قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکَ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۵۷﴾
Qaala alam aqoel laka iennaka lan tastatiee'a ma'ieya sabraa
18:75 Hij zei: "Heb ik u niet gezegd dat u nooit in staat zal zijn om geduld met me te hebben?"

قَالَ اِنۡ سَاَلۡتُکَ عَنۡ شَیۡءٍۭ بَعۡدَہَا فَلَا تُصٰحِبۡنِیۡ ۚ قَدۡ بَلَغۡتَ مِنۡ لَّدُنِّیۡ عُذۡرًا ﴿۶۷﴾
Qaala ien sa altoeka 'an shai'iem ba'dahaa falaa toesaahiebniee qad balaghta miel ladoenniee 'oezraa
18:76 Hij (Moesa) zei: "Als ik u hierna nog iets vraag, neem me dan niet als uw compagnon. Waarlijk, u heeft al een verontschuldiging van me gehad."

فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَتَیَاۤ اَہۡلَ قَرۡیَۃِۣ اسۡتَطۡعَمَاۤ اَہۡلَہَا فَاَبَوۡا اَنۡ یُّضَیِّفُوۡہُمَا فَوَجَدَا فِیۡہَا جِدَارًا یُّرِیۡدُ اَنۡ یَّنۡقَضَّ فَاَقَامَہٗ ؕ قَالَ لَوۡ شِئۡتَ لَتَّخَذۡتَ عَلَیۡہِ اَجۡرًا ﴿۷۷﴾
Fantalaqaa hattaaa iezaaa atayaaa ahla qaryatienies tat'amaaa ahlahaa fa abaw ay yoedaiyiefoehoemaa fawadjadaa fieehaa djiedaaray yoerieedoe ay yanqadda fa aqaamah; qaala law shie'ta lattaghazta 'alaihie adjraa
18:77 Ze gingen dus verder totdat ze bij een stad aankwamen en de mensen om voedsel vroegen. Echter, ze weigerden hen gastvrijheid te geven. Vervolgens, vonden ze daar een muur die dreigde in te storten. Hij zette deze weer recht. Hij (Moesa) zei: "Als u het wilde, dan kon u zeker hiervoor een vergoeding vragen."

قَالَ ہٰذَا فِرَاقُ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنِکَ ۚ سَاُنَبِّئُکَ بِتَاۡوِیۡلِ مَا لَمۡ تَسۡتَطِعۡ عَّلَیۡہِ صَبۡرًا ﴿۸۷﴾
Qaala haazaa fieraaqoe bainiee wa bainiek; sa oenabbie'oeka bie ta'wieelie maa lam tastatie' 'alaihie sabraa
18:78 Hij zei: "Dit is de scheiding tussen mij en u. Ik zal u de uitleg geven over datgeen waar u niet in staat was geduld over te hebben."

اَمَّا السَّفِیۡنَۃُ فَکَانَتۡ لِمَسٰکِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ فِی الۡبَحۡرِ فَاَرَدۡتُّ اَنۡ اَعِیۡبَہَا وَ کَانَ وَرَآءَہُمۡ مَّلِکٌ یَّاۡخُذُ کُلَّ سَفِیۡنَۃٍ غَصۡبًا ﴿۹۷﴾
Ammas safieenatoe fakaanat liemasaakieena ya'maloena fiel bahrie fa arattoe an a'ieebahaa wa kaana waraaa' ahoem maliekoey yaaghoezoe koella safieenatien ghasbaa
18:79 Wat het schip betreft. Het was van arme mensen die op de zee werken. Dus wilde ik het onbruikbaar maken, omdat er een koning daarna zou komen die elke schip gedwongen in beslag zou nemen."

وَ اَمَّا الۡغُلٰمُ فَکَانَ اَبَوٰہُ مُؤۡمِنَیۡنِ فَخَشِیۡنَاۤ اَنۡ یُّرۡہِقَہُمَا طُغۡیَانًا وَّ کُفۡرًا ﴿۰۸﴾
Wa aammal ghoelaamoe fakaana abawaahoe moe'mienainie faghashieenaaa ay yoerhieqa hoemaa toeghyaanaw wa koefraa
18:80 Wat de jongen betreft. Zijn ouders waren gelovig, echter wij waren bang dat hij hen zou dwingen tot het begaan van overtredingen en tot het accepteren van ongeloof.

فَاَرَدۡنَاۤ اَنۡ یُّبۡدِلَہُمَا رَبُّہُمَا خَیۡرًا مِّنۡہُ زَکٰوۃً وَّ اَقۡرَبَ رُحۡمًا ﴿۱۸﴾
Faradnaa ay yoebdiela hoemaa Rabboehoemaa ghairam mienhoe zakaataw wa aqraba roehmaa
18:81 Daarom wilden wij dat hun Heer hem zou verruilen met iemand die beter is in oprechtheid en in barmhartigheid dan dat hij was.

وَ اَمَّا الۡجِدَارُ فَکَانَ لِغُلٰمَیۡنِ یَتِیۡمَیۡنِ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ وَ کَانَ تَحۡتَہٗ کَنۡزٌ لَّہُمَا وَ کَانَ اَبُوۡہُمَا صَالِحًا ۚ فَاَرَادَ رَبُّکَ اَنۡ یَّبۡلُغَاۤ اَشُدَّہُمَا وَ یَسۡتَخۡرِجَا کَنۡزَہُمَا ٭ۖ رَحۡمَۃً مِّنۡ رَّبِّکَ ۚ وَ مَا فَعَلۡتُہٗ عَنۡ اَمۡرِیۡ ؕ ذٰلِکَ تَاۡوِیۡلُ مَا لَمۡ تَسۡطِعۡ عَّلَیۡہِ صَبۡرًا ﴿۲۸﴾
Wa ammal djiedaaroe fakaana lieghoelaamainie yatieemainie fiel madieenatie wa kaana tahtahoe kanzoel lahoemaa wa kaana aboehoemaa saaliehan fa araada Rabboeka ay yabloeghaaa ashoeddahoemaa wa yastaghriedjaa kanzahoemaa rahmatam mier Rabbiek; wa maa fa'altoehoe 'an amriee; zaalieka taawieeloe maa lam tastie' 'alaihie sabra
18:82 En wat de muur betreft, het was bedoeld voor twee weesjongens uit de stad. Eronder lag een schat dat bestemd was voor hen. Hun vader was een oprechte man. Daarom wilde uw Heer dat wanneer ze hun volwassenheid bereikten, ze de schat konden bemachtigen. Dit als een gunst van uw Heer. En ik deed het niet uit mijn eigen wil. Dat is de uitleg van hetgeen waarmee u geen geduld had."

