اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ وَ لَہُ الۡحَمۡدُ فِی الۡاٰخِرَۃِ ؕ وَ ہُوَ الۡحَکِیۡمُ الۡخَبِیۡرُ ﴿۱﴾
Alhamdoe liellaahiel laziee lahoe maa fies samaawaatie wa maa fiel ardie wa lahoel hamdoe fiel aaghierah; wa Hoewal Hakieemoel ghabieer
34:1 'Al-Hamd' (alle lof en dank) komt Allah toe. Degene waar alles, wat in de hemelen en op aarde is, aan toebehoort. Aan Hem komt 'Al-Hamd' (alle lof en dank) (ook) in het Hiernamaals toe. Hij is Al-Hakiem (de Alwijze), Al-Ghabier (Degene Die bekend is met alles.)
یَعۡلَمُ مَا یَلِجُ فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا یَخۡرُجُ مِنۡہَا وَ مَا یَنۡزِلُ مِنَ السَّمَآءِ وَ مَا یَعۡرُجُ فِیۡہَا ؕ وَ ہُوَ الرَّحِیۡمُ الۡغَفُوۡرُ ﴿۲﴾
Ya'lamoe maa yaliedjoe fiel ardie wa maa yaghroedjoe mienhaa wa maa yanzieloe mienas samaaa'ie wa maa ya'roedjoe fieehaa; wa Hoewar Rahieemoel Ghafoer
34:2 Hij weet wat er in de aarde gaat en wat er vanuit komt, en wat vanuit de hemel (erop neerdaalt/valt), en wat er naar (de hemel) opstijgt. Hij is Ar-Rahiem (Degene die zeer Barmhartig is naar gelovigen toe), Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde). (Notitie: Dit is de enige Ayah/vers in de Koran, waarbij Rahiem eerst wordt genoemd en dan Gafoer. Er wordt namelijk hier niet over de daden van de mens gesproken.)
وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَا تَاۡتِیۡنَا السَّاعَۃُ ؕ قُلۡ بَلٰی وَ رَبِّیۡ لَتَاۡتِیَنَّکُمۡ ۙ عٰلِمِ الۡغَیۡبِ ۚ لَا یَعۡزُبُ عَنۡہُ مِثۡقَالُ ذَرَّۃٍ فِی السَّمٰوٰتِ وَ لَا فِی الۡاَرۡضِ وَ لَاۤ اَصۡغَرُ مِنۡ ذٰلِکَ وَ لَاۤ اَکۡبَرُ اِلَّا فِیۡ کِتٰبٍ مُّبِیۡنٍ ٭ۙ﴿۳﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe laa taatieenas Saa'ah; qoel balaa wa Rabbiee lataatieyannakoem 'Aaliemoel Ghaib; laa ya'zoeboe 'anhoe miesqaaloe zarratien fies samaawaatie wa laa fiel ardie wa laaa asgharoe mien zaalieka wa laaa akbaroe iellaa fiee kietaabiem moebieen
34:3 Echter, de ongelovigen zeggen: "Het uur (dag des oordeels) zal ons niet overkomen." Zeg: "Nee! Bij mijn heer, het zal zeker tot jullie komen. Hij is de Kenner van het ongeziene. Zelfs het gewicht van een atoom in de hemelen of op de aarde kan hem niet ontsnappen, noch iets kleiner dan dat of iets groots. Het is (allemaal) vermeld in een duidelijk boek.
لِّیَجۡزِیَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ وَّ رِزۡقٌ کَرِیۡمٌ ﴿۴﴾
Lieyadjzieyal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaat; oelaaa'ieka lahoem maghfieratoew wa riezqoen karieem
34:4 Zodat Hij degenen die geloven en goede daden doen, kan belonen. Voor hen is er vergiffenis en een nobele voorziening.
وَ الَّذِیۡنَ سَعَوۡ فِیۡۤ اٰیٰتِنَا مُعٰجِزِیۡنَ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عَذَابٌ مِّنۡ رِّجۡزٍ اَلِیۡمٌ ﴿۵﴾
Wallazieena sa'aw fieee aayaatienaa moe'aadjiezieena oelaaa 'ieka lahoem 'azaaboem mier riedjzien alieem
34:5 Maar degenen die tegen Onze tekenen/verzen strijden om een nederlaag (van de teken van Allah, zie 61:8) te veroorzaken, voor hen is er een pijnlijke straf van.
وَ یَرَی الَّذِیۡنَ اُوۡتُوا الۡعِلۡمَ الَّذِیۡۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ مِنۡ رَّبِّکَ ہُوَ الۡحَقَّ ۙ وَ یَہۡدِیۡۤ اِلٰی صِرَاطِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَمِیۡدِ ﴿۶﴾
Wa yaral lazieena oetoel 'ielmal lazieee oenziela ielaika mier Rabbieka hoewal haqqa wa yahdieee ielaaa sieraatiel 'Azieeziel Hamieed
34:6 Degenen met kennis (de mensen van het boek, Joden, Christenen) zien dat wat van jouw Heer aan jou is geopenbaard, de waarheid is en dat het leidt naar het pad van de Almachtige (Al-Aziz), de Prijzenswaardige (Al-Hameed).
وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ہَلۡ نَدُلُّکُمۡ عَلٰی رَجُلٍ یُّنَبِّئُکُمۡ اِذَا مُزِّقۡتُمۡ کُلَّ مُمَزَّقٍ ۙ اِنَّکُمۡ لَفِیۡ خَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ۚ﴿۷﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe hal nadoelloekoem 'alaa radjoeliey yoenabbie 'oekoem iezaa moezzieqtoem koella moemazzaqien iennakoem lafiee ghalqien djadieed
34:7 Echter, de ongelovigen zeggen: "Moeten wij jullie naar een man brengen die jullie informeert, dat wanneer jullie volledig (tot stof) ontleed zijn, dat jullie (daarna) zeker een nieuwe creatie zullen worden?"
اَفۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اَمۡ بِہٖ جِنَّۃٌ ؕ بَلِ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ فِی الۡعَذَابِ وَ الضَّلٰلِ الۡبَعِیۡدِ ﴿۸﴾
Aftaraa 'alal laahie kazieban am biehiee djiennah; baliel lazieena laa yoe'mienoena biel Aaghieratie fiel'azaabie wad dalaaliel ba'ieed
34:8 (Zeggen ze:) "Heeft hij (Mohammed v.z.m.h.) een leugen over Allah verzonnen of is hij bezeten?" Nee! Degenen die niet in het hiernamaals geloven zullen in de straf bevinden. Ze zijn ver weg afgedwaald.
اَفَلَمۡ یَرَوۡا اِلٰی مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ مِّنَ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ اِنۡ نَّشَاۡ نَخۡسِفۡ بِہِمُ الۡاَرۡضَ اَوۡ نُسۡقِطۡ عَلَیۡہِمۡ کِسَفًا مِّنَ السَّمَآءِ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّکُلِّ عَبۡدٍ مُّنِیۡبٍ ٪﴿۹﴾
Afalam yaraw ielaa maa baina aydieehiem wa maa ghalfahoem mienas samaaa'ie wal ard; ien nashad naghsief biehiemoel arda aw noesqiet 'alaihiem kiesafam mienas samaaa'; ienna fiee zaalieka la Aayatal liekoellie 'abdiem moenieeb
34:9 Kijken ze dan niet naar de hemelen en de aarde, van al datgeen wat er voor hen en achter hen is? Als Wij het willen, dan kunnen Wij hen door de aarde laten inslikken (sinkholes) of delen van de hemel op hen doen laten vallen. Voorzeker, daarin is zeker een teken voor elke dienaar die zich naar Allah toekeert.
وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا دَاوٗدَ مِنَّا فَضۡلًا ؕ یٰجِبَالُ اَوِّبِیۡ مَعَہٗ وَ الطَّیۡرَ ۚ وَ اَلَنَّا لَہُ الۡحَدِیۡدَ ﴿۰۱﴾
Wa laqad aatainaa Daawoeda miennaa fadlay yaa djiebaaloe awwiebiee ma'ahoe wattaira wa alannaa lahoel hadieed
34:10 En waarlijk, Wij gaven Dawoed (David) een extra beloning\gunst(, zeggende): "O bergen, herhaal de lofprijzing (van Allah) met hem en de vogels!" En Wij maakten het ijzer buigzaam\zacht voor hem.
اَنِ اعۡمَلۡ سٰبِغٰتٍ وَّ قَدِّرۡ فِی السَّرۡدِ وَ اعۡمَلُوۡا صَالِحًا ؕ اِنِّیۡ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ بَصِیۡرٌ ﴿۱۱﴾
Anie'mal saabieghaatiew wa qaddier fies sardie wa'maloe saaliehan ienniee biemaa ta'maloena Basieer
34:11 (Wij zeiden:) "Maak vesten van ijzere ringetjes (maliënkolders, dat beschermd tegen de aanval). Meet/tel precies de schakels en werk rechtvaardig. Voorzeker, Ik zie alles wat jullie doen."
وَ لِسُلَیۡمٰنَ الرِّیۡحَ غُدُوُّہَا شَہۡرٌ وَّ رَوَاحُہَا شَہۡرٌ ۚ وَ اَسَلۡنَا لَہٗ عَیۡنَ الۡقِطۡرِ ؕ وَ مِنَ الۡجِنِّ مَنۡ یَّعۡمَلُ بَیۡنَ یَدَیۡہِ بِاِذۡنِ رَبِّہٖ ؕ وَ مَنۡ یَّزِغۡ مِنۡہُمۡ عَنۡ اَمۡرِنَا نُذِقۡہُ مِنۡ عَذَابِ السَّعِیۡرِ ﴿۲۱﴾
Wa lie-Soelaimaanar rieeha ghoedoewwoehaa shahroew wa ra-waahoehaa shahroew wa asalnaa lahoe 'ainal qietr; wa mienal djiennie may ya'maloe baina yadaihie bie ieznie Rabbieh; wa may yaziegh mienhoem 'an amrienaa noezieqhoe mien 'azaabies sa'ieer
34:12 En voor Soelaiman (Solomon, zoon van Dawoed) (onderwierpen Wij) de wind (zie 21:81, 38:36). (De afstand die hij aflegde m.b.v. de wind tijdens) Zijn ochtend route was gelijk aan een maand (reizen in vergelijking tot de normale manier van reizen) en (de afstand tijdens) zijn middag route (terugkeer) was (ook) gelijk aan een maand (zie 38:36). En Wij deden een bron van gesmolten koper voor hem ontspringen\stromen. En (er waren) djiens die voor hem werkten met de toestemming van zijn Heer. En wie van hen afwijkte van Onze opdracht, Wij zullen hem de straf van het vuur laten proeven.
یَعۡمَلُوۡنَ لَہٗ مَا یَشَآءُ مِنۡ مَّحَارِیۡبَ وَ تَمَاثِیۡلَ وَ جِفَانٍ کَالۡجَوَابِ وَ قُدُوۡرٍ رّٰسِیٰتٍ ؕ اِعۡمَلُوۡۤا اٰلَ دَاوٗدَ شُکۡرًا ؕ وَ قَلِیۡلٌ مِّنۡ عِبَادِیَ الشَّکُوۡرُ ﴿۳۱﴾
Ya'maloena lahoe ma yashaaa'oe miem mahaarieeba wa tamaasieela wa djiefaanien kaldjawaabie wa qoedoerier raasieyaat; ie'maloe aala Daawoeda shoekraa; wa qalieeloem mien 'iebaadieyash shakoer
34:13 Ze maakten voor hem wat hij wilde, hoge gebouwen\kastelen\gebedsplaatsten, grote standbeelden, schalen/kommen zo groot als vijvers (voor het voeden van armen), en grote ketels (voor het bereiden van voedsel voor de armen) die zo zwaar waren dat ze niet verplaatst konden worden. (Er werd gezegd door Allah:) "Werk met dankbaarheid, familie van Dawoed!" Echter, weinig van Mijn dienaren zijn dankbaar.
فَلَمَّا قَضَیۡنَا عَلَیۡہِ الۡمَوۡتَ مَا دَلَّہُمۡ عَلٰی مَوۡتِہٖۤ اِلَّا دَآبَّۃُ الۡاَرۡضِ تَاۡکُلُ مِنۡسَاَتَہٗ ۚ فَلَمَّا خَرَّ تَبَیَّنَتِ الۡجِنُّ اَنۡ لَّوۡ کَانُوۡا یَعۡلَمُوۡنَ الۡغَیۡبَ مَا لَبِثُوۡا فِی الۡعَذَابِ الۡمُہِیۡنِ ﴿۴۱﴾
Falammaa qadainaa 'alaihiel mawta ma dallahoem 'alaa mawtiehieee iellaa daaabbatoel ardie taakoeloe miensa atahoe falammaa gharra tabaiyanatiel djiennoe al law kaanoe ya'lamoenal ghaiba maa labiesoe fiel 'azaabiel moehieen
34:14 Toen Wij de dood voor hem voortbrachten\deed intreden, was er voor hen geen indicatie\teken van zijn dood. Er was alleen een beest (insect) dat zijn staf at. Dus toen hij omviel, werd het voor de Djiens duidelijk dat indien ze het ongeziene zouden kennen, dan zouden ze zich niet in de vernederende straf zijn gebleven.
