وَ قَالَ الَّذِیۡنَ لَا یَرۡجُوۡنَ لِقَآءَنَا لَوۡ لَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡنَا الۡمَلٰٓئِکَۃُ اَوۡ نَرٰی رَبَّنَا ؕ لَقَدِ اسۡتَکۡبَرُوۡا فِیۡۤ اَنۡفُسِہِمۡ وَ عَتَوۡ عُتُوًّا کَبِیۡرًا ﴿۱۲﴾
Wa qaalal lazieena laa yardjoena lieqaaa'anaa law laaa oenziela 'alainal malaaa'iekatoe awnaraa Rabbanaa; laqadiestakbaroe fieee anfoesiehiem wa 'ataw 'oetoewwan kabieeraa
25:21 Degenen die niet op de ontmoeting met Ons rekenen, zeggen: "Waarom zijn er geen engelen tot ons neergezonden of waarom zien wij onze Heer niet?" Waarlijk, ze plaatsen zich zelf hoog (hoogmoedig, arrogant) en ze hebben alle grenzen overschreden! (Notitie: zie ook 17:92)

یَوۡمَ یَرَوۡنَ الۡمَلٰٓئِکَۃَ لَا بُشۡرٰی یَوۡمَئِذٍ لِّلۡمُجۡرِمِیۡنَ وَ یَقُوۡلُوۡنَ حِجۡرًا مَّحۡجُوۡرًا ﴿۲۲﴾
Yawma yarawnal malaaa 'iekata laa boeshraa Yawmaizien liel moedjriemieena wa yaqoeloena hiedjran mahdjoeraa
25:22 De dag waarop ze de engelen zien, dan zal er niets goeds voor de misdadigers zijn. Ze (de engelen) zullen zeggen: "Een barrière van verbod!" (Notitie: ze zullen vragen om terug te keren. Echter, alle verzoeken zullen worden afgewezen. Er zal een barrière zijn tussen de wereldse leven en de toestand waarin ze zich bevinden. En alle goede dingen zullen voor hun verboden worden.)

وَ قَدِمۡنَاۤ اِلٰی مَا عَمِلُوۡا مِنۡ عَمَلٍ فَجَعَلۡنٰہُ ہَبَآءً مَّنۡثُوۡرًا ﴿۳۲﴾
Wa qadiemnaaa ielaa maa 'amieloe mien 'amalien fadja'alnaahoehabaaa'an manthoeraa
25:23 En Wij zullen Ons richten tot de daden die ze hebben verricht. Wij zullen het als verspreide stofdeeltjes maken (gezien het niets waard is).

اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ یَوۡمَئِذٍ خَیۡرٌ مُّسۡتَقَرًّا وَّ اَحۡسَنُ مَقِیۡلًا ﴿۴۲﴾
As haaboel djannatie yawma'iezien ghairoen moestaqar raw wa ahsanoe maqieela
25:24 Op die Dag zullen de bewoners van het paradijs een betere verblijf- en rustplaats hebben.

وَ یَوۡمَ تَشَقَّقُ السَّمَآءُ بِالۡغَمَامِ وَ نُزِّلَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ تَنۡزِیۡلًا ﴿۵۲﴾
Wa Yawma tashaqqaqoes samaaa'oe bielghamaamie wa noezzielal malaaa'iekatoe tanzieela
25:25 (Het is) de dag waarop de hemelen met de wolken zal open splijten en de engelen neer zullen dalen.

اَلۡمُلۡکُ یَوۡمَئِذِۣ الۡحَقُّ لِلرَّحۡمٰنِ ؕ وَ کَانَ یَوۡمًا عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ عَسِیۡرًا ﴿۶۲﴾
Almoelkoe Yawma'iezieniel haqqoe lier Rahmaan; wa kaana Yawman'alal kaafierieena 'asieeraa
25:26 Op die dag zal het oordeel in het koninkrijk alleen bij de meest Barmhartige liggen. Het zal een moeilijke dag voor de ongelovigen zijn.

وَ یَوۡمَ یَعَضُّ الظَّالِمُ عَلٰی یَدَیۡہِ یَقُوۡلُ یٰلَیۡتَنِی اتَّخَذۡتُ مَعَ الرَّسُوۡلِ سَبِیۡلًا ﴿۷۲﴾
Wa Yawma ya'addoez zaaliemoe 'alaa yadaihie yaqoeloe yaa laitaniet taghaztoe ma'ar Rasoelie sabieelaa
25:27 Op die dag zal de misdadiger op zijn handen bijten. Hij zal zeggen: "O had ik maar een weg gekozen samen met de boodschapper!"

یٰوَیۡلَتٰی لَیۡتَنِیۡ لَمۡ اَتَّخِذۡ فُلَانًا خَلِیۡلًا ﴿۸۲﴾
Yaa wailataa laitaniee lam attaghiez foelaanan ghalieelaa
25:28 "Wee mij! Had ik maar diegene (een ongelovige persoon) niet als een vriend genomen!"

لَقَدۡ اَضَلَّنِیۡ عَنِ الذِّکۡرِ بَعۡدَ اِذۡ جَآءَنِیۡ ؕ وَ کَانَ الشَّیۡطٰنُ لِلۡاِنۡسَانِ خَذُوۡلًا ﴿۹۲﴾
Laqad adallaniee 'aniez ziekrie ba'da iez djaaa'aniee; wa kaanash Shaitaanoe liel iensaanie ghazoelaa
25:29 "Waarlijk, hij heeft me doen afdwalen van de herinnering nadat het (de boodschap) tot me was gekomen. De satan is voor de mens iemand die teleurstelling geeft!"

وَ قَالَ الرَّسُوۡلُ یٰرَبِّ اِنَّ قَوۡمِی اتَّخَذُوۡا ہٰذَا الۡقُرۡاٰنَ مَہۡجُوۡرًا ﴿۰۳﴾
Wa qaalar Rasoeloe yaa Rabbie ienna qawmiet taghazoe haazal Qoer'aana mahdjoeraa
25:30 En de boodschapper (Mohammed v.z.m.h.) zei: "O mijn Heer! Voorzeker, mijn volk heeft dit, de Koran, verlaten.

وَ کَذٰلِکَ جَعَلۡنَا لِکُلِّ نَبِیٍّ عَدُوًّا مِّنَ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ؕ وَ کَفٰی بِرَبِّکَ ہَادِیًا وَّ نَصِیۡرًا ﴿۱۳﴾
Wa kazaalieka dja'alnaa liekoellie Nabieyyien 'adoewwan mienal moedjriemieen; wa kafaa bie Rabbieka haadieyaw wa nasieeraa
25:31 (De hel is geschapen,) Dus hebben Wij een vijand uit de misdadigers voor elke profeet gemaakt. Echter (weet dat) jou Heer voldoende is voor leiding en hulp.

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوۡ لَا نُزِّلَ عَلَیۡہِ الۡقُرۡاٰنُ جُمۡلَۃً وَّاحِدَۃً ۚۛ کَذٰلِکَ ۚۛ لِنُثَبِّتَ بِہٖ فُؤَادَکَ وَ رَتَّلۡنٰہُ تَرۡتِیۡلًا ﴿۲۳﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe law laa noezziela 'alaihiel Qoer'aanoe djoemlataw waahiedah; kazaalieka lienoesabbieta biehiee foe'aadaka wa rattalnaahoe tartieelaa
25:32 En de ongelovigen zeiden: "Waarom is de Koran niet volledig in één keer aan hem neergezonden? Op deze manier hebben Wij jou hart ermee versterkt. En Wij hebben het in fases (gedurende 23 jaar) geopenbaard.

وَ لَا یَاۡتُوۡنَکَ بِمَثَلٍ اِلَّا جِئۡنٰکَ بِالۡحَقِّ وَ اَحۡسَنَ تَفۡسِیۡرًا ﴿۳۳﴾
Wa laa ya'toenaka bie masalien iellaa djie'naaka bielhaqqie wa ahsana tafsieeraa
25:33 Ze komen met vragen naar jou, echter Wij brengen jou de waarheid en de beste uitleg ervoor.

اَلَّذِیۡنَ یُحۡشَرُوۡنَ عَلٰی وُجُوۡہِہِمۡ اِلٰی جَہَنَّمَ ۙ اُولٰٓئِکَ شَرٌّ مَّکَانًا وَّ اَضَلُّ سَبِیۡلًا ﴿۴۳﴾
Allazieena yoehsharoena 'alaa woedjoehiehiem ielaa djahannama oelaaa'ieka sharroen makaanaw wa adalloe sabieelaa
25:34 Degenen die op hun gezichten naar Hel verzameld zullen worden, zullen in de slechtste toestand verkeren en (ze waren) het verst afgedwaald van het (rechte) pad.

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا مُوۡسَی الۡکِتٰبَ وَ جَعَلۡنَا مَعَہٗۤ اَخَاہُ ہٰرُوۡنَ وَزِیۡرًا ﴿۵۳﴾
Wa laqad aatainaa Moesal Kietaaba wa dja'alnaa ma'ahoeo aghaahoe Haaroena wazieeraa
25:35 En waarlijk! Wij gaven Moesa (Mozes) het boek. Wij kenden hem zijn broer Harun toe als helper.

فَقُلۡنَا اذۡہَبَاۤ اِلَی الۡقَوۡمِ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ؕ فَدَمَّرۡنٰہُمۡ تَدۡمِیۡرًا ﴿۶۳﴾
Faqoelnaz habaaa ielal qawmiel lazieena kazzaboe bie Aayaatienaa fadammarnaahoem tadmieeraa
25:36 Vervolgens zeiden Wij: "Ga jullie beide naar het volk dat Mijn tekenen heeft verworpen." Daarna hebben Wij hen (het volk) volledig vernietigd.

وَ قَوۡمَ نُوۡحٍ لَّمَّا کَذَّبُوا الرُّسُلَ اَغۡرَقۡنٰہُمۡ وَ جَعَلۡنٰہُمۡ لِلنَّاسِ اٰیَۃً ؕ وَ اَعۡتَدۡنَا لِلظّٰلِمِیۡنَ عَذَابًا اَلِیۡمًا ﴿۷۳﴾
Wa qawma Noehien lammaa kazzaboer Roesoela aghraqnaahoem wa dja'alnaahoem liennaasie Aayataw wa a'tadnaa liezzaaliemieena 'azaaban alieemaa
25:37 En (ook) het volk van Noeh (Noach) (hebben Wij vernietigd) toen ze de boodschappers verwierpen. Wij verdronken hen en maakten hen een teken voor de mensheid. En Wij hebben voor de misdadigers een pijnlijke straf voorbereid! (Notitie: er wordt hier gerefereerd naar boodschappers. Noeh was de enige boodschapper voor zijn volk. Echter, door het verwerpen van zijn boodschap, wordt indirect ook de boodschap van de voorgaande en komende profeten verworpen, omdat die steeds het zelfde is.)

وَّ عَادًا وَّ ثَمُوۡدَا۠ وَ اَصۡحٰبَ الرَّسِّ وَ قُرُوۡنًۢا بَیۡنَ ذٰلِکَ کَثِیۡرًا ﴿۸۳﴾
Wa 'Aadaw wa Samoeda wa As haabar Rassie wa qoeroenan baina zaalieka kathieeraa
25:38 En (ook het volk) Aad, Thamud, de bewoners van Ar-Rass en vele generaties tussen hen.

وَ کُلًّا ضَرَبۡنَا لَہُ الۡاَمۡثَالَ ۫ وَ کُلًّا تَبَّرۡنَا تَتۡبِیۡرًا ﴿۹۳﴾
Wa koellan darabnaa lahoel amsaala wa koellan tabbarnaa tatbieera
25:39 Aan elk van hen gaven Wij de voorbeelden. En elk hebben Wij volledig vernietigd.

وَ لَقَدۡ اَتَوۡا عَلَی الۡقَرۡیَۃِ الَّتِیۡۤ اُمۡطِرَتۡ مَطَرَ السَّوۡءِ ؕ اَفَلَمۡ یَکُوۡنُوۡا یَرَوۡنَہَا ۚ بَلۡ کَانُوۡا لَا یَرۡجُوۡنَ نُشُوۡرًا ﴿۰۴﴾
Wa laqad ataw 'alal qaryatiel latieee oemtierat mataras saw'; afalam yakoenoe yarawnahaa; bal kaanoe laa yardjoena noeshoeraa
25:40 Waarlijk, ze zijn de stad tegen gekomen waarop een kwade regen (stenen) heeft geregend. Zien ze het dan niet? Nee, ze verwachten geen wederopstanding!

وَ اِذَا رَاَوۡکَ اِنۡ یَّتَّخِذُوۡنَکَ اِلَّا ہُزُوًا ؕ اَہٰذَا الَّذِیۡ بَعَثَ اللّٰہُ رَسُوۡلًا ﴿۱۴﴾
Wa iezaa ra awka iey yattaghiezoenaka iellaa hoezoewan ahaazal laziee ba'asal laahoe Rasoelaa
25:41 En wanneer ze jou (Mohammed v.z.m.h.) zien, dan bespotten ze jou: "Is dit degene die Allah heeft gestuurd als boodschapper?"

اِنۡ کَادَ لَیُضِلُّنَا عَنۡ اٰلِہَتِنَا لَوۡ لَاۤ اَنۡ صَبَرۡنَا عَلَیۡہَا ؕ وَ سَوۡفَ یَعۡلَمُوۡنَ حِیۡنَ یَرَوۡنَ الۡعَذَابَ مَنۡ اَضَلُّ سَبِیۡلًا ﴿۲۴﴾
In kaada la yoedielloenaa 'an aaliehatienaa law laaa an sabarnaa 'alaihaa; wa sawfa ya'lamoena hieena yarawnal 'azaaba man adalloe sabieela
25:42 "Hij heeft ons bijna misleid van onze (af)goden als we niet standvastig waren geweest (in het aanbidden) naar hen toe." Spoedig, wanneer ze de straf zullen zien, zal het bekend worden wie ver van het pad is afgedwaald!

اَرَءَیۡتَ مَنِ اتَّخَذَ اِلٰـہَہٗ ہَوٰىہُ ؕ اَفَاَنۡتَ تَکُوۡنُ عَلَیۡہِ وَکِیۡلًا ﴿۳۴﴾
Ara'aita maniet taghaza ielaahahoe hawaahoe afa anta takoenoe 'alaihie wakieelaa
25:43 Heb je degene gezien die zijn eigen verlangens als zijn god neemt? Wil jij dan een bemiddelaar voor hem zijn (op de dag des oordeels)?

اَمۡ تَحۡسَبُ اَنَّ اَکۡثَرَہُمۡ یَسۡمَعُوۡنَ اَوۡ یَعۡقِلُوۡنَ ؕ اِنۡ ہُمۡ اِلَّا کَالۡاَنۡعَامِ بَلۡ ہُمۡ اَضَلُّ سَبِیۡلًا ﴿۴۴﴾
Am tahsaboe anna aksarahoem yasma'oena aw ya'qieloen; ien hoem iellaa kal an'aamie bal hoem adalloe sabieelaa
25:44 Of denk je dat de meesten van hen horen of begrijpen? Ze zijn niets anders dan vee. Nee, zij zijn ver afgedwaald van het pad!

اَلَمۡ تَرَ اِلٰی رَبِّکَ کَیۡفَ مَدَّ الظِّلَّ ۚ وَ لَوۡ شَآءَ لَجَعَلَہٗ سَاکِنًا ۚ ثُمَّ جَعَلۡنَا الشَّمۡسَ عَلَیۡہِ دَلِیۡلًا ﴿۵۴﴾
Alam tara ielaa Rabbieka kaifa maddaz ziella wa law shaaa'a la dja'alahoe saakienan thoemma dja'alnash shamsa 'alaihie dalieelaa
25:45 Zie je niet hoe jouw Heer de schaduwen verlengt? En als Hij het had gewild, dan kon hij het (de schaduwen) stilstaand en de zon als een indicator ervoor hebben gemaakt.

ثُمَّ قَبَضۡنٰہُ اِلَیۡنَا قَبۡضًا یَّسِیۡرًا ﴿۶۴﴾
Thoemma qabadnaahoe ielainaa qabday yasieeraa
25:46 Daarna trekken Wij het geleidelijk naar ons toe.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الَّیۡلَ لِبَاسًا وَّ النَّوۡمَ سُبَاتًا وَّ جَعَلَ النَّہَارَ نُشُوۡرًا ﴿۷۴﴾
Wa Hoewal laziee dja'ala lakoemoel laila liebaasaw wannawma soebaataw wa dja'alan nahaara noeshoeraa
25:47 En Hij is het Die voor jullie de nacht als een bedekking heeft gemaakt, de slaap om te rusten en de dag om te herrijzen.

وَ ہُوَ الَّذِیۡۤ اَرۡسَلَ الرِّیٰحَ بُشۡرًۢا بَیۡنَ یَدَیۡ رَحۡمَتِہٖ ۚ وَ اَنۡزَلۡنَا مِنَ السَّمَآءِ مَآءً طَہُوۡرًا ﴿۸۴﴾
Wa Hoewal lazieee arsalar rieyaaha boeshran baina yadai rahmatieh; wa anzalnaa mienas samaaa'ie maaa'an tahoeraa
25:48 Hij is het Die de winden stuurt als een goede aankondiging van Zijn barmhartigheid (regen). Wij zenden pure water vanuit de hemel neer.

لِّنُحۡیَِۧ بِہٖ بَلۡدَۃً مَّیۡتًا وَّ نُسۡقِیَہٗ مِمَّا خَلَقۡنَاۤ اَنۡعَامًا وَّ اَنَاسِیَّ کَثِیۡرًا ﴿۹۴﴾
Lienoehyieya biehiee baldatan maitanw-wa noesqieyahoe miemmaa ghalaqnaaa an'aamaw wa anaasieyya kathieeraa
25:49 Zodat Wij leven geven aan een dood\dor land. En Wij geven daarvan (van het water) te drinken aan vee en vele mensen die Wij schiepen.