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنۡ ذِی الۡقَرۡنَیۡنِ ؕ قُلۡ سَاَتۡلُوۡا عَلَیۡکُمۡ مِّنۡہُ ذِکۡرًا ﴿۳۸﴾
Wa yas'aloenaka 'an Ziel Qarnainie qoel sa atloe 'alaikoem mienhoe ziekraa
18:83 En ze vragen u over Dzoel-Qarnain. Zeg: "Ik zal jullie wat van zijn historie reciteren."

اِنَّا مَکَّنَّا لَہٗ فِی الۡاَرۡضِ وَ اٰتَیۡنٰہُ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ سَبَبًا ﴿۴۸﴾
Innaa makkannaa lahoe fiel ardie wa aatainaahoe mien koellie shai'ien sababaa
18:84 Wij versterkten zijn positie op aarde en Wij gaven hem de middelen voor alles. (Notitie: Dzoel-Qarnain was van de Muhsinien, iemand die goede daden verricht en betrouwbaar is op basis van Taqwa. Dus gaf Allah hem Zijn barmhartigheid. Zie ook 7:56)

فَاَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۵۸﴾
Fa atba'a sababaa
18:85 Dus volgende een pad en koos een westelijke richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ مَغۡرِبَ الشَّمۡسِ وَجَدَہَا تَغۡرُبُ فِیۡ عَیۡنٍ حَمِئَۃٍ وَّ وَجَدَ عِنۡدَہَا قَوۡمًا ۬ؕ قُلۡنَا یٰذَا الۡقَرۡنَیۡنِ اِمَّاۤ اَنۡ تُعَذِّبَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ تَتَّخِذَ فِیۡہِمۡ حُسۡنًا ﴿۶۸﴾
Hattaaa iezaa balagha maghriebash shamsie wadjadahaaa taghroeboe fiee 'aynien hamie'a tiew wa wadjada 'iendahaa qawmaa; qoelnaa yaa Zal Qarnainie iemmaaa an toe'az zieba wa iemmaaa an tattaghieza fieehiem hoesnaa
18:86 Totdat hij de plek bereikte waar de zon onderging. Hij zag hem (de weerspiegeling van de zon) ondergaan in een bron van modderige (hete) water. Daar in de buurt trof hij een volk aan. Wij zeiden: "O Dzoelqarain! Je kan ze straffen of goed behandelen."

قَالَ اَمَّا مَنۡ ظَلَمَ فَسَوۡفَ نُعَذِّبُہٗ ثُمَّ یُرَدُّ اِلٰی رَبِّہٖ فَیُعَذِّبُہٗ عَذَابًا نُّکۡرًا ﴿۷۸﴾
Qaala amma man zalama fasawfa noe'azzieboehoe soemma yoeraddoe ielaa Rabbiehiee fa yoe 'azzieboehoe azaaban noekraa
18:87 Hij zei: "Wat degene betreft die onrechtvaardig is, die zullen wij straffen. Vervolgens zal hij tot zijn Heer terugkeren en Hij (Allah) zal hem dan straffen met een zeer verschrikkelijke straf."

وَ اَمَّا مَنۡ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَلَہٗ جَزَآءَۨ الۡحُسۡنٰی ۚ وَ سَنَقُوۡلُ لَہٗ مِنۡ اَمۡرِنَا یُسۡرًا ﴿۸۸﴾
Wa ammaa man aamana wa 'amiela saaliehan falahoe djazaaa'aniel hoesnaa wa sanaqoeloe lahoe mien amrienaa yoesraa
18:88 "Echter wat betreft degene die gelooft en goede daden verricht, voor hem zal er een goede beloning zijn (het paradijs). En wij (Dzoel-Qarnain) zullen, voor het geven van instructies, met zachte woorden tegen hem spreken."

ثُمَّ اَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۹۸﴾
Soemma atba'a sababaa
18:89 Vervolgens, vervolgde hij zijn pad en koos voor een oostelijke richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ مَطۡلِعَ الشَّمۡسِ وَجَدَہَا تَطۡلُعُ عَلٰی قَوۡمٍ لَّمۡ نَجۡعَلۡ لَّہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہَا سِتۡرًا ﴿۰۹﴾
Hattaaa iezaa balagha matlie'ash shamsie wadjdahaa tatloe'oe alaa qawmiel lam nadj'al lahoem mien doeniehaa sietraa
18:90 Totdat hij, de plek bereikte waar de zon opkwam. Hij zag hem (de zon) opkomen over een volk waarvoor Wij geen beschutting ervoor (tegen de zon) hadden gemaakt.

کَذٰلِکَ ؕ وَ قَدۡ اَحَطۡنَا بِمَا لَدَیۡہِ خُبۡرًا ﴿۱۹﴾
Kazaalieka wa qad ahatnaa biemaa ladaihie ghoebraa
18:91 En dus was dat (de toestand van dat volk). En waarlijk Wij omvatten alle beslissingen die hij nam.

ثُمَّ اَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۲۹﴾
Soemma atba'a sababaa
18:92 Vervolgens, vervolgde hij zijn weg en koos een (andere) richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ بَیۡنَ السَّدَّیۡنِ وَجَدَ مِنۡ دُوۡنِہِمَا قَوۡمًا ۙ لَّا یَکَادُوۡنَ یَفۡقَہُوۡنَ قَوۡلًا ﴿۳۹﴾
Hattaaa iezaa balagha bainas saddainie wadjada mien doeniehiemaa qawmal laa yakaa doena yafqahoena qawlaa
18:93 Totdat hij, tussen twee bergen een volk aantrof dat nauwelijks een woord begreep.