لَقَدۡ کَانَ لِسَبَاٍ فِیۡ مَسۡکَنِہِمۡ اٰیَۃٌ ۚ جَنَّتٰنِ عَنۡ یَّمِیۡنٍ وَّ شِمَالٍ ۬ؕ کُلُوۡا مِنۡ رِّزۡقِ رَبِّکُمۡ وَ اشۡکُرُوۡا لَہٗ ؕ بَلۡدَۃٌ طَیِّبَۃٌ وَّ رَبٌّ غَفُوۡرٌ ﴿۵۱﴾
Laqad kaana lie Saba-ien fiee maskaniehiem Aayatoen djannataanie 'ay yamieeniew wa shiemaalien koeloe mier riezqie Rabbiekoem washkoeroelah; baldatoen taiyiebatoew wa Rabboen Ghafoer
34:15 Waarlijk, er was voor (de inwoners van) Saba een teken in hun woonplaats. (Ze hadden) twee tuinen, één aan de rechterkant en de andere aan de linkerkant. (Er werd tegen hen gezegd:) "Eet van de voorzieningen dat gegeven is door jullie Heer en wees Hem dankbaar. Het is een gezegend land en (wij hebben) een zeer vergevingsgezinde Heer."
فَاَعۡرَضُوۡا فَاَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ سَیۡلَ الۡعَرِمِ وَ بَدَّلۡنٰہُمۡ بِجَنَّتَیۡہِمۡ جَنَّتَیۡنِ ذَوَاتَیۡ اُکُلٍ خَمۡطٍ وَّ اَثۡلٍ وَّ شَیۡءٍ مِّنۡ سِدۡرٍ قَلِیۡلٍ ﴿۶۱﴾
Fa a'radoe fa-arsalnaa 'alaihiem Sailal 'Ariemie wa baddalnaahoem biedjannataihiem djannatainie zawaatai oekoelien ghamtiew wa asliew wa shai'iem mien siedrien qalieel
34:16 Maar ze keerden zich af (van hun Heer). Dus zonden Wij op hen de overstroming (door doorbraak) van de dam en Wij veranderden hun twee tuinen met twee (andere) tuinen die bittere fruit, tamarisk planten\bomen, en enkele sidr\lote bomen voortbrachten.
ذٰلِکَ جَزَیۡنٰہُمۡ بِمَا کَفَرُوۡا ؕ وَ ہَلۡ نُجٰزِیۡۤ اِلَّا الۡکَفُوۡرَ ﴿۷۱﴾
Zaalieka djazainaahoem biemaa kafaroe wa hal noedjaazieee iellal kafoer
34:17 Dat is hoe Wij hen vergolden omdat ze niet geloofden. En Wij vergelden niemand anders dan de ongelovige\ondankbare.
وَ جَعَلۡنَا بَیۡنَہُمۡ وَ بَیۡنَ الۡقُرَی الَّتِیۡ بٰرَکۡنَا فِیۡہَا قُرًی ظَاہِرَۃً وَّ قَدَّرۡنَا فِیۡہَا السَّیۡرَ ؕ سِیۡرُوۡا فِیۡہَا لَیَالِیَ وَ اَیَّامًا اٰمِنِیۡنَ ﴿۸۱﴾
Wa dja'alnaa bainahoem wa bainal qoeral latiee baaraknaa fieehaa qoeran zaahierataw wa qaddarnaa fieehas sayr; sieeroe fieehaa la yaalieya wa aiyaaman aamienieen
34:18 En wij maakten tussen hen en tussen de steden, welke Wij gezegend hadden, zichtbare steden\groei\welvaart. En Wij bepaalden tussen hen de afstand\reis: "Reis veilig tussen hen gedurende de nacht en overdag."
فَقَالُوۡا رَبَّنَا بٰعِدۡ بَیۡنَ اَسۡفَارِنَا وَ ظَلَمُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ فَجَعَلۡنٰہُمۡ اَحَادِیۡثَ وَ مَزَّقۡنٰہُمۡ کُلَّ مُمَزَّقٍ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّکُلِّ صَبَّارٍ شَکُوۡرٍ ﴿۹۱﴾
Faqaaloe Rabbanaa baa'ied baina asfaarienaa wa zalamoeo anfoesahoem fadja'alnaahoem ahaadieesa wa mazzaq naahoem koella moemazzaq; ienna fiee zaalieka la Aayaatiel liekoellie sabbaarien shakoer
34:19 Echter ze zeiden: "Onze Heer maak onze reis langer." Ze hadden (daarmee) zichzelf onrecht aangedaan, dus maakten Wij hen tot verhalen (met moraal) en Wij hebben hen volledig uitelkaar verspreid. Voorzeker, daarin zijn tekenen voor iedereen, die geduldig en dankbaar is.
وَ لَقَدۡ صَدَّقَ عَلَیۡہِمۡ اِبۡلِیۡسُ ظَنَّہٗ فَاتَّبَعُوۡہُ اِلَّا فَرِیۡقًا مِّنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۰۲﴾
Wa laqad saddaq 'alaihiem Iblieesoe zannabhoe fattaba'oehoe iellaa farieeqam mienal moe'mienieen
34:20 Waarlijk, iblies zag zijn veronderstelling over hen (het kunnen misleiden van de mensheid) bewaarheid worden. Dus ze volgden hem, behalve een groep gelovigen.
وَ مَا کَانَ لَہٗ عَلَیۡہِمۡ مِّنۡ سُلۡطٰنٍ اِلَّا لِنَعۡلَمَ مَنۡ یُّؤۡمِنُ بِالۡاٰخِرَۃِ مِمَّنۡ ہُوَ مِنۡہَا فِیۡ شَکٍّ ؕ وَ رَبُّکَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ حَفِیۡظٌ ﴿۱۲﴾
Wa maa kaana lahoe 'alaihiem mien soeltaanien iellaa liena'lama may yoe mienoe biel Aaghieratie miemman hoewa mienhaa fiee shakk; wa Rabboeka 'alaa koellie shai'ien Hafieez
34:21 Hij (iblies) had geen enkel autoriteit/macht over hen. Het was alleen zodat Wij het duidelijk konden maken wie van degene die twijfelt, in het hiernamaals gelooft. Allah is over alles Al-Hafiez (Degene die over alles waakt).
قُلِ ادۡعُوا الَّذِیۡنَ زَعَمۡتُمۡ مِّنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ۚ لَا یَمۡلِکُوۡنَ مِثۡقَالَ ذَرَّۃٍ فِی السَّمٰوٰتِ وَ لَا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا لَہُمۡ فِیۡہِمَا مِنۡ شِرۡکٍ وَّ مَا لَہٗ مِنۡہُمۡ مِّنۡ ظَہِیۡرٍ ﴿۲۲﴾
Qoelied 'oel lazieena za'amtoem mien doeniel laahie laa yamliekoena miesqaala zarratien fiessamaawaatie wa laa fiel ardie wa maa lahoem fieehiemaa mien shierkiew wa maa lahoe mienhoem mien zahieer
34:22 Zeg: "Roep degenen waarvan jullie beweren dat ze deelgenoten naast Allah zijn!" Ze zijn zelfs geen eigenaar van iets dat gelijk is aan het gewicht van een atoom, noch in de hemelen, noch op de aarde. Voor hen is er geen enkel aandeel in het beheer van beide van hen (aarde en hemelen). Noch wordt Hij (Allah) door hen geholpen.
وَ لَا تَنۡفَعُ الشَّفَاعَۃُ عِنۡدَہٗۤ اِلَّا لِمَنۡ اَذِنَ لَہٗ ؕ حَتّٰۤی اِذَا فُزِّعَ عَنۡ قُلُوۡبِہِمۡ قَالُوۡا مَاذَا ۙ قَالَ رَبُّکُمۡ ؕ قَالُوا الۡحَقَّ ۚ وَ ہُوَ الۡعَلِیُّ الۡکَبِیۡرُ ﴿۳۲﴾
Wa laa tanfa'oesh shafaa'atoe 'iendahoeo iellaa lieman aziena lah; hattaaa iezaa foezzie'a 'an qoeloebiehiem qaaloe maazaa qaala Rabboekoem; qaaloel haqq, wa Hoewal 'Alieyoel Kabieer
34:23 Bemiddeling met Hem (Allah) heeft geen baat, behalve voor wie Hij dat toestaat (zie 21:28, 78:38 m.b.t. bemiddelen door de engelen). Totdat wanneer de angst in harten (van de engelen) wegzakt, dan zullen ze (de engelen elkaar) vragen: "Wat heeft jouw Heer gezegd?" Ze zullen zeggen: "De waarheid." En Hij is Al-'Alie (de meest Verhevene), Al-Kabeer (de Grootste). (Notitie: Het bestuur/gezag/autoriteit van bemiddeling behoort alleen aan Allah toe, zie 39:44.)
قُلۡ مَنۡ یَّرۡزُقُکُمۡ مِّنَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ قُلِ اللّٰہُ ۙ وَ اِنَّاۤ اَوۡ اِیَّاکُمۡ لَعَلٰی ہُدًی اَوۡ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۲﴾
Qoel may yarzoeqoekoem mienas samaawaatie wal ardie qoeliel laahoe wa iennaaa aw ieyyaakoem la'alaa hoedan aw fiee dalaaliem moebieen
34:24 Zeg: "Wie verschaft (voorzieningen) voor jullie vanuit de hemelen en de aarde?" Zeg: "Allah. Voorzeker, het is wij of jullie, in ieder geval één van ons volgt de juiste leiding en de andere bevindt zich in een duidelijke dwaling."
قُلۡ لَّا تُسۡـَٔلُوۡنَ عَمَّاۤ اَجۡرَمۡنَا وَ لَا نُسۡـَٔلُ عَمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Qoel laa toes'aloena 'ammaaa adjramnaa wa laa noes'aloe 'ammaa ta'maloen
34:25 Zeg: "Jullie zullen niet worden ondervraagd voor de zonden die wij begaan, noch zullen wij worden ondervraagd voor datgeen wat jullie doen."
قُلۡ یَجۡمَعُ بَیۡنَنَا رَبُّنَا ثُمَّ یَفۡتَحُ بَیۡنَنَا بِالۡحَقِّ ؕ وَ ہُوَ الۡفَتَّاحُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۶۲﴾
Qoel yadjma'oe bainanaa Rabboenaa soemma yaftahoe bainanaa bielhaqq; wa Hoewal Fattaahoel 'Alieem
34:26 Zeg: "Onze Heer zal ons allen verzamelen (op de dag des oordeels), vervolgens zal Hij tussen ons naar waarheid oordelen. Hij is Al-Fattaah (de Ultieme Rechter), Al-Aliem (de Alwetende)."
قُلۡ اَرُوۡنِیَ الَّذِیۡنَ اَلۡحَقۡتُمۡ بِہٖ شُرَکَآءَ کَلَّا ؕ بَلۡ ہُوَ اللّٰہُ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۷۲﴾
Qoel aroenieyal lazieena alhaqtoem biehiee shoerakaaa'a kallaa; bal Hoewal Laahoel 'Azieezoel Hakieem
34:27 Zeg: "Toon mij degene die jullie als deelgenoot/partners aan Hem toekennen. In geen geval! Nee, Hij is Allah, Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Wijze).
وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ اِلَّا کَآفَّۃً لِّلنَّاسِ بَشِیۡرًا وَّ نَذِیۡرًا وَّ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Wa maaa arsalnaaka iellaa kaaffatal liennaasie bashieeraw wa nazieeraw wa laakienna aksaran naasie laa ya'lamoen
34:28 En Wij hebben jou (Mohammed v.z.m.h.) alleen gestuurd als een brenger van het goede nieuws (paradijs) en als een waarschuwer (voor de hel) voor alle mensen (ongeacht etniciteit). Maar de meeste mensen zijn zich daarvan niet bewust (dat hij voor alle mensen gestuurd is).
وَ یَقُوۡلُوۡنَ مَتٰی ہٰذَا الۡوَعۡدُ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۹۲﴾
Wa yaqoeloena mataa haazal wa'doe ien koentoem saadieqieen
34:29 Ze zeggen: "Wanneer zal deze belofte (dag des oordeels) plaats vinden, als je de waarheid spreekt?"