وَ لَقَدۡ صَرَّفۡنٰہُ بَیۡنَہُمۡ لِیَذَّکَّرُوۡا ۫ۖ فَاَبٰۤی اَکۡثَرُ النَّاسِ اِلَّا کُفُوۡرًا ﴿۰۵﴾
Wa laqad sarrafnaahoe bainahoem lie yazzakkaroe fa abaaa aksaroen naasie iellaa koefoeraa
25:50 En waarlijk, Wij hebben het (het water) onder hen verspreid zodat ze de barmhartigheid van Allah kunnen gedenken, maar de meeste mensen weigeren (de waarheid) en zijn alleen ondankbaar.

وَ لَوۡ شِئۡنَا لَبَعَثۡنَا فِیۡ کُلِّ قَرۡیَۃٍ نَّذِیۡرًا ﴿۱۵﴾
Wa law shie'naa laba'asnaa fiee koellie qaryatien nazieeraa
25:51 En als Wij het hadden gewild, dan hadden Wij zeker in iedere stad een waarschuwer doen opstaan.

فَلَا تُطِعِ الۡکٰفِرِیۡنَ وَ جَاہِدۡہُمۡ بِہٖ جِہَادًا کَبِیۡرًا ﴿۲۵﴾
Falaa toetie'iel kaafierieena wa djaahiedhoem biehiee djiehaadan kabieeraa
25:52 Dus wees niet gehoorzaam aan de ongelovigen, maar strijd tegen hen ermee (de koran) met een grote strijd.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ مَرَجَ الۡبَحۡرَیۡنِ ہٰذَا عَذۡبٌ فُرَاتٌ وَّ ہٰذَا مِلۡحٌ اُجَاجٌ ۚ وَ جَعَلَ بَیۡنَہُمَا بَرۡزَخًا وَّ حِجۡرًا مَّحۡجُوۡرًا ﴿۳۵﴾
Wa Hoewal laziee maradjal bahrainie haazaa 'azboen foeraatoew wa haazaa mielhoen oedjaadj; wa dja'ala bainahoemaa barzaghaw wa hiedjran mahdjoeraa
25:53 En Hij is het die de twee zeeën (soorten water) heeft vrijgelaten, de ene smakelijk en zoet, en de andere zout en bitter. Hij heeft een barrière ertussen gemaakt, een ondoordringbare scheiding (voor beide type waters).

وَ ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَ مِنَ الۡمَآءِ بَشَرًا فَجَعَلَہٗ نَسَبًا وَّ صِہۡرًا ؕ وَ کَانَ رَبُّکَ قَدِیۡرًا ﴿۴۵﴾
Wa Hoewal laziee ghalaqa mienal maaa'ie basharan fa dja'alahoe nasaban wa siehraa; wa kaana Rabboeka Qadieeraa
25:54 En Hij is het Die de mens uit water heeft geschapen, bloedrelaties (familie) en huwelijksrelaties voor hem heeft gemaakt. Jouw Heer is Al-Qadier (Degene Die in staat om alles te kunnen doen).

وَ یَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ مَا لَا یَنۡفَعُہُمۡ وَ لَا یَضُرُّہُمۡ ؕ وَ کَانَ الۡکَافِرُ عَلٰی رَبِّہٖ ظَہِیۡرًا ﴿۵۵﴾
Wa ya'boedoena mien doeniel laahie maa laa yanfa'oehoem wa laa yadoerroehoem; wa kaanal kaafieroe 'alaa Rabbiehiee zahieeraa
25:55 Echter, ze aanbidden naast Allah iets wat hen geen profijt noch schade kan leveren. De ongelovige helpt (het kwaad) tegen zijn Heer.

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنٰکَ اِلَّا مُبَشِّرًا وَّ نَذِیۡرًا ﴿۶۵﴾
Wa maa arsalnaaka iellaa moebashshieraw wa nazieeraa
25:56 Wij hebben jou (Mohammed v.z.m.h.) alleen gestuurd als brenger van goede nieuws (het paradijs) en als een waarschuwer (voor de straf).

قُلۡ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ اِلَّا مَنۡ شَآءَ اَنۡ یَّتَّخِذَ اِلٰی رَبِّہٖ سَبِیۡلًا ﴿۷۵﴾
Qoel maaa as'aloekoem 'alaihie mien adjrien iellaa man shaaa'a ay yattaghieza ielaa Rabbiehiee sabieelaa
25:57 Zeg: "Ik vraag jullie geen enkel loon ervoor. Het enige wat ik vraag is, voor wie het wil, om de weg naar zijn Heer te nemen."

وَ تَوَکَّلۡ عَلَی الۡحَیِّ الَّذِیۡ لَا یَمُوۡتُ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِہٖ ؕ وَ کَفٰی بِہٖ بِذُنُوۡبِ عِبَادِہٖ خَبِیۡرَا ﴿۸۵﴾
Wa tawakkal 'alal Haiyiel laziee laa yamoetoe wa sabbieh biehamdieh; wa kafaa biehiee biezoenoebie 'iebaadiehiee ghabieeraa
25:58 Zet jouw vertrouwen in de Al-Hayy (de Eeuwig Levende), Degene Die niet dood gaat. Verheerlijk Hem met lof en dankbetuiging. Hij is voldoende als getuige voor de zondes van Zijn dienaren, (Hij is) Al-Gabier (Degene die op de hoogte is van alles).

ۣالَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ مَا بَیۡنَہُمَا فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ ۚۛ اَلرَّحۡمٰنُ فَسۡـَٔلۡ بِہٖ خَبِیۡرًا ﴿۹۵﴾
Allaziee ghalaqas samaawaatie wal arda wa maa bainahoemaa fiee siettatie aiyaamien thoemma stawaa 'alal 'Arsh; ar Rahmaanoe fas'al biehiee ghabieeraa
25:59 Hij is het die de hemelen, de aarde en wat er ook tussen hen is, in zes dagen heeft geschapen. Vervolgens, Istawa' (steeg) Hij op de troon (op een manier die bij Zijn Majesteit past), de meest Barmhartig. Dus vraag over Hem aan iemand die er kennis over heeft (gelovigen, profeten, mensen met kennis). (Notitie: zie ook 10:3)

وَ اِذَا قِیۡلَ لَہُمُ اسۡجُدُوۡا لِلرَّحۡمٰنِ قَالُوۡا وَ مَا الرَّحۡمٰنُ ٭ اَنَسۡجُدُ لِمَا تَاۡمُرُنَا وَ زَادَہُمۡ نُفُوۡرًا ﴿۰۶﴾
Wa iezaa qieela lahoemoes djoedoe lier Rahmaanie qaaloe wa mar Rahmaanoe 'a nasdjoedoe liemaa ta'moeroenaa wa zaadahoem noefoeraa
25:60 En wanneer er tegen hen (het volgende) wordt gezegd: "Prostreer voor de meest Barmhartige!", dan zeggen ze: "En wie is de meest Barmhartige? Moeten wij prostreren omdat jij het ons beveelt?!" Het vergoot alleen hun afkeer. (Notitie: de Arabieren kende de schepper niet als Ar-Rahmaan, maar wel als Allah. Zie m.b.t. de namen van Allah 17:110. Prostratie/Sajdah Tilawat is vereist.)

تَبٰرَکَ الَّذِیۡ جَعَلَ فِی السَّمَآءِ بُرُوۡجًا وَّ جَعَلَ فِیۡہَا سِرٰجًا وَّ قَمَرًا مُّنِیۡرًا ﴿۱۶﴾
Tabaarakal laziee dja'ala fies samaaa'ie boeroedjaw wa dja'ala fieehaa sieraadjaw wa qamaran moenieeraa
25:61 Gezegend is Hij Die sterrenstelsels in de hemel heeft geplaats met daarin een lamp (zon) en een maan die licht geeft.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ جَعَلَ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ خِلۡفَۃً لِّمَنۡ اَرَادَ اَنۡ یَّذَّکَّرَ اَوۡ اَرَادَ شُکُوۡرًا ﴿۲۶﴾
Wa hoewal laziee dja'alal laila wannahaara ghielfatan lieman araada 'ay yazzakkara aw araadaa shoekoeraa
25:62 Hij is het Die de nacht en de dag achter elkaar heeft geplaatst als een tekenen voor wie (Allah) wil gedenken of voor wie dankbaar wil zijn.

وَ عِبَادُ الرَّحۡمٰنِ الَّذِیۡنَ یَمۡشُوۡنَ عَلَی الۡاَرۡضِ ہَوۡنًا وَّ اِذَا خَاطَبَہُمُ الۡجٰہِلُوۡنَ قَالُوۡا سَلٰمًا ﴿۳۶﴾
Wa 'iebaadoer Rahmaaniel lazieena yamshoena 'alal ardie hawnaw wa iezaa ghaata bahoemoel djaahieloena qaaloe salaamaa
25:63 De dienaren van de meest Barmhartige zijn degenen die op de aarde nederig lopen en wanneer de onwetenden (mensen met gebrek aan kennis) hun aanspreken, dan zeggen ze: "Salaam (Vrede)!".

وَ الَّذِیۡنَ یَبِیۡتُوۡنَ لِرَبِّہِمۡ سُجَّدًا وَّ قِیَامًا ﴿۴۶﴾
Wallazieena yabieetoena lie Rabbiehiem soedjdjadaw wa qieyaamaa
25:64 (Dat zijn) degenen die hun nachten prostrerend en staand door brengen voor hun Heer.

وَ الَّذِیۡنَ یَقُوۡلُوۡنَ رَبَّنَا اصۡرِفۡ عَنَّا عَذَابَ جَہَنَّمَ ٭ۖ اِنَّ عَذَابَہَا کَانَ غَرَامًا ﴿۵۶﴾
Wallazieena yaqoeloena Rabbanas rief 'annaa 'azaaba djahannama ienna 'azaabahaa kaana gharaamaa
25:65 (Dat zijn) degenen die zeggen: "Onze Heer! Wend de straf van de hel van ons af. Voorzeker, zijn straf is voortdurend/eeuwig."

اِنَّہَا سَآءَتۡ مُسۡتَقَرًّا وَّ مُقَامًا ﴿۶۶﴾
Innahaa saaa'at moestaqarraw wa moeqaamaa
25:66 "Het is een zeer slechte verblijf- en rustplaats."

وَ الَّذِیۡنَ اِذَاۤ اَنۡفَقُوۡا لَمۡ یُسۡرِفُوۡا وَ لَمۡ یَقۡتُرُوۡا وَ کَانَ بَیۡنَ ذٰلِکَ قَوَامًا ﴿۷۶﴾
Wallazieena iezaaa anfaqoe lam yoesriefoe wa lam yaqtoeroe wa kaana baina zaalieka qawaamaa
25:67 En (dat zijn) degenen die niet overdreven uitgeven en niet gierig zijn, maar daar tussen handelen, dus gemiddeld. (Notitie: zie 17:29 m.b.t. gierigheid en uitgeven.)

وَ الَّذِیۡنَ لَا یَدۡعُوۡنَ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ وَ لَا یَقۡتُلُوۡنَ النَّفۡسَ الَّتِیۡ حَرَّمَ اللّٰہُ اِلَّا بِالۡحَقِّ وَ لَا یَزۡنُوۡنَ ۚ وَ مَنۡ یَّفۡعَلۡ ذٰلِکَ یَلۡقَ اَثَامًا ﴿۸۶﴾
Wallazieena laa yad'oena ma'al laahie ielaahan aaghara wa laa yaqtoeloenan nafsal latiee harramal laahoe iellaa bielhaqqie wa laa yaznoen; wa may yaf'al zaalieka yalqa 'athaamaa
25:68 En (dat zijn) degenen die geen andere godheid/deïteit naast Allah aanroepen. Noch een 'Nafs' (persoon) doden wat Allah verboden heeft, behalve voor (het nastreven van) gerechtigheid (17:33, 2:178 en 4:92). En die geen onwettige geslachtsgemeenschap plegen. Wie dit (echter allemaal) wel doet, zal worden bestraft.

یُّضٰعَفۡ لَہُ الۡعَذَابُ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وَ یَخۡلُدۡ فِیۡہٖ مُہَانًا ﴿۹۶﴾
Yoedaa'af lahoel 'azaaboe Yawmal Qieyaamatie wa yaghloed fieehiee moehaanaa
25:69 Op de dag van de wederopstanding zal de straf voor hem verdubbeld worden en zal er voor altijd in verblijven, vernederd.

اِلَّا مَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ عَمَلًا صَالِحًا فَاُولٰٓئِکَ یُبَدِّلُ اللّٰہُ سَیِّاٰتِہِمۡ حَسَنٰتٍ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ غَفُوۡرًا رَّحِیۡمًا ﴿۰۷﴾
Illaa man taaba wa 'aamana wa 'amiela 'amalan saaliehan fa oelaaa'ieka yoebad dieloel laahoe saiyie aatiehiem hasanaat; wa kaanal laahoe Ghafoerar Rahieemaa
25:70 Behalve voor degene die berouw heeft, gelooft en goede daden verricht. Voor hen (zulke mensen) zal Allah hun slechte daden vervangen door goede daden. Allah is (namelijk) Al-Gafoer (de Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

وَ مَنۡ تَابَ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَاِنَّہٗ یَتُوۡبُ اِلَی اللّٰہِ مَتَابًا ﴿۱۷﴾
Wa man taaba wa 'amiela saaliehan fa iennahoe yatoeboe ielal laahie mataabaa
25:71 En wie berouw heeft en goede daden verricht, dan voorzeker (zie), hij keert zichzelf in berouw naar Allah toe.

وَ الَّذِیۡنَ لَا یَشۡہَدُوۡنَ الزُّوۡرَ ۙ وَ اِذَا مَرُّوۡا بِاللَّغۡوِ مَرُّوۡا کِرَامًا ﴿۲۷﴾
Wallazieena laa yash hadoenaz zoera wa iezaa marroe biellaghwie marroe kieraamaa
25:72 (En de dienaren van Allah) zijn degenen die geen valse getuigenis afleggen. Wanneer ze nutteloosheid zien, nemen ze er op een waardige manier afstand van.

وَ الَّذِیۡنَ اِذَا ذُکِّرُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ لَمۡ یَخِرُّوۡا عَلَیۡہَا صُمًّا وَّ عُمۡیَانًا ﴿۳۷﴾
Wallazieena iezaa zoekkieroe bie Aayaatie Rabbiehiem lam yaghierroe 'alaihaa soemmaw wa'oemyaanaa
25:73 En (dat zijn) degenen die niet doof en blind zijn voor de Ayah (verzen/tekenen) van hun Heer wanneer ze eraan herinnert worden.

وَ الَّذِیۡنَ یَقُوۡلُوۡنَ رَبَّنَا ہَبۡ لَنَا مِنۡ اَزۡوَاجِنَا وَ ذُرِّیّٰتِنَا قُرَّۃَ اَعۡیُنٍ وَّ اجۡعَلۡنَا لِلۡمُتَّقِیۡنَ اِمَامًا ﴿۴۷﴾
Wallazieena yaqoeloena Rabbanaa hab lanaa mien azwaadjienaa wa zoerrieyaatienaa qoerrata a'yoeniew wadj 'alnaa lielmoettaqieena Imaamaa
25:74 En degenen die zeggen: "Onze Heer! Geef ons, van onze vrouwen en van onze nakomenlingen, kinderen die het rechte pad bewandelen (maak ons trots). En maak ons als voorbeeld voor de Moettaqoens (zie 2:2-5)."

اُولٰٓئِکَ یُجۡزَوۡنَ الۡغُرۡفَۃَ بِمَا صَبَرُوۡا وَ یُلَقَّوۡنَ فِیۡہَا تَحِیَّۃً وَّ سَلٰمًا ﴿۵۷﴾
Oelaaa'ieka yoedjzawnal ghoerfata biemaa sabaroe wa yoelaqqawna fieehaa tahieyyataw wa salaamaa
25:75 Dat zijn degenen die beloont zullen worden voor hun standvastigheid en geduld met hoge paleizen. Ze zullen daar verwelkomd worden met eervolle begroeting en vrede.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ حَسُنَتۡ مُسۡتَقَرًّا وَّ مُقَامًا ﴿۶۷﴾
ghaaliedieena fieehaa; hasoenat moestaqarraw wa moeqaamaa
25:76 Ze zullen daar eeuwig in vertoeven. Zeer uitstekend is het verblijf- en de rustplaats!

قُلۡ مَا یَعۡبَؤُا بِکُمۡ رَبِّیۡ لَوۡ لَا دُعَآؤُکُمۡ ۚ فَقَدۡ کَذَّبۡتُمۡ فَسَوۡفَ یَکُوۡنُ لِزَامًا ﴿۷۷﴾
Qoel maa ya'ba'oe biekoem Rabbiee law laa doe'aaa'oekoem faqad kazzabtoem fasawfa yakoenoe liezaamaa
25:77 Zeg: "Mijn Heer zal niet om jullie druk maken, indien jullie hem niet aanroepen. Echter, waarlijk, jullie hebben het (de boodschap) verworpen dus spoedig zal het onvermijdelijke komen."

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
طٰسٓمّٓ ﴿۱﴾
Taa-Sieeen-Mieeem
26:1 Toaa Sieeen Mieeem.

تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡکِتٰبِ الۡمُبِیۡنِ ﴿۲﴾
Tielka Aayaatoel Kietaabiel Moebieen
26:2 Dit zijn verzen van het duidelijke boek.