قَالُوۡا یٰذَاالۡقَرۡنَیۡنِ اِنَّ یَاۡجُوۡجَ وَ مَاۡجُوۡجَ مُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ فَہَلۡ نَجۡعَلُ لَکَ خَرۡجًا عَلٰۤی اَنۡ تَجۡعَلَ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَہُمۡ سَدًّا ﴿۴۹﴾
Qaaloe yaa Zal qarnainie ienna Ya'djoedja wa Ma'djoedja moefsiedoena fiel ardie fahal nadj'aloe laka ghardjan 'alaaa an tadj'ala bainanaa wa bainahoem saddaa
18:94 Ze zeiden: "O Dzoel-Qarnain! Voorzeker, (de volken) Yadjoed (Gog) en Madjoed (Magog) zaaien verderf op aarde. Kunnen we jou een vergoeding geven zodat je een barrière maakt tussen ons en hen?

قَالَ مَا مَکَّنِّیۡ فِیۡہِ رَبِّیۡ خَیۡرٌ فَاَعِیۡنُوۡنِیۡ بِقُوَّۃٍ اَجۡعَلۡ بَیۡنَکُمۡ وَ بَیۡنَہُمۡ رَدۡمًا ﴿۵۹﴾
Qaala maa makkanniee fieehie Rabbiee ghairoen fa-a'ieenoeniee bieqoewwatien adj'al bainakoem wa bainahoem radmaa
18:95 Hij (Dzoel-Qarnain) zei: "Wat mijn Heer me (aan kracht en macht) heeft gegeven is beter, maar ondersteun me met mankracht. Ik zal tussen jullie en hen een barrière maken." (Notitie: Dzoel-Qarnain wilde hen ook onderwijzen).

اٰتُوۡنِیۡ زُبَرَ الۡحَدِیۡدِ ؕ حَتّٰۤی اِذَا سَاوٰی بَیۡنَ الصَّدَفَیۡنِ قَالَ انۡفُخُوۡا ؕ حَتّٰۤی اِذَا جَعَلَہٗ نَارًا ۙ قَالَ اٰتُوۡنِیۡۤ اُفۡرِغۡ عَلَیۡہِ قِطۡرًا ﴿۶۹﴾
Aatoeniee zoebaral hadieed, hattaaa iezaa saawaa bainas sadafainie qaalan foeghoe hattaaa iezaa dja'alahoe naaran qaala aatoenieee oefriegh 'alaihie qietraa
18:96 (Hij zei:) "Breng me brokken ijzer!" Toen hij de ruimte tussen de twee kliffen op gelijke hoogte had opgevuld, zei hij: "Blaas!", totdat hij het (zo rood) als vuur had gemaakt en zei: "Breng me gesmolten koper om het eroverheen te gieten!" (Notitie: het blazen werd waarschijnlijk gedaan met een blaasbalg.)

فَمَا اسۡطَاعُوۡۤا اَنۡ یَّظۡہَرُوۡہُ وَ مَا اسۡتَطَاعُوۡا لَہٗ نَقۡبًا ﴿۷۹﴾
Famas taa'oeo ay yazharoehoe wa mastataa'oe lahoe naqbaa
18:97 Dus ze waren niet in staat om het te beklimmen of om er doorheen te breken.

قَالَ ہٰذَا رَحۡمَۃٌ مِّنۡ رَّبِّیۡ ۚ فَاِذَا جَآءَ وَعۡدُ رَبِّیۡ جَعَلَہٗ دَکَّآءَ ۚ وَ کَانَ وَعۡدُ رَبِّیۡ حَقًّا ﴿۸۹﴾
Qaala haaza rahmatoen mier Rabbiee fa iezaa djaaa'a wa'doe Rabbiee dja'alahoe dakkaaa'a; kaana wa'doe Rabbiee haqqaa
18:98 Hij (Dzoel-Qarnain) zei: "Dit is een gunst van mijn Heer. Echter, wanneer de toezegging van mijn Heer komt, dan maakt Hij het tot een vlakte. En de toezegging van mijn Heer is waar."

وَ تَرَکۡنَا بَعۡضَہُمۡ یَوۡمَئِذٍ یَّمُوۡجُ فِیۡ بَعۡضٍ وَّ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ فَجَمَعۡنٰہُمۡ جَمۡعًا ﴿۹۹﴾
Wa taraknaa ba'dahoem Yawma'ieziey yamoedjoe fiee ba'diew wa noefiegha fies Soerie fadjama'naahoem djam'aa
18:99 Op die dag (wanneer er geen barrière meer is voor Yadjoed en Madjoed) zullen Wij ze laten bewegen zoals golven op elkaar bewegen. En er zal in de trompet worden geblazen, vervolgens zullen Wij hen allen bij elkaar brengen.

وَّ عَرَضۡنَا جَہَنَّمَ یَوۡمَئِذٍ لِّلۡکٰفِرِیۡنَ عَرۡضَۨا ﴿۰۰۱﴾
Wa 'aradnaa djahannama Yawma'ieziel lielkaafierieena 'ardaa
18:100 En op die Dag zullen Wij de Hel aan de ongelovigen laten zien.

الَّذِیۡنَ کَانَتۡ اَعۡیُنُہُمۡ فِیۡ غِطَـآءٍ عَنۡ ذِکۡرِیۡ وَ کَانُوۡا لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ سَمۡعًا ﴿۱۰۱﴾
Allazieena kaanat a'yoenoehoem fiee ghietaaa'ien 'an ziekriee wa kaanoe laa yastatiee'oena sam'aa
18:101 (Dat zijn) Degenen waarvan de ogen gesluierd waren voor het gedenken van Mij en die niet in staat waren om te luisteren. (Notitie: Allah had een bedekking over hun ogen en oren geplaatst vanwege hun daden, zodat ze niet konden zien en luisteren naar de vermaning.)

اَفَحَسِبَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَنۡ یَّتَّخِذُوۡا عِبَادِیۡ مِنۡ دُوۡنِیۡۤ اَوۡلِیَآءَ ؕ اِنَّـاۤ اَعۡتَدۡنَا جَہَنَّمَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ نُزُلًا ﴿۲۰۱﴾
Afahasiebal lazieena kafaroeo ay yattaghiezoe 'iebaadiee mien doenieee awlieyaaa'; iennaaa a'tadnaa djahannama liel kaafierieena noezoelaa
18:102 Denken de ongelovigen dat ze Mijn dienaren als beschermers kunnen nemen in plaats van Mij? Voorzeker, Wij hebben de hel klaargemaakt als een verblijfplaats voor de ongelovigen.

قُلۡ ہَلۡ نُنَبِّئُکُمۡ بِالۡاَخۡسَرِیۡنَ اَعۡمَالًا ﴿۳۰۱﴾
Qoel hal noenabbie'oekoem bielaghsarieena a'maalaa
18:103 Zeg: "Zullen Wij jullie op de hoogte brengen van de grootste verliezers voortkomend door hun eigen toedoen?"

اَلَّذِیۡنَ ضَلَّ سَعۡیُہُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ ہُمۡ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ یُحۡسِنُوۡنَ صُنۡعًا ﴿۴۰۱﴾
Allazieena dalla sa'yoehoem fiel hayaatied doenyaa wa hoem yahsaboena annahoem yoehsienoena soen'aa
18:104 Dat zijn degenen waarvan de daden vruchteloos waren in het wereldse leven, terwijl ze dachten dat ze goede werk deden.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ وَ لِقَآئِہٖ فَحَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ فَلَا نُقِیۡمُ لَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وَزۡنًا ﴿۵۰۱﴾
Oelaaa'iekal lazieena kafaroe bie aayaatie Rabbiehiem wa lieqaaa'iehiee fahabietat a'maaloehoem falaa noeqieemoe lahoem Yawmal Qieyaamatie waznaa
18:105 Dat zijn degenen die niet geloven in de tekenen van hun Heer en in de ontmoeting met Hem. Hun daden zijn dus vruchteloos. Wij zullen dus geen waarde hechten aan hen op de dag van de opstanding.

ذٰلِکَ جَزَآؤُہُمۡ جَہَنَّمُ بِمَا کَفَرُوۡا وَ اتَّخَذُوۡۤا اٰیٰتِیۡ وَ رُسُلِیۡ ہُزُوًا ﴿۶۰۱﴾
Zaalieka djazaaa'oehoem djahannamoe biemaa kafaroe wattaghazoeo Aayaatiee wa Roesoeliee hoezoewaa
18:106 Dat zal hun vergelding zijn, de Hel, omdat ze niet geloofden en Mijn Tekenen en boodschappers bespotten.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ کَانَتۡ لَہُمۡ جَنّٰتُ الۡفِرۡدَوۡسِ نُزُلًا ﴿۷۰۱﴾
Innal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie kaanat lahoem djannaatoel Fierdawsie noezoelaa
18:107 Voorzeker, degenen die geloofden en goede daden verrichtten voor hen zullen de tuinen van het paradijs als verblijfplaats zijn.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا لَا یَبۡغُوۡنَ عَنۡہَا حِوَلًا ﴿۸۰۱﴾
ghaaliedieena fieeha laa yabghoena 'anhaa hiewalaa
18:108 Eeuwig zullen ze er in vertoeven. Ze zullen geen enkel verandering in (het paradijs) willen.

قُلۡ لَّوۡ کَانَ الۡبَحۡرُ مِدَادًا لِّکَلِمٰتِ رَبِّیۡ لَنَفِدَ الۡبَحۡرُ قَبۡلَ اَنۡ تَنۡفَدَ کَلِمٰتُ رَبِّیۡ وَ لَوۡ جِئۡنَا بِمِثۡلِہٖ مَدَدًا ﴿۹۰۱﴾
Qoel law kaanal bahroe miedaadal lie kaliemaatie Rabbiee lanafiedal bahroe qabla an tanfada Kaliemaatoe Rabbiee wa law djie'naa biemiesliehiee madadaa
18:109 Zeg: "Als de zee inkt was voor de woorden van mijn Heer, dan zou de zee zeker uitgeput raken voordat de woorden van mijn Heer uitgeput raken. Zelfs als Wij daaraan een gelijke hoeveelheid aan toe voegen." (Notitie: zie ook 31:27)

قُلۡ اِنَّمَاۤ اَنَا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ یُوۡحٰۤی اِلَیَّ اَنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمۡ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ۚ فَمَنۡ کَانَ یَرۡجُوۡا لِقَآءَ رَبِّہٖ فَلۡیَعۡمَلۡ عَمَلًا صَالِحًا وَّ لَا یُشۡرِکۡ بِعِبَادَۃِ رَبِّہٖۤ اَحَدًا ﴿۰۱۱﴾
Qoel iennamaaa ana basharoen miesloekoem yoehaaa ielaiya annamaa ielaahoekoem Ilaahoew waahied; faman kaana yardjoe lieqaaa'a Rabbiehiee falya'mal 'amalan saaliehaw wa laa yoeshriek bie'iebaadatie Rabbiehieee ahadaa
18:110 Zeg: "Voorwaar, ik ben alleen een mens net als jullie. Aan mij is geopenbaard dat jullie godheid/deïteit één deïteit is. Dus wie op de ontmoeting van zijn Heer hoopt, laat hem goede daden verrichten en laat hem bij de aanbidding van zijn Heer niet één deelgenoot toekennen."

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
کٓہٰیٰعٓصٓ ۟﴿۱﴾
Kaaaf-Haa-Yaa-'Ayyyn-Saaad
19:1 Kaaf Haa Yaa 'Ain Sod,

ذِکۡرُ رَحۡمَتِ رَبِّکَ عَبۡدَہٗ زَکَرِیَّا ۖ﴿۲﴾
Ziekroe rahmatie Rabbieka 'abdahoe Zakarieyya
19:2 (Dit is) een kennisgeving van de barmhartigheid van uw Heer (die Hij) aan Zijn dienaar Zakariya (gaf),

اِذۡ نَادٰی رَبَّہٗ نِدَآءً خَفِیًّا ﴿۳﴾
Iz naadaa Rabbahoe niedaaa'an ghafieyyaa
19:3 toen hij zijn Heer in het geheim aanriep.