قُلۡ لَّکُمۡ مِّیۡعَادُ یَوۡمٍ لَّا تَسۡتَاۡخِرُوۡنَ عَنۡہُ سَاعَۃً وَّ لَا تَسۡتَقۡدِمُوۡنَ ﴿۰۳﴾
Qoel lakoem miee'aadoe Yawmiel laa tasta'ghieroena 'anhoe saa'ataw wa laa tastaqdiemoen
34:30 Zeg: "Er staat een (vast gestelde) afspraak voor jullie voor een (bepaalde) dag (de dood). Jullie kunnen het geen enkel uur uitstellen, noch kunnen jullie het versnellen." (Notitie: zie ook 7:34.)
وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَنۡ نُّؤۡمِنَ بِہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ وَ لَا بِالَّذِیۡ بَیۡنَ یَدَیۡہِ ؕ وَ لَوۡ تَرٰۤی اِذِ الظّٰلِمُوۡنَ مَوۡقُوۡفُوۡنَ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ ۚۖ یَرۡجِعُ بَعۡضُہُمۡ اِلٰی بَعۡضِۣ الۡقَوۡلَ ۚ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ اسۡتُضۡعِفُوۡا لِلَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا لَوۡ لَاۤ اَنۡتُمۡ لَکُنَّا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe lan noe'miena biehaazal Qoeraanie wa laa biellaziee baina yadayh; wa law taraaa ieziez zaaliemoena mawqoefoena 'ienda Rabbiehiem yardjie'oe ba'doehoem ielaa ba'dieniel qawla yaqoeloel lazieenas toed'iefoe liellazieenas takbaroe law laaa antoem lakoennaa moe'mienieen
34:31 En de ongelovigen zeggen: "Nooit zullen wij in deze Koran geloven, noch in datgeen wat ervoor (geopenbaard) was." Echter, als jullie het moment konden zien wanneer de misdadigers gedwongen zullen worden om voor hun Heer te staan, (dan) zou je zien hoe enkele van hen woorden naar anderen smijten. Degenen die onderdrukt waren zullen tegen degenen die hoogmoedig waren, zeggen: "Als jullie er niet waren geweest, dan behoorden we zonder twijfel tot de gelovigen!"
قَالَ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اسۡتُضۡعِفُوۡۤا اَنَحۡنُ صَدَدۡنٰکُمۡ عَنِ الۡہُدٰی بَعۡدَ اِذۡ جَآءَکُمۡ بَلۡ کُنۡتُمۡ مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿۲۳﴾
Qaalal lazieenas takbaroe liellazieenas toed'iefoeo anahnoe sadadnaakoem 'aniel hoedaa ba'da iez djaaa'akoem bal koentoem moedjriemieen
34:32 Degenen die arrogant waren zullen tegen degenen die onderdrukten waren zeggen: "Hebben wij jullie van de leiding verhindert nadat het tot jullie was gekomen? Nee, jullie waren zelf misdadigers!"
وَ قَالَ الَّذِیۡنَ اسۡتُضۡعِفُوۡا لِلَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا بَلۡ مَکۡرُ الَّیۡلِ وَ النَّہَارِ اِذۡ تَاۡمُرُوۡنَنَاۤ اَنۡ نَّکۡفُرَ بِاللّٰہِ وَ نَجۡعَلَ لَہٗۤ اَنۡدَادًا ؕ وَ اَسَرُّوا النَّدَامَۃَ لَمَّا رَاَوُا الۡعَذَابَ ؕ وَ جَعَلۡنَا الۡاَغۡلٰلَ فِیۡۤ اَعۡنَاقِ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ؕ ہَلۡ یُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۳۳﴾
Wa qaalal lazieenastoed'iefoe liellazieenas takbaroe bal makroel lailie wannahaarie iez ta'moeroenanaaaa an nakfoera biellaahie wa nadj'ala lahoeo andaadaa; wa asarroen nadaamata lammaa ra awoel 'azaab; wa dja'alnal aghlaala fieee a'naaqiel lazieena kafaroe; hal yoedjzawna iellaa maa kaanoe ya'maloen
34:33 En degenen die onderdrukt waren zullen tegen degenen die arrogant waren zeggen: "Nee! Het was een samenzwering van dag en nacht, jullie bevolen ons om niet in Allah te geloven en gelijken voor Hem aan te stellen." Ze zullen hun spijt verbergen als ze de straf zien. Wij zullen ijzeren halsbanden bij degenen die niet geloofden om hun nekken vast maken. Worden ze dan voor iets anders vergolden dan voor datgeen wat ze hebben gedaan?
وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا فِیۡ قَرۡیَۃٍ مِّنۡ نَّذِیۡرٍ اِلَّا قَالَ مُتۡرَفُوۡہَاۤ ۙ اِنَّا بِمَاۤ اُرۡسِلۡتُمۡ بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۴۳﴾
Wa maaa arsalnaa' fiee qaryatien mien nazieerien iellaa qaala moetrafoehaa iennaa biemaaa oersieltoem biehiee kaafieroen
34:34 En bij elke waarschuwer die Wij stuurden naar een stad, zeiden de rijken onder hen: "Voorzeker, wij geloven niet in datgeen waarmee je gezonden bent."
وَ قَالُوۡا نَحۡنُ اَکۡثَرُ اَمۡوَالًا وَّ اَوۡلَادًا ۙ وَّ مَا نَحۡنُ بِمُعَذَّبِیۡنَ ﴿۵۳﴾
Wa qaaloe nahnoe aksaroe amwaalaw wa awlaadaw wa maa nahnoe biemoe 'azzabieen
34:35 Ze zeiden: "We hebben meer rijkdom en kinderen. We zullen niet worden gestraft."
قُلۡ اِنَّ رَبِّیۡ یَبۡسُطُ الرِّزۡقَ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یَقۡدِرُ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۳﴾
Qoel ienna Rabbiee yabsoetoer riezqa liemay yashaaa'oe wa yaqdieroe wa laakienna aksaran naasie laa ya'lamoen
34:36 Zeg: "Voorzeker, mijn Heer vergroot en beperkt de voorzieningen voor wie Hij wil. Maar de meeste mensen begrijpen het niet."
وَ مَاۤ اَمۡوَالُکُمۡ وَ لَاۤ اَوۡلَادُکُمۡ بِالَّتِیۡ تُقَرِّبُکُمۡ عِنۡدَنَا زُلۡفٰۤی اِلَّا مَنۡ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا ۫ فَاُولٰٓئِکَ لَہُمۡ جَزَآءُ الضِّعۡفِ بِمَا عَمِلُوۡا وَ ہُمۡ فِی الۡغُرُفٰتِ اٰمِنُوۡنَ ﴿۷۳﴾
Wa maaa amwaaloekoem wa laaa awlaadoekoem biellatiee toeqarrieboekoem 'iendanaa zoelfaaa iellaa man aamana wa 'amiela saaliehan fa oelaaa'ieka lahoem djazaaa'oed die'fie biemaa 'amieloe wa hoem fiel ghoeroefaatie aamienoen
34:37 Jullie rijkdom, noch jullie kinderen zullen jullie dichter bij Ons in positie brengen. Echter, wie gelooft en goede daden verricht, dat zijn degenen die dubbel beloont zullen worden voor wat ze deden. Ze zullen in hoog gelegen en veilige woningen verblijven.
وَ الَّذِیۡنَ یَسۡعَوۡنَ فِیۡۤ اٰیٰتِنَا مُعٰجِزِیۡنَ اُولٰٓئِکَ فِی الۡعَذَابِ مُحۡضَرُوۡنَ ﴿۸۳﴾
Wallazieena yas'awna fieee Aayaatienaa moe'aadjiezieena oelaaa'ieka fiel'azaabie moehdaroen
34:38 En degenen die tegen Onze Ayat (tekenen, verzen) strijden om een nederlaag (van Onze tekenen) te veroorzaken, zij zijn degenen die naar de straf worden gebracht. (Notitie: zie ook 34:5)
قُلۡ اِنَّ رَبِّیۡ یَبۡسُطُ الرِّزۡقَ لِمَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ وَ یَقۡدِرُ لَہٗ ؕ وَ مَاۤ اَنۡفَقۡتُمۡ مِّنۡ شَیۡءٍ فَہُوَ یُخۡلِفُہٗ ۚ وَ ہُوَ خَیۡرُ الرّٰزِقِیۡنَ ﴿۹۳﴾
Qoel ienna Rabbiee yabsoetoer riezqa liemay yashaaa'oe mien 'iebaadiehiee wa yaqdieroe lah; wa maaa anfaqtoem mien shai'ien fahoewa yoeghliefoehoe wa Hoewa ghairoer raazieqieen
34:39 Zeg: "Voorzeker, mijn Heer vergroot en verkleint de voorzieningen van Zijn dienaren voor wie Hij wil. Wat jullie ervan uitgeven zal Hij het compenseren. Hij is de beste Voorziener.
وَ یَوۡمَ یَحۡشُرُہُمۡ جَمِیۡعًا ثُمَّ یَقُوۡلُ لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اَہٰۤؤُلَآءِ اِیَّاکُمۡ کَانُوۡا یَعۡبُدُوۡنَ ﴿۰۴﴾
Wa yawma yahshoeroehoem djamiee'an soemma yaqoeloe lielmalaaa'iekatie a-haaa'oelaaa'ie ieyyaakoem kaanoe ya'boedoen
34:40 En de dag waarop Hij hen allen zal verzamelen, zal Hij tegen de engelen zeggen: "Waren deze die jullie aanbaden?"
قَالُوۡا سُبۡحٰنَکَ اَنۡتَ وَلِیُّنَا مِنۡ دُوۡنِہِمۡ ۚ بَلۡ کَانُوۡا یَعۡبُدُوۡنَ الۡجِنَّ ۚ اَکۡثَرُہُمۡ بِہِمۡ مُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۴﴾
Qaaloe Soebhaanaka Anta walieyyoenaa mien doeniehiem bal kaanoe ya'boedoenal djienna aksaroehoem biehiem moe'mienoen
34:41 Ze zullen zeggen: "Soebhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) bent U! U bent onze Beschermer, niet zij. Nee, zij aanbaden de Djiens. De meeste van hen geloofden in hen (de Djiens)."
فَالۡیَوۡمَ لَا یَمۡلِکُ بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ نَّفۡعًا وَّ لَا ضَرًّا ؕ وَ نَقُوۡلُ لِلَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا ذُوۡقُوۡا عَذَابَ النَّارِ الَّتِیۡ کُنۡتُمۡ بِہَا تُکَذِّبُوۡنَ ﴿۲۴﴾
Fal Yawma laa yamliekoe ba'doekoem lieba'dien naf'aw wa laa darraa; wa naqoeloe liel lazieena zalamoe zoeqoe 'azaaban Naariel latiee koentoem biehaa toekazzieboen
34:42 Maar op deze dag bevat geen enkele van jullie macht over een andere om te profiteren, noch om schade te berokkenen. Wij zullen tegen de misdadigers zeggen: "Proef de straf van het vuur, welke jullie verwierpen."
وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُنَا بَیِّنٰتٍ قَالُوۡا مَا ہٰذَاۤ اِلَّا رَجُلٌ یُّرِیۡدُ اَنۡ یَّصُدَّکُمۡ عَمَّا کَانَ یَعۡبُدُ اٰبَآؤُکُمۡ ۚ وَ قَالُوۡا مَا ہٰذَاۤ اِلَّاۤ اِفۡکٌ مُّفۡتَرًی ؕ وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلۡحَقِّ لَمَّا جَآءَہُمۡ ۙ اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۳۴﴾
Wa iezaa toetlaa 'alaihiem Aayaatoenaa baiyienaatien qaaloe maa haazaa iellaa radjoeloey yoerieedoe ai-yasoeddakoem 'ammaa kaana ya'boedoe aabaaa'oekoem wa qaaloe maa haazaaa iellaaa iefkoem moeftaraa; wa qaalal lazieena kafaroe lielhaqqie lammaa djaaa'ahoem ien haazaaa iellaa siehroem moebieen
34:43 En wanneer Onze duidelijke verzen tot hen wordt gereciteerd, zeggen ze: "Dit is alleen een man die jullie wil verhinderen van datgeen wat jullie voorvaders aanbaden." En ze zeggen: "Dit is alleen een verzonnen leugen." En wanneer de waarheid tot hun doordringt\raakt\kwam zeggen de ongelovigen: "Dit is niets anders dan een duidelijke magie."
وَ مَاۤ اٰتَیۡنٰہُمۡ مِّنۡ کُتُبٍ یَّدۡرُسُوۡنَہَا وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلَیۡہِمۡ قَبۡلَکَ مِنۡ نَّذِیۡرٍ ﴿۴۴﴾
Wa maaa aatainaahoem mien Koetoebiey yadroesoenahaa wa maaa arsalnaaa ielaihiem qablaka mien nazieer
34:44 Wij hadden hen (de Arabieren) geen enkele schrift/boek, welke ze konden bestuderen, gegeven. En Wij hebben voordat jij gestuurd werd, geen enkele waarschuwer naar hen gestuurd.
وَ کَذَّبَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ۙ وَ مَا بَلَغُوۡا مِعۡشَارَ مَاۤ اٰتَیۡنٰہُمۡ فَکَذَّبُوۡا رُسُلِیۡ ۟ فَکَیۡفَ کَانَ نَکِیۡرِ ﴿۵۴﴾
Wa kazzabal lazieena mien qabliehiem wa maa balaghoe mie'shaara maaa aatainaahoem fakazzaboe Roesoeliee; fakaifa kaana nakieer
34:45 En degenen die vóór hen hebben geleefd, verwierpen (de waarheid). Ze (de Arabieren) hebben nog geen tiende van datgeen wat Wij hen hadden gegeven, bereikt. Zij verwierpen Mijn boodschappers. Dus hoe was (de vergelding van) Mijn afwijzing?
قُلۡ اِنَّمَاۤ اَعِظُکُمۡ بِوَاحِدَۃٍ ۚ اَنۡ تَقُوۡمُوۡا لِلّٰہِ مَثۡنٰی وَ فُرَادٰی ثُمَّ تَتَفَکَّرُوۡا ۟ مَا بِصَاحِبِکُمۡ مِّنۡ جِنَّۃٍ ؕ اِنۡ ہُوَ اِلَّا نَذِیۡرٌ لَّکُمۡ بَیۡنَ یَدَیۡ عَذَابٍ شَدِیۡدٍ ﴿۶۴﴾
Qoel iennamaaa a'iezoekoem biewaahiedatien an taqoemoe liellaahie masnaa wa foeraadaa soemma tatafakkaroe; maa biesaahiebiekoem mien djiennah; ien hoewa iellaa nazieeroel lakoem baina yadai 'azaabien shadieed
34:46 Zeg: "Ik adviseer jullie alleen voor één ding, dat is dat jullie staan voor Allah in paren of alleen, en dan erover nadenkt." Jullie metgezel (Mohammed v.z.m.h.) is niet bezeten. Hij is alleen een boodschapper voor jullie, voordat er een zeer ernstige straf komt."
قُلۡ مَا سَاَلۡتُکُمۡ مِّنۡ اَجۡرٍ فَہُوَ لَکُمۡ ؕ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلَی اللّٰہِ ۚ وَ ہُوَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ شَہِیۡدٌ ﴿۷۴﴾
Qoel maa sa-altoekoem mien adjrien fahoewa lakoem ien adjrieya iellaa 'alal laahie wa Hoewa 'alaa koellie shai'ien Shahieed
34:47 Zeg: "Ik vraag jullie er geen beloning voor, het (de boodschap) is voor jullie. Mijn beloning is alleen van Allah. Hij is over alles een getuige."
قُلۡ اِنَّ رَبِّیۡ یَقۡذِفُ بِالۡحَقِّ ۚ عَلَّامُ الۡغُیُوۡبِ ﴿۸۴﴾
Qoel ienna Rabbiee yaqziefoe bielhaqq 'Allaamoel Ghoeyoeb
34:48 Zeg: "Voorzeker, mij Heer gooit de waarheid (tegen de valsheid). Hij is al-Aliem (de Alwetende) van het ongeziene.
قُلۡ جَآءَ الۡحَقُّ وَ مَا یُبۡدِئُ الۡبَاطِلُ وَ مَا یُعِیۡدُ ﴿۹۴﴾
Qoel djaaa'al haqqoe wa maa yoebdie'oel baatieloe wa maa yoe'ieed
34:49 Zeg: "De waarheid is gekomen. De valsheid/bedrog/satan kan niets scheppen, noch (de schepping) herhalen (groei)." (Notitie: de waarheid brengt groei en evolutie met zich mee, terwijl de valsheid verderf en vernietiging met zich meebrengt.)
قُلۡ اِنۡ ضَلَلۡتُ فَاِنَّمَاۤ اَضِلُّ عَلٰی نَفۡسِیۡ ۚ وَ اِنِ اہۡتَدَیۡتُ فَبِمَا یُوۡحِیۡۤ اِلَیَّ رَبِّیۡ ؕ اِنَّہٗ سَمِیۡعٌ قَرِیۡبٌ ﴿۰۵﴾
Qoel ien dalaltoe fa-iennamaaa adielloe 'alaa nafsiee wa ienieh-tadaitoe fabiemaa yoehiee ielaiya Rabbiee; iennahoe Samiee'oen Qarieeb
34:50 Zeg: "Als ik dwaal, dan dwaal ik alleen ten nadele van mijzelf. Maar als ik geleid wordt, dan komt het door datgeen wat mijn Heer aan mij heeft geopenbaard. Voorzeker, Hij is As-Samie'oe (de Alhorende) die altijd dichtbij is."
وَ لَوۡ تَرٰۤی اِذۡ فَزِعُوۡا فَلَا فَوۡتَ وَ اُخِذُوۡا مِنۡ مَّکَانٍ قَرِیۡبٍ ﴿۱۵﴾
Wa law taraaa iez fazie'oe falaa fawta wa oeghiezoe mien makaanien qarieeb
34:51 Konden jullie maar het moment zien wanneer ze doodsbang zullen zijn met geen mogelijkheid tot ontsnapping. Ze zullen worden gegrepen vanuit een plek dat dichtbij hun is.
وَّ قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِہٖ ۚ وَ اَنّٰی لَہُمُ التَّنَاوُشُ مِنۡ مَّکَانٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۲۵﴾
Wa qaaloe aamannaa biehiee wa annaa lahoemoet tanaawoeshoe mien makaanien ba'ieed
34:52 Ze zullen zeggen: "We geloven erin!" Maar hoe kunnen ze het (de leiding) ontvangen (dus zichzelf zuiveren) vanuit een plek dat ver afgelegen is (van het wereldse leven). (Notitie: De leiding veroorzaakt een zuiveringsproces bij een persoon die het volgt, zodat hij meer goede daden verricht en zich zelf overgeeft aan de wetten van Allah. Echter, in het hiernamaals kan men geen goede daden meer verrichten, gezien het koninkrijk volledig aan Allah toebehoort en Hij iedereen direct voorziet van behoeftes. De enige zuiveringsproces wat dan nog mogelijk is, is de straf. Zie ook 6:27, 32:12.)
وَّ قَدۡ کَفَرُوۡا بِہٖ مِنۡ قَبۡلُ ۚ وَ یَقۡذِفُوۡنَ بِالۡغَیۡبِ مِنۡ مَّکَانٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۳۵﴾
Wa qad kafaroe biehiee mien qabloe wa yaqziefoena bielghaibie mien makaanien ba'ieed
34:53 Waarlijk, ze geloofden er niet eerder in. En ze spraken alleen vermoedens uit over het ongeziene (tijdens het wereldse leven), ver weg (van waar ze zich nu bevinden).
وَ حِیۡلَ بَیۡنَہُمۡ وَ بَیۡنَ مَا یَشۡتَہُوۡنَ کَمَا فُعِلَ بِاَشۡیَاعِہِمۡ مِّنۡ قَبۡلُ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا فِیۡ شَکٍّ مُّرِیۡبٍ ﴿۴۵﴾
Wa hieela bainahoem wa baina maa yashtahoena kamaa foe'iela bie-ashyaa'iehiem mien qabl; iennahoem kaanoe fiee shakkien moerieeb
34:54 En er zal een barrière worden geplaatst tussen hen en waar ze naar verlangen (het wereldse leven), zoals het vroeger gedaan was met hun soort (de ongelovigen die bestraft werden na het verwerpen van de boodschap). Voorzeker, ze hadden grote twijfels (met betrekking tot de boodschap/Koran). (Notitie: in het hiernamaals zullen de ongelovigen sterke verlangens hebben om terug te keren naar het wereldse leven om zichzelf te kunnen verbeteren, zie 23:99-100.)
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ فَاطِرِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ جَاعِلِ الۡمَلٰٓئِکَۃِ رُسُلًا اُولِیۡۤ اَجۡنِحَۃٍ مَّثۡنٰی وَ ثُلٰثَ وَ رُبٰعَ ؕ یَزِیۡدُ فِی الۡخَلۡقِ مَا یَشَآءُ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ قَدِیۡرٌ ﴿۱﴾
Alhamdoe liellaahie faatieries samaawaatie wal ardie djaa'ieliel malaaa'iekatie roesoelan oelieee adjniehatiem masnaa wa soelaasa wa roebaa'; yazieedoe fiel ghalqie maa yashaaa'; iennal laaha 'alaa koellie shai'ien Qadieer
35:1 Al-Hamd (Alle lof, eer en dank) komt Allah toe. De schepper van de hemelen en de aarde, Degene Die de engelen tot profeten maakt, met twee, drie of vier vleugels. Hij voeg toe aan zijn creatie wat Hij wil. Voorzeker, Allah is op elk gebied Al-Qadier (Degene Die in staat is om alles te doen wat Hij wil).
مَا یَفۡتَحِ اللّٰہُ لِلنَّاسِ مِنۡ رَّحۡمَۃٍ فَلَا مُمۡسِکَ لَہَا ۚ وَ مَا یُمۡسِکۡ ۙ فَلَا مُرۡسِلَ لَہٗ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ ؕ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۲﴾
Maa yaftahiel laahoe liennaaasie mier rahmatien falaa moemsieka lahaa wa maa yoemsiek falaa moersiela lahoe miemba'diehie; wa Hoewal 'Azieezoel Hakieem
35:2 Wat Allah aan barmhartigheid aan de mensen schenkt, niemand kan het tegen houden. En wat Hij (ervan) tegenhoudt, niemand anders kan het daarna schenken. Hij is Al-Aziez (de Al-Machtige), Al-Hakiem (de Al-Wijze).
یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ ؕ ہَلۡ مِنۡ خَالِقٍ غَیۡرُ اللّٰہِ یَرۡزُقُکُمۡ مِّنَ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۫ۖ فَاَنّٰی تُؤۡفَکُوۡنَ ﴿۳﴾
Yaaa ayyoehan naasoezkoeroe nie'matal laahie 'alaikoem; hal mien ghaalieqien ghairoel laahie yarzoeqoekoem mienas samaaa'ie wal ard; laaa ielaaha iellaa Hoewa fa annaa toe'fakoen
35:3 O mensen! Gedenk de gunsten van Allah (die Hij) op jullie (schenkt). Is er een andere schepper dan Allah, die jullie voorziet van (gunsten afkomstig) uit de hemel en de aarde? Er is geen godheid/deïteit dan Hij. Waarom worden jullie dan misleid (door de satan)?
وَ اِنۡ یُّکَذِّبُوۡکَ فَقَدۡ کُذِّبَتۡ رُسُلٌ مِّنۡ قَبۡلِکَ ؕ وَ اِلَی اللّٰہِ تُرۡجَعُ الۡاُمُوۡرُ ﴿۴﴾
Wa iey yoekazzieboeka faqad koezziebat Roesoeloem mien qabliek; wa ielal laahie toerdja'oel oemoer
35:4 En als ze jou (Mohammed v.z.m.h.) verwerpen, (weet dan) dat boodschappers voor jou (ook) verworpen zijn. (Weet dat,) naar Allah de zaken\kwesties worden teruggebracht (voor het eind oordeel).
یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اِنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ فَلَا تَغُرَّنَّکُمُ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا ٝ وَ لَا یَغُرَّنَّکُمۡ بِاللّٰہِ الۡغَرُوۡرُ ﴿۵﴾
Yaaa ayyoehan naasoe ienna wa'dal laahie haqqoen falaa taghoerrannakoemoel hayaatoed doenyaa; wa laa yaghoerran nakoem biellaahiel gharoer
35:5 O mensen! Voorzeker, de belofte van Allah is waar! Laat het wereldse leven jou niet doen misleiden en laat de bedrieger (de satan) jullie over Allah niet doen misleiden.
اِنَّ الشَّیۡطٰنَ لَکُمۡ عَدُوٌّ فَاتَّخِذُوۡہُ عَدُوًّا ؕ اِنَّمَا یَدۡعُوۡا حِزۡبَہٗ لِیَکُوۡنُوۡا مِنۡ اَصۡحٰبِ السَّعِیۡرِ ؕ﴿۶﴾
Innash shaitaana lakoem 'adoewwoen fattaghiezoehoe 'adoewwaa; iennamaa yad'oe hiezbahoe lieyakoenoe mien ashaabies sa'ieer
35:6 Voorzeker, de satan is voor jullie een vijand. Dus beschouw hem als een vijand. Hij nodigt zijn aanhangers uit (tot het slechte), zodat ze tot de bewoners van het vuur kunnen behoren.
اَلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَہُمۡ عَذَابٌ شَدِیۡدٌ ۬ؕ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَہُمۡ مَّغۡفِرَۃٌ وَّ اَجۡرٌ کَبِیۡرٌ ﴿۷﴾
Allazieena kafaroe lahoem 'azaaboen shadieed; wallazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie lahoem maghfieratoew wa adjroen kabieer
35:7 Degenen die niet geloven, voor hen zal er een zware straf zijn. Voor degenen die geloven en goede daden verrichten, voor hen is er vergiffenis en een grote beloning.
اَفَمَنۡ زُیِّنَ لَہٗ سُوۡٓءُ عَمَلِہٖ فَرَاٰہُ حَسَنًا ؕ فَاِنَّ اللّٰہَ یُضِلُّ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ۫ۖ فَلَا تَذۡہَبۡ نَفۡسُکَ عَلَیۡہِمۡ حَسَرٰتٍ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَلِیۡمٌۢ بِمَا یَصۡنَعُوۡنَ ﴿۸﴾
Afaman zoeyyiena lahoe soeo'oe 'amaliehiee fara aahoe hasanaa; fa iennal laaha yoedielloe may yashaaa'oe wa yahdiee may yashaaa'oe falaa tazhab nafsoeka 'alaihiem hasaraat; iennal laaha 'alieemoen biemaa yasna'oen
35:8 Is (de daden van) degene waarvan het kwaad van zijn daden schoonschijnend is gemaakt, zodat hij het als goed beschouwd (, gelijk aan de daden van iemand die gelooft)? Voorzeker, Allah laat degenen dwalen waarvan Hij het wil en Hij leidt wie Hij wil. Dus heb geen medelijden voor hen. Voorzeker, Allah is Alwetend over datgeen wat ze doen.
وَ اللّٰہُ الَّذِیۡۤ اَرۡسَلَ الرِّیٰحَ فَتُثِیۡرُ سَحَابًا فَسُقۡنٰہُ اِلٰی بَلَدٍ مَّیِّتٍ فَاَحۡیَیۡنَا بِہِ الۡاَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِہَا ؕ کَذٰلِکَ النُّشُوۡرُ ﴿۹﴾
Wallaahoel lazieee arsalar rieyaaha fatoesieeroe sa haaban fasoeqnaahoe ielaa baladiem maiyietien fa ahyaynaa biehiel arda ba'da mawtiehaa; kazaaliekan noeshoer
35:9 Allah is degenen die de winden stuurt, zodat ze wolken omhoog stuwen. Wij drijven hen (de wolken) naar een dorre land voort, en doen daarmee de aarde herleven nadat het dood was. Zo zal (ook) de herrijzing/opwekking/wederopstanding (op de dag des oordeels) zijn.
مَنۡ کَانَ یُرِیۡدُ الۡعِزَّۃَ فَلِلّٰہِ الۡعِزَّۃُ جَمِیۡعًا ؕ اِلَیۡہِ یَصۡعَدُ الۡکَلِمُ الطَّیِّبُ وَ الۡعَمَلُ الصَّالِحُ یَرۡفَعُہٗ ؕ وَ الَّذِیۡنَ یَمۡکُرُوۡنَ السَّیِّاٰتِ لَہُمۡ عَذَابٌ شَدِیۡدٌ ؕ وَ مَکۡرُ اُولٰٓئِکَ ہُوَ یَبُوۡرُ ﴿۰۱﴾
Man kaana yoerieedoel 'iezzata faliellaahiel 'iezzatoe djamiee'aa; ielaihie yas'adoel kaliemoet taiyieboe wal'amaloes saaliehoe yarfa'oeh; wallazieena yamkoeroenas sayyieaatie lahoem 'azaaboen shadieed; wa makroe oelaaa'ieka hoewa yaboer
35:10 Wie eer wenst, weet dat alle eer aan Allah toebehoort. Tot hem stijgen de lofprijzingen en de goede daden verhoogt het. Echter, degenen die slechte daden plannen, voor hen is er een zware straf. Het effect van hun kwade plannen zal vergaan.
وَ اللّٰہُ خَلَقَکُمۡ مِّنۡ تُرَابٍ ثُمَّ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ ثُمَّ جَعَلَکُمۡ اَزۡوَاجًا ؕ وَ مَا تَحۡمِلُ مِنۡ اُنۡثٰی وَ لَا تَضَعُ اِلَّا بِعِلۡمِہٖ ؕ وَ مَا یُعَمَّرُ مِنۡ مُّعَمَّرٍ وَّ لَا یُنۡقَصُ مِنۡ عُمُرِہٖۤ اِلَّا فِیۡ کِتٰبٍ ؕ اِنَّ ذٰلِکَ عَلَی اللّٰہِ یَسِیۡرٌ ﴿۱۱﴾
Wallaahoe ghalaqakoem mien toeraabien soemma mien noetfatien soemma dja'alakoem azwaadjaa; wa maa tahmieloe mien oensaa wa laa tada'oe iellaa bie'ielmieh; wa maa yoe'ammaroe miem moe'ammariew wa laa yoenqasoe mien 'oemoeriehieee iellaa fiee kietaab; ienna zaalieka 'alal laahie yasieer
35:11 Allah schiep jullie vanuit (sterren-) stof, vervolgens uit een 'Nutfa' (één enkele cel). Daarna maakte Hij jullie in paren (man en vrouw) (dat voortplant). Elke vrouw wordt zwanger en baart (kinderen) alleen op basis van Zijn kennis. Het leven van een persoon wordt niet verlengd, noch verkort, het staat vastgesteld in een boek. Voorzeker, dat is voor Allah makkelijk. (Notitie: zie ook 16:4, 23:12-14)
وَ مَا یَسۡتَوِی الۡبَحۡرٰنِ ٭ۖ ہٰذَا عَذۡبٌ فُرَاتٌ سَآئِغٌ شَرَابُہٗ وَ ہٰذَا مِلۡحٌ اُجَاجٌ ؕ وَ مِنۡ کُلٍّ تَاۡکُلُوۡنَ لَحۡمًا طَرِیًّا وَّ تَسۡتَخۡرِجُوۡنَ حِلۡیَۃً تَلۡبَسُوۡنَہَا ۚ وَ تَرَی الۡفُلۡکَ فِیۡہِ مَوَاخِرَ لِتَبۡتَغُوۡا مِنۡ فَضۡلِہٖ وَ لَعَلَّکُمۡ تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۲۱﴾
Wa maa yastawiel bahraanie haaza 'azboen foeraatoen saaa'ieghoen sharaaboehoe wa haazaa mielhoen oedjaadj; wa mien koellien ta'koeloena lahman tarieyyaw wa tastaghriedjoena hielyatan talbasoenahaa wa taral foelka fieehie mawaaghiera lietabtaghoe mien fadliehiee wa la'allakoem tashkoeroen
35:12 En de twee zeeën (soorten water) zijn niet hetzelfde. De ene is fris en zoet (van smaak) en aangenaam om te drinken, en de andere is zoutig en bitter (van smaak). Jullie eten uit beide verse vlees (vis en andere waterdieren) en halen er versieringen uit, die jullie (als sieraden) dragen. En jullie zien de schepen erop splijten/klieven (varen), op zoek naar Zijn gunsten, zodat jullie dank kunnen betuigen (voor Zijn gunsten).
یُوۡلِجُ الَّیۡلَ فِی النَّہَارِ وَ یُوۡلِجُ النَّہَارَ فِی الَّیۡلِ ۙ وَ سَخَّرَ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ ۫ۖ کُلٌّ یَّجۡرِیۡ لِاَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ ذٰلِکُمُ اللّٰہُ رَبُّکُمۡ لَہُ الۡمُلۡکُ ؕ وَ الَّذِیۡنَ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہٖ مَا یَمۡلِکُوۡنَ مِنۡ قِطۡمِیۡرٍ ﴿۳۱﴾
Yoeliedjoel laila fien nahaarie wa yoeliedjoen nahaara fiel lailie wa saghgharash shamsa wal qamara koelloey yadjriee lie adjaliem moesammaa; zaaliekoemoel laahoe Rabboekoem lahoel moelk; wallazieena tad'oena mien doeniehiee maa yamliekoena mien qietmieer
35:13 Hij doet de nacht overgaan in de dag, en Hij doet de dag overgaan in de nacht (zie ook 22:61, 31:29). Hij heeft de zon en de maan (aan jullie) onderworpen, elk beweegt voor een vastgestelde periode. Dat is (de creatie van) Allah, jullie Heer, aan Hem behoort het (gehele) koninkrijk. Degenen, die jullie naast Hem aanroepen, bezitten niet eens het vliesje van een dadelpit.
اِنۡ تَدۡعُوۡہُمۡ لَا یَسۡمَعُوۡا دُعَآءَکُمۡ ۚ وَ لَوۡ سَمِعُوۡا مَا اسۡتَجَابُوۡا لَکُمۡ ؕ وَ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ یَکۡفُرُوۡنَ بِشِرۡکِکُمۡ ؕ وَ لَا یُنَبِّئُکَ مِثۡلُ خَبِیۡرٍ ﴿۴۱﴾
In tad'oehoem laa yasma'oe doe'aaa'akoem wa law samie'oe mas tadjaaboe lakoem; wa Yawmal Qieyaamatie Yakfoeroena bieshierkiekoem; wa laa yoenabbie'oeka miesloe ghabieer
35:14 Als jullie hen aanroepen, dan horen ze jullie aanroep niet. En ook al zouden ze het kunnen horen, dan zouden ze jullie niet beantwoorden. Op de dag des oordeels zullen ze jullie deelgenootschap, dat jullie (aan Allah) toekennen, verwerpen. Niemand kan jullie informeren netals de Ghabier (Degene Die alles kent, zowel innerlijk en uiterlijk. Hij is Degene die de perfecte kennis en begrip heeft over de werkelijke toestand, de interne kwaliteiten en de betekenissen van alles wat is geschapen).
یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اَنۡتُمُ الۡفُقَرَآءُ اِلَی اللّٰہِ ۚ وَ اللّٰہُ ہُوَ الۡغَنِیُّ الۡحَمِیۡدُ ﴿۵۱﴾
Yaaa ayyoenhan naasoe antoemoel foeqaraaa'oe ielallaahie wallaahoe Hoewal Ghanieyyoel Hamieed
35:15 O mensen! Jullie zijn degenen die Allah nodig hebben, terwijl Allah niemand en niets nodig heeft, (Hij is) Al-Hamied (de Bezitter van alle lof, dank en eer. Degene die het meest geprezen wordt en waardig is om geprezen te worden). (Notitie: iedereen en alles krijgt voorzieningen van Allah, zie 11:6. Alles wordt gerealiseerd op basis van de voorzieningen die Allah geeft, dus alle lof en dank behoort Allah toe.)
اِنۡ یَّشَاۡ یُذۡہِبۡکُمۡ وَ یَاۡتِ بِخَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ﴿۶۱﴾
Iy yasha' yoezhiebkoem wa ya'tie bieghalqien djadieed
35:16 Als Hij het wil dan kan Hij jullie verwijderen/opruimen/uit de weg ruimen en een nieuwe schepping voortbrengen.
وَ مَا ذٰلِکَ عَلَی اللّٰہِ بِعَزِیۡزٍ ﴿۷۱﴾
Wa maa zaalieka 'alal laahie bie'azieez
35:17 Dat is voor Allah niet moeilijk.
وَ لَا تَزِرُ وَازِرَۃٌ وِّزۡرَ اُخۡرٰی ؕ وَ اِنۡ تَدۡعُ مُثۡقَلَۃٌ اِلٰی حِمۡلِہَا لَا یُحۡمَلۡ مِنۡہُ شَیۡءٌ وَّ لَوۡ کَانَ ذَا قُرۡبٰی ؕ اِنَّمَا تُنۡذِرُ الَّذِیۡنَ یَخۡشَوۡنَ رَبَّہُمۡ بِالۡغَیۡبِ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ ؕ وَ مَنۡ تَزَکّٰی فَاِنَّمَا یَتَزَکّٰی لِنَفۡسِہٖ ؕ وَ اِلَی اللّٰہِ الۡمَصِیۡرُ ﴿۸۱﴾
Wa laa tazieroe waazieratoen wiezra oeghraa; wa ien tad'oe moesqalatoen ielaa hiemliehaa laa yoehmal mienhoe shai'oew wa law kaana zaa qoerbaa; iennamaa toenzieroel lazieena yaghshawna Rabbahoem bielghaibie wa aqaamoes Salaah; wa man tazakkaa fa iennamaa yatazakkaa lienafsieh; wa ielal laahiel masieer
35:18 En niemand zal de last van iemand anders dragen. Als iemand die zwaar beladen is (met zonden), roept om zijn lasten te dragen, dan zal er niets van worden gedragen, zelfs als hij een dichtbij zijnde verwant is. Jij (Mohammed v.z.m.h.) kan alleen degenen waarschuwen die hun Heer, zonder Hem gezien te hebben, vrezen en de 'Salaat' (het gebed) onderhouden. En wie zichzelf reinigt, dan reinigt hij alleen in het voordeel van hemzelf. Tot Allah is de bestemming (m.b.t. het eindoordeel). (Notitie: Deze vers geeft aan dat de lasten van zonden alleen verlicht kunnen worden door jezelf te reinigen op basis van het verrichten van goede daden uit vrees voor Allah.)
وَ مَا یَسۡتَوِی الۡاَعۡمٰی وَ الۡبَصِیۡرُ ﴿۹۱﴾
Wa maa yastawiel a'maa wal basieer
35:19 De blinde en de ziende (degene die kan zien), zijn niet aan elkaar gelijk. (Notitie: Dit heeft betrekking tot het zien van de tekenen van Allah.)
وَ لَا الظُّلُمٰتُ وَ لَا النُّوۡرُ ﴿۰۲﴾
Wa laz zoeloemaatoe wa lan noer
35:20 Noch is de duisternis (dwaling en ongeloof) gelijk aan het licht (de leiding\de Koran). (Notitie: zie 2:257, 4:174)
وَ لَا الظِّلُّ وَ لَا الۡحَرُوۡرُ ﴿۱۲﴾
Wa laz zielloe wa lal haroer
35:21 Noch is de schaduw (in het paradijs) gelijk aan de hitte (van de hel).
وَ مَا یَسۡتَوِی الۡاَحۡیَآءُ وَ لَا الۡاَمۡوَاتُ ؕ اِنَّ اللّٰہَ یُسۡمِعُ مَنۡ یَّشَآءُ ۚ وَ مَاۤ اَنۡتَ بِمُسۡمِعٍ مَّنۡ فِی الۡقُبُوۡرِ ﴿۲۲﴾
Wa maa yastawiel ahyaaa'oe wa lal amwaat; iennal laaha yoesmie'oe may yashaaa'oe wa maaa anta bie moesmie'iem man fiel qoeboer
35:22 Noch zijn de levenden gelijk aan de doden. Voorzeker, Allah laat degenen horen voor wie Hij het wil. Jij (Mohammed v.z.m.h.) kunt degenen die in de graven zijn, niet doen horen.
اِنۡ اَنۡتَ اِلَّا نَذِیۡرٌ ﴿۳۲﴾
In anta iellaa nazieer
35:23 Jij (Mohammed v.z.m.h.) bent alleen een waarschuwer.
اِنَّاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ بِالۡحَقِّ بَشِیۡرًا وَّ نَذِیۡرًا ؕ وَ اِنۡ مِّنۡ اُمَّۃٍ اِلَّا خَلَا فِیۡہَا نَذِیۡرٌ ﴿۴۲﴾
Innaa arsalnaaka biel haqqie bashieeraw wa nazieeraa; wa iem mien oemmatien iellaa ghalaa fieehaa nazieer
35:24 Voorzeker, Wij hebben jou met de waarheid gestuurd als een brenger van goed nieuws (het paradijs) en als een waarschuwer (voor de straf). Elke volk dat vergaan is, had een waarschuwer.
وَ اِنۡ یُّکَذِّبُوۡکَ فَقَدۡ کَذَّبَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ۚ جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ وَ بِالزُّبُرِ وَ بِالۡکِتٰبِ الۡمُنِیۡرِ ﴿۵۲﴾
Wa iey yoekazzieboeka faqad kazzabal lazieena mien qabliehiem djaaa'at hoem Roesoeloehoem bielbaiyienaatie wa biez Zoeboerie wa biel Kietaabiel Moenieer
35:25 Als ze jou (Mohammed v.z.m.h.) verwerpen, waarlijk zo ook verwierpen degenen die voor hen (de Arabieren) hebben geleefd. Hun boodschappers kwamen met duidelijke bewijzen, met schriften ('Suhuf', Zie 87:19) en met het verlichtend boek (de wetten van Allah, voor stabiliteit in de samenleving). (Notitie: Allah heeft 104 schriften/boeken neergezonden, waarvan de laatste vier, de Torah, Zaboer, Indjiel en de Koran is. De hoofdpunten\essentie van alle boeken is vermeld in de Koran, zie 5:48. De essentie van de Koran is vermeld in Soerah Fatiha en de essentie van Soerah Fatiha is vermeld in Ayah 1:5; "1:5 U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp". Zie ook 51:56.)
ثُمَّ اَخَذۡتُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا فَکَیۡفَ کَانَ نَکِیۡرِ ﴿۶۲﴾
Soemma aghaztoel lazieena kafaroe fakaifa kaana nakieer
35:26 Vervolgens, greep Ik de ongelovigen. En (zie de gevolgen van) hoe Mijn afkeur was!
اَلَمۡ تَرَ اَنَّ اللّٰہَ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً ۚ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖ ثَمَرٰتٍ مُّخۡتَلِفًا اَلۡوَانُہَا ؕ وَ مِنَ الۡجِبَالِ جُدَدٌۢ بِیۡضٌ وَّ حُمۡرٌ مُّخۡتَلِفٌ اَلۡوَانُہَا وَ غَرَابِیۡبُ سُوۡدٌ ﴿۷۲﴾
Alam tara annal laaha anzala mienas samaaa'ie maaa'an fa aghradjnaa biehiee samaraatiem moeghtaliefan alwaanoehaa; wa mienal djiebaalie djoedadoem bieedoew wa hoemroem moeghtaliefoen alwaanoehaa wa gharaabieeboe soed
35:27 Zie je niet dat Allah water uit de hemel neer laat dalen? Vervolgens, brengen Wij daarmee fruit in verschillende kleuren, voort. En (ook) de bergen hebben kleuren, wit, rood en verschillende tinten, en anderen zijn (weer) pikzwart.
وَ مِنَ النَّاسِ وَ الدَّوَآبِّ وَ الۡاَنۡعَامِ مُخۡتَلِفٌ اَلۡوَانُہٗ کَذٰلِکَ ؕ اِنَّمَا یَخۡشَی اللّٰہَ مِنۡ عِبَادِہِ الۡعُلَمٰٓؤُا ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَزِیۡزٌ غَفُوۡرٌ ﴿۸۲﴾
Wa mienan naasie wadda waaabbie wal an'aamie moeghtaliefoen alwaanoehoe kazaliek; iennamaa yaghshal laaha mien 'iebaadiehiel 'oelamaaa'; iennal laaha 'Azieezoen Ghafoer
35:28 En ook onder de mensen, het dierenrijk en (zelfs) het vee zijn er verschillende kleuren. Alleen Zijn dienaren die kennis hebben, vrezen Allah. Voorzeker, Allah is Al-Aziez (de Almachtige), Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde).
اِنَّ الَّذِیۡنَ یَتۡلُوۡنَ کِتٰبَ اللّٰہِ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ وَ اَنۡفَقُوۡا مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ سِرًّا وَّ عَلَانِیَۃً یَّرۡجُوۡنَ تِجَارَۃً لَّنۡ تَبُوۡرَ ﴿۹۲﴾
Innal lazieena yatloena Kietabbal laahie wa aqaamoes Salaata wa anfaqoe miemmaa razaqnaahoem sierraw wa 'alaa nieyatay yardjoena tiedjaaratal lan taboer
35:29 Voorzeker, dat zijn degenen die het boek van Allah (de Koran) reciteren, de 'Salaat' (het gebed) onderhouden en die openlijk of in het geheim datgeen uitgeven (op basis van liefdadigheid) wat Wij hen mee voorzien van hebben. Ze hopen op een handel waarvan de investering niet zal vergaan. (Notitie: zie ook 35:10, ..tot hem stijgen de lofprijzingen (hier vermeld als Koran recitatie en Salaat) en de goede daden (hier vermeld als het uitgeven) verhoogt het (Allah's eer).)
لِیُوَفِّیَہُمۡ اُجُوۡرَہُمۡ وَ یَزِیۡدَہُمۡ مِّنۡ فَضۡلِہٖ ؕ اِنَّہٗ غَفُوۡرٌ شَکُوۡرٌ ﴿۰۳﴾
Lieyoewaffieyahoem oedjoerahoem wa yazieedahoem mien fadlieh; iennahoe Ghafoeroen Shakoer
35:30 (De wederopstanding zal plaatsvinden) Zodat Hij aan hen hun volledige beloning kan geven (voor wat ze gedaan hebben) en hen laten verrijken met nog meer van Zijn gunsten. Voorzeker, Hij is Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ash-Shakoer (de meest Waarderende).
وَ الَّذِیۡۤ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ مِنَ الۡکِتٰبِ ہُوَ الۡحَقُّ مُصَدِّقًا لِّمَا بَیۡنَ یَدَیۡہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ بِعِبَادِہٖ لَخَبِیۡرٌۢ بَصِیۡرٌ ﴿۱۳﴾
Wallazieee awhainaaa ielaika mienal Kietaabie hoewal haqqoe moesaddieqal liemaa baina yadayh; iennal laaha bie'iebaadiehiee la ghabieeroem Basieer
35:31 Datgeen wat Wij aan jou (Mohammed v.z.m.h.) hebben geopenbaard van het boek (Lawh Al-Mahfuz, de moeder der boeken, zie 2:2), is de waarheid. Het bevestigt datgeen wat ervoor (Thora) was geopenbaard. Voorzeker, Allah is Al-Ghabier (Degenen Die alles kent, zowel innerlijk als uiterlijk), Al-Basier (de Alziende) met betrekking tot zijn dienaren.
ثُمَّ اَوۡرَثۡنَا الۡکِتٰبَ الَّذِیۡنَ اصۡطَفَیۡنَا مِنۡ عِبَادِنَا ۚ فَمِنۡہُمۡ ظَالِمٌ لِّنَفۡسِہٖ ۚ وَ مِنۡہُمۡ مُّقۡتَصِدٌ ۚ وَ مِنۡہُمۡ سَابِقٌۢ بِالۡخَیۡرٰتِ بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الۡفَضۡلُ الۡکَبِیۡرُ ﴿۲۳﴾
Soemma awrasnal Kietaaballazieenas tafainaa mien 'iebaadienaa famienhoem zaaliemoel lienafsiehiee wa mienhoem moeqtasiedoe, wa mienhoem saabieqoem bielghairaatie bie iezniel laah; zaalieka hoewal fadloel kabieer
35:32 Vervolgens, deden Wij het boek erven aan degenen die Wij van Onze dienaren hebben gekozen. Onder hen zijn er die zichzelf onrecht aandoen, en onder hen zijn er die middelmatig zijn (in de aanbidding) en onder hen zijn er die met elkaar concurreren om goede daden te verrichten, dit met toestemming van Allah. Dat is een grote gunst (van Allah).
جَنّٰتُ عَدۡنٍ یَّدۡخُلُوۡنَہَا یُحَلَّوۡنَ فِیۡہَا مِنۡ اَسَاوِرَ مِنۡ ذَہَبٍ وَّ لُؤۡلُؤًا ۚ وَ لِبَاسُہُمۡ فِیۡہَا حَرِیۡرٌ ﴿۳۳﴾
djannaatoe 'adniey yad ghoeloenahaa yoehallawna fieeha mien asaawiera mien zahabiew wa loe'loe'aw wa liebaa soehoem fieehaa harieer
35:33 Tuinen van eeuwigheid zullen ze betreden. Ze zullen daar met gouden armbanden en parels worden versierd. Hun kleding zal van zijde zijn.
وَ قَالُوا الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡۤ اَذۡہَبَ عَنَّا الۡحَزَنَ ؕ اِنَّ رَبَّنَا لَغَفُوۡرٌ شَکُوۡرُۨ ﴿۴۳﴾
Wa qaaloel hamdoe liellaahiel lazieee azhaba 'annal hazan; ienna Rabbanaa la Ghafoeroen Shakoer
35:34 Ze zullen zeggen: "Al-Hamd (Alle lof, eer en dank) komt Allah toe. Degenen Die het verdriet van ons heeft verwijderd. Voorzeker, Onze Heer is Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ash-Shakoer (de meest Waarderende)."
الَّذِیۡۤ اَحَلَّنَا دَارَ الۡمُقَامَۃِ مِنۡ فَضۡلِہٖ ۚ لَا یَمَسُّنَا فِیۡہَا نَصَبٌ وَّ لَا یَمَسُّنَا فِیۡہَا لُغُوۡبٌ ﴿۵۳﴾
Allazieee ahallanaa daaral moeqaamatie mien fadliehiee laa yamassoenaa fieehaa nasaboew wa laa yamassoenaa fieehaa loeghoeb
35:35 "Degene Die van Zijn gunsten ons in een Huis van eeuwigheid heeft gevestigd. Waar zwaar werk/arbeid, noch vermoeidheid ons zal raken."
وَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَہُمۡ نَارُ جَہَنَّمَ ۚ لَا یُقۡضٰی عَلَیۡہِمۡ فَیَمُوۡتُوۡا وَ لَا یُخَفَّفُ عَنۡہُمۡ مِّنۡ عَذَابِہَا ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِیۡ کُلَّ کَفُوۡرٍ ﴿۶۳﴾
Wallazieena kafaroe lahoem naaroe djahannama laa yoeqdaa 'alaihiem fa yamoetoe wa laa yoeghaffafoe 'anhoem mien 'azaabiehaa; kazaalieka nadjziee koella kafoer
35:36 En voor de ongelovigen zal het vuur van de Hel zijn. Het is voor hun besloten dat ze niet dood gaan, noch zal de straf/kwelling voor hen verlicht worden. Zo vergelden Wij elke ondankbare/ongelovige.
وَ ہُمۡ یَصۡطَرِخُوۡنَ فِیۡہَا ۚ رَبَّنَاۤ اَخۡرِجۡنَا نَعۡمَلۡ صَالِحًا غَیۡرَ الَّذِیۡ کُنَّا نَعۡمَلُ ؕ اَوَ لَمۡ نُعَمِّرۡکُمۡ مَّا یَتَذَکَّرُ فِیۡہِ مَنۡ تَذَکَّرَ وَ جَآءَکُمُ النَّذِیۡرُ ؕ فَذُوۡقُوۡا فَمَا لِلظّٰلِمِیۡنَ مِنۡ نَّصِیۡرٍ ﴿۷۳﴾
Wa hoem yastarieghoena fieehaa Rabbanaa aghriedjnaa na'mal saaliehan ghairal laziee koennaa na'mal; awa lamnoe 'ammierkoem maa yatazak karoe fieehie man tazakkara wa djaaa'akoemoen nazieeroe fazoeqoe famaa liezzaaliemieena mien nasieer
35:37 Ze zullen daarin huilen: "Onze Heer, haal ons eruit! We zullen goed doen! Anders dan datgeen wat we eerst deden!" (Allah zal zeggen:) "Hebben Wij jullie niet een lang leven gegeven, voldoende om na te denken en te veranderen?" De waarschuwer was (toch) tot jullie gekomen. Dus proef (de straf). Er is voor misdadigers geen enkele helper." (Notitie: zie ook 23:107.)
اِنَّ اللّٰہَ عٰلِمُ غَیۡبِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ اِنَّہٗ عَلِیۡمٌۢ بِذَاتِ الصُّدُوۡرِ ﴿۸۳﴾
Innal laaha 'aaliemoe ghaibies samaawaatie wal ard; iennahoe 'alieemoem biezaaties soedoer
35:38 Voorzeker, Allah is kenner van het ongeziene uit de hemelen en de aarde. Hij is Alwetend over datgeen wat zich in de harten bevindt.
ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَکُمۡ خَلٰٓئِفَ فِی الۡاَرۡضِ ؕ فَمَنۡ کَفَرَ فَعَلَیۡہِ کُفۡرُہٗ ؕ وَ لَا یَزِیۡدُ الۡکٰفِرِیۡنَ کُفۡرُہُمۡ عِنۡدَ رَبِّہِمۡ اِلَّا مَقۡتًا ۚ وَ لَا یَزِیۡدُ الۡکٰفِرِیۡنَ کُفۡرُہُمۡ اِلَّا خَسَارًا ﴿۹۳﴾
Hoewal laziee dja'alakoem ghalaaa'iefa fiel ard; faman kafara fa'alaihie koefroehoe; wa laa yazieedoel kaafierieena koefroehoem 'ienda Rabbiehiem iellaa maqtaw wa laa yazieedoel kaafierieena koefroehoem iellaa ghasaaraa
35:39 Hij is Degene Die jullie als 'Ghalifa' (opvolgers van generaties op generaties) op de aarde maakte. Wie dus niet gelooft, (de lasten van) zijn ongeloof rust alleen op hem. Het ongeloof van de ongelovigen laat alleen de haat van hun Heer (op hen) toenemen (zie 40:10) en voor hen zelf doet het alleen maar in verlies toenemen. (Notitie: Ghalifa kan niet vertaald worden als stedehouder/gevolmachtigden/gemachtigde van Allah, gezien Allah Al-Qayoem is. Iemand die onderhoudt, voorziet, en de leiding heeft over alles, heeft geen gemachtigde nodig, noch staat Hij dingen toe als Hij dat niet wil.)
قُلۡ اَرَءَیۡتُمۡ شُرَکَآءَکُمُ الَّذِیۡنَ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ اَرُوۡنِیۡ مَاذَا خَلَقُوۡا مِنَ الۡاَرۡضِ اَمۡ لَہُمۡ شِرۡکٌ فِی السَّمٰوٰتِ ۚ اَمۡ اٰتَیۡنٰہُمۡ کِتٰبًا فَہُمۡ عَلٰی بَیِّنَتٍ مِّنۡہُ ۚ بَلۡ اِنۡ یَّعِدُ الظّٰلِمُوۡنَ بَعۡضُہُمۡ بَعۡضًا اِلَّا غُرُوۡرًا ﴿۰۴﴾
Qoel ara'aytoem shoerakaaa'a koemoel lazieena tad'oena mien doeniel laahie; aroeniee maazaa ghalaqoe mienal ardie am lahoem shierkoen fies samaawaatie am aatainaahoem Kietaaban fahoem 'alaa baiyienatiem mienh; bal iey ya'iedoez zaaliemoena ba 'doehoem ba'dan iellaa ghoeroeraa
35:40 Zeg: "Hebben jullie de deelgenoten die jullie naast Allah aanroepen, gezien? Toon Mij wat ze van de aarde hebben geschapen! Of is er voor hen een aandeel (in de schepping) van de hemelen? Of hebben Wij hen (de godenaanbidders) een boek gegeven, zodat ze zich op een duidelijk bewijs daaruit berusten? Nee! De misdadigers beloven elkaar alleen maar bedrog!
اِنَّ اللّٰہَ یُمۡسِکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ اَنۡ تَزُوۡلَا ۬ۚ وَ لَئِنۡ زَالَتَاۤ اِنۡ اَمۡسَکَہُمَا مِنۡ اَحَدٍ مِّنۡۢ بَعۡدِہٖ ؕ اِنَّہٗ کَانَ حَلِیۡمًا غَفُوۡرًا ﴿۱۴﴾
Innal laaha yoemsiekoes samaawaatie wal arda an tazoelaaa; wa la'ien zaalataaa ien amsa kahoemaa mien ahadiem miem ba'dieh; iennahoe kaana Halieeman Ghafoeraa
35:41 Voorzeker, Allah (alleen) houdt de hemelen en de aarde in stand, zodat ze niet vergaan. Indien ze zouden vergaan, dan kan niemand, op Hem (Allah) na, hen weer tot stand brengen. Voorzeker, Hij is Al-Haliem (de meest Verdraagzame), Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde).
وَ اَقۡسَمُوۡا بِاللّٰہِ جَہۡدَ اَیۡمَانِہِمۡ لَئِنۡ جَآءَہُمۡ نَذِیۡرٌ لَّیَکُوۡنُنَّ اَہۡدٰی مِنۡ اِحۡدَی الۡاُمَمِ ۚ فَلَمَّا جَآءَہُمۡ نَذِیۡرٌ مَّا زَادَہُمۡ اِلَّا نُفُوۡرَۨا ﴿۲۴﴾
Wa aqsamoe biellaahie djahda aymaaniehiem la'ien djaaa'ahoem nazieeroel layakoenoenna ahdaa mien iehdal oemamie falam maa djaaa'ahoem nazieeroem maa zaadahoem iellaa noefoeraa
35:42 Ze zweerden bij Allah met hun sterkste eed, dat als er een boodschapper tot hen komt, dan zouden ze het beste geleid zijn (naar de rechte pad) dan welke volk dan ook. Echter, toen een boodschapper tot hen kwam, deed het hen alleen maar in afkeer toenemen.
اسۡتِکۡـبَارًا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَکۡرَ السَّیِّیَٔ ؕ وَ لَا یَحِیۡقُ الۡمَکۡرُ السَّیِّیُٔ اِلَّا بِاَہۡلِہٖ ؕ فَہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا سُنَّتَ الۡاَوَّلِیۡنَ ۚ فَلَنۡ تَجِدَ لِسُنَّتِ اللّٰہِ تَبۡدِیۡلًا ۬ۚ وَ لَنۡ تَجِدَ لِسُنَّتِ اللّٰہِ تَحۡوِیۡلًا ﴿۳۴﴾
Istiekbaaran fiel ardie wa makras sayyie'; wa laa yahieeqoel makroes sayyie'oe iellaa bie ahlieh; fahal yanzoeroena iellaa soennatal awwalieen; falan tadjieda liesoennatiel laahie tabdieelaw wa lan tadjieda liesoennatiel laahie tahwieela
35:43 Dit kwam door hun hoogmoed op de aarde en door het kwaad wat ze bedachten. Echter, (weet dat) de kwaadaardige plannen alleen degenen treft die het maken. Wachten ze alleen het lot af zoals dat van de oude generaties? Nooit zullen jullie een verandering vinden in de werkwijze van Allah, noch zullen jullie ooit een andere werkwijze van Allah vinden.
اَوَ لَمۡ یَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ وَ کَانُوۡۤا اَشَدَّ مِنۡہُمۡ قُوَّۃً ؕ وَ مَا کَانَ اللّٰہُ لِیُعۡجِزَہٗ مِنۡ شَیۡءٍ فِی السَّمٰوٰتِ وَ لَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ اِنَّہٗ کَانَ عَلِیۡمًا قَدِیۡرًا ﴿۴۴﴾
Awalam yasieeroe fiel ardie fa yanzoeroe kaifa kaana 'aaqiebatoel lazieena mien Qabliehiem wa kaanoe ashadda mienhoem qoewwah; wa maa kaanal laahoe lieyoe'djiezahoe mien shai'ien fies samaawaatie wa laa fiel ard; iennahoe kaana 'Alieeman Qadieeraa
35:44 Hebben ze niet gereisd op de aarde en gezien hoe het einde was van de oude generaties? Ze waren sterker in kracht dan zij. Niets in de hemelen of op de aarde kan aan Allah ontkomen. Voorzeker, Hij is Al-Aliem (de Alwetende), Al-Qadier (Degene Die in staat is om alles te doen wat Hij wil).
وَ لَوۡ یُؤَاخِذُ اللّٰہُ النَّاسَ بِمَا کَسَبُوۡا مَا تَرَکَ عَلٰی ظَہۡرِہَا مِنۡ دَآبَّۃٍ وَّ لٰکِنۡ یُّؤَخِّرُہُمۡ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی ۚ فَاِذَا جَآءَ اَجَلُہُمۡ فَاِنَّ اللّٰہَ کَانَ بِعِبَادِہٖ بَصِیۡرًا ﴿۵۴﴾
Wa law yoe'aaghiezoel laahoen naasa biema kasaboe maa taraka 'alaa zahriehaa mien daaabbatiew wa laakiey yoe'aghghieroehoem ielaaa adjaliem moesamman fa iezaa djaaa'a adjaloehoem fa iennal laaha kaana bie'iebaadiehiee Basieeraa
35:45 En als Allah de mensen zou straffen voor datgeen wat ze hebben verdiend, dan zou Hij geen enkel schepsel op de oppervlakte van de aarde (in leven) laten. Echter, Hij geeft hen uitstel tot een vastgesteld tijdstip (de dood). En wanneer hun tijdstip komt, dan voorzeker, (Hij weet wat ze hebben gedaan,) Allah is Basier (Al-Ziende) over Zijn dienaren. (Notitie: zie ook 16:61.)
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
یٰسٓ ۚ﴿۱﴾
Yaa-Sieeen
36:1 Jaa Sieen
وَ الۡقُرۡاٰنِ الۡحَکِیۡمِ ۙ﴿۲﴾
Wal-Qoer-aaniel-Hakieem
36:2 Bij de Koran, die vol van wijsheid is,
اِنَّکَ لَمِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ۙ﴿۳﴾
Innaka lamienal moersalieen
36:3 voorzeker, jij (Mohammed v.z.m.h.) behoort tot de boodschappers,
عَلٰی صِرَاطٍ مُّسۡتَقِیۡمٍ ؕ﴿۴﴾
'Alaa Sieraatiem Moestaqieem
36:4 op een recht pad. (Notitie: 36:2-4 Allah zweert bij de Koran, dat profeet Mohammed (v.z.m.h.) tot de boodschappers behoort. Allah versterkt de gemoedstoestand van profeet Mohammed v.z.m.h., dit door te openbaren dat de straf bewaarheid wordt en dat er zelfs voorheen drie boodschappers naar een stad werd gestuurd. Ondanks dat, werden de boodschappers verworpen. Er was alleen één persoon die de boodschap accepteerde.)
تَنۡزِیۡلَ الۡعَزِیۡزِ الرَّحِیۡمِ ۙ﴿۵﴾
Tanzieelal 'Azieezier Rahieem
36:5 (Het is) Een openbaring van Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen).
لِتُنۡذِرَ قَوۡمًا مَّاۤ اُنۡذِرَ اٰبَآؤُہُمۡ فَہُمۡ غٰفِلُوۡنَ ﴿۶﴾
Lietoenziera qawmam maaa oenziera aabaaa'oehoem fahoem ghaafieloon
36:6 Zodat jij (Mohammed v.z.m.h.) een volk kan waarschuwen, waarvan de voorvaders niet gewaarschuwd waren. Daarom zijn ze achteloos (m.b.t. Allah, het hiernamaals, ect. Zie 10:7).
لَقَدۡ حَقَّ الۡقَوۡلُ عَلٰۤی اَکۡثَرِہِمۡ فَہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۷﴾
Laqad haqqal qawloe 'alaaa aksariehiem fahoem laa yoe'mienoon
36:7 Waarlijk, het is bewezen dat het woord (de straf) op de meeste van hen waar is, omdat ze niet geloven. (Notitie:, zie 11:119. Het gaat hier om het woord van Allah: "Zeker, Ik zal de hel vullen met djien's en mensen tezamen." Zie ook 51:56, 28:63, 46:18).
اِنَّا جَعَلۡنَا فِیۡۤ اَعۡنَاقِہِمۡ اَغۡلٰلًا فَہِیَ اِلَی الۡاَذۡقَانِ فَہُمۡ مُّقۡمَحُوۡنَ ﴿۸﴾
Innaa dja'alnaa fieee a'naaqiehiem aghlaalan fahieya ielal azqaanie fahoem moeqmahoon
36:8 Zonder twijfel, Wij hebben om hun nekken ijzeren halsbanden vast gemaakt. Ze zijn zo breed dat ze hun kinnen raken, zodat hun hoofden omhoog geheven staat. (Notitie: Hun hoofden zitten zo vast door hoogmoed dat ze niet kijken naar de tekenen van Allah. In het hiernamaals worden ze letterlijk geketend, zie ook 13:5.)
وَ جَعَلۡنَا مِنۡۢ بَیۡنِ اَیۡدِیۡہِمۡ سَدًّا وَّ مِنۡ خَلۡفِہِمۡ سَدًّا فَاَغۡشَیۡنٰہُمۡ فَہُمۡ لَا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۹﴾
Wa dja'alnaa mien bainie aydieehiem saddanw-wa mien khalfiehiem saddan fa aghshai naahoem fahoem laa yoebsieroon
36:9 En Wij hebben voor hen een barrière geplaatst en achter hen een barrière geplaatst. En Wij hebben hen bedekt (met de bezigheden van het wereldse leven) zodat ze (de waarheid) niet kunnen zien (zie 2:7). (Notitie: Met andere woorden, ze trekken geen lering uit de toekomst (o.a. de dood, hiernamaals), noch trekken ze lering uit het verleden (o.a. geboorte). In het hiernamaals zal er ook twee barrières zijn, dat is de barrière naar het wereldse leven toe, zie 34:54 en een andere barrière naar het paradijs toe, zie 7:46.)
وَ سَوَآءٌ عَلَیۡہِمۡ ءَاَنۡذَرۡتَہُمۡ اَمۡ لَمۡ تُنۡذِرۡہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Wa sawaaa'oen 'alaihiem 'a-anzartahoem am lam toenzierhoem laa yoe'mienoon
36:10 Het is voor hen hetzelfde of jij (Mohammed v.z.m.h.) waarschuwt of niet waarschuwt, ze zullen niet geloven. (Notitie: Ondanks dat het duidelijk is dat het woord van Allah bewaarheid wordt, en dat er ongelovigen zijn die nooit zullen geloven, wordt de boodschap aan de ongelovigen verkondigt. Dit wordt gedaan zodat er geen ruimte is voor tegen verweer op de dag des oordeels, zie 7:164, 67:8-11).
اِنَّمَا تُنۡذِرُ مَنِ اتَّبَعَ الذِّکۡرَ وَ خَشِیَ الرَّحۡمٰنَ بِالۡغَیۡبِ ۚ فَبَشِّرۡہُ بِمَغۡفِرَۃٍ وَّ اَجۡرٍ کَرِیۡمٍ ﴿۱۱﴾
Innamaa toenzieroe maniet taba 'az-Ziekra wa khashieyar Rahmaana bielghaib, fabashshierhoe biemaghfieratienw-wa adjrien arieem
36:11 Jij kan alleen degene die de (laatste) herinnering (de Koran) volgt en Ar-Rahmaan (zie 1:3) vreest zonder hem gezien te hebben. Geef hem dus het goede nieuws van vergiffenis en een eervolle beloning (het paradijs).
اِنَّا نَحۡنُ نُحۡیِ الۡمَوۡتٰی وَ نَکۡتُبُ مَا قَدَّمُوۡا وَ اٰثَارَہُمۡ ؕؑ وَ کُلَّ شَیۡءٍ اَحۡصَیۡنٰہُ فِیۡۤ اِمَامٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۲۱﴾
Innaa Nahnoe noehyiel mawtaa wa naktoeboe maa qaddamoo wa aasaarahoem; wa koella shai'ien ahsainaahoe fieee Imaamiem oebieen
36:12 Zonder twijfel, Wij geven leven aan de doden. Wij hebben hun daden en de voetsporen (de gevolgen) ervan geregistreerd. Alles hebben Wij op een rijtje vast gelegd in een duidelijke register. (Notitie: met de voetsporen van hun daden wordt bedoeld de extra lasten zie 29:13, dan wel beloning (sadaqa jariya) als gevolg van hun daden.)
وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلًا اَصۡحٰبَ الۡقَرۡیَۃِ ۘ اِذۡ جَآءَہَا الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۳۱﴾
Wadrieb lahoem masalan Ashaabal Qaryatieh; iez djaaa'ahal moersaloon
36:13 En geef hen het voorbeeld van de bewoners van de stad, toen de boodschappers tot haar kwamen.
اِذۡ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلَیۡہِمُ اثۡنَیۡنِ فَکَذَّبُوۡہُمَا فَعَزَّزۡنَا بِثَالِثٍ فَقَالُوۡۤا اِنَّاۤ اِلَیۡکُمۡ مُّرۡسَلُوۡنَ ﴿۴۱﴾
Iz arsalnaaa ielaihiemoesnainie fakazzaboohoemaa fa'azzaznaa biesaaliesien faqaalooo iennaaa ielaikoem moersaloon
36:14 Wij zonden twee boodschappers, echter ze verwierpen beide van hen. Dus versterkte Wij hen met een derde (boodschapper) en ze zeiden: "Voorzeker, Wij zijn (Allah's) boodschappers voor jullie."
قَالُوۡا مَاۤ اَنۡتُمۡ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا ۙ وَ مَاۤ اَنۡزَلَ الرَّحۡمٰنُ مِنۡ شَیۡءٍ ۙ اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا تَکۡذِبُوۡنَ ﴿۵۱﴾
Qaaloo maaa antoem iellaa basharoem miesloenaa wa maaa anzalar Rahmaanoe mien shai'ien ien antoem iellaa takzieboon
36:15 Zij (de bewoners van de stad) zeiden: "Jullie zijn alleen maar mensen zoals ons. De meest Barmhartige heeft helemaal niets geopenbaard. Jullie liegen alleen maar."
قَالُوۡا رَبُّنَا یَعۡلَمُ اِنَّاۤ اِلَیۡکُمۡ لَمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۶۱﴾
Qaaloo Rabboenaa ya'lamoe iennaaa ielaikoem lamoersaloon
36:16 Ze (de boodschappers) zeiden: "Onze Heer, weet dat wij boodschappers voor jullie zijn."
وَ مَا عَلَیۡنَاۤ اِلَّا الۡبَلٰغُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۷۱﴾
Wa maa 'alainaaa iellal balaaghoel moebieen
36:17 "Op ons rust alleen de duidelijke verkondiging."
قَالُوۡۤا اِنَّا تَطَیَّرۡنَا بِکُمۡ ۚ لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہُوۡا لَنَرۡجُمَنَّکُمۡ وَ لَیَمَسَّنَّکُمۡ مِّنَّا عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۸۱﴾
Qaaloo iennaa tataiyarnaa biekoem la'iel-lam tantahoo lanar djoemannakoem wa la-yamassan nakoem miennaa 'azaaboen alieem
36:18 Zij (de bewoners van de stad) zeiden: "Wij zien jullie als een slecht voorteken (ongeluk) (voor de moeilijkheden die we ondervinden). Als jullie niet ophouden, dan zullen wij jullie zeker bestenigen. Wij zullen jullie pijnlijk straffen."
قَالُوۡا طَآئِرُکُمۡ مَّعَکُمۡ ؕ اَئِنۡ ذُکِّرۡتُمۡ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ مُّسۡرِفُوۡنَ ﴿۹۱﴾
Qaaloo taaa'ieroekoem ma'akoem; a'ien zoekkiertoem; bal antoem qawmoem moesriefoon
36:19 Ze (de boodschappers) zeiden: "Moge jullie slechte voorteken op julliezelf rusten! Zeggen jullie dat, omdat jullie herinnerd worden (aan de waarheid)?! Nee! Jullie zijn een volk dat alle perken te buiten gaat."
وَ جَآءَ مِنۡ اَقۡصَا الۡمَدِیۡنَۃِ رَجُلٌ یَّسۡعٰی قَالَ یٰقَوۡمِ اتَّبِعُوا الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۰۲﴾
Wa djaaa'a mien aqsal madieenatie radjoeloeny yas'aa qaala yaa qawmiet tabie'oel moersalieen
36:20 En er kwam, vanuit de verste gedeelte van de stad, een man aanhollen. Hij zei: "Mijn volk, volg de boodschappers!"
اِتَّبِعُوۡا مَنۡ لَّا یَسۡـَٔلُکُمۡ اَجۡرًا وَّ ہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۱۲﴾
Ittabie'oo mal-laa yas'aloekoem adjranw-wa hoem moehtadoon
36:21 "Volg hen die om geen enkel beloning vragen. Ze zijn recht geleid!"
وَ مَا لِیَ لَاۤ اَعۡبُدُ الَّذِیۡ فَطَرَنِیۡ وَ اِلَیۡہِ تُرۡجَعُوۡنَ ﴿۲۲﴾
Wa maa lieya laaa a'boedoel laziee fataraniee wa ielaihie toerdja'oon
36:22 "Waarom zou ik Degene Die mij heeft geschapen, niet aanbidden? Degene waar jullie naar terug zullen keren?"
ءَاَتَّخِذُ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً اِنۡ یُّرِدۡنِ الرَّحۡمٰنُ بِضُرٍّ لَّا تُغۡنِ عَنِّیۡ شَفَاعَتُہُمۡ شَیۡئًا وَّ لَا یُنۡقِذُوۡنِ ﴿۳۲﴾
'A-attakhiezoe mien dooniehieee aaliehatan ieny-yoeriednier Rahmaanoe biedoerriel-laa toeghnie 'anniee shafaa 'atoehoem hai 'anw-wa laa yoenqiezoon
36:23 "Moet ik naast Hem goden (ter aanbidding) nemen? Indien, Ar-Rahmaan (de Barmhartige, zie 1:3) enige tegenspoed\moeilijkheid\ziekte voor mij wil, dan kan hun bemiddeling niets voor mij betekenen, noch kunnen ze mij redden."
اِنِّیۡۤ اِذًا لَّفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۴۲﴾
Innieee iezal-lafiee dalaa-liem-moebieen
36:24 "Voorzeker, ik zal dan in een duidelijke dwaling bevinden."
اِنِّیۡۤ اٰمَنۡتُ بِرَبِّکُمۡ فَاسۡمَعُوۡنِ ﴿۵۲﴾
Innieee aamantoe bie Rabbiekoem fasma'oon
36:25 "Zonder twijfel, ik geloof in jullie Heer, dus luister naar me."
قِیۡلَ ادۡخُلِ الۡجَنَّۃَ ؕ قَالَ یٰلَیۡتَ قَوۡمِیۡ یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۲﴾
Qieelad khoeliel djannnah; qaala yaa laita qawmiee ya'lamoon
36:26 Er werd (tegen hem) gezegd: "Betreed het paradijs." Hij zei: "O wist mijn volk het maar,
بِمَا غَفَرَ لِیۡ رَبِّیۡ وَ جَعَلَنِیۡ مِنَ الۡمُکۡرَمِیۡنَ ﴿۷۲﴾
Biemaa ghafara liee Rabbiee wa dja'alaniee mienal moekramieen
36:27 hoe mijn Heer mij heeft vergeven en mij tussen de eervolle bewoners heeft geplaatst!" (Notitie: alleen martelaren betreden direct het paradijs, zie 2:154. Deze persoon is dus gedood, voor datgeen wat hij zei.)
www.heiligekoran.nl