لَعَلَّکَ بَاخِعٌ نَّفۡسَکَ اَلَّا یَکُوۡنُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳﴾
La'allaka baaghie'oen nafsaka allaa yakoenoe moe'mienieen
26:3 Misschien zal jij (Mohammed v.z.m.h.) jezelf kwellen met verdriet, omdat ze niet gelovig worden.

اِنۡ نَّشَاۡ نُنَزِّلۡ عَلَیۡہِمۡ مِّنَ السَّمَآءِ اٰیَۃً فَظَلَّتۡ اَعۡنَاقُہُمۡ لَہَا خٰضِعِیۡنَ ﴿۴﴾
In nashaa noenazziel 'alaihiem mienas samaaa'ie Aayatan fazallat a'naaqoehoem lahaa ghaadie'ieen
26:4 Als Wij het willen dan kunnen Wij een teken tot hen vanuit de hemel neerdalen, zodat hun nekken, vanwege de nederigheid, gebogen zullen blijven.

وَ مَا یَاۡتِیۡہِمۡ مِّنۡ ذِکۡرٍ مِّنَ الرَّحۡمٰنِ مُحۡدَثٍ اِلَّا کَانُوۡا عَنۡہُ مُعۡرِضِیۡنَ ﴿۵﴾
Wa maa yaatieehiem mien ziekriem mienar Rahmaanie moehdasien iellaa kaanoe 'anhoe moe'riedieen
26:5 Echter, wanneer er een nieuwe herinnering van de Barmhartige tot hen komt, dan keren ze zich ervan af.

فَقَدۡ کَذَّبُوۡا فَسَیَاۡتِیۡہِمۡ اَنۡۢبٰٓؤُا مَا کَانُوۡا بِہٖ یَسۡتَہۡزِءُوۡنَ ﴿۶﴾
Faqad kazzaboe fasa yaatieehiem ambaaa'oe maa kaanoe biehiee yastahzie'oen
26:6 Waarlijk, ze hebben (het) verworpen, dus zal het toegezegde bericht (de straf), die ze bespotten, (spoedig) tot hen komen!

اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اِلَی الۡاَرۡضِ کَمۡ اَنۡۢبَتۡنَا فِیۡہَا مِنۡ کُلِّ زَوۡجٍ کَرِیۡمٍ ﴿۷﴾
Awa lam yaraw ielal ardie kam ambatnaa fieehaa mien koellie zawdjien karieem
26:7 Kijken ze niet naar de aarde? (En zien ze dan niet) Hoeveel mooie soorten Wij erop hebben gemaakt?

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕوَ مَا کَانَ اَکۡثَرُ ہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸﴾
Inna fiee zaalieka la Aayah; wa maa kaana aksaroehoem moe'mienieen
26:8 Voorzeker, daarin is zeker een teken (van één Schepper). Echter, de meesten van hen geloven niet.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۹﴾
Wa ienna Rabbaka la Hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:9 Voorzeker, jouw Heer! Hij is zeker Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

وَ اِذۡ نَادٰی رَبُّکَ مُوۡسٰۤی اَنِ ائۡتِ الۡقَوۡمَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۰۱﴾
Wa iez naadaa Rabboeka Moesaaa anie'-tiel qawmaz zaaliemieen
26:10 En (Gedenk) toen jouw Heer Moesa (Mozes) beval: "Ga naar het misdadig volk!"

قَوۡمَ فِرۡعَوۡنَ ؕ اَلَا یَتَّقُوۡنَ ﴿۱۱﴾
Qawma Fier'awn; alaa yattaqoen
26:11 "Het volk van Farao! Zijn ze dan niet bang (voor de gevolgen van hun daden)!"

قَالَ رَبِّ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اَنۡ یُّکَذِّبُوۡنِ ﴿۲۱﴾
Qaala Rabbie iennieee aghaafoe ay yoekazzieboen
26:12 Hij (Moesa) zei: "Mijn Heer! Ik ben bang dat ze me verwerpen."

وَ یَضِیۡقُ صَدۡرِیۡ وَ لَا یَنۡطَلِقُ لِسَانِیۡ فَاَرۡسِلۡ اِلٰی ہٰرُوۡنَ ﴿۳۱﴾
Wa yadieeqoe sadriee wa laa yantalieqoe liesaaniee fa arsiel ielaa Haaroen
26:13 "Mijn borst is strak en vernauwd, noch kan ik me goed uitdrukken. Stuur dus Harun (Aaron)."

وَ لَہُمۡ عَلَیَّ ذَنۡۢبٌ فَاَخَافُ اَنۡ یَّقۡتُلُوۡنِ ﴿۴۱﴾
Wa lahoem 'alaiya zamboen fa aghaafoe ay yaqtoeloen
26:14 "En ze hebben een misdaad zaak tegen mij. Dus ik vrees dat ze me vermoorden."

قَالَ کَلَّا ۚ فَاذۡہَبَا بِاٰیٰتِنَاۤ اِنَّا مَعَکُمۡ مُّسۡتَمِعُوۡنَ ﴿۵۱﴾
Qaala kallaa fazhabaa bie Aayaatienaaa iennaa ma'akoem moestamie'oen
26:15 Hij (Allah) zei: "Nee! Ga jullie, beide met Onze tekenen. Voorzeker, Wij zijn met jullie, en luisteren."

فَاۡتِیَا فِرۡعَوۡنَ فَقُوۡلَاۤ اِنَّا رَسُوۡلُ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۶۱﴾
Faatieyaa Fier'awna faqoelaaa iennaa Rasoeloe Rabbiel 'aalamieen
26:16 "Dus ga beide naar Farao en zeg: 'Voorzeker, wij zijn de boodschappers van de Heer van de werelden!'

اَنۡ اَرۡسِلۡ مَعَنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۷۱﴾
An arsiel ma'anaa Banieee Israaa'ieel
26:17 "Stuur de kinderen van Israël met ons mee!"

قَالَ اَلَمۡ نُرَبِّکَ فِیۡنَا وَلِیۡدًا وَّ لَبِثۡتَ فِیۡنَا مِنۡ عُمُرِکَ سِنِیۡنَ ﴿۸۱﴾
Qaala alam noerabbieka fieenaa walieedaw wa labiesta fieenaa mien 'oemoerieka sienieen
26:18 Hij (Farao) zei: "Hebben wij jou niet als een kind groot gebracht? En heb jij niet met ons vele jaren geleefd?"

وَ فَعَلۡتَ فَعۡلَتَکَ الَّتِیۡ فَعَلۡتَ وَ اَنۡتَ مِنَ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۹۱﴾
Wa fa'alta fa'latakal latiee fa'alta wa anta mienal kaafierieen
26:19 "En jij verrichte jouw daad (het doden van een Egyptenaar, 28:15). Jij bent echt ondankbaar!"

قَالَ فَعَلۡتُہَاۤ اِذًا وَّ اَنَا مِنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿۰۲﴾
Qaala fa'altoehaaa iezaw wa ana mienad daaalieen
26:20 Hij (Moesa) zei: "Ik deed het, toen ik tot de dwalende behoorde."

فَفَرَرۡتُ مِنۡکُمۡ لَمَّا خِفۡتُکُمۡ فَوَہَبَ لِیۡ رَبِّیۡ حُکۡمًا وَّ جَعَلَنِیۡ مِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۲﴾
Fafarartoe mien-koem lam maa ghieftoekoem fawahaba liee Rabbiee hoekmaw wa dja'alaniee mienal moersalieen
26:21 "Toen ik bang werd voor jullie, vluchtte ik weg. Mijn Heer schonk mij toen kennis (om te oordelen op basis van Allah's wetgeving) en maakte mij een boodschapper."

وَ تِلۡکَ نِعۡمَۃٌ تَمُنُّہَا عَلَیَّ اَنۡ عَبَّدۡتَّ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۲۲﴾
Wa tielka nie'matoen tamoen noehaa 'alaiya an 'abbatta Banieee Israaa'ieel
26:22 "En als jij mij beschuldigd (voor het doden), echter (kijk naar jezelf) jij hebt de kinderen van Israël tot slaven gemaakt." (Notitie: zie 28:4.)

قَالَ فِرۡعَوۡنُ وَ مَا رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۳۲﴾
Qaala Fier'awnoe wa maa Rabboel 'aalamieen
26:23 Farao zei: "En wie is de Heer van de werelden?"

قَالَ رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ؕ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّوۡقِنِیۡنَ ﴿۴۲﴾
Qaala Rabboes samaawaatie wal ardie wa maa bainahoemaa ien koentoem moeqienieen
26:24 Hij (Moesa) zei: "De Heer van de hemelen, de aarde en alles wat er tussen is. Waren jullie maar overtuigd."

قَالَ لِمَنۡ حَوۡلَہٗۤ اَلَا تَسۡتَمِعُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Qaala lieman hawlahoeo alaa tastamie'oen
26:25 Hij (Farao) zei aan degenen om zich heen: "Horen jullie het niet?!"

قَالَ رَبُّکُمۡ وَ رَبُّ اٰبَآئِکُمُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۶۲﴾
Qaala Rabboekoem wa Rabboe aabaaa'iekoemoel awwalieen
26:26 Hij (Moesa) zei: "(Hij is) Jullie Heer en de Heer van jullie voorvaders."

قَالَ اِنَّ رَسُوۡلَکُمُ الَّذِیۡۤ اُرۡسِلَ اِلَیۡکُمۡ لَمَجۡنُوۡنٌ ﴿۷۲﴾
Qaala ienna Rasoelakoemoel laziee oersiela ielaikoem lamadjnoen
26:27 Hij (Farao) zei: "Voorzeker, jullie boodschapper, die gestuurd is voor jullie, is zeker gestoord!"

قَالَ رَبُّ الۡمَشۡرِقِ وَ الۡمَغۡرِبِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا ؕ اِنۡ کُنۡتُمۡ تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Qaala Rabboel mashrieqie wal maghriebie wa maa baina hoemaa ien koentoem ta'qieloen
26:28 Hij (Moesa) zei: "(Hij is) de Heer van het Oosten en het Westen en alles wat er tussen is. Konden jullie het maar begrijpen."

قَالَ لَئِنِ اتَّخَذۡتَ اِلٰـہًا غَیۡرِیۡ لَاَجۡعَلَنَّکَ مِنَ الۡمَسۡجُوۡنِیۡنَ ﴿۹۲﴾
Qaala la'ieniet taghazta ielaahan ghairiee la adj'alannaka mienal masdjoenieen
26:29 Hij (Farao) zei: "Als jij een andere godheid dan mij neemt, dan stop ik jou in de gevangenis.

قَالَ اَوَ لَوۡ جِئۡتُکَ بِشَیۡءٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۰۳﴾
Qaala awalaw djie'toeka bieshai'iem moebieen
26:30 Hij (Moesa) zei: "Zelfs als ik voor jou iets duidelijks breng (als bewijs)?"

قَالَ فَاۡتِ بِہٖۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Qaala faatie biehieee ien koenta mienas saadieqieen
26:31 Hij (Farao) zei: "Breng het dan, als jij de waarheid spreekt."

فَاَلۡقٰی عَصَاہُ فَاِذَا ہِیَ ثُعۡبَانٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۲۳﴾
Fa alqaa 'asaahoe fa iezaaa hieya soe'baanoem moebieen
26:32 Dus gooide hij zijn staf. Zie, het werd een duidelijke slang.

وَّ نَزَعَ یَدَہٗ فَاِذَا ہِیَ بَیۡضَآءُ لِلنّٰظِرِیۡنَ ﴿۳۳﴾
Wa naza'a yadahoe faizaa hieya baidaaa'oe liennaa zierieen
26:33 En hij stak zijn hand uit. Zie, het was wit voor de toeschouwers.

قَالَ لِلۡمَلَاِ حَوۡلَہٗۤ اِنَّ ہٰذَا لَسٰحِرٌ عَلِیۡمٌ ﴿۴۳﴾
Qaala lielmala-ie hawlahoeo ienna haazaa lasaahieroen 'alieem
26:34 Hij (Farao) zei tegen de ministers om zich heen: "Voorwaar, dit is zonder twijfel een zeer goede tovenaar."

یُّرِیۡدُ اَنۡ یُّخۡرِجَکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ بِسِحۡرِہٖ ٭ۖ فَمَا ذَا تَاۡمُرُوۡنَ ﴿۵۳﴾
Yoerieedoe ay yoeghriedjakoem mien ardiekoem biesiehriehiee famaazaa taamoeroen
26:35 "Hij wil jullie door zijn magie uit jullie land verdrijven. Dus wat bevelen jullie?"

قَالُوۡۤا اَرۡجِہۡ وَ اَخَاہُ وَ ابۡعَثۡ فِی الۡمَدَآئِنِ حٰشِرِیۡنَ ﴿۶۳﴾
Qaaloeo ardjieh wa aghaahoe wab'as fielmadaaa'ienie haashierieen
26:36 Ze zeiden: "Verleen hem en zijn broer uitstel. En stuur naar de steden oproepers."

یَاۡتُوۡکَ بِکُلِّ سَحَّارٍ عَلِیۡمٍ ﴿۷۳﴾
Yaatoeka biekoellie sah haarien 'alieem
26:37 "Ze zullen dan elke waardige tovenaar tot jou brengen."

فَجُمِعَ السَّحَرَۃُ لِمِیۡقَاتِ یَوۡمٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿۸۳﴾
Fa djoemie'as saharatoe liemieeqaatie Yawmiem ma'loem
26:38 Dus werden de tovenaars verzameld voor de afspraak op de bekende dag (festival).

وَّ قِیۡلَ لِلنَّاسِ ہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّجۡتَمِعُوۡنَ ﴿۹۳﴾
Wa qieela liennaasie hal antoem moedjtamie'oen
26:39 En er werd tot de mensen geroepen: "Zijn jullie allen aanwezig?"

لَعَلَّنَا نَتَّبِعُ السَّحَرَۃَ اِنۡ کَانُوۡا ہُمُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۰۴﴾
La'allanaa nattabie'oes saharata ien kaanoe hoemoel ghaaliebieen
26:40 "Zodat we (de normen en waarden van) de tovenaars kunnen volgen als ze winnen."

فَلَمَّا جَآءَ السَّحَرَۃُ قَالُوۡا لِفِرۡعَوۡنَ اَئِنَّ لَنَا لَاَجۡرًا اِنۡ کُنَّا نَحۡنُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۱۴﴾
Falammaa djaaa'as saharatoe qaaloe lie Fier'awna a'ienna lanaa la adjdjran ien koennaa nahnoel ghaaliebieen
26:41 Toen dus de tovenaars kwamen, zeiden ze tegen Farao: "Is er voor ons een beloning als we winnen?"

قَالَ نَعَمۡ وَ اِنَّکُمۡ اِذًا لَّمِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿۲۴﴾
Qaala na'am wa iennakoem iezal lamienal moeqarrabieen
26:42 Hij (Farao) zei: "Ja, en voorzeker, jullie zullen behoren tot degenen die dichtbij me zijn."

قَالَ لَہُمۡ مُّوۡسٰۤی اَلۡقُوۡا مَاۤ اَنۡتُمۡ مُّلۡقُوۡنَ ﴿۳۴﴾
Qaala lahoem Moesaaa alqoe maaa antoem moelqoen
26:43 Moesa zei tot hen: "Werp maar wat jullie willen werpen!"

فَاَلۡقَوۡا حِبَالَہُمۡ وَ عِصِیَّہُمۡ وَ قَالُوۡا بِعِزَّۃِ فِرۡعَوۡنَ اِنَّا لَنَحۡنُ الۡغٰلِبُوۡنَ ﴿۴۴﴾
Fa alqaw hiebaalahoem wa 'iesieyyahoem wa qaaloe bie'iezzatie Fier'awna iennaa lanahnoel ghaalieboen
26:44 Dus wierpen ze hun touwen en staven en zeiden: "Bij de macht van Farao! Voorzeker, wij zijn de winnaars!"

فَاَلۡقٰی مُوۡسٰی عَصَاہُ فَاِذَا ہِیَ تَلۡقَفُ مَا یَاۡفِکُوۡنَ ﴿۵۴﴾
Fa alqaa Moesaa 'asaahoe fa iezaa hieya talqafoe maa yaafiekoen
26:45 Toen wierp Moesa zijn staf. Zie, het slikte datgeen wat ze aan valsheid hadden gemaakt, op.

فَاُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سٰجِدِیۡنَ ﴿۶۴﴾
Fa oelqieyas saharatoe saadjiedieen
26:46 Vervolgens vielen de tovenaars in prostratie neer.

قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۴﴾
Qaaloeo aamannaa bie Rabbiel 'aalamieen
26:47 Ze zeiden: "Wij geloven in de Heer van de Werelden."

رَبِّ مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۸۴﴾
Rabbie Moesaa wa Haaroen
26:48 "De Heer van Moesa en Haroen."

قَالَ اٰمَنۡتُمۡ لَہٗ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ۚ اِنَّہٗ لَکَبِیۡرُکُمُ الَّذِیۡ عَلَّمَکُمُ السِّحۡرَ ۚ فَلَسَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ۬ؕ لَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ وَّ لَاُوصَلِّبَنَّکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۹۴﴾
Qaala aamantoem lahoe qabla an aazana lakoem iennahoe lakabieeroekoemoel laziee 'alla makoemoes siehra falasawfa ta'lamoen; la oeqattie'anna aidieyakoem wa ardjoelakoem mien ghielaafiew wa la oesalliebanna koem adjma'ieen
26:49 Hij (Farao) zei: "Geloven jullie in Hem, voordat ik jullie toestemming heb gegeven? Voorzeker, hij (Moesa) is zeker jullie leider die jullie de magie heeft onderwezen! Dus spoedig zullen jullie weten! Ik zal jullie handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken en ik zal jullie allen kruisigen." (Notitie: zie ook 7:123-124.)