قَالَ رَبِّ اِنِّیۡ وَہَنَ الۡعَظۡمُ مِنِّیۡ وَ اشۡتَعَلَ الرَّاۡسُ شَیۡبًا وَّ لَمۡ اَکُنۡۢ بِدُعَآئِکَ رَبِّ شَقِیًّا ﴿۴﴾
Qaala Rabbie ienniee wahanal 'azmoe mienniee washta 'alar ra'soe shaibaw wa lam akoen biedoe'aaa'ieka Rabbie shaqieyyaa
19:4 Hij zei: "Mijn Heer! Voorwaar, mijn botten zijn zwak geworden en mijn hoofd glinsterend wit, en nooit ben ik teleurgesteld geraakt in de smeekgebeden tot U.

وَ اِنِّیۡ خِفۡتُ الۡمَوَالِیَ مِنۡ وَّرَآءِیۡ وَ کَانَتِ امۡرَاَتِیۡ عَاقِرًا فَہَبۡ لِیۡ مِنۡ لَّدُنۡکَ وَلِیًّا ۙ﴿۵﴾
Wa ienniee ghieftoel mawaalieya miew waraaa'iee wa kaanat iemra atiee 'aqieran fa habliee miel ladoen-ka walieyyaa
19:5 En voorwaar, ik vrees (het beleid van) de mensen die mij opvolgen. En mijn vrouw is onvruchtbaar. Geef me daarom een nakomeling van Uw zijde,

یَّرِثُنِیۡ وَ یَرِثُ مِنۡ اٰلِ یَعۡقُوۡبَ ٭ۖ وَ اجۡعَلۡہُ رَبِّ رَضِیًّا ﴿۶﴾
Yariesoeniee wa yariesoe mien aalie Ya'qoeb, wadj'alhoe Rabbie radieyya
19:6 die (de kennis) van mij zal erven en van de familie van Jakob (het profeetschap). Mijn Heer, maak hem U welgevallig."

یٰزَکَرِیَّاۤ اِنَّا نُبَشِّرُکَ بِغُلٰمِۣ اسۡمُہٗ یَحۡیٰی ۙ لَمۡ نَجۡعَلۡ لَّہٗ مِنۡ قَبۡلُ سَمِیًّا ﴿۷﴾
Yaa Zakarieyyaaa iennaa noebashshieroeka bie ghoelaamien iesmoehoe Yahyaa lam nadj'al lahoe mien qabloe samieyyaa
19:7 "O Zakariya! Voorzeker, Wij geven u het goede nieuws van een jongen, zijn naam is Yahya (Johannes). Wij hadden niemand eerder deze naam gegeven."

قَالَ رَبِّ اَنّٰی یَکُوۡنُ لِیۡ غُلٰمٌ وَّ کَانَتِ امۡرَاَتِیۡ عَاقِرًا وَّ قَدۡ بَلَغۡتُ مِنَ الۡکِبَرِ عِتِیًّا ﴿۸﴾
Qaala Rabbie annaa yakoenoe liee ghoelaamoew wakaanat iemra atiee 'aaqieraw wa qad balaghtoe mienal kiebarie 'ietieyyaa
19:8 Hij zei: "Mijn Heer! Hoe kan ik een jongen krijgen terwijl mijn vrouw onvruchtbaar is? En waarlijk, ik heb een zeer oude leeftijd bereikt."

قَالَ کَذٰلِکَ ۚ قَالَ رَبُّکَ ہُوَ عَلَیَّ ہَیِّنٌ وَّ قَدۡ خَلَقۡتُکَ مِنۡ قَبۡلُ وَ لَمۡ تَکُ شَیۡئًا ﴿۹﴾
Qaala kazaalieka qaala Rabboeka hoewa 'alaiya haiyienoew wa qad ghalaqtoeka mien qabloe wa lam takoe shai'aa
19:9 Hij zei: "Zo zal het zijn." Uw Heer heeft gezegd: "Het is makkelijk voor Mij. En zonder enige twijfel, Ik heb jou eerder geschapen terwijl jij niets was."

قَالَ رَبِّ اجۡعَلۡ لِّیۡۤ اٰیَۃً ؕ قَالَ اٰیَتُکَ اَلَّا تُکَلِّمَ النَّاسَ ثَلٰثَ لَیَالٍ سَوِیًّا ﴿۰۱﴾
Qaala Rabbiedj 'al lieee Aayah; qaala Aayatoeka allaa toekallieman naasa salaasa layaalien sawieyyaa
19:10 Hij zei: "Mijn Heer! Geef me een teken." Hij zei: "Jouw teken is dat je gedurende drie nachten niet in staat bent om te spreken met de mensen terwijl je gezond bent." (Notitie: zie ook 3:41)

فَخَرَجَ عَلٰی قَوۡمِہٖ مِنَ الۡمِحۡرَابِ فَاَوۡحٰۤی اِلَیۡہِمۡ اَنۡ سَبِّحُوۡا بُکۡرَۃً وَّ عَشِیًّا ﴿۱۱﴾
Fagharadja 'alaa qawmiehiee mienal miehraabie fa-awhaaa ielaihiem an sabbiehoe boekrataw wa 'ashieyyaa
19:11 Vervolgens kwam hij uit de gebedskamer en ging naar zijn volk. Hij gebaarde hen om Allah in de ochtend en in de avond te verheerlijken.

یٰیَحۡیٰی خُذِ الۡکِتٰبَ بِقُوَّۃٍ ؕ وَ اٰتَیۡنٰہُ الۡحُکۡمَ صَبِیًّا ﴿۲۱﴾
Yaa Yahyaa ghoeziel Kietaaba bieqoewwatiew wa aatainaahoel hoekma sabieyyaa
19:12 (Allah zei:) "O Yahya! Hou het heilige schrift stevig vast." En Wij gaven hem kennis om te oordelen (op basis van Allah's wetgeving) toen hij een kind was,

وَّ حَنَانًا مِّنۡ لَّدُنَّا وَ زَکٰوۃً ؕ وَ کَانَ تَقِیًّا ﴿۳۱﴾
Wa hanaanam miel ladoennaa wa zakaataw wa kaana taqieyyaa
19:13 meelevendheid van Ons (naar de mensen toe) en reinheid. Hij was godvrezend, en

وَّ بَرًّۢا بِوَالِدَیۡہِ وَ لَمۡ یَکُنۡ جَبَّارًا عَصِیًّا ﴿۴۱﴾
Wa barram biewaaliedayhie wa lam yakoem djabbaaran 'asieyyaa
19:14 plichtsgetrouw naar zijn ouders toe. Hij was geen ongehoorzame tiran.

وَ سَلٰمٌ عَلَیۡہِ یَوۡمَ وُلِدَ وَ یَوۡمَ یَمُوۡتُ وَ یَوۡمَ یُبۡعَثُ حَیًّا ﴿۵۱﴾
Wa salaamoen 'alaihie yawma woelieda wa yawma yamoetoe wa yawma yoeb'asoe haiyyaa
19:15 Vrede zij met hem op de dag dat hij werd geboren, op de dag dat hij stierf, en op de dag dat hij weer tot leven wordt gebracht.

وَ اذۡکُرۡ فِی الۡکِتٰبِ مَرۡیَمَ ۘ اِذِ انۡتَبَذَتۡ مِنۡ اَہۡلِہَا مَکَانًا شَرۡقِیًّا ﴿۶۱﴾
Wazkoer fiel Kietaabie Maryama; iezien tabazat mien ahliehaa makaanan sharqieyyaa
19:16 En vertel over Marjam (Maria) (wat er vermeld staat) in het boek, dat ze zich terugtrok van haar familie naar een oostelijke plaats.

فَاتَّخَذَتۡ مِنۡ دُوۡنِہِمۡ حِجَابًا ۪۟ فَاَرۡسَلۡنَاۤ اِلَیۡہَا رُوۡحَنَا فَتَمَثَّلَ لَہَا بَشَرًا سَوِیًّا ﴿۷۱﴾
Fattaghazat mien doeniehiem hiedjaaban fa arsalnaaa ielaihaa roehanaa fatamassala lahaa basharan sawieyyaa
19:17 Vervolgens zonderde ze zich van hun af. Daarna zonden Wij tot haar Onze "Roeh" (Djibril/Gabriël). Hij verscheen voor haar als een goed gevormde man.

قَالَتۡ اِنِّیۡۤ اَعُوۡذُ بِالرَّحۡمٰنِ مِنۡکَ اِنۡ کُنۡتَ تَقِیًّا ﴿۸۱﴾
Qaalat iennieee a'oezoe bier Rahmaanie mien-ka ien koenta taqieyyaa
19:18 Ze zei: "Ik zoek mijn toevlucht tot de meest Barmhartige tegen u, als u godvrezend bent."

قَالَ اِنَّمَاۤ اَنَا رَسُوۡلُ رَبِّکِ ٭ۖ لِاَہَبَ لَکِ غُلٰمًا زَکِیًّا ﴿۹۱﴾
Qaala iennamaa ana rasoeloe Rabbiekie lie ahaba lakie ghoelaaman zakieyyaa
19:19 Hij zei: "Ik ben slechts een boodschapper van uw Heer, om u een reine zoon te schenken."

قَالَتۡ اَنّٰی یَکُوۡنُ لِیۡ غُلٰمٌ وَّ لَمۡ یَمۡسَسۡنِیۡ بَشَرٌ وَّ لَمۡ اَکُ بَغِیًّا ﴿۰۲﴾
Qaalat anna yakoenoe liee ghoelaamoew wa lam yamsasniee bashroew wa lam akoe baghieyyaa
19:20 Ze zei: "Hoe kan er een zoon voor mij zijn, terwijl geen man mij heeft aangeraakt, en ik geen onzedelijke vrouw ben?"

قَالَ کَذٰلِکِ ۚ قَالَ رَبُّکِ ہُوَ عَلَیَّ ہَیِّنٌ ۚ وَ لِنَجۡعَلَہٗۤ اٰیَۃً لِّلنَّاسِ وَ رَحۡمَۃً مِّنَّا ۚ وَ کَانَ اَمۡرًا مَّقۡضِیًّا ﴿۱۲﴾
Qaala kazaaliekie qaala Rabboekie hoewa 'alaiya haiyiemoew wa lienadj 'alahoeo Aayatal liennaasie wa rahmatam miennaa; wa kaana amram maqdieyyaa
19:21 Hij zei: "Zo zal het zijn." Uw Heer heeft gezegd: "Het is makkelijk voor Mij. Zodat Wij hem als een teken en als een Barmhartigheid van Ons voor de mensheid maken. Het is een zaak dat al is vastgesteld."

فَحَمَلَتۡہُ فَانۡتَبَذَتۡ بِہٖ مَکَانًا قَصِیًّا ﴿۲۲﴾
Fahamalat hoe fantabazat biehiee makaanan qasieyyaa
19:22 Dus droeg ze hem en ze trok zich terug naar een afgelegen plaats.

فَاَجَآءَہَا الۡمَخَاضُ اِلٰی جِذۡعِ النَّخۡلَۃِ ۚ قَالَتۡ یٰلَیۡتَنِیۡ مِتُّ قَبۡلَ ہٰذَا وَ کُنۡتُ نَسۡیًا مَّنۡسِیًّا ﴿۳۲﴾
Fa adjaaa 'ahal maghaadoe ielaa djiez'ien naghlatie qaalat yaa laitaniee miettoe qabla haazaa wa koentoe nasyam mansieyyaa
19:23 Vervolgens dreven de pijn van de geboorte-weeën haar naar de stam van een dadelpalm. Ze zei: "O was ik maar gestorven en totaal vergeten (door de mensen)."

فَنَادٰىہَا مِنۡ تَحۡتِہَاۤ اَلَّا تَحۡزَنِیۡ قَدۡ جَعَلَ رَبُّکِ تَحۡتَکِ سَرِیًّا ﴿۴۲﴾
Fanaadaahaa mien tahtiehaaa allaa tahzaniee qad dja'ala Rabboekie tahtakie sarieyyaa
19:24 Toen riep hij (Isa) haar van beneden: "Treur niet! Waarlijk, uw Heer heeft stromend water onder u geplaatst."

وَ ہُزِّیۡۤ اِلَیۡکِ بِجِذۡعِ النَّخۡلَۃِ تُسٰقِطۡ عَلَیۡکِ رُطَبًا جَنِیًّا ﴿۵۲﴾
Wa hoezzieee ielaikie biedjiez 'ien naghlatie toesaaqiet 'alaikie roetaban djanieyyaa
19:25 "En schudt de stam van de palmboom naar jou toe, dan zullen er verse dadels op jou vallen."

فَکُلِیۡ وَ اشۡرَبِیۡ وَ قَرِّیۡ عَیۡنًا ۚ فَاِمَّا تَرَیِنَّ مِنَ الۡبَشَرِ اَحَدًا ۙ فَقُوۡلِیۡۤ اِنِّیۡ نَذَرۡتُ لِلرَّحۡمٰنِ صَوۡمًا فَلَنۡ اُکَلِّمَ الۡیَوۡمَ اِنۡسِیًّا ﴿۶۲﴾
Fakoeliee washrabiee wa qarriee 'ainaa; fa iemmaa tarayiennna mienal basharie ahadan faqoelieee ienniee nazartoe lier Rahmaanie sawman falan oekalliemal yawma iensieyyaa
19:26 "Dus eet en drink en verkoel uw ogen (wees trots). Maar als u iemand ziet, zeg dan: 'Voorwaar, ik heb de Barmhartige belooft te vasten, dus zal ik vandaag tot geen mens spreken.' "

فَاَتَتۡ بِہٖ قَوۡمَہَا تَحۡمِلُہٗ ؕ قَالُوۡا یٰمَرۡیَمُ لَقَدۡ جِئۡتِ شَیۡئًا فَرِیًّا ﴿۷۲﴾
Fa atat biehiee qawmahaa tahmieloehoe qaaloe yaa Maryamoe laqad djie'tie shai'an farieyyaa
19:27 Vervolgens kwam ze met hem bij haar mensen, hem dragend (in de armen). Ze zeiden: "O Marjam! Waarlijk, Je hebt iets afschuwelijks gedaan!"

یٰۤاُخۡتَ ہٰرُوۡنَ مَا کَانَ اَبُوۡکِ امۡرَ اَ سَوۡءٍ وَّ مَا کَانَتۡ اُمُّکِ بَغِیًّا ﴿۸۲﴾
Yaaa oeghta Haaroena maa kaana aboekiemra'a saw'iew wa maa kaanat oemmoekie baghieyyaa
19:28 "O zuster van Haroen! Jouw vader was geen slechte man, noch was jouw moeder een onzedelijke vrouw!"

فَاَشَارَتۡ اِلَیۡہِ ؕ قَالُوۡا کَیۡفَ نُکَلِّمُ مَنۡ کَانَ فِی الۡمَہۡدِ صَبِیًّا ﴿۹۲﴾
Fa ashaarat ielaih; qaaloe kaifa noekalliemoe man kaana fiel mahdie sabieyyaa
19:29 Daarop wees ze naar hem. Ze zeiden: "Hoe kunnen wij spreken met iemand die in de wieg ligt, een baby!?"

قَالَ اِنِّیۡ عَبۡدُ اللّٰہِ ۟ؕ اٰتٰنِیَ الۡکِتٰبَ وَ جَعَلَنِیۡ نَبِیًّا ﴿۰۳﴾
Qaala ienniee 'abdoellaahie aataanieyal Kietaaba wa dja'alaniee Nabieyyaa
19:30 Hij (Isa) zei: "Voorzeker, ik ben een dienaar van Allah. Hij heeft mij het schrift gegeven en mij tot een profeet gemaakt." (Notitie: Volgens de overlevering kreeg hij het profeetschap op de leeftijd van 30 jaar. Vers nummer 30.)

وَّ جَعَلَنِیۡ مُبٰرَکًا اَیۡنَ مَا کُنۡتُ ۪ وَ اَوۡصٰنِیۡ بِالصَّلٰوۃِ وَ الزَّکٰوۃِ مَا دُمۡتُ حَیًّا ﴿۱۳﴾
Wa dja'alaniee moebaarakan aina maa koentoe wa awsaaniee bies Salaatie waz Zakaatie maa doemtoe haiyaa
19:31 "Hij heeft mij gezegend waar ik me ook bevind. En Hij heeft mij bevolen de 'Salaat' (het gebed) te verrichten en de zakaat (te betalen), zolang ik leef,"

وَّ بَرًّۢا بِوَالِدَتِیۡ ۫ وَ لَمۡ یَجۡعَلۡنِیۡ جَبَّارًا شَقِیًّا ﴿۲۳﴾
Wa barram biewaaliedatiee wa lam yadj'alniee djabbaaran shaqieyyaa
19:32 "en om plichtsgetrouw te zijn naar mijn moeder. Hij heeft mij niet als een ongezegende tiran gemaakt."

وَ السَّلٰمُ عَلَیَّ یَوۡمَ وُلِدۡتُّ وَ یَوۡمَ اَمُوۡتُ وَ یَوۡمَ اُبۡعَثُ حَیًّا ﴿۳۳﴾
Wassalaamoe 'alaiya yawma woeliedtoe wa yawma amoetoe wa yawma oeb'asoe haiyaa
19:33 Vrede zij met mij op de dag dat ik geboren werd, op de dag dat ik sterf en op de dag dat ik weer tot leven word opgewekt." (Notitie: Toen hij 33 jaar werd heeft Allah hem naar boven verheven.)

ذٰلِکَ عِیۡسَی ابۡنُ مَرۡیَمَ ۚ قَوۡلَ الۡحَقِّ الَّذِیۡ فِیۡہِ یَمۡتَرُوۡنَ ﴿۴۳﴾
Zaalieka 'Eesab-noe Maryama; qawlal haqqiel laziee fieehie yamtaroen
19:34 Dat is Isa, zoon van Marjam. (Dit is) een verklaring van de waarheid van hetgeen waar ze over disputeren.

مَا کَانَ لِلّٰہِ اَنۡ یَّتَّخِذَ مِنۡ وَّلَدٍ ۙ سُبۡحٰنَہٗ ؕ اِذَا قَضٰۤی اَمۡرًا فَاِنَّمَا یَقُوۡلُ لَہٗ کُنۡ فَیَکُوۡنُ ﴿۵۳﴾
Maa kaana liellaahie ay yattaghieza miew waladien Soebhaanah; iezaa qadaaa amran fa iennamaa yaqoeloe lahoe koen fa yakoen
19:35 Het past (de Majesteit van) Allah niet dat Hij een zoon heeft. Soebhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) is Hij! Wanneer Hij iets bepaalt, zegt Hij er slechts tegen: "Wees!" en vervolgens is het gebeurt.

وَ اِنَّ اللّٰہَ رَبِّیۡ وَ رَبُّکُمۡ فَاعۡبُدُوۡہُ ؕ ہٰذَا صِرَاطٌ مُّسۡتَقِیۡمٌ ﴿۶۳﴾
Wa iennal laaha Rabbiee wa Rabboekoem fa'boedoeh; haazaa Sieraatoem Moestaqieem
19:36 (Zeg:) "En waarlijk, Allah is mijn Heer en jullie Heer, dus aanbidt Hem. Dit is het rechte Pad."

فَاخۡتَلَفَ الۡاَحۡزَابُ مِنۡۢ بَیۡنِہِمۡ ۚ فَوَیۡلٌ لِّلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ مَّشۡہَدِ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۷۳﴾
Faghtalafal ahzaaboe mien bainiehiem fawailoel liellazieena kafaroe mien mashhadie Yawmien 'azieem
19:37 Maar de groepen verschilden onderling van mening. Dus wee hen die niet geloven dat ze een heftige dag (dag des oordeel) zullen getuigen.

اَسۡمِعۡ بِہِمۡ وَ اَبۡصِرۡ ۙ یَوۡمَ یَاۡتُوۡنَنَا لٰکِنِ الظّٰلِمُوۡنَ الۡیَوۡمَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۸۳﴾
Asmie' biehiem wa absier Yawma ya'toenanaa laakieniez zaaliemoenal yawma fiee dalaalien moebieen
19:38 (Zie o profeet,) Hoe ze zullen horen en hoe ze zullen kijken, op de dag dat ze naar Ons komen! Echter, de onrechtvaardigen verkeren vandaag de dag in dwaling. (Notitie de onrechtplegers verkeren vandaag de dag in dwaling en zullen op de dag des oordeels ook verdwaald zijn, zie 17:72.)

وَ اَنۡذِرۡہُمۡ یَوۡمَ الۡحَسۡرَۃِ اِذۡ قُضِیَ الۡاَمۡرُ ۘ وَ ہُمۡ فِیۡ غَفۡلَۃٍ وَّ ہُمۡ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۹۳﴾
Wa anzierhoem Yawmal hasratie iez qoedieyal amr; wa hoem fiee ghaflatiew wa hoem laa yoe'mienoen
19:39 En waarschuw hen voor de dag van de spijt, wanneer (al) de zaken bepaald zullen worden. (Waarschuw hen,) Zij die onachtzaam zijn en niet geloven!

اِنَّا نَحۡنُ نَرِثُ الۡاَرۡضَ وَ مَنۡ عَلَیۡہَا وَ اِلَیۡنَا یُرۡجَعُوۡنَ ﴿۰۴﴾
Innaa nahnoe nariesoel arda wa man 'alaihaa wa ielainaa yoerdja'oen
19:40 Voorzeker, Wij zullen de aarde en een ieder die zich erop bevindt, erven. En tot Ons zullen ze allen terugkeren.

وَ اذۡکُرۡ فِی الۡکِتٰبِ اِبۡرٰہِیۡمَ ۬ؕ اِنَّہٗ کَانَ صِدِّیۡقًا نَّبِیًّا ﴿۱۴﴾
Wazkoer fiel Kietaabie Ibraahieem; iennahoe kaana sieddieeqan Nabieyyaa
19:41 En vertel over Ibrahiem (Abraham) (wat vermeld staat) in het boek. Hij was een man van waarheid, een Profeet.

اِذۡ قَالَ لِاَبِیۡہِ یٰۤاَبَتِ لِمَ تَعۡبُدُ مَا لَا یَسۡمَعُ وَ لَا یُبۡصِرُ وَ لَا یُغۡنِیۡ عَنۡکَ شَیۡئًا ﴿۲۴﴾
Iz qaala lie abieehie yaaa abatie liema ta'boedoe maa laa yasma'oe wa laa yoebsieroe wa laa yoeghniee 'an-ka shai'aa
19:42 (Gedenk) toen hij tot zijn oom zei: "O mijn oom! Waarom aanbidt je iets dat niet hoort, noch ziet en geen enkel voordeel aan jou biedt? (Notitie: Wanneer er in het Arabisch een naam vermeld word bij het Arabische woord vader, wordt er oom bedoeld en niet de eigen vader. Zie de volgende vers 2:133).

یٰۤاَبَتِ اِنِّیۡ قَدۡ جَآءَنِیۡ مِنَ الۡعِلۡمِ مَا لَمۡ یَاۡتِکَ فَاتَّبِعۡنِیۡۤ اَہۡدِکَ صِرَاطًا سَوِیًّا ﴿۳۴﴾
Yaaa abatie ienniee qad djaaa'aniee mienal 'ielmie maa lam ya'tieka fattabie'nieee ahdieka sieraatan Sawieyyaa
19:43 O mijn oom! Zonder enige twijfel, er is aan mij kennