier dagen/periodes. Dit (is als kennis) voor degenen die vragen.
ثُمَّ اسۡتَوٰۤی اِلَی السَّمَآءِ وَ ہِیَ دُخَانٌ فَقَالَ لَہَا وَ لِلۡاَرۡضِ ائۡتِیَا طَوۡعًا اَوۡ کَرۡہًا ؕ قَالَتَاۤ اَتَیۡنَا طَآئِعِیۡنَ ﴿۱۱﴾
Soemmas tawaaa ielas-samaaa'ie wa hieya doeghaanoen faqaala lahaa wa liel ardie'tieyaaa taw'an aw karhan qaalataaa atainaa taaa'ie'ieen
41:11 Vervolgens, richtte Hij zich naar de hemel, terwijl het rook was en zei tegen de hemel en de aarde: "Kom beiden vrijwillig of gedwongen." Beiden zeiden: "Wij komen vrijwillig."
فَقَضٰہُنَّ سَبۡعَ سَمٰوَاتٍ فِیۡ یَوۡمَیۡنِ وَ اَوۡحٰی فِیۡ کُلِّ سَمَآءٍ اَمۡرَہَا ؕ وَ زَیَّنَّا السَّمَآءَ الدُّنۡیَا بِمَصَابِیۡحَ ٭ۖ وَ حِفۡظًا ؕ ذٰلِکَ تَقۡدِیۡرُ الۡعَزِیۡزِ الۡعَلِیۡمِ ﴿۲۱﴾
Faqadaahoenna sab'a samaawaatien fiee yawmainie wa awhaa fiee koellie samaaa'ien amarahaa; wa zaiyannassa maaa'ad doenyaa biemasaabieeha wa hiefzaa; zaalieka taqdieeroel 'Azieeziel 'Alieem
41:12 Vervolgens, vervolmaakte Hij hen als zeven hemelen in twee dagen. Hij bepaalde voor elke hemel zijn doel. Wij versierden de wereldse (eerste) hemel met sterren/lampen en ook als bescherming (tegen de djiens). Dat is de bepaling van Al-Aziez (de Al-machtige), Al-Aliem (de Alwetende).
فَاِنۡ اَعۡرَضُوۡا فَقُلۡ اَنۡذَرۡتُکُمۡ صٰعِقَۃً مِّثۡلَ صٰعِقَۃِ عَادٍ وَّ ثَمُوۡدَ ﴿۳۱﴾
Fa-ien a'radoe faqoel anzartoekoem saa'ieqatam miesla saa'ieqatie 'Aadiew wa Samoed
41:13 Als zij zich afkeren (van jou, Mohammed v.z.m.h.), zeg dan: "Ik heb jullie gewaarschuwd voor een bliksemschicht zoals de bliksem dat het volk Aad of volk Thamoed vernietigd heeft."
اِذۡ جَآءَتۡہُمُ الرُّسُلُ مِنۡۢ بَیۡنِ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مِنۡ خَلۡفِہِمۡ اَلَّا تَعۡبُدُوۡۤا اِلَّا اللّٰہَ ؕ قَالُوۡا لَوۡ شَآءَ رَبُّنَا لَاَنۡزَلَ مَلٰٓئِکَۃً فَاِنَّا بِمَاۤ اُرۡسِلۡتُمۡ بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Iz djaaa'at hoemoer Roesoeloe miem bainie aydieehiem wa mien ghalfiehiem allaa ta'boedoeo iellal laaha qaaloe law shaaa'a Raboenaa la anzala malaaa 'iekatan fa iennaa biemaaa oersieltoem biehiee kaafieroen
41:14 Toen de boodschappers hen van alle kanten benaderden, (zeggende): "Aanbid niets behalve Allah", zeiden ze: "Indien onze Heer het had gewild, dan had Hij engelen neer gezonden. Dus we geloven niet in datgeen waarmee jullie gestuurd zijn."
فَاَمَّا عَادٌ فَاسۡتَکۡبَرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ قَالُوۡا مَنۡ اَشَدُّ مِنَّا قُوَّۃً ؕ اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّ اللّٰہَ الَّذِیۡ خَلَقَہُمۡ ہُوَ اَشَدُّ مِنۡہُمۡ قُوَّۃً ؕ وَ کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَجۡحَدُوۡنَ ﴿۵۱﴾
Fa ammaa 'Aadoen fastak baroe fiel ardie bieghairoel haqqie wa qaaloe man ashaddoe miennaa qoewwatan awalam yaraw annal laahal laziee ghalaqahoem Hoewa ashaddoe mienhoem qoewwataw wa kaanoe bie Aayaatienaa yadjhadoen
41:15 Wat het volk Aad betreft, ze gedroegen zich hoogmoedig op de aarde, zonder dat ze daar recht op hadden. Ze zeiden: "Wie is machtiger dan ons in kracht?" Zien ze niet dat Allah, Degene Die hen schapen heeft, machtiger is dan hen in kracht? Echter, (ze zien het niet, omdat) ze Onze tekenen verwierpen.
فَاَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ رِیۡحًا صَرۡصَرًا فِیۡۤ اَیَّامٍ نَّحِسَاتٍ لِّنُذِیۡقَہُمۡ عَذَابَ الۡخِزۡیِ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ؕ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَخۡزٰی وَ ہُمۡ لَا یُنۡصَرُوۡنَ ﴿۶۱﴾
Fa arsalnaa 'alaihiem rieehan sarsaran fieee ayyaamien nahiesaatiel lienoezieeqahoem 'azaabal ghiezyie fiel hayaatied doenyaa wa la'azaaboel Aaghieratie aghzaa wa hoem laa yoensaroen
41:16 Dus, Wij zonden een woeste wind tegen hen in de dagen van tegenslag, zodat Wij hen de straf van vernedering deden proeven tijdens het wereldse leven. Zonder enige twijfel de straf van het hiernamaals is meer vernederend en ze zullen niet geholpen kunnen worden.
وَ اَمَّا ثَمُوۡدُ فَہَدَیۡنٰہُمۡ فَاسۡتَحَبُّوا الۡعَمٰی عَلَی الۡہُدٰی فَاَخَذَتۡہُمۡ صٰعِقَۃُ الۡعَذَابِ الۡہُوۡنِ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۷۱﴾
Wa ammaa Samoedoe fahadienaahoem fastahabboel 'ama 'alal hoeda fa aghazathoem saa'ieqatoel 'azaabiel hoenie biemaa kaanoe yaksieboen
41:17 En wat het volk van Thamoed betreft, Wij gaven hen leiding, maar ze verkozen de blindheid boven de leiding. Dus greep een bliksemschicht hen, een vernederende straf, vanwege datgeen wat ze hebben verdiend.
وَ نَجَّیۡنَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ کَانُوۡا یَتَّقُوۡنَ ﴿۸۱﴾
Wa nadjdjainal lazieena aamanoe wa kaanoe yattaqoen
41:18 En Wij redden de gelovigen, degene die taqwa (godsvreesheid) hadden.
وَ یَوۡمَ یُحۡشَرُ اَعۡدَآءُ اللّٰہِ اِلَی النَّارِ فَہُمۡ یُوۡزَعُوۡنَ ﴿۹۱﴾
Wa yawma yoehsharoe a'daaa'oel laahie ielan Naarie fahoem yoeza'oen
41:19 Op de dag (des oordeels) zullen de vijanden van Allah bij het vuur worden verzameld. Vervolgens zullen ze (daar) verdeeld worden (op basis van hun daden). (Notitie: zie ook 15:44.)
حَتّٰۤی اِذَا مَا جَآءُوۡہَا شَہِدَ عَلَیۡہِمۡ سَمۡعُہُمۡ وَ اَبۡصَارُہُمۡ وَ جُلُوۡدُہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۰۲﴾
Hattaaa iezaa maa djaaa'oehaa shahieda 'alaihiem samoe'oehoem wa absaaroehoem wa djoeloedoehoem biemaa kaanoe ya'maloen
41:20 (Ze zullen daar wachten) totdat hun oren, hun ogen en hun huiden tegen hen zullen getuigen voor datgeen wat ze deden.
وَ قَالُوۡا لِجُلُوۡدِہِمۡ لِمَ شَہِدۡتُّمۡ عَلَیۡنَا ؕ قَالُوۡۤا اَنۡطَقَنَا اللّٰہُ الَّذِیۡۤ اَنۡطَقَ کُلَّ شَیۡءٍ وَّ ہُوَ خَلَقَکُمۡ اَوَّلَ مَرَّۃٍ وَّ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۱۲﴾
Wa qaaloe liedjoeloediehiem liema shahiettoem 'alainaa qaaloe antaqanal laahoel lazieee antaqa koella shai'iew wa Hoewa ghalaqakoem awwala marratiew wa ielaihie toerdja'oen
41:21 Ze zullen tegen hun huiden zeggen: "Waarom getuigen jullie tegen ons?" Ze zullen zeggen: "Allah heeft ons doen spreken. Hij is Degene Die alle dingen laat spreken. Hij heeft jullie de eerste keer geschapen en tot Hem moesten jullie terugkeren."
وَ مَا کُنۡتُمۡ تَسۡتَتِرُوۡنَ اَنۡ یَّشۡہَدَ عَلَیۡکُمۡ سَمۡعُکُمۡ وَ لَاۤ اَبۡصَارُکُمۡ وَ لَا جُلُوۡدُکُمۡ وَ لٰکِنۡ ظَنَنۡتُمۡ اَنَّ اللّٰہَ لَا یَعۡلَمُ کَثِیۡرًا مِّمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۲﴾
Wa maa koentoem tastatieroena ai-yashhada 'alaikoem sam'oekoem wa laaa absaaroekoem wa laa djoeloedoekoem wa laakien zanantoem annal laaha laa ya'lamoe kasieeram miemmaa ta'maloen
41:22 En jullie bedekte jezelf niet tegen de getuigenis van jullie oren, jullie ogen en van jullie huiden. Jullie namen aan dat Allah niet veel wist over datgeen wat jullie deden.
وَ ذٰلِکُمۡ ظَنُّکُمُ الَّذِیۡ ظَنَنۡتُمۡ بِرَبِّکُمۡ اَرۡدٰىکُمۡ فَاَصۡبَحۡتُمۡ مِّنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۳۲﴾
Wa zaaliekoem zannoekoemoel laziee zanantoem bie-Rabbiekoem ardaakoem fa asbahtoem mienal ghaasierieen
41:23 Dat was jullie veronderstelling die jullie hadden over jullie Heer. Het heeft jullie geruïneerd en heeft jullie tot de verliezers gemaakt.
فَاِنۡ یَّصۡبِرُوۡا فَالنَّارُ مَثۡوًی لَّہُمۡ ۚ وَ اِنۡ یَّسۡتَعۡتِبُوۡا فَمَا ہُمۡ مِّنَ الۡمُعۡتَبِیۡنَ ﴿۴۲﴾
Fa-iey yasbieroe fan Naaroe maswal lahoem wa ieny-yasta'tieboe famaa hoem mienal moe'tabieen
41:24 Als zij dan volhouden (in het verwerpen van de boodschap), dan zal het vuur hun verblijfplaats zijn. Wanneer ze (daar) vragen om het goed te kunnen maken, dan zal die gunst niet worden gegeven.
وَ قَیَّضۡنَا لَہُمۡ قُرَنَآءَ فَزَیَّنُوۡا لَہُمۡ مَّا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ وَ حَقَّ عَلَیۡہِمُ الۡقَوۡلُ فِیۡۤ اُمَمٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ ۚ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا خٰسِرِیۡنَ ﴿۵۲﴾
Wa qaiyadnaa lahoem qoeranaaa'a fazaiyanoe lahoem maa baina aidieehiem wa maa ghalfahoem wa haqqa 'alaihiemoel qawloe fieee oemamien qad ghalat mien qabliehiem mienal djiennie wal iensie iennahoem kaanoe ghaasierieen
41:25 En Wij hebben aan hen Qariens (metgezellen, boezemvrienden) toegekend, die al datgeen wat voor en achter hen was, schoonschijnend maakten. Gerechtvaardigd is (dus) het woord tegen hen, zoals het gerechtvaardigd was voor de beschavingen van Djiens en van mensen die heen zijn gegaan. Zonder twijfel zij waren verliezers. (Notitie: Zie ook 4:38, 37:51, 43:36, m.b.t. Qariens)
وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَا تَسۡمَعُوۡا لِہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ وَ الۡغَوۡا فِیۡہِ لَعَلَّکُمۡ تَغۡلِبُوۡنَ ﴿۶۲﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe laa tasma'oe liehaazal Qoeraanie walghaw fieehie la'allakoem taghlieboen
41:26 De ongelovigen zeggen: "Luister niet naar deze Koran en maak lawaai ertussen (, tijdens de recitatie ervan), zodat jullie kunnen winnen."
فَلَنُذِیۡقَنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا عَذَابًا شَدِیۡدًا ۙ وَّ لَنَجۡزِیَنَّہُمۡ اَسۡوَاَ الَّذِیۡ کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۷۲﴾
Falanoezieeqannal lazieena kafaroe 'azaaban shadieedaw wa lanadjzieyannahoem aswallaziee kaanoe ya'maloen
41:27 Zonder twijfel, Wij zullen de ongelovigen een zware straf doen proeven en hen vergelden met het slechtste voor datgeen wat ze deden.
ذٰلِکَ جَزَآءُ اَعۡدَآءِ اللّٰہِ النَّارُ ۚ لَہُمۡ فِیۡہَا دَارُ الۡخُلۡدِ ؕ جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَجۡحَدُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Zaalieka djazaaa'oe a'daaa'iel laahien Naaroe lahoem fieehaa daaroel ghoeld, djazaaa'am biemaa kaanoe bie aayaatienaa yadjhadoen
41:28 Dat, het vuur, is de vergelding voor de vijanden van Allah. Voor hen is er daar het eeuwig huis, dit als vergelding voor het verwerpen van Onze Ayahs (tekenen, verzen).
وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا رَبَّنَاۤ اَرِنَا الَّذَیۡنِ اَضَلّٰنَا مِنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ نَجۡعَلۡہُمَا تَحۡتَ اَقۡدَامِنَا لِیَکُوۡنَا مِنَ الۡاَسۡفَلِیۡنَ ﴿۹۲﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe Rabbanaaa arienal lazainie adal laanaa mienal djiennie wal iensie nadj'alhoemaa tahta aqdaamienaa lieyakoenaa mienal asfalieen
41:29 De ongelovigen zullen (in de hel) zeggen: "Onze Heer! Toon ons degene van de mensheid en degene van de Djiens die ons misleid heeft. We zullen hen onder onze voeten plaatsen, zodat ze tot de laagste behoren." (Notitie: er wordt hier waarschijnlijk gevraagd naar Dajaal en Iblies. Dat zijn namelijk de grootste misleiders. Notitie: zie ook 72:6)
اِنَّ الَّذِیۡنَ قَالُوۡا رَبُّنَا اللّٰہُ ثُمَّ اسۡتَقَامُوۡا تَتَنَزَّلُ عَلَیۡہِمُ الۡمَلٰٓئِکَۃُ اَلَّا تَخَافُوۡا وَ لَا تَحۡزَنُوۡا وَ اَبۡشِرُوۡا بِالۡجَنَّۃِ الَّتِیۡ کُنۡتُمۡ تُوۡعَدُوۡنَ ﴿۰۳﴾
Innal lazieena qaaloe Rabboenal laahoe soemmas taqaamoe tatanazzaloe 'alaihiemoel malaaa 'iekatoe allaa taghaafoe wa laa tahzanoe wa abshieroe biel djannnatiel latiee koentoem toe'adoen
41:30 Wat betreft degenen die zeggen: "Onze Heer is Allah" en vervolgens standvastig zijn, op hen dalen de engelen neer, (zeggende:) "Vrees niet en treur niet, maar ontvang het goede nieuws van het paradijs welke jullie beloofd was."
نَحۡنُ اَوۡلِیٰٓؤُکُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ فِی الۡاٰخِرَۃِ ۚ وَ لَکُمۡ فِیۡہَا مَا تَشۡتَہِیۡۤ اَنۡفُسُکُمۡ وَ لَکُمۡ فِیۡہَا مَا تَدَّعُوۡنَ ﴿۱۳﴾
Nahnoe awlieyaaa'oekoem fiel hayaatied doenyaa wa fiel Aaghieratie wa lakoem fieehaa maa tashtahieee anfoesoekoem wa lakoem fieehaa ma tadda'oen
41:31 "Wij zijn jullie 'Awliya' (beschermers, bondgenoten, helpers, vrienden, etc.) gedurende het wereldse leven en in het hiernamaals. Daar is voor jullie wat jullie "Nafs" (eigen ik) maar ook wensen en vragen."
نُزُلًا مِّنۡ غَفُوۡرٍ رَّحِیۡمٍ ﴿۲۳﴾
Noezoelam mien Ghafoerier Rahieem
41:32 "Een gastvrijheid\hartelijkheid van Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig is voor de gelovigen)."
وَ مَنۡ اَحۡسَنُ قَوۡلًا مِّمَّنۡ دَعَاۤ اِلَی اللّٰہِ وَ عَمِلَ صَالِحًا وَّ قَالَ اِنَّنِیۡ مِنَ الۡمُسۡلِمِیۡنَ ﴿۳۳﴾
Wa man ahsanoe qawlam miemman da'aaa ielal laahie wa 'amiela saaliehaw wa qaala iennaniee mienal moesliemieen
41:33 En Wie is gepaster in woord dan degene die uitnodigt naar Allah, goede daden verricht en zegt: "Ik behoor tot degenen die zich over hebben gegeven (moslims)" ?
وَ لَا تَسۡتَوِی الۡحَسَنَۃُ وَ لَا السَّیِّئَۃُ ؕ اِدۡفَعۡ بِالَّتِیۡ ہِیَ اَحۡسَنُ فَاِذَا الَّذِیۡ بَیۡنَکَ وَ بَیۡنَہٗ عَدَاوَۃٌ کَاَنَّہٗ وَلِیٌّ حَمِیۡمٌ ﴿۴۳﴾
Wa laa tastawiel hasanatoe wa las saiyie'ah; iedfa' biellatiee hieya ahsanoe fa'iezal laziee bainaka wa bainahoe 'adaawatoen ka'annahoe walieyoen hamieem
41:34 Het goede en het kwade is niet aan elkaar gelijk. Weer het slechte af door het goede, vervolgens aanschouw, degene waar een vijandschap was tussen jou en hem, zal net als een boezemvriend worden.
وَ مَا یُلَقّٰہَاۤ اِلَّا الَّذِیۡنَ صَبَرُوۡا ۚ وَ مَا یُلَقّٰہَاۤ اِلَّا ذُوۡحَظٍّ عَظِیۡمٍ ﴿۵۳﴾
Wa maa yoelaqqaahaaa iellal lazieena sabaroe wa maa yoelaqqaahaaa iellaa zoe hazzien 'azieem
41:35 Echter, het (deze karakter eigenschap, 39:10) wordt alleen gegeven aan degenen die standvastig en geduldig zijn. Alleen degene die veel geluk heeft, krijgt het.
وَ اِمَّا یَنۡزَغَنَّکَ مِنَ الشَّیۡطٰنِ نَزۡغٌ فَاسۡتَعِذۡ بِاللّٰہِ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۶۳﴾
Wa iemmaa yanzaghannaka mienash Shaitaanie nazghoen fasta'iez biellaahie iennahoe Hoewas Samiee'oel 'Alieem
41:36 En als een kwade influistering van de satan jou treft, zoek dan toevlucht tot Allah. Zonder twijfel, Hij is As-Samie'oe (de Alhorende), Al-Aliem (de Alwetende).
وَ مِنۡ اٰیٰتِہِ الَّیۡلُ وَ النَّہَارُ وَ الشَّمۡسُ وَ الۡقَمَرُ ؕ لَا تَسۡجُدُوۡا لِلشَّمۡسِ وَ لَا لِلۡقَمَرِ وَ اسۡجُدُوۡا لِلّٰہِ الَّذِیۡ خَلَقَہُنَّ اِنۡ کُنۡتُمۡ اِیَّاہُ تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۷۳﴾
Wa mien Aayaatiehiel lailoe wannahaaroe washshamsoe walqamar; laa tasdjoedoe lieshshamsie wa laa lielqamarie wasdjoedoe liellaahiel laziee ghala qahoenna ien koentoem ieyyaahoe ta'boedoen
41:37 De nacht, de dag, de zon en de maan behoren tot Zijn tekenen. Als jullie Hem alleen (willen) aanbidden, prostreer dan niet voor de zon of de maan, maar prostreer voor Allah, Degene Die hen heeft geschapen.
فَاِنِ اسۡتَکۡبَرُوۡا فَالَّذِیۡنَ عِنۡدَ رَبِّکَ یُسَبِّحُوۡنَ لَہٗ بِالَّیۡلِ وَ النَّہَارِ وَ ہُمۡ لَا یَسۡـَٔمُوۡنَ ﴿۸۳﴾
Fa ienies-takbaroe fallaziee na 'ienda Rabbieka yoesabbiehoena lahoe biellailie wannnahaarie wa hoem laa yas'amoen
41:38 Maar als ze hoogmoedig zijn, (weet dan) dat degenen die dichtbij jouw Heer zijn (, namelijk de engelen), die verklaren aan Hem de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming, dit gedurende de nacht en de dag. Ze worden niet moe ervan. (Notitie: zie ook 21:!9)
وَ مِنۡ اٰیٰتِہٖۤ اَنَّکَ تَرَی الۡاَرۡضَ خَاشِعَۃً فَاِذَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡہَا الۡمَآءَ اہۡتَزَّتۡ وَ رَبَتۡ ؕ اِنَّ الَّذِیۡۤ اَحۡیَاہَا لَمُحۡیِ الۡمَوۡتٰی ؕ اِنَّہٗ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۹۳﴾
Wa mien Aayaatiehieee annaka taral arda ghaashie'atan fa iezaaa anzalna 'alaihal maaa'ah tazzat wa rabat; iennal lazieee ahyaahaa lamoehieyiel mawtaa; iennahoe 'alaa koellie shai-ien Qadieer
41:39 En tot Zijn tekenen behoort de dorre aarde, die jij ziet. Echter, wanneer Wij water erop doen neerdalen, beweegt en groeit het. Zonder twijfel, Degene Die het leven geeft, is de Gever van leven aan de dood. Hij is over alles Al-Machtig.
اِنَّ الَّذِیۡنَ یُلۡحِدُوۡنَ فِیۡۤ اٰیٰتِنَا لَا یَخۡفَوۡنَ عَلَیۡنَا ؕ اَفَمَنۡ یُّلۡقٰی فِی النَّارِ خَیۡرٌ اَمۡ مَّنۡ یَّاۡتِیۡۤ اٰمِنًا یَّوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ اِعۡمَلُوۡا مَا شِئۡتُمۡ ۙ اِنَّہٗ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۰۴﴾
Innal lazieena yoelhiedoena fieee Aayaatiena laa yaghfawna 'alainaa' afamay yoelqaa fien Naarie ghayroen am may yaatieee aamienay yawmal Qieyaamah; ie'maloe ma shie'toem iennahoe biemaa ta'maloena Basieer
41:40 Voorzeker, degenen die afkeren van Onze 'Ayah' (tekenen/verzen) zijn niet voor Ons verborgen. Dus is degene die in het vuur wordt geworpen beter af of is het degene die veilig is op de dag des oordeels (beter af)? (Dus,) Doe maar wat jullie willen. Zonder twijfel, Hij ziet wat jullie doen.
اِنَّ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِالذِّکۡرِ لَمَّا جَآءَہُمۡ ۚ وَ اِنَّہٗ لَکِتٰبٌ عَزِیۡزٌ ﴿۱۴﴾
Innal Lazieena kafaroe biez Ziekrie lammaa djaa'ahoem wa iennahoe la Kietaaboen 'Azieez
41:41 Zonder twijfel, degenen die niet geloven in de herinnering (de Koran), wanneer het tot hen komt, (verkeren in verlies). Voorzeker, het is een machtig boek. (Notitie: Allah is de waker over de Koran, zie ook 15:9)
لَّا یَاۡتِیۡہِ الۡبَاطِلُ مِنۡۢ بَیۡنِ یَدَیۡہِ وَ لَا مِنۡ خَلۡفِہٖ ؕ تَنۡزِیۡلٌ مِّنۡ حَکِیۡمٍ حَمِیۡدٍ ﴿۲۴﴾
Laa yaatieehiel baatieloe miem bainie yadaihie wa laa mien ghalfiehiee tanzieeloem mien Hakieemien Hamieed
41:42 De vervalsing ervan kan niet tot stand komen, zowel van voren als van achteren. Het is een openbaring van Al-Hakiem (De Alwijze), Al-Hamied (de Bezitter van alle dank en eer. Degene die het meest geprezen wordt en waardig is om geprezen te worden).
مَا یُقَالُ لَکَ اِلَّا مَا قَدۡ قِیۡلَ لِلرُّسُلِ مِنۡ قَبۡلِکَ ؕ اِنَّ رَبَّکَ لَذُوۡ مَغۡفِرَۃٍ وَّ ذُوۡ عِقَابٍ اَلِیۡمٍ ﴿۳۴﴾
Maa yoeqaaloe laka iellaa maa qad qieela lier Roesoelie mien qabliek; ienna Rabbaka lazoe maghfieratiew wa zoe 'ieqaabien alieem
41:43 Er is alleen hetzelfde tegen jou (Mohammed v.z.m.h.) gezegd wat was gezegd aan de boodschappers voor jou. Jouw Heer is de bezitter van zowel vergevensgezindheid als die van pijnlijke bestraffing.
وَ لَوۡ جَعَلۡنٰہُ قُرۡاٰنًا اَعۡجَمِیًّا لَّقَالُوۡا لَوۡ لَا فُصِّلَتۡ اٰیٰتُہٗ ؕ ءَؔاَعۡجَمِیٌّ وَّ عَرَبِیٌّ ؕ قُلۡ ہُوَ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا ہُدًی وَّ شِفَآءٌ ؕ وَ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ وَقۡرٌ وَّ ہُوَ عَلَیۡہِمۡ عَمًی ؕ اُولٰٓئِکَ یُنَادَوۡنَ مِنۡ مَّکَانٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۴۴﴾
Wa law dja'alnaahoe Qoer-aanan A'djamieyyal laqaaloe law laa foessielat Aayaatoehoe 'a A'djamieyyoew wa 'Arabieyy; qoel hoewa liellazieena aamanoe hoedaw wa shiefaaa'oew wallazieena la yoe'mienoena fieee aazaaniehiem waqroew wa hoewa 'alaihiem 'amaa; oelaaa'ieka yoenaadawna miem maakaaniem ba'ieed
41:44 En als Wij het een oplezing (Koran) in een vreemde taal hadden gemaakt, dan zouden ze zeggen: "Waarom zijn de verzen niet in details uitgelegd? Een vreemde taal, terwijl het (de boodschapper) een Arabier is?" Zeg: "Het is een leiding en een genezing voor degenen die geloven. En wat de ongelovigen betreft, hun oren hebben doofheid en ze zijn er blind voor. (Het is voor hen net alsof) Ze worden geroepen vanaf een verre plek."
وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ فَاخۡتُلِفَ فِیۡہِ ؕ وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ لَقُضِیَ بَیۡنَہُمۡ ؕ وَ اِنَّہُمۡ لَفِیۡ شَکٍّ مِّنۡہُ مُرِیۡبٍ ﴿۵۴﴾
Wa laqad aatainaa Moesal Kietaaba faghtoeliefa fiee; wa lawlaa Kaliematoen sabaqat mier Rabbieka laqoedieya bainahoem; wa iennahoem lafiee shakkiem mienhoe moerieeb
41:45 Waarlijk, Wij gaven Moesa (Mozes) het boek, maar daarover ontstond ruzie (sommige geloofde er niet in). En was het niet vanwege een woord van jouw Heer dat voorafging (namelijk de vast stelling van de dag des oordeels, dan zou de straf hen hebben overvallen) en de zaak tussen hen zou zijn opgelost. Waarlijk, ze twijfelen er over.
مَنۡ عَمِلَ صَالِحًا فَلِنَفۡسِہٖ وَ مَنۡ اَسَآءَ فَعَلَیۡہَا ؕ وَ مَا رَبُّکَ بِظَلَّامٍ لِّلۡعَبِیۡدِ ﴿۶۴﴾
Man 'amiela saliehan falienafsiehiee wa man asaaa'a fa'alaihaa; wamaa rabboeka biezallaamiel liel 'abieed (24)
41:46 Wie goede daden verricht, dan is het (ten goede) voor zijn eigen "Nafs" (zelf, ik) en wie kwaad doet, dan is het ten nadele ervan. (Weet dat) Jouw Heer is niet onrechtvaardig tegen Zijn dienaren.
www.heiligekoran.nl