قَالُوۡا لَا ضَیۡرَ ۫ اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا مُنۡقَلِبُوۡنَ ﴿۰۵﴾
Qaaloe la daira iennaaa ielaa Rabbienaa moenqallieboen
26:50 Ze (de tovenaars) zeiden: "Geen probleem. Voorzeker, we zullen tot onze Heer terugkeren!"

اِنَّا نَطۡمَعُ اَنۡ یَّغۡفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطٰیٰنَاۤ اَنۡ کُنَّاۤ اَوَّلَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۵﴾
Innaa natma'oe ay yaghfiera lanaa Rabboenaa ghataa yaanaaa an koennaaa awwalal moe'mienieen
26:51 "Voorzeker, we hopen dat onze Heer onze zonden vergeeft, omdat we de eerste gelovigen zijn."

وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اَنۡ اَسۡرِ بِعِبَادِیۡۤ اِنَّکُمۡ مُّتَّبَعُوۡنَ ﴿۲۵﴾
Wa awhainaaa ielaa Moesaaa an asrie bie'iebaadieee iennakoem moettaba'oen
26:52 En Wij openbaarden Moesa: "Vertrek in de nacht met Mijn dienaren. Voorzeker, jullie zullen worden achtervolgd."

فَاَرۡسَلَ فِرۡعَوۡنُ فِی الۡمَدَآئِنِ حٰشِرِیۡنَ ﴿۳۵﴾
Fa arsala Fier'awnoe fielmadaaa'ienie haashierieen
26:53 Vervolgens, stuurde Farao oproepers naar de steden,

اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ لَشِرۡ ذِمَۃٌ قَلِیۡلُوۡنَ ﴿۴۵﴾
Inna haaa'oelaaa'ie lashier ziematoen qalieeloen
26:54 (om zijn volk op de hoogte te stellen voor een oorlog:) "Voorzeker, deze (volk) is maar een kleine groep."

وَ اِنَّہُمۡ لَنَا لَغَآئِظُوۡنَ ﴿۵۵﴾
Wa iennahoem lanaa laghaaa'iezoen
26:55 "Voorzeker, ze hebben ons woedend gemaakt!"

وَ اِنَّا لَجَمِیۡعٌ حٰذِرُوۡنَ ﴿۶۵﴾
Wa iennaa ladjamiee'oen haazieroen
26:56 "Maar wij zijn groter in aantal en op onze hoede."

فَاَخۡرَجۡنٰہُمۡ مِّنۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿۷۵﴾
Fa aghradjnaahoem mien djannaatiew wa 'oeyoen
26:57 Dus verdreven Wij hen van tuinen, bronnen,

وَّ کُنُوۡزٍ وَّ مَقَامٍ کَرِیۡمٍ ﴿۸۵﴾
Wa koenoeziew wa ma qaamien karieem
26:58 en schatten en van een eervolle gebied. (Notitie: de Egyptenaren die de boodschap van Moesa niet aanvaarden, gingen ten strijdt. En de Egyptenaren die de boodschap hadden geaccepteerd, dus dienaren van Allah, bleven achter. Allah liet dus het land door de gelovigen erven, zie ook 21:105 en 44:28.)

کَذٰلِکَ ؕ وَ اَوۡرَثۡنٰہَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۹۵﴾
Kazaalieka wa awrasnaahaa Banieee Israaa'ieel
26:59 Dat was dus (het volk van Farao). En Wij lieten (de Dien\levenswijze van) de kinderen van Israël het allemaal erven.

فَاَتۡبَعُوۡہُمۡ مُّشۡرِقِیۡنَ ﴿۰۶﴾
Fa atba'oehoem moeshrieqieen
26:60 Dus gingen ze (Farao en zijn volk) hen achterna, bij zonsopgang.

فَلَمَّا تَرَآءَ الۡجَمۡعٰنِ قَالَ اَصۡحٰبُ مُوۡسٰۤی اِنَّا لَمُدۡرَکُوۡنَ ﴿۱۶﴾
Falammaa taraaa'al djam'aanie qaala as haaboe Moesaaa iennaa lamoedrakoen
26:61 Toen de twee groepen elkaar zagen, zeiden Moesa's metgezellen: "Voorzeker, we zullen worden overmeesterd!"

قَالَ کَلَّا ۚ اِنَّ مَعِیَ رَبِّیۡ سَیَہۡدِیۡنِ ﴿۲۶﴾
Qaala kallaaa ienna ma'ieya Rabbiee sa yahdieen
26:62 Hij (Moesa) zei: "Nee! Mijn Heer is bij me en Hij zal me leiden!" (Notitie: Moesa had al eerder een openbaring gehad m.b.t. deze situatie, zie 20:77.)

فَاَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اَنِ اضۡرِبۡ بِّعَصَاکَ الۡبَحۡرَ ؕ فَانۡفَلَقَ فَکَانَ کُلُّ فِرۡقٍ کَالطَّوۡدِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۳۶﴾
Fa awhainaaa ielaa Moesaaa aniedrieb bie'asaakal bahra fanfalaqa fakaana koelloe fierqien kattawdiel 'azieem
26:63 Toen openbaarden Wij aan Moesa: "Sla de zee met jouw staf!" Vervolgens spleet het (de zee) uiteen. Elk gedeelte was zo groot als een grote berg.

وَ اَزۡلَفۡنَا ثَمَّ الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Wa azlafnaa sammal aagharieen
26:64 Wij lieten de anderen (Farao en zijn leger) dichterbij komen.

وَ اَنۡجَیۡنَا مُوۡسٰی وَ مَنۡ مَّعَہٗۤ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۵۶﴾
Wa andjainaa Moesaa wa mam ma'ahoeo adjma'ieen
26:65 Vervolgens redden Wij Moesa en iedereen die bij hem was. (Notitie: iedereen haalde de overkant)

ثُمَّ اَغۡرَقۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۶۶﴾
Soemma aghraqnal aagharieen
26:66 Daarna lieten Wij de anderen verdrinken.

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۷۶﴾
Inna fiee zaalieka la Aayaah; wa maa kaana aksaroe hoe moe'mienieen
26:67 Voorzeker, daarin is zeker een teken, maar de meeste van hen zijn geen gelovigen.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۸۶﴾
Wa ienna Rabbaka la Hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:68 En waarlijk! Jouw Heer, is zonder twijfel Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

وَ اتۡلُ عَلَیۡہِمۡ نَبَاَ اِبۡرٰہِیۡمَ ﴿۹۶﴾
Watloe 'alaihiem naba-a Ibraahieem
26:69 En reciteer voor hun de gebeurtenissen van Ibrahiem (Abraham).

اِذۡ قَالَ لِاَبِیۡہِ وَ قَوۡمِہٖ مَا تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۰۷﴾
Iz qaala lie abieehie wa qawmiehiee maa ta'boedoen
26:70 Hij vroeg aan zijn oom en aan zijn volk: "Wat aanbidden jullie?" (Notitie: Er wordt oom bedoeld i.p.v. vader. Een vader van een profeet kan nooit ongelovig zijn, zie ook 19:42 en 2:133)

قَالُوۡا نَعۡبُدُ اَصۡنَامًا فَنَظَلُّ لَہَا عٰکِفِیۡنَ ﴿۱۷﴾
Qaaloe na'boedoe asnaaman fanazalloe lahaa 'aakiefieen
26:71 Ze zeiden: "Wij aanbidden beelden en wij zullen hen trouw blijven."

قَالَ ہَلۡ یَسۡمَعُوۡنَکُمۡ اِذۡ تَدۡعُوۡنَ ﴿۲۷﴾
Qaala hal yasma'oena koem iez tad'oen
26:72 Hij (Ibrahiem) zei: "Horen ze jullie wanneer jullie ze aanroepen?"

اَوۡ یَنۡفَعُوۡنَکُمۡ اَوۡ یَضُرُّوۡنَ ﴿۳۷﴾
Aw yanfa'oenakoem aw yadoerroen
26:73 "Of geven ze jullie enig voordeel of nadeel?"

قَالُوۡا بَلۡ وَجَدۡنَاۤ اٰبَآءَنَا کَذٰلِکَ یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۴۷﴾
Qaaloe bal wadjadnaaa aabaaa 'anaa kazaalieka yaf'aloen
26:74 Ze zeiden: "Nee, maar we zagen dat onze voorvaders dat deden."

قَالَ اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا کُنۡتُمۡ تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۵۷﴾
Qaala afara 'aitoem maa koentoem ta'boedoen
26:75 Hij zei: "Zien jullie (eigenlijk) wat jullie aanbidden?!"

اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمُ الۡاَقۡدَمُوۡنَ ﴿۶۷﴾
Antoem wa aabaaa'oekoemoel aqdamoen
26:76 "Jullie en jullie voorvaders ?!"

فَاِنَّہُمۡ عَدُوٌّ لِّیۡۤ اِلَّا رَبَّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۷﴾
Fa iennahoem 'adoewwwoel lieee iellaa Rabbal 'aalamieen
26:77 "Voorzeker, zij zijn mijn vijanden! (Ik aanbid niemand) behalve de Heer van de werelden."

الَّذِیۡ خَلَقَنِیۡ فَہُوَ یَہۡدِیۡنِ ﴿۸۷﴾
Allaziee ghalaqaniee fa Hoewa yahdieen
26:78 "(Dat is) Degene die mij heeft geschapen en mij leidt."

وَ الَّذِیۡ ہُوَ یُطۡعِمُنِیۡ وَ یَسۡقِیۡنِ ﴿۹۷﴾
Wallaziee Hoewa yoet'iemoeniee wa yasqieen
26:79 "Degene die mij eten en drinken geeft."

وَ اِذَا مَرِضۡتُ فَہُوَ یَشۡفِیۡنِ ﴿۰۸﴾
Wa iezaa mariedtoe fahoewa yashfieen
26:80 "En wanneer ik ziek ben, dan geneest Hij me."

وَ الَّذِیۡ یُمِیۡتُنِیۡ ثُمَّ یُحۡیِیۡنِ ﴿۱۸﴾
Wallaziee yoemieetoeniee soemma yoehyieen
26:81 "(Hij is) Degene Die me laat sterven, daarna zal Hij me (weer) laten leven."

وَ الَّذِیۡۤ اَطۡمَعُ اَنۡ یَّغۡفِرَ لِیۡ خَطِیۡٓئَتِیۡ یَوۡمَ الدِّیۡنِ ﴿۲۸﴾
Wallazieee atma'oe ay yaghfiera liee ghatieee' atiee Yawmad Dieen
26:82 "Degene waarvan ik hoop dat Hij mijn fouten vergeeft op de dag des oordeels."

رَبِّ ہَبۡ لِیۡ حُکۡمًا وَّ اَلۡحِقۡنِیۡ بِالصّٰلِحِیۡنَ ﴿۳۸﴾
Rabbie hab liee hoekmaw wa alhieqniee bies saaliehieen
26:83 "Mijn Heer! Schenk me kennis om te oordelen (op basis van Uw wetgeving) en verenig mij met de rechtvaardigen."

وَ اجۡعَلۡ لِّیۡ لِسَانَ صِدۡقٍ فِی الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿۴۸﴾
Wadj'al liee liesaana siedqien fiel aaghierieen
26:84 "Schenk me een eervolle reputatie bij de latere generaties."

وَ اجۡعَلۡنِیۡ مِنۡ وَّرَثَۃِ جَنَّۃِ النَّعِیۡمِ ﴿۵۸﴾
Wadj'alniee miew warasatie djannnatien Na'ieem
26:85 "En maak me een erfgenaam van de gelukzalige tuin."

وَ اغۡفِرۡ لِاَبِیۡۤ اِنَّہٗ کَانَ مِنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿۶۸﴾
Waghfier lie abieee iennahoe kaana miend daallieen
26:86 "En vergeef mijn vader (oom). Voorzeker, hij behoort tot de dwalenden."

وَ لَا تُخۡزِنِیۡ یَوۡمَ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۷۸﴾
Wa laa toeghzieniee Yawma yoeb'asoen
26:87 "Verneder me niet op de dag dat ze worden opgewekt."

یَوۡمَ لَا یَنۡفَعُ مَالٌ وَّ لَا بَنُوۡنَ ﴿۸۸﴾
Yawma laa yanfa'oe maaloew wa laa banoen
26:88 "De Dag, waarop noch rijkdom en noch zonen van enig nut zullen zijn."

اِلَّا مَنۡ اَتَی اللّٰہَ بِقَلۡبٍ سَلِیۡمٍ ﴿۹۸﴾
Illaa man atal laaha bieqalbien salieem
26:89 "Behalve hij die naar Allah met een zuiver hart komt."

وَ اُزۡلِفَتِ الۡجَنَّۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۰۹﴾
Wa oezliefatiel djannatoe lielmoettaqieen
26:90 Het paradijs wordt dichtbij gebracht voor de Moettaqoen (zie 2:2-5).

وَ بُرِّزَتِ الۡجَحِیۡمُ لِلۡغٰوِیۡنَ ﴿۱۹﴾
Wa boerriezatiel djahieemoe lielghaawieen
26:91 En de hellevuur wordt zichtbaar gemaakt voor de afwijkers (van Allah's levenswijze).

وَ قِیۡلَ لَہُمۡ اَیۡنَمَا کُنۡتُمۡ تَعۡبُدُوۡنَ ﴿۲۹﴾
Wa qieela lahoem aina maa koentoem ta'boedoen
26:92 Er zal aan hen worden gevraagd: "Waar is datgeen wat jullie aanbaden,"

مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ ہَلۡ یَنۡصُرُوۡنَکُمۡ اَوۡ یَنۡتَصِرُوۡنَ ﴿۳۹﴾
Mien doeniel laahie hal yansoeroenakoem aw yantasieroen
26:93 "naast Allah? Kunnen ze jullie (nu) helpen of kunnen ze (misschien) zichzelf helpen?"

فَکُبۡکِبُوۡا فِیۡہَا ہُمۡ وَ الۡغَاوٗنَ ﴿۴۹﴾
Fakoebkieboe fieehaa hoem walghaawoen
26:94 Dan zullen ze onderste boven (zie 27:90) erin worden gegooid, zij (de afgoden\zogenaamde bemiddelaars), de afwijkers,

وَ جُنُوۡدُ اِبۡلِیۡسَ اَجۡمَعُوۡنَ ﴿۵۹﴾
Wa djoenoedoe Iblieesa adjma'oen
26:95 en de troepen van iblies (satan), allemaal te samen.

قَالُوۡا وَ ہُمۡ فِیۡہَا یَخۡتَصِمُوۡنَ ﴿۶۹﴾
Qaaloe wa hoem fieehaa yakghtasiemoen
26:96 Terwijl ze met elkaar erin twisten, zullen ze zeggen:

تَاللّٰہِ اِنۡ کُنَّا لَفِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۷۹﴾
Tallaahie ien koennaa lafiee dalaaliem moebieen
26:97 "Bij Allah! Voorzeker, we waren in duidelijke dwaling,"

اِذۡ نُسَوِّیۡکُمۡ بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۹﴾
Iz noesawwieekoem bie Rabbiel 'aalamieen
26:98 "toen wij jullie gelijkstelden aan de Heer van de werelden."

وَ مَاۤ اَضَلَّنَاۤ اِلَّا الۡمُجۡرِمُوۡنَ ﴿۹۹﴾
Wa maaa adallanaaa iellal moedjriemoen
26:99 "Niemand behalve de misdadigers heeft ons doen dwalen."

فَمَا لَنَا مِنۡ شَافِعِیۡنَ ﴿۰۰۱﴾
Famaa lanaa mien shaa fie'ieen
26:100 "Dus we hebben nu geen enkel bemiddelaar,"

وَ لَا صَدِیۡقٍ حَمِیۡمٍ ﴿۱۰۱﴾
Wa laa sadieeqien hamieem
26:101 "en noch een goede vriend (die ons kan helpen).

فَلَوۡ اَنَّ لَنَا کَرَّۃً فَنَکُوۡنَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲۰۱﴾
Falaw anna lanaa karratan fanakoena mienal moe'mienieen
26:102 "Was er maar een weg terug voor ons. Dan zouden we tot de gelovigen behoren."

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۰۱﴾
Inna fiee zaalieka la Aayataw wa maa kaana aksaroehoem moe'mienieen
26:103 Voorzeker, daarin is zeker een teken, maar de meeste van hen zijn geen gelovigen.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۴۰۱﴾
Wa ienna Rabbaka la Hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:104 En waarlijk! Jouw Heer, is zonder twijfel Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

کَذَّبَتۡ قَوۡمُ نُوۡحِۣ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۵۰۱﴾
Kazzabat qawmoe Noehieniel Moersalieen
26:105 (En ook) Het volk van Noeh (Noach) verwierp de boodschappers.

اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ نُوۡحٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۶۰۱﴾
Iz qaala lahoem aghoehoem Noehoen alaa tattaqoen
26:106 Hun broeder Noeh zei tegen hen: "Zijn jullie niet bang (voor Allah voor datgeen wat jullie doen)?"

اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۷۰۱﴾
Inniee lakoem Rasoeloen amieen
26:107 "Voorzeker, ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie."

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۸۰۱﴾
Fattaqoellaaha wa atiee'oen
26:108 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۹۰۱﴾
Wa maaa as'aloekoem 'alaihie mien adjrien ien adjrieya iellaa 'alaa Rabbiel 'aalamieen
26:109 "Ik vraag jullie er geen enkel beloning voor. Mijn beloning ligt bij de Heer van de werelden."

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۰۱۱﴾
Fattaqoel laaha wa atiee'oen
26:110 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

قَالُوۡۤا اَنُؤۡمِنُ لَکَ وَ اتَّبَعَکَ الۡاَرۡذَلُوۡنَ ﴿۱۱۱﴾
Qaaloeo anoe'mienoe laka wattaba 'akal arzaloen
26:111 Ze zeiden: "Moeten wij in jou geloven, terwijl alleen de laagste mensen (van het volk) jou volgen?"

قَالَ وَ مَا عِلۡمِیۡ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۱۱﴾
Qaala wa maa 'ielmiee biemaa kaanoe ya'maloen
26:112 Hij (Noeh) zei: "Ik weet niet wat ze deden."

اِنۡ حِسَابُہُمۡ اِلَّا عَلٰی رَبِّیۡ لَوۡ تَشۡعُرُوۡنَ ﴿۳۱۱﴾
In hiesaaboehoem iellaa 'alaa Rabbiee law tash'oeroen
26:113 "Hun afrekening ligt alleen bij mijn Heer, konden jullie het maar begrijpen."

وَ مَاۤ اَنَا بِطَارِدِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۴۱۱﴾
Wa maaa ana bietaariediel moe'mienieen
26:114 "En ik ga de gelovigen niet wegjagen."

اِنۡ اَنَا اِلَّا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۵۱۱﴾
In ana iellaa nazieeroem moebieen
26:115 "Ik ben alleen een duidelijke waarschuwer."

قَالُوۡا لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہِ یٰنُوۡحُ لَتَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمَرۡجُوۡمِیۡنَ ﴿۶۱۱﴾
Qaaloe la'iel lam tantahie yaa Noehoe latakoenanna mienal mardjoemieen
26:116 Ze zeiden: "O Noeh! Als jij niet stopt, dan zullen wij jou stenigen!"

قَالَ رَبِّ اِنَّ قَوۡمِیۡ کَذَّبُوۡنِ ﴿۷۱۱﴾
Qaala Rabbie ienna qawmiee kazzaboen
26:117 Hij zei: "Mijn Heer! Voorzeker, mijn volk heeft mij verworpen."

فَافۡتَحۡ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَہُمۡ فَتۡحًا وَّ نَجِّنِیۡ وَ مَنۡ مَّعِیَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۱۱﴾
Faftab bainiee wa bai nahoem fat haw wa nadjdjieniee wa mam ma'ieya mienal moe'mienieen
26:118 "Oordeel dus tussen mij en hen. En red mij en de gelovigen die met mij zijn."

فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ مَنۡ مَّعَہٗ فِی الۡفُلۡکِ الۡمَشۡحُوۡنِ ﴿۹۱۱﴾
Fa andjainaahoe wa mamma'ahoe fiel foelkiel mashhoen
26:119 Toen redden Wij hem samen met degenen die in het schip waren.

ثُمَّ اَغۡرَقۡنَا بَعۡدُ الۡبٰقِیۡنَ ﴿۰۲۱﴾
Soemma aghraqnaa ba'doel baaqieen
26:120 Vervolgens lieten Wij iedereen die achtergebleven was, verdrinken.

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۲۱﴾
Inna fiee zaalieka la Aayaah; wa maa kaana aksaroehoem moe'mienieen
26:121 Voorzeker, daarin is zeker een teken, maar de meeste van hen zijn geen gelovigen.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۲۲۱﴾
Wa ienna Rabbaka la hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:122 En waarlijk! Jouw Heer, is zonder twijfel Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

کَذَّبَتۡ عَادُۨ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۳۲۱﴾
Kazzabat 'Aadoeniel moersalieen
26:123 (En ook) Het volk Aad verwierp de boodschappers.

اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ ہُوۡدٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۴۲۱﴾
Iz qaala lahoem aghoehoem Hoedoen alaa tattaqoen
26:124 Hun broeder Hoed zei tegen hen: "Zijn jullie niet bang (voor Allah voor datgeen wat jullie doen)?"

اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۵۲۱﴾
Inniee lakoem Rasoeloen amieen
26:125 "Voorzeker, ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie."

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۶۲۱﴾
Fattaqoellaaha wa atiee'oen
26:126 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۷۲۱﴾
Wa maa as'aloekoem 'alaihie mien adjrien ien adjrieya iellaa 'alaa Rabbiel 'aalamieen
26:127 "Ik vraag jullie er geen enkel beloning voor. Mijn beloning ligt bij de Heer van de werelden."

اَتَبۡنُوۡنَ بِکُلِّ رِیۡعٍ اٰیَۃً تَعۡبَثُوۡنَ ﴿۸۲۱﴾
Atabnoena biekoellie riee'ien aayatan ta'basoen
26:128 "Bouwen jullie op elke hoogte hoge gebouwen alleen om jezelf te vermaken?"

وَ تَتَّخِذُوۡنَ مَصَانِعَ لَعَلَّکُمۡ تَخۡلُدُوۡنَ ﴿۹۲۱﴾
Wa tattaghiezoena masaanie'a la'allakoem taghloedoen
26:129 "En maken jullie paleizen alsof jullie er voor altijd in zullen wonen?

وَ اِذَا بَطَشۡتُمۡ بَطَشۡتُمۡ جَبَّارِیۡنَ ﴿۰۳۱﴾
Wa iezaa batashtoem batashtoem djabbaarieen
26:130 "En wanneer jullie aanvallen, dan vallen jullie aan als barbaren."

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۱۳۱﴾
Fattaqoel laaha wa atiee'oen
26:131 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

وَ اتَّقُوا الَّذِیۡۤ اَمَدَّکُمۡ بِمَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۳۱﴾
Wattaqoel lazieee amad dakoem biemaa ta'lamoen
26:132 "Vrees Degene Die jullie voorzien heeft met datgeen wat jullie weten."

اَمَدَّکُمۡ بِاَنۡعَامٍ وَّ بَنِیۡنَ ﴿۳۳۱﴾
Amaddakoem bie an'aa miew wa banieen
26:133 "Hij heeft jullie voorzien van vee, kinderen,

وَ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿۴۳۱﴾
Wa djannaatiew wa 'oeyoen
26:134 "tuinen en bronnen."

اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۵۳۱﴾
Inniee aghaafoe 'alaikoem 'azaaba Yawmien 'azieem
26:135 "Voorzeker, ik vrees de straf voor jullie op een grote dag."

قَالُوۡا سَوَآءٌ عَلَیۡنَاۤ اَوَ عَظۡتَ اَمۡ لَمۡ تَکُنۡ مِّنَ الۡوٰعِظِیۡنَ ﴿۶۳۱﴾
Qaaloe sawaaa'oen 'alainaaa awa 'azta am lam takoem mienal waa'iezieen
26:136 Ze zeiden: "Voor ons maakt het niet uit of jij ons waarschuwt of niet waarschuwt."

اِنۡ ہٰذَاۤ اِلَّا خُلُقُ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۷۳۱﴾
In haazaaa iellaa ghoeloeqoel awwalieen
26:137 "Dit zijn alleen oude verhalen en de gewoontes van de oude generaties."

وَ مَا نَحۡنُ بِمُعَذَّبِیۡنَ ﴿۸۳۱﴾
Wa maa nahnoe biemoe 'azzabieen
26:138 "Wij zullen niet worden gestraft."

فَکَذَّبُوۡہُ فَاَہۡلَکۡنٰہُمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۹۳۱﴾
Fakazzaboehoe fa ahlaknaahoem; ienna fiee zaalieka la aayah; wa maa kaana aksaroehoem moe'mienieen
26:139 Dus ze verwierpen hem, vervolgens vernietigde Wij hen. Voorzeker, daarin is zeker een teken, maar de meeste van hen zijn geen gelovigen.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۰۴۱﴾
Wa ienna Rabbaka la hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:140 En waarlijk! Jouw Heer, is zonder twijfel Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

کَذَّبَتۡ ثَمُوۡدُ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۱۴۱﴾
Kazzabat Samoedoel moersalieen
26:141 (En ook) Het volk Thamoed verwierp de boodschappers.

اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ صٰلِحٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۲۴۱﴾
Iz qaala lahoem aghoehoem Saaliehoen alaa tattaqoen
26:142 Hun broeder Salih zei tegen hen: "Zijn jullie niet bang (voor Allah voor datgeen wat jullie doen)?"

اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۳۴۱﴾
Inniee lakoem Rasoeloen amieen
26:143 "Voorzeker, ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie."

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۴۴۱﴾
Fattaqoel laaha wa atiee'oen
26:144 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۵۴۱﴾
Wa maaa as'aloekoem 'alaihie mien adjrien ien adjrieya iellaa 'alaa Rabbiel 'aalamieen
26:145 "Ik vraag jullie er geen enkel beloning voor. Mijn beloning ligt bij de Heer van de werelden."

اَتُتۡرَکُوۡنَ فِیۡ مَا ہٰہُنَاۤ اٰمِنِیۡنَ ﴿۶۴۱﴾
Atoetrakoena fiee maa haahoennaaa aamienieen
26:146 "Denken jullie dat je hier veilig zijn?"

فِیۡ جَنّٰتٍ وَّ عُیُوۡنٍ ﴿۷۴۱﴾
Fiee djannaatiew wa 'oeyoen
26:147 "Tussen tuinen en bronnen,"

وَّ زُرُوۡعٍ وَّ نَخۡلٍ طَلۡعُہَا ہَضِیۡمٌ ﴿۸۴۱﴾
Wa zoeroe iew wa naghlien tal 'oehaa hadieem
26:148 "Graanvelden en dadelpalmen met rijpe trossen?"

وَ تَنۡحِتُوۡنَ مِنَ الۡجِبَالِ بُیُوۡتًا فٰرِہِیۡنَ ﴿۹۴۱﴾
Wa tanhietoena mienal djiebaalie boeyoetan faariehieen
26:149 "En jullie houwen met veel vaardigheden huizen uit de bergen.

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۰۵۱﴾
Fattaqoel laaha wa atiee'oen
26:150 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

وَ لَا تُطِیۡعُوۡۤا اَمۡرَ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿۱۵۱﴾
Wa laa toetiee'oeo amral moesriefieen
26:151 "En wees niet gehoorzaam aan de bevelen van de overtreders."

الَّذِیۡنَ یُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا یُصۡلِحُوۡنَ ﴿۲۵۱﴾
Allazieena yoefsiedoena fiel ardie wa laa yoesliehoen
26:152 "Dat zijn degenen die corruptie verspreiden in het land en zich niet herenigen (om iets goed te doen).

قَالُوۡۤا اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مِنَ الۡمُسَحَّرِیۡنَ ﴿۳۵۱﴾
Qaaloeo iennamaa anta mienal moesahharieen
26:153 Ze zeiden: "Voorzeker, jij bent alleen iemand die bezeten is (door een Djien)."

مَاۤ اَنۡتَ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا ۚۖ فَاۡتِ بِاٰیَۃٍ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۴۵۱﴾
Maaa anta iellaa basharoem miesloenaa faatie bie Aayatien ien koenta mienas saadieqieen
26:154 "Jij bent alleen een man net als ons! Breng dus een teken als jij de waarheid spreekt."

قَالَ ہٰذِہٖ نَاقَۃٌ لَّہَا شِرۡبٌ وَّ لَکُمۡ شِرۡبُ یَوۡمٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿۵۵۱﴾
Qaala haaziehiee naaqatoel lahaa shierboew walakoem shierboe yawmiem ma'loem
26:155 Hij (Shalih) zei: "Dit is een vrouwelijke kameel. Voor haar is er een aandeel in het drinken (van het water van de put) en voor jullie is er een aandeel in het drinken, dit op de vast gestelde dagen." (Notitie: Het was een grote kameel. De teken was dat ze veel melk gaf zodat het gehele volk van melk werd voorzien.)

وَ لَا تَمَسُّوۡہَا بِسُوۡٓءٍ فَیَاۡخُذَکُمۡ عَذَابُ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۶۵۱﴾
Wa laa tamassoehaa biesoeo'ien fa yaaghoezakoem 'azaaboe Yawmien 'Azieem
26:156 "Doe haar geen kwaad aan, anders zullen jullie bestraft worden op een zware dag."

فَعَقَرُوۡہَا فَاَصۡبَحُوۡا نٰدِمِیۡنَ ﴿۷۵۱﴾
Fa'aqaroehaa fa asbahoe naadiemieen
26:157 Maar ze verlamde haar. Vervolgens kregen ze spijt.

فَاَخَذَہُمُ الۡعَذَابُ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۸۵۱﴾
Fa aghazahoemoel 'azaab; ienna fiee zaalieka la Aayah; wa maa kaana aksaroehoem moe'mienieen
26:158 Dus greep de straf hen. Voorzeker, daarin is zeker een teken, maar de meeste van hen zijn geen gelovigen.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۹۵۱﴾
Wa ienna Rabbaka la Hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:159 En waarlijk! Jouw Heer, is zonder twijfel Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

کَذَّبَتۡ قَوۡمُ لُوۡطِۣ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۰۶۱﴾
kazzabat qawmoe Loetieniel moersalieen
26:160 (En ook) Het volk van Loeth (Lot) verwierp de boodschappers.

اِذۡ قَالَ لَہُمۡ اَخُوۡہُمۡ لُوۡطٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۶۱﴾
Iz qaala lahoem aghoehoem Loetoen alaa tattaqoen
26:161 Hun broeder Loeth zei tegen hen: "Zijn jullie niet bang (voor Allah voor datgeen wat jullie doen)?"

اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۲۶۱﴾
Inniee lakoem rasoeloen amieen
26:162 "Voorzeker, ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie."

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۳۶۱﴾
Fattaqoel laaha wa atiee'oen
26:163 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۶۱﴾
Wa maaa as'aloekoem 'alaihie mien adjrien ien adjrieya iellaa 'alaa Rabbiel 'aalamieen
26:164 "Ik vraag jullie er geen enkel beloning voor. Mijn beloning ligt bij de Heer van de werelden."

اَتَاۡتُوۡنَ الذُّکۡرَانَ مِنَ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۵۶۱﴾
Ataatoenaz zoekraana mienal 'aalamieen
26:165 "Benaderen jullie de mannen van de mensheid met lust?"

وَ تَذَرُوۡنَ مَا خَلَقَ لَکُمۡ رَبُّکُمۡ مِّنۡ اَزۡوَاجِکُمۡ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ عٰدُوۡنَ ﴿۶۶۱﴾
Wa tazaroena maa ghalaqa lakoem Rabboekoem mien azwaadjiekoem; bal antoem qawmoen 'aadoen
26:166 "En laten jullie de echtgenotes die Allah voor jullie heeft geschapen?! Nee! Jullie zijn een volk dat (de grenzen) overtreed!"

قَالُوۡا لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہِ یٰلُوۡطُ لَتَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡمُخۡرَجِیۡنَ ﴿۷۶۱﴾
Qaloe la'iel lam tantahie yaa Loetoe latakoenanna mienal moeghradjieen
26:167 Ze zeiden: "O Loeth! Als jij niet ophoudt, dan zullen wij jou zeker wegjagen."

قَالَ اِنِّیۡ لِعَمَلِکُمۡ مِّنَ الۡقَالِیۡنَ ﴿۸۶۱﴾
Qaala ienniee lie'amaliekoem mienal qaalieen
26:168 Hij zei: "Voorzeker, ik walg van jullie daden!"

رَبِّ نَجِّنِیۡ وَ اَہۡلِیۡ مِمَّا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۶۱﴾
Rabbie nadjdjdjieniee wa ahliee miemmmaa ya'maloen
26:169 "Mijn Heer! Red mij en mijn familie van datgeen wat ze doen."

فَنَجَّیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۰۷۱﴾
Fanadjdjainaahoe wa ahlahoeo adjma'ieen
26:170 Toen redden Wij hem en zijn gehele familie,

اِلَّا عَجُوۡزًا فِی الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۱۷۱﴾
Illaa 'adjoezan fielghaabierieen
26:171 met uitzondering van een oude vrouw (zijn vrouw). Ze behoorde tot degenen die achterbleven.

ثُمَّ دَمَّرۡنَا الۡاٰخَرِیۡنَ ﴿۲۷۱﴾
Soemma dammarnal aa gharieen
26:172 Vervolgens, vernietigden Wij de anderen.

وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ مَّطَرًا ۚ فَسَآءَ مَطَرُ الۡمُنۡذَرِیۡنَ ﴿۳۷۱﴾
Wa amtarnaa 'alaihiem mataran fasaaa'a mataroel moenzarieen
26:173 En Wij lieten een regen (van stenen) op hen regenen. En zeer slecht was de regen op de degenen die gewaarschuwd waren!

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۴۷۱﴾
Inna fiee zaalieka la Aayah; wa maa kaana aksaroehoem moe'mienieen
26:174 Voorzeker, daarin is zeker een teken, maar de meeste van hen zijn geen gelovigen.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۵۷۱﴾
Wa ienna Rabbaka la Hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:175 En waarlijk! Jouw Heer, is zonder twijfel Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

کَذَّبَ اَصۡحٰبُ لۡـَٔـیۡکَۃِ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۶۷۱﴾
Kazzaba As haaboel Aykatiel moersalieen
26:176 (En ook) De bewoners van 'Aikah' (het woud) verwierpen de boodschappers. (Notitie: De bewoners van Aikah waren mensen die bomen aanbaden. De profeet Shoeaib v.z.m.h. was gezonden naar de bewoners van zowel Aikah als naar de bewoners van de stad Madyan.)

اِذۡ قَالَ لَہُمۡ شُعَیۡبٌ اَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۷۷۱﴾
Iz qaala lahoem Shoe'ayboen alaa tattaqoen
26:177 Shoeaib zei tegen hen: "Zijn jullie niet bang (voor Allah voor datgeen wat jullie doen)?"

اِنِّیۡ لَکُمۡ رَسُوۡلٌ اَمِیۡنٌ ﴿۸۷۱﴾
Inniee lakoem Rasoeloen amieen
26:178 "Voorzeker, ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie."

فَاتَّقُوا اللّٰہَ وَ اَطِیۡعُوۡنِ ﴿۹۷۱﴾
Fattaqoel laaha wa atiee'oen
26:179 "Dus vrees Allah en gehoorzaam mij."

وَ مَاۤ اَسۡـَٔلُکُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ۚ اِنۡ اَجۡرِیَ اِلَّا عَلٰی رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۰۸۱﴾
Wa maaa as'aloekoem 'alaihie mien adjrien ien adjrieya iellaa 'alaa Rabbiel 'aalamieen
26:180 "Ik vraag jullie er geen enkel beloning voor. Mijn beloning ligt bij de Heer van de werelden."

اَوۡفُوا الۡکَیۡلَ وَ لَا تَکُوۡنُوۡا مِنَ الۡمُخۡسِرِیۡنَ ﴿۱۸۱﴾
Awfoel kaila wa laa takoenoe mienal moeghsierieen
26:181 "Geef de volledig hoeveelheid\maat! Behoor niet tot degenen die bedriegen!"

وَ زِنُوۡا بِالۡقِسۡطَاسِ الۡمُسۡتَقِیۡمِ ﴿۲۸۱﴾
Wa zienoe bielqiestaasiel moestaqieem
26:182 "Weeg met een correcte weegschaal."

وَ لَا تَبۡخَسُوا النَّاسَ اَشۡیَآءَہُمۡ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۳۸۱﴾
Wa laa tabghasoen naasa ashyaaa 'ahoem wa laa ta'saw fiel ardie moefsiedieen
26:183 "Stop met het bedriegen met de spullen van mensen! Verricht geen kwaad op aarde om corruptie te verspreiden!"

وَ اتَّقُوا الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ وَ الۡجِبِلَّۃَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۴۸۱﴾
Wattaqoel laziee ghalaqakoem waldjiebiellatal awwalieen
26:184 "Vrees Degenen Die jullie en de oude generaties heeft geschapen."

قَالُوۡۤا اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مِنَ الۡمُسَحَّرِیۡنَ ﴿۵۸۱﴾
Qaaloeo iennamaa anta mienal moesahharieen
26:185 Ze zeiden: "Jij bent alleen iemand die bezeten is (door een Djien)."

وَ مَاۤ اَنۡتَ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا وَ اِنۡ نَّظُنُّکَ لَمِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۶۸۱﴾
Wa maaa anta iellaa basharoem miesloenaa wa iennazoennoeka lamienal kaaziebieen
26:186 "Jij bent alleen een man net als ons. Voorzeker, wij denken dat jij liegt."

فَاَسۡقِطۡ عَلَیۡنَا کِسَفًا مِّنَ السَّمَآءِ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۷۸۱﴾
Fa asqiet 'alainaa kiesafam mienas samaaa'ie ien koenta mienas saadieqieen
26:187 "Laat dan delen van de hemel op ons vallen, als jij de waarheid spreekt!"

قَالَ رَبِّیۡۤ اَعۡلَمُ بِمَا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۸۸۱﴾
Qaala Rabbieee a'lamoe biemaa ta'maloen
26:188 Hij zei: "Mijn Heer weet het beste wat jullie doen."

فَکَذَّبُوۡہُ فَاَخَذَہُمۡ عَذَابُ یَوۡمِ الظُّلَّۃِ ؕ اِنَّہٗ کَانَ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۹۸۱﴾
Fakazzaboehoe fa aghazahoem 'azaaboe Yawmiez zoellah; iennahoe kaana 'azaaba Yawmien 'Azieem
26:189 Maar ze verwierpen hem, dus greep de straf hen op de dag van de schaduw. Voorzeker, het was de straf van een zware dag. (Notitie: Ze vroegen om delen van de hemel te laten vallen. Allah legde hun straf op in de vorm van intense hitte die dagen duurde, en niets kon hen ertegen beschermen. Vervolgens stuurde Hij een wolk om hen schaduw te geven tegen de hitte. Toen ze zich er allemaal onder hadden verzameld, zond Allah vonken van vuur en vlammen en intense hitte naar hen.)

اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً ؕ وَ مَا کَانَ اَکۡثَرُہُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿۰۹۱﴾
Inna fiee zaalieka la Aayah; wa maa kaana aksaroehoem moe'mienieen
26:190 Voorzeker, daarin is zeker een teken, maar de meeste van hen zijn geen gelovigen.

وَ اِنَّ رَبَّکَ لَہُوَ الۡعَزِیۡزُ الرَّحِیۡمُ ﴿۱۹۱﴾
Wa ienna Rabbaka la hoewal 'Azieezoer Rahieem
26:191 En waarlijk! Jouw Heer, is zonder twijfel Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

وَ اِنَّہٗ لَتَنۡزِیۡلُ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۲۹۱﴾
Wa iennahoe latanzieeloe Rabbiel 'aalamieen
26:192 En zonder twijfel, het (de Koran) is zeker een openbaring van de Heer van de werelden.

نَزَلَ بِہِ الرُّوۡحُ الۡاَمِیۡنُ ﴿۳۹۱﴾
Nazala biehier Roehoel Amieen
26:193 De betrouwbare 'Ruh' (Djibriel/Gabriël) heeft het naar beneden gebracht,

عَلٰی قَلۡبِکَ لِتَکُوۡنَ مِنَ الۡمُنۡذِرِیۡنَ ﴿۴۹۱﴾
'Alaa qalbieka lietakoena mienal moenzierieen
26:194 in jouw hart. Zodat jij (Mohammed v.z.m.h.) kan waarschuwen,

بِلِسَانٍ عَرَبِیٍّ مُّبِیۡنٍ ﴿۵۹۱﴾
Bieliesaanien 'Arabieyyiem moebieen
26:195 in een duidelijke Arabische taal.

وَ اِنَّہٗ لَفِیۡ زُبُرِ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿۶۹۱﴾
Wa iennahoe lafiee Zoeboeriel awwalieen
26:196 En voorzeker, het is vermeld in de schriften van de voormalige mensen. (Notitie: zie de aankondiging van de profeet Mohammed in Thora/Bijbel Deuteronomium 18:18 en Jesaja 29:12.)

اَوَ لَمۡ یَکُنۡ لَّہُمۡ اٰیَۃً اَنۡ یَّعۡلَمَہٗ عُلَمٰٓؤُا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۷۹۱﴾
Awalam yakoel lahoem Aayatan ay ya'lamahoe 'oelamaaa'oe Banieee Israaa'ieel
26:197 Is het geen teken voor hen (de Arabieren), dat de geleerden van de Kinderen van Israël het weten?

وَ لَوۡ نَزَّلۡنٰہُ عَلٰی بَعۡضِ الۡاَعۡجَمِیۡنَ ﴿۸۹۱﴾
Wa law nazzalnaahoe 'alaa ba'diel a'djamieen
26:198 Als Wij het aan iemand anders hadden geopenbaard, die geen Arabier was,

فَقَرَاَہٗ عَلَیۡہِمۡ مَّا کَانُوۡا بِہٖ مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۹۹۱﴾
Faqara ahoe 'alaihiem maa kaanoe biehiee moe'mienieen
26:199 en vervolgens had hij het aan hen (de Arabieren) gereciteerd, dan zouden ze het in zijn geheel er niet in geloven.

کَذٰلِکَ سَلَکۡنٰہُ فِیۡ قُلُوۡبِ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۰۰۲﴾
Kazaalieka salaknaahoe fiee qoeloebiel moedjriemieen
26:200 (Echter,) op deze manier hebben Wij het in de harten van de misdadigers erin gezet.

لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِہٖ حَتّٰی یَرَوُا الۡعَذَابَ الۡاَلِیۡمَ ﴿۱۰۲﴾
Laa yoe'mienoena biehiee hattaa yarawoel 'azaabal alieem
26:201 (Maar) ze zullen er niet in geloven (aan toegeven), totdat ze de pijnlijke straf zien.

فَیَاۡتِیَہُمۡ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۲۰۲﴾
Fayaatieyahoem baghtataw wa hoem laa yash'oeroen
26:202 Het zal plotseling tot hen komen, terwijl ze het niet zullen beseffen.

فَیَقُوۡلُوۡا ہَلۡ نَحۡنُ مُنۡظَرُوۡنَ ﴿۳۰۲﴾
Fa yaqoeloe hal nahnoe moenzaroen
26:203 Dan zullen ze zeggen: "Kunnen we uitstel krijgen?"

اَفَبِعَذَابِنَا یَسۡتَعۡجِلُوۡنَ ﴿۴۰۲﴾
Afabie 'azaabienaa yasta'djieloen
26:204 Dus wensen ze om Onze straf te verhaasten?

اَفَرَءَیۡتَ اِنۡ مَّتَّعۡنٰہُمۡ سِنِیۡنَ ﴿۵۰۲﴾
Afara'aita iem matta'naahoem sienieen
26:205 Heb jij dan niet gezien dat, als Wij hen voor jaren laten genieten,

ثُمَّ جَآءَہُمۡ مَّا کَانُوۡا یُوۡعَدُوۡنَ ﴿۶۰۲﴾
Soemma djaaa'ahoem maa kaanoe yoe'adoen
26:206 vervolgens komt datgeen wat hen beloofd was (de straf),

مَاۤ اَغۡنٰی عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یُمَتَّعُوۡنَ ﴿۷۰۲﴾
Maaa aghnaaa 'anhoem maa kaanoe yoematta'oen
26:207 het genot wat hen gegeven was, geen nut voor hen zal hebben?

وَ مَاۤ اَہۡلَکۡنَا مِنۡ قَرۡیَۃٍ اِلَّا لَہَا مُنۡذِرُوۡنَ ﴿۸۰۲﴾
Wa maaa ahlaknaa mien qaryatien iellaa lahaa moenzieroen
26:208 En elke stad die Wij hebben vernietigd had waarschuwers

ذِکۡرٰی ۟ۛ وَ مَا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۹۰۲﴾
Ziekraa wa maa koennaa zaaliemieen
26:209 voor het herdenken (van de misdaden en terug te keren naar het gedenken van Allah). Wij waren niet onrechtvaardig.

وَ مَا تَنَزَّلَتۡ بِہِ الشَّیٰطِیۡنُ ﴿۰۱۲﴾
Wa maa tanazzalat biehiesh Shayaatieen
26:210 En de satans hebben het (de Koran) niet naar beneden gebracht.

وَ مَا یَنۡۢبَغِیۡ لَہُمۡ وَ مَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ ﴿۱۱۲﴾
Wa maa yambaghiee lahoem wa maa yastatiee'oen
26:211 Het past hen niet, noch zijn ze in staat (om het te doen).

اِنَّہُمۡ عَنِ السَّمۡعِ لَمَعۡزُوۡلُوۡنَ ﴿۲۱۲﴾
Innahoem 'anies sam'ie lama'zoeloen
26:212 Voorzeker, ze zijn verbannen om het (zelfs) te horen. (Notitie: Zie 23:97 en 22:52)

فَلَا تَدۡعُ مَعَ اللّٰہِ اِلٰـہًا اٰخَرَ فَتَکُوۡنَ مِنَ الۡمُعَذَّبِیۡنَ ﴿۳۱۲﴾
Falaa tad'oe ma'al laahie ielaahan aaghara fatakoena mienal moe'azzabieen
26:213 Dus roep geen andere godheden (piers, bemiddelaars, heilige mensen, profeten, etc.) met Allah aan, anders zal je behoren tot degenen die worden bestraft.

وَ اَنۡذِرۡ عَشِیۡرَتَکَ الۡاَقۡرَبِیۡنَ ﴿۴۱۲﴾
Wa anzier 'ashieeratakal aqrabieen
26:214 En waarschuw jouw dichtbij zijnde verwanten\familie.

وَ اخۡفِضۡ جَنَاحَکَ لِمَنِ اتَّبَعَکَ مِنَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۱۲﴾
Waghfied djanaahaka liemaniet taba 'aka mienal moe'mienieen
26:215 En wees nederig en zacht tegen de gelovigen die jou volgen.

فَاِنۡ عَصَوۡکَ فَقُلۡ اِنِّیۡ بَرِیۡٓءٌ مِّمَّا تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۶۱۲﴾
Fa ien asawka faqoel ienniee barieee'oem miemmmaa ta'maloen
26:216 Maar als ze jouw ongehoorzamen zeg dan: "Voorzeker, ik ben niet schuldig voor wat jullie doen."

وَ تَوَکَّلۡ عَلَی الۡعَزِیۡزِ الرَّحِیۡمِ ﴿۷۱۲﴾
Wa tawakkal alal 'Azieezier Rahieem
26:217 En zet je vertrouwen op Al-Aziez (de Almachtige), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe).

الَّذِیۡ یَرٰىکَ حِیۡنَ تَقُوۡمُ ﴿۸۱۲﴾
Allaziee yaraaka hieena taqoem
26:218 Degene Die jou ziet als jij staat (te bidden).

وَ تَقَلُّبَکَ فِی السّٰجِدِیۡنَ ﴿۹۱۲﴾
Wa taqalloebaka fies saadjiedieen
26:219 En jouw bewegingen ziet samen met degenen die prostreren.

اِنَّہٗ ہُوَ السَّمِیۡعُ الۡعَلِیۡمُ ﴿۰۲۲﴾
Innahoe Hoewas Samiee'oel 'Alieem
26:220 Voorwaar, Hij is As-Samie'oe (de Alhorende), Al-Aliem (de Alwetend).

ہَلۡ اُنَبِّئُکُمۡ عَلٰی مَنۡ تَنَزَّلُ الشَّیٰطِیۡنُ ﴿۱۲۲﴾
Hal oenabbie'oekoem 'alaa man tanazzaloesh Shayaatieen
26:221 Zal ik jou informeren tot wie de satans neerdalen? (Notitie: Er werd gezegd dat profeet Mohammed v.z.m.h. bezeten was en dus dat de Koran het werk is van de satan, zie o.a. 25:8.)

تَنَزَّلُ عَلٰی کُلِّ اَفَّاکٍ اَثِیۡمٍ ﴿۲۲۲﴾
Tanazzaloe 'alaa koellie affaakien asieem
26:222 Ze dalen neer tot elke zondige leugenaar. (Notitie: waarzeggers, voorspellers, etc.)

یُّلۡقُوۡنَ السَّمۡعَ وَ اَکۡثَرُہُمۡ کٰذِبُوۡنَ ﴿۳۲۲﴾
Yoelqoenas sam'a wa aksaroehoem kaazieboen
26:223 Ze (satans) geven datgeen door wat ze horen (uit de hemel of het ongeziene/Ghayb), echter de meeste van hen zijn leugenaars. (Notitie: de satans proberen te horen wat er in de hemelen wordt gezegd, en ze proberen informatie van het ongeziene te krijgen, dan voegen ze er leugens aan toe en vervolgens vertellen ze het aan de mensen\waarzeggers, etc. Zie 72:9)

وَ الشُّعَرَآءُ یَتَّبِعُہُمُ الۡغَاوٗنَ ﴿۴۲۲﴾
Washshoe 'araaa'oe yattabie 'oehoemoel ghaawoen
26:224 Wat betreft de dichters, alleen de afwijkers (van het rechte pad) volgen hen. (Notitie: Mohammed v.z.m.h. werd uitgemaakt als dichter, zie 21:5.)

اَلَمۡ تَرَ اَنَّہُمۡ فِیۡ کُلِّ وَادٍ یَّہِیۡمُوۡنَ ﴿۵۲۲﴾
Alam tara annahoem fiee koellie waadiey yahieemoen
26:225 Zie je niet dat ze (de dichters) ronddwalen in iedere vallei (voor inspiratie)?

وَ اَنَّہُمۡ یَقُوۡلُوۡنَ مَا لَا یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۶۲۲﴾
Wa annahoem yaqoeloena ma laa yaf'aloen
26:226 En dat ze niet doen wat ze zeggen.

اِلَّا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ وَ ذَکَرُوا اللّٰہَ کَثِیۡرًا وَّ انۡتَصَرُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِ مَا ظُلِمُوۡا ؕ وَ سَیَعۡلَمُ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡۤا اَیَّ مُنۡقَلَبٍ یَّنۡقَلِبُوۡنَ ﴿۷۲۲﴾
Illal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie wa zakaroel laaha kasieeraw wantasaroe mien ba'die maa zoeliemoe; wa saya'lamoel lazieena zalamoeo aiya moenqalabiey yanqalieboen
26:227 Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en vaak Allah gedenken (dat zijn degenen die beloftes nakomen). En die zichzelf verdedigen nadat hun onrecht is aangedaan. De misdadigers zullen (spoedig) te weten komen naar wat ze zullen terug keren!

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
طٰسٓ ۟ تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡقُرۡاٰنِ وَ کِتَابٍ مُّبِیۡنٍ ۙ﴿۱﴾
Taa-Sieeen; tielka Aayaatoel Qoer-aanie wa Kietaabiem Moebieen
27:1 Toaa Sieeen. Dit zijn de verzen van de Koran, een duidelijk boek.

ہُدًی وَّ بُشۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ۙ﴿۲﴾
Hoedaw wa boeshraa liel moe'mienieen
27:2 (Het is) Een leiding en een aankondiging van het goede nieuws (het paradijs) voor de gelovigen.

الَّذِیۡنَ یُقِیۡمُوۡنَ الصَّلٰوۃَ وَ یُؤۡتُوۡنَ الزَّکٰوۃَ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ ہُمۡ یُوۡقِنُوۡنَ ﴿۳﴾
Allazieena yoeqieemoenas Salaata wa yoe'toenaz Zakaata wa hoem biel Aaghieratie hoem yoeqienoen
27:3 (Dat zijn) Degenen die de 'Salaat' (het gebed) onderhouden en de zakaat (de arme belasting) geven en die sterk in (het bestaan van) het hiernamaals geloven.

اِنَّ الَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ بِالۡاٰخِرَۃِ زَیَّنَّا لَہُمۡ اَعۡمَالَہُمۡ فَہُمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ؕ﴿۴﴾
Innal lazieena laa yoe'mienoena biel Aaghieratie zaiyannaa lahoem a'maalahoem fahoem ya'mahoen
27:4 Voorzeker, (wat betreft) degenen die niet in het hiernamaals geloven, Wij hebben hun daden aangenaam voor hen gemaakt, dus dwalen ze als een blinde rond.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ لَہُمۡ سُوۡٓءُ الۡعَذَابِ وَ ہُمۡ فِی الۡاٰخِرَۃِ ہُمُ الۡاَخۡسَرُوۡنَ ﴿۵﴾
Oelaaa'iekal lazieena lahoem soeo'oel 'azaabie wa hoem fiel Aaghieratie hoemoel aghsaroen
27:5 Zij zijn degenen voor wie er een slechte straf is. Ze zullen de grootste verliezers zijn in het Hiernamaals.

وَ اِنَّکَ لَتُلَقَّی الۡقُرۡاٰنَ مِنۡ لَّدُنۡ حَکِیۡمٍ عَلِیۡمٍ ﴿۶﴾
Wa iennaka latoelaqqal Qoer-aana miel ladoen Hakieemien 'Alieem
27:6 En voorzeker, zonder twijfel jij ontvangt de Koran van Al-Hakiem (de Alwijze), Al-Aliem (de Alwetende).

اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِاَہۡلِہٖۤ اِنِّیۡۤ اٰنَسۡتُ نَارًا ؕ سَاٰتِیۡکُمۡ مِّنۡہَا بِخَبَرٍ اَوۡ اٰتِیۡکُمۡ بِشِہَابٍ قَبَسٍ لَّعَلَّکُمۡ تَصۡطَلُوۡنَ ﴿۷﴾
Iz qaala Moesaa lie ahliehieee iennieee aanastoe naaran sa'aatieekoem mienhaa bieghabarien aw aatieekoem bieshiehaabien qabasiel la'allakoem tastaloen
27:7(Gedenk) toen Moesa (Mozes) tot zijn familie zei: "Waarlijk, ik zie een vuur. Misschien kan ik er informatie vinden (van de mensen die daar zijn) en anders breng ik een fakkel zodat jullie jezelf kunnen verwarmen." (Notitie: zie ook 20:10 en 28:29)

فَلَمَّا جَآءَہَا نُوۡدِیَ اَنۡۢ بُوۡرِکَ مَنۡ فِی النَّارِ وَ مَنۡ حَوۡلَہَا ؕ وَ سُبۡحٰنَ اللّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸﴾
Falammaa djaaa'ahaa noedieya am boerieka man fiennnnaarie wa man hawlahaa wa Soebhaanal laahie Rabbiel 'aalamieen
27:8 Echter, toen hij het bereikte, werd hij geroepen: "Gezegend is datgeen wat in het vuur (licht) is en ook wie er omheen is (de engelen). Soebhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) is Allah de Heer van de werelden."

یٰمُوۡسٰۤی اِنَّہٗۤ اَنَا اللّٰہُ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ۙ﴿۹﴾
Yaa Moesaaa iennahoeo Anal laahoel 'Azieezoel Hakieem
27:9 "O Moesa! Voorzeker, Ik ben Allah, Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Alwijze)."

وَ اَلۡقِ عَصَاکَ ؕ فَلَمَّا رَاٰہَا تَہۡتَزُّ کَاَنَّہَا جَآنٌّ وَّلّٰی مُدۡبِرًا وَّ لَمۡ یُعَقِّبۡ ؕ یٰمُوۡسٰی لَا تَخَفۡ ۟ اِنِّیۡ لَا یَخَافُ لَدَیَّ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۰۱﴾
Wa alqie 'asaak; falammmaa ra aahaa tahtazzoe ka annahaa djaaannoew wallaa moedbieraw wa lam yoe'aqqieb; yaa Moesaa laa taghaf ienniee laa yaghaafoe ladaiyal moersaloen
27:10 "En werp jouw staf!" Maar toen hij het zag bewegen alsof het een slang was, draaide hij zich om, om te vluchten en keek niet achterom. "O Moesa! Wees niet bang, in Mijn Aanwezigheid zijn de boodschappers niet bang!"

اِلَّا مَنۡ ظَلَمَ ثُمَّ بَدَّلَ حُسۡنًۢا بَعۡدَ سُوۡٓءٍ فَاِنِّیۡ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۱﴾
Illaa man zalama soemma baddala hoesnam ba'da soeo'ien fa ienniee Ghafoeroer Rahieem
27:11 "Degene die fouten begaan, en die dan het kwade (de slechte daden) verruilt voor het goede (goede daden), weet dan dat Ik Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe) ben."

وَ اَدۡخِلۡ یَدَکَ فِیۡ جَیۡبِکَ تَخۡرُجۡ بَیۡضَآءَ مِنۡ غَیۡرِ سُوۡٓءٍ ۟ فِیۡ تِسۡعِ اٰیٰتٍ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ قَوۡمِہٖ ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا فٰسِقِیۡنَ ﴿۲۱﴾
Wa adghiel yadaka fiee djaibieka taghroedj baidaaa'a mien ghairiesoeo'ien fieeties'ie Aayaatien ielaa Fier'awna wa qawmieh; iennahoem kaanoe qawman faasieqieen
27:12 "En verberg je hand onder jouw bovenkleding. Het zal wit (en schijnend) worden, zonder enige ziekte. Dit behoort tot één van de negen tekenen voor Farao en zijn volk. Voorzeker, ze zijn een provocerende ongehoorzame volk!"

فَلَمَّا جَآءَتۡہُمۡ اٰیٰتُنَا مُبۡصِرَۃً قَالُوۡا ہٰذَا سِحۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۳۱﴾
Falammaa djaaa'at hoem Aayaatoenaa moebsieratan qaaloe haazaa siehroem moebieen
27:13 Maar toen Onze zichtbare tekenen tot hen kwamen, zeiden ze: "Het is duidelijk dat dit een magische truc is!"

وَ جَحَدُوۡا بِہَا وَ اسۡتَیۡقَنَتۡہَاۤ اَنۡفُسُہُمۡ ظُلۡمًا وَّ عُلُوًّا ؕ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۴۱﴾
Wa djahadoe biehaa wastaiqanat haaa anfoesoehoem zoelmanw-wa 'oeloewwaa; fanzoer kaifa kaana 'aaqiebatoel moefsiedieen
27:14 En ze verwierpen hen (de tekenen) op basis van onrechtvaardigheid (om hun daden in stand te houden) en hoogmoedigheid, ondanks dat ze er overtuigd van waren. Dus zie hoe het einde was van de verderfzaaiers!

وَ لَقَدۡ اٰتَیۡنَا دَاوٗدَ وَ سُلَیۡمٰنَ عِلۡمًا ۚ وَ قَالَا الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ فَضَّلَنَا عَلٰی کَثِیۡرٍ مِّنۡ عِبَادِہِ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۵۱﴾
Wa laqad aatainaa Daawoeda wa soelaimaana 'ielmaa; wa qaalal hamdoe liel laahiel laziee faddalanaa 'alaa kasieeriem mien 'iebaadiehiel moe'mienieen
27:15 En waarlijk, Wij gaven kennis aan Dawoed (David) en Soelaiman (Solomon), ze zeiden: "Al-Hamd (alle lof en dank) komt Allah toe, Degene Die ons gekozen heeft boven vele van Zijn gelovige dienaren."

وَ وَرِثَ سُلَیۡمٰنُ دَاوٗدَ وَ قَالَ یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ عُلِّمۡنَا مَنۡطِقَ الطَّیۡرِ وَ اُوۡتِیۡنَا مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ ؕ اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ الۡفَضۡلُ الۡمُبِیۡنُ ﴿۶۱﴾
Wa wariesa Soelaimaanoe Daawoeda wa qaala yaaa aiyoehan naasoe 'oelliemnaa mantieqat tairie wa oetieenaa mien koellie shai'ien ienna haazaa lahoewal fadloel moebieen
27:16 En Soelaiman volgde Dawoed op (als profeet). Hij zei: "O mensen! De taal van de vogels is ons onderwezen en aan ons is alles gegeven. Voorzeker, dit is de duidelijke gunst (van Allah)!

وَ حُشِرَ لِسُلَیۡمٰنَ جُنُوۡدُہٗ مِنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ وَ الطَّیۡرِ فَہُمۡ یُوۡزَعُوۡنَ ﴿۷۱﴾
Wa hoeshiera Soelaimaana djoenoedoehoe mienal djiennie wal iensie wattairie fahoem yoeza'oen
27:17 En voor Soelaiman werden zijn troepen van djiens, mensen en vogels in rijen opgesteld.

حَتّٰۤی اِذَاۤ اَتَوۡا عَلٰی وَادِ النَّمۡلِ ۙ قَالَتۡ نَمۡلَۃٌ یّٰۤاَیُّہَا النَّمۡلُ ادۡخُلُوۡا مَسٰکِنَکُمۡ ۚ لَا یَحۡطِمَنَّکُمۡ سُلَیۡمٰنُ وَ جُنُوۡدُہٗ ۙ وَ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۸۱﴾
hattaaa iezaaa ataw 'alaa waadien namlie qaalat namlatoey yaaa aiyoehan namloed ghoeloe masaakienakoem laa yahtiemannakoem Soelaimaanoe wa djoenoedoehoe wa hoem laa yash'oeroen
27:18 Toen ze bij de mieren-vallei kwamen, zei een (Koningin) mier:" O mieren! Ga naar jullie nesten, zodat Soelaiman en zijn troepen jullie niet zullen vertrappen, terwijl ze het niet beseffen!"

فَتَبَسَّمَ ضَاحِکًا مِّنۡ قَوۡلِہَا وَ قَالَ رَبِّ اَوۡزِعۡنِیۡۤ اَنۡ اَشۡکُرَ نِعۡمَتَکَ الَّتِیۡۤ اَنۡعَمۡتَ عَلَیَّ وَ عَلٰی وَالِدَیَّ وَ اَنۡ اَعۡمَلَ صَالِحًا تَرۡضٰىہُ وَ اَدۡخِلۡنِیۡ بِرَحۡمَتِکَ فِیۡ عِبَادِکَ الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۹۱﴾
Fatabassama daahiekam mien qawliehaa wa qaala Rabbie awzie'niee an ashkoera nie'mata kal latieee an'amta 'alaiya wa 'alaa waaliedaiya wa an a'mala saaliehan tardaahoe wa adghielniee bierahmatieka fiee 'iebaadiekas saaliehieen
27:19 Dus glimlachte hij, lachend naar aanleiding van haar oproep en zei: "Mijn Heer! Schenk mij macht om U te bedanken voor Uw gunsten die U aan mij en mijn ouders heeft geschonken en zodat ik rechtvaardige daden kan doen, die U moge behagen. En laat mij toe met Uw Barmhartigheid tot (het paradijs bij) Uw rechtvaardige dienaren."

وَ تَفَقَّدَ الطَّیۡرَ فَقَالَ مَا لِیَ لَاۤ اَرَی الۡہُدۡہُدَ ۫ۖ اَمۡ کَانَ مِنَ الۡغَآئِبِیۡنَ ﴿۰۲﴾
Wa tafaqqadat taira faqaala maa lieya laaa araa al hoedhoeda, am kaana mienal ghaaa'iebieen
27:20 (Gedenk toen) hij de vogels inspecteerde en zei: "Waarom zie ik de Hoedhoed (de hop vogel) niet of is hij absent (zonder het te melden)?"

لَاُعَذِّبَنَّہٗ عَذَابًا شَدِیۡدًا اَوۡ لَاَاذۡبَحَنَّہٗۤ اَوۡ لَیَاۡتِیَنِّیۡ بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۱۲﴾
La-oe'azziebanahoe 'azaaban shadieedan aw la azbahannahoe aw layaatieyanniee biesoeltaaniem moebieen
27:21 Ik zal hem zeker zwaar straffen of hem slachten tenzij hij met een duidelijke verklaring komt (voor zijn afwezigheid)."

فَمَکَثَ غَیۡرَ بَعِیۡدٍ فَقَالَ اَحَطۡتُّ بِمَا لَمۡ تُحِطۡ بِہٖ وَ جِئۡتُکَ مِنۡ سَبَاٍۭ بِنَبَاٍ یَّقِیۡنٍ ﴿۲۲﴾
Famakasa ghaira ba'ieedien faqaala ahattoe biemaa lam toehiet biehiee wa djie'toeka mien Sabaim bienaba ieny-yaqieen
27:22 Maar hij was niet lang afwezig. Hij zei: "Ik bevat informatie die je niet hebt. Ik kom van Saba (Sheba\Seba) met overtuigend nieuws."

اِنِّیۡ وَجَدۡتُّ امۡرَاَۃً تَمۡلِکُہُمۡ وَ اُوۡتِیَتۡ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ لَہَا عَرۡشٌ عَظِیۡمٌ ﴿۳۲﴾
Inniee wadjattoem ra atan tamliekoehoem wa oetieyat mien koellie shai'iew wa lahaa 'arshoen 'azieem
27:23 "Voorzeker, ik zag een heersende koningin, die alles had. Ze had een geweldige troon."

وَجَدۡتُّہَا وَ قَوۡمَہَا یَسۡجُدُوۡنَ لِلشَّمۡسِ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ زَیَّنَ لَہُمُ الشَّیۡطٰنُ اَعۡمَالَہُمۡ فَصَدَّہُمۡ عَنِ السَّبِیۡلِ فَہُمۡ لَا یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۴۲﴾
Wadjattoehaa wa qawmahaa yasdjoedoena lieshshamsie mien doeniel laahie wa zaiyana lahoemoesh Shaitaanoe a'maalahoem fasaddahoem 'anies sabieelie fahoem laa yahtadoen
27:24 "Ik zag dat zij en haar volk prostreren voor de zon in plaats voor Allah. De satan heeft hun daden aantrekkelijk\schoonschijnend gemaakt en hun afgewend van het rechte pad. Ze worden dus niet geleid, "

اَلَّا یَسۡجُدُوۡا لِلّٰہِ الَّذِیۡ یُخۡرِجُ الۡخَبۡءَ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ یَعۡلَمُ مَا تُخۡفُوۡنَ وَ مَا تُعۡلِنُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Allaa yasdjoedoe liellaahiel laziee yoeghriedjoel ghab'a fies samaawaatie wal ardie wa ya'lamoe maa toeghfoena wa maa toe'lienoen
27:25 "naar het prostreren voor Allah. Degene Die datgeen voort brengt wat verbogen in de hemelen en de aarde is en weet wat jullie verbergen en openlijk doen."

اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ رَبُّ الۡعَرۡشِ الۡعَظِیۡمِ ﴿۶۲﴾
Allaahoe laaa ielaaha iellaa Hoewa Rabboel 'Arshiel Azieem
27:26 "Allah, er is geen (andere) godheid/deïteit dan Hem, Heer van de geweldige troon." (Notitie: Prostratie/Sajdah Tilawat is vereist.)

قَالَ سَنَنۡظُرُ اَصَدَقۡتَ اَمۡ کُنۡتَ مِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۷۲﴾
Qaala sananzoeroe asadaqta am koenta mienal kaaziebieen
27:27 Hij (Soelaiman) zei: "We zullen zien of jij de waarheid spreekt of liegt."

اِذۡہَبۡ بِّکِتٰبِیۡ ہٰذَا فَاَلۡقِہۡ اِلَیۡہِمۡ ثُمَّ تَوَلَّ عَنۡہُمۡ فَانۡظُرۡ مَا ذَا یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۸۲﴾
Izhab biekietaabiee haaza fa alqieh ielaihiem soemmma tawalla 'anhoem fanzoer maazaa yardjie'oen
27:28 "Ga met deze brief en geef het aan hen. Vervolgens ga weg en kijk wat ze dan teruggeven."

قَالَتۡ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَؤُا اِنِّیۡۤ اُلۡقِیَ اِلَیَّ کِتٰبٌ کَرِیۡمٌ ﴿۹۲﴾
Qaalat yaaa aiyoehal mala'oe ienniee oelqieya ielaiya kietaaboen karieem
27:29 Ze zei: "O ministers! Voorwaar, er is een nobele brief aan mij bezorgd."

اِنَّہٗ مِنۡ سُلَیۡمٰنَ وَ اِنَّہٗ بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ ﴿۰۳﴾
Innahoe mien Soelaimaana wa iennahoe biesmiel laahier Rahmaanier Rahieem
27:30 "Het is van Soelaiman. Er staat: "In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige, Die barmhartig is voor iedereen. De barmhartigheid is tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)."

اَلَّا تَعۡلُوۡا عَلَیَّ وَ اۡتُوۡنِیۡ مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۱۳﴾
Allaa ta'loe 'alaiya waa toeniee moesliemieen
27:31 "Verhef uzelf niet boven mij, maar kom naar mij toe als een moslimiena (een vrouw die zich overgegeven heeft aan Allah)."

قَالَتۡ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَؤُا اَفۡتُوۡنِیۡ فِیۡۤ اَمۡرِیۡ ۚ مَا کُنۡتُ قَاطِعَۃً اَمۡرًا حَتّٰی تَشۡہَدُوۡنِ ﴿۲۳﴾
Qaalat yaaa aiyoehal mala'oe aftoeniee fiee amriee maa koentoe qaatie'atan amran hattaa tashhhadoen
27:32 Ze zei: "O ministers! Adviseer mij in mijn zaak. Ik zal geen besluit nemen over een zaak voordat jullie mij adviseren."

قَالُوۡا نَحۡنُ اُولُوۡا قُوَّۃٍ وَّ اُولُوۡا بَاۡسٍ شَدِیۡدٍ ۬ۙ وَّ الۡاَمۡرُ اِلَیۡکِ فَانۡظُرِیۡ مَاذَا تَاۡمُرِیۡنَ ﴿۳۳﴾
Qaaloe nahnoe oeloe qoewwatiew wa oeloe baasien shadieed; wal amroe ielaikie fanzoeriee maazaa taamoerieen
27:33 Ze zeiden: "Wij bezitten kracht en een grote macht (veel troepen). Het bevel behoort aan u. Dus kijk maar wat u wilt."

قَالَتۡ اِنَّ الۡمُلُوۡکَ اِذَا دَخَلُوۡا قَرۡیَۃً اَفۡسَدُوۡہَا وَ جَعَلُوۡۤا اَعِزَّۃَ اَہۡلِہَاۤ اَذِلَّۃً ۚ وَ کَذٰلِکَ یَفۡعَلُوۡنَ ﴿۴۳﴾
Qaalat iennal moeloeka iezaa daghaloe qaryatan afsadoehaa wa dja'aloeo a'iezzata ahliehaaa aziellah; wa kazaalieka yaf'aloen
27:34 Ze zei: "Koningen ruineren\plunderen een stad wanneer ze een stad aanvallen. En ze maken de meest eerbare mensen tot de laagste mensen. Dat is wat ze doen."

وَ اِنِّیۡ مُرۡسِلَۃٌ اِلَیۡہِمۡ بِہَدِیَّۃٍ فَنٰظِرَۃٌۢ بِمَ یَرۡجِعُ الۡمُرۡسَلُوۡنَ ﴿۵۳﴾
Wa ienniee moersielatoen ielaihiem biehadieyyatien fanaazieratoem biema yardjie'oel moersaloen
27:35 "Ik zal hen een cadeau sturen en kijken wat de bodes mee terug brengen." (Notitie: ze wilde Soelaiman omkopen met een cadeau zodat hij haar niet zou aanvallen.)

فَلَمَّا جَآءَ سُلَیۡمٰنَ قَالَ اَتُمِدُّوۡنَنِ بِمَالٍ ۫ فَمَاۤ اٰتٰىنَِۧ اللّٰہُ خَیۡرٌ مِّمَّاۤ اٰتٰىکُمۡ ۚ بَلۡ اَنۡتُمۡ بِہَدِیَّتِکُمۡ تَفۡرَحُوۡنَ ﴿۶۳﴾
Falammaa djaaa'a Soelaimaana qaala atoemieddoenanie biemaalien famaaa aataanieyal laahoe ghairoem miemmmaaa aataakoem bal antoem biehadiey-yatiekoem tafrahoen
27:36 Toen het (cadeau) tot Soelaiman kwam, zei hij: "Willen jullie mij rijkdom geven? Wat Allah aan mij heeft gegeven is veel beter dan wat hij jullie heeft gegeven. Nee! Genieten jullie maar zelf van jullie cadeau."

اِرۡجِعۡ اِلَیۡہِمۡ فَلَنَاۡتِیَنَّہُمۡ بِجُنُوۡدٍ لَّا قِبَلَ لَہُمۡ بِہَا وَ لَنُخۡرِجَنَّہُمۡ مِّنۡہَاۤ اَذِلَّۃً وَّ ہُمۡ صٰغِرُوۡنَ ﴿۷۳﴾
Irdjie' ielaihiem falanaatieyan nahoem biedjoenoediel laa qiebala lahoem biehaa wa lanoeghrie djannahoem mienhaaa aziellataw wa hoem saaghieroen
27:37 "Geef het (cadeau) terug aan hen (de bodes). Waarlijk, wij zullen naar hen toe gaan met troepen. Ze zullen er niet tegen kunnen verzetten. Wij zullen hen met vernedering er uit drijven. Ze zullen totaal vernederd worden!"

قَالَ یٰۤاَیُّہَا الۡمَلَؤُا اَیُّکُمۡ یَاۡتِیۡنِیۡ بِعَرۡشِہَا قَبۡلَ اَنۡ یَّاۡتُوۡنِیۡ مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۸۳﴾
Qaala yaaa aiyoehal mala'oe aiyoekoem yaatieeniee bie'arshiehaa qabla ay yaatoeniee moesliemieen
27:38 Hij zei (nadat de bodes wegwaren): "O ministers! Wie van jullie zal mij, haar troon brengen, voordat ze als moslims tot mij komen?"

قَالَ عِفۡرِیۡتٌ مِّنَ الۡجِنِّ اَنَا اٰتِیۡکَ بِہٖ قَبۡلَ اَنۡ تَقُوۡمَ مِنۡ مَّقَامِکَ ۚ وَ اِنِّیۡ عَلَیۡہِ لَقَوِیٌّ اَمِیۡنٌ ﴿۹۳﴾
Qaala 'iefrieetoem mienal djiennie ana aatieeka biehiee qabla an taqoema miem maqaamieka wa ienniee 'alaihie laqawieyyoen amieen
27:39 Een Ifriet (sterke Djien) zei: "Ik zal het tot u brengen, nog voordat u opstaat. Voorzeker, ik ben sterk en betrouwbaar."

قَالَ الَّذِیۡ عِنۡدَہٗ عِلۡمٌ مِّنَ الۡکِتٰبِ اَنَا اٰتِیۡکَ بِہٖ قَبۡلَ اَنۡ یَّرۡتَدَّ اِلَیۡکَ طَرۡفُکَ ؕ فَلَمَّا رَاٰہُ مُسۡتَقِرًّا عِنۡدَہٗ قَالَ ہٰذَا مِنۡ فَضۡلِ رَبِّیۡ ۟ۖ لِیَبۡلُوَنِیۡۤ ءَاَشۡکُرُ اَمۡ اَکۡفُرُ ؕ وَ مَنۡ شَکَرَ فَاِنَّمَا یَشۡکُرُ لِنَفۡسِہٖ ۚ وَ مَنۡ کَفَرَ فَاِنَّ رَبِّیۡ غَنِیٌّ کَرِیۡمٌ ﴿۰۴﴾
Qaalal laziee iendahoe 'ielmoem mienal Kietaabie ana aatieeka biehiee qabla ay yartadda ielaika tarfoek; falammaa ra aahoe moestaqierran 'iendahoe qaala haazaa mien fadlie Rabbiee lie yabloewanieee 'a-ashkoeroe am akfoeroe wa man shakara fa iennamaa yashkoeroe lienafsiehiee wa man kafara fa ienna Rabbiee Ghanieyyoen Karieem
27:40 Iemand met kennis van het boek (van Allah en dus met een hoge imaan), zei: "Ik zal het brengen, nog voordat uw zicht terugkeert (wanneer u met uw ogen knippert)." Toen hij het (de troon) voor hem zag staan, zei hij (Soelaiman): "Dit is de gunst van mijn Heer om te zien of ik dankbaar of ondankbaar zal zijn. En wie dankbaar is, is alleen dankbaar voor zijn eigen voordeel. En wie ondankbaar is weet dat mijn Heer Al-Ghanie (Degene die niets en niemand nodig heeft en iedereen heeft hem nodig), Al-Kariem is (Degene die het meest Vrijgevig is). (Notitie: Iemand die dicht bij Allah is, wanneer hij iets aan Allah vraagt dan wordt zijn gebed verhoord. Zie bijvoorbeeld de gebeurtenissen van Al-Bara ibn Azib.)

قَالَ نَکِّرُوۡا لَہَا عَرۡشَہَا نَنۡظُرۡ اَتَہۡتَدِیۡۤ اَمۡ تَکُوۡنُ مِنَ الَّذِیۡنَ لَا یَہۡتَدُوۡنَ ﴿۱۴﴾
Qaala nakkieroe lahaa 'arshahaa nanzoer atahtadieee am takoenoe mienal lazieena laa yahtadoen
27:41 Hij zei: "Maak haar troon voor haar onherkenbaar. We zullen zien of ze het realiseert (of het haar troon is) of niet."

فَلَمَّا جَآءَتۡ قِیۡلَ اَہٰکَذَا عَرۡشُکِ ؕ قَالَتۡ کَاَنَّہٗ ہُوَ ۚ وَ اُوۡتِیۡنَا الۡعِلۡمَ مِنۡ قَبۡلِہَا وَ کُنَّا مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۲۴﴾
Falammaa djaaa'at qieela ahaakaza 'arshoekie qaalat ka'annahoe hoe; wa oetieenal 'ielma mien qabliehaa wa koennaa moesliemieen
27:42 Toen ze kwam, werd er gezegd: "Is uw troon net als deze?" Ze zei: "Het lijkt er veel op." (Soelaiman zei tegen zijn mensen:) "We zijn eerder begunstigd met kennis (m.b.t. Allah, het hiernamaals, de openbaring, etc) dan zij, wij zijn moslims (wij hebben ons onderworpen aan Allah)." (Notitie: De koningin van Sabba\Seba had een grote koninkrijk met veel rijkdom en een geweldige troon, zie 27:23. Soelaiman is een profeet en verkondigt de boodschap aan haar door te laten zien dat Allah hem nog veel meer, beter en mooier had gegeven. En dat datgeen in het hiernamaals nog veel beter zal zijn.)

وَ صَدَّہَا مَا کَانَتۡ تَّعۡبُدُ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ اِنَّہَا کَانَتۡ مِنۡ قَوۡمٍ کٰفِرِیۡنَ ﴿۳۴﴾
Wa saddahaa maa kaanat ta'boedoe mien doeniel laahie iennahaa kaanat mien qawmien kaafierieen
27:43 Datgeen wat ze naast Allah aanbad heeft haar doen afdwalen. Voorzeker, ze behoorde tot een ongelovig volk.

قِیۡلَ لَہَا ادۡخُلِی الصَّرۡحَ ۚ فَلَمَّا رَاَتۡہُ حَسِبَتۡہُ لُجَّۃً وَّ کَشَفَتۡ عَنۡ سَاقَیۡہَا ؕ قَالَ اِنَّہٗ صَرۡحٌ مُّمَرَّدٌ مِّنۡ قَوَارِیۡرَ ۬ؕ قَالَتۡ رَبِّ اِنِّیۡ ظَلَمۡتُ نَفۡسِیۡ وَ اَسۡلَمۡتُ مَعَ سُلَیۡمٰنَ لِلّٰہِ رَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۴﴾
Qieela lahad ghoelies sarha falammaa ra at hoe hasiebat hoe loedjdjataw wa ghashafat 'an saaqaihaa; qaala iennahoe sarhoem moemarradoem mien qawaarieer; qaalat Rabbie ienniee zalamtoe nafsiee wa aslamtoe ma'a Soelaimaana liellaahie Rabbiel 'aalamieen
27:44 Er werd tot haar gezegd: "Betreed het paleis." Toen ze het paleis van binnen zag, dacht ze dat er water op de vloer lag. Ze ontblootte haar onder benen. Hij zei: "Het is een paleis dat bedekt is met glas." Ze zei: "Mijn Heer! Ik heb mezelf onrecht aangedaan. Ik geef me over samen met Soelaiman aan Allah, de Heer van de werelden."

وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَاۤ اِلٰی ثَمُوۡدَ اَخَاہُمۡ صٰلِحًا اَنِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ فَاِذَا ہُمۡ فَرِیۡقٰنِ یَخۡتَصِمُوۡنَ ﴿۵۴﴾
Wa laqad arsalnaaa ielaa Samoeda aghaahoem Saaliehan anie'boedoel laaha fa iezaa hoem farieeqaanie yaghtasiemoen
27:45 En Waarlijk, Wij zonden tot het volk Thamoed hun broeder Salih, hij zei: "Aanbidt Allah!" Aanschouw, ze werden vervolgens twee ruzie makende partijen.

قَالَ یٰقَوۡمِ لِمَ تَسۡتَعۡجِلُوۡنَ بِالسَّیِّئَۃِ قَبۡلَ الۡحَسَنَۃِ ۚ لَوۡ لَا تَسۡتَغۡفِرُوۡنَ اللّٰہَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۶۴﴾
Qaala yaa qawmie liema tasta'djieloena biessaiyie'atie qablal hasanatie law laa tas taghfieroenal laaha la'allakoem toerhamoen
27:46 Hij (Salih) zei: "O mijn volk! Waarom willen jullie het kwaad (de straf) verhaasten in plaats van het goede (de Barmhartigheid van Allah)? Waarom vragen jullie Allah niet om vergiffenis, zodat jullie Zijn Barmhartigheid kunnen krijgen?"

قَالُوا اطَّیَّرۡنَا بِکَ وَ بِمَنۡ مَّعَکَ ؕ قَالَ طٰٓئِرُکُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ تُفۡتَنُوۡنَ ﴿۷۴﴾
Qaaloet taiyarnaa bieka wa biemam ma'ak; qaala taaa'ieroekoem 'iendal laahie bal antoem qawmoen toeftanoen
27:47 Ze zeiden: "Wij beschouwen jou en degenen die jou aanhangen als een slecht voorteken (ongeluk) (voor de moeilijkheden die we ondervinden)." Hij (Salih) zei: "Jullie slechte voorteken\moeilijkheden wordt (alleen) bepaald door Allah. Nee, jullie zijn een volk dat wordt beproefd." (Notitie: zie ook 36:18.)

وَ کَانَ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ تِسۡعَۃُ رَہۡطٍ یُّفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا یُصۡلِحُوۡنَ ﴿۸۴﴾
Wa kaana fiel madieenatie ties'atoe rahtiey yoefsiedoena fiel ardie wa laa yoesliehoen
27:48 Er waren in de stad negen groepen van mensen, die corruptie verspreide in het land en niet verenigde.

قَالُوۡا تَقَاسَمُوۡا بِاللّٰہِ لَنُبَیِّتَنَّہٗ وَ اَہۡلَہٗ ثُمَّ لَنَقُوۡلَنَّ لِوَلِیِّہٖ مَا شَہِدۡنَا مَہۡلِکَ اَہۡلِہٖ وَ اِنَّا لَصٰدِقُوۡنَ ﴿۹۴﴾
Qaaloe taqaasamoe biellaahie lanoebaiyietannahoe wa ahlahoe soemmaa lanaqoelana liewaliey yiehiee maa shahiednaa mahlieka ahliehiee wa iennaa lasaadieqoen
27:49 Ze zeiden: "Zweer tot elkaar bij Allah, dat we hem (Salih) en zijn gezinsleden in de nacht zullen aanvallen/doden. Daarna, zullen we tegen zijn andere familieleden (die verwant zijn aan hem) zeggen: "We weten niets over de dood van hun familie. Voorzeker, we spreken de waarheid!"

وَ مَکَرُوۡا مَکۡرًا وَّ مَکَرۡنَا مَکۡرًا وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۰۵﴾
Wa makaroe makraw wa makarnaa makraw wa hoem laa yash'oeroen
27:50 Dus ze maakten een complot (tegen Salih) en Wij maakten een plan (tegen hen), terwijl ze het niet wisten.

فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ مَکۡرِہِمۡ ۙ اَنَّا دَمَّرۡنٰہُمۡ وَ قَوۡمَہُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۵﴾
Fanzoer kaifa kaana 'aaqiebatoe makriehiem annaa dammar naahoem wa qawmahoem adjma'ieen
27:51 Zie dan hoe het einde was van hun complot! Wij hebben hen, samen met hun mensen (hun volk), allemaal vernietigd.

فَتِلۡکَ بُیُوۡتُہُمۡ خَاوِیَۃًۢ بِمَا ظَلَمُوۡا ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیَۃً لِّقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۵﴾
Fatielka boeyoetoehoem ghaa wieyatam biemaa zalamoe; ienna fiee zaalieka la Aayatal lieqaw mieny-ya'lamoen
27:52 Dus dit zijn hun huizen, totaal onbewoond, omdat ze onrecht pleegden. Voorzeker, daarin is een teken voor een volk met begrip.

وَ اَنۡجَیۡنَا الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ کَانُوۡا یَتَّقُوۡنَ ﴿۳۵﴾
Wa andjainal lazieena aamanoe wa kaanoe yattaqoen
27:53 En Wij hebben de gelovigen gered die Allah vrezen.

وَ لُوۡطًا اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اَتَاۡتُوۡنَ الۡفَاحِشَۃَ وَ اَنۡتُمۡ تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۴۵﴾
Wa loetan iez qaala lieqawmiehieee ataatoenal faa hieshata wa antoem toebsieroen
27:54 (En zo ook) Loeth (Lot), toen hij tot zijn volk zei: "Bedrijven jullie de onzedelijkheid terwijl jullie het (de daad) zien doen?"

اَئِنَّکُمۡ لَتَاۡتُوۡنَ الرِّجَالَ شَہۡوَۃً مِّنۡ دُوۡنِ النِّسَآءِ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۵۵﴾
A'iennakoem lataatoenar riedjaala shahwatam mien doenien niesaaa'; bal antoem qawmoen tadjhaloen (19)
27:55 "Werkelijk, jullie doen het met mannen vanwege jullie lusten, in plaats met vrouwen! Nee, jullie zijn een volk met geen kennis (onwetend volk)!" (Notitie: Allah heeft de vrouw voor de man geschapen zodat hij rust bij haar kan vinden. Hij heeft liefde en barmhartigheid (kinderen) tussen beide gemaakt, zie 30:21 en 4:1. De satan wil altijd de wetten van Allah verbreken.)


www.heiligekoran.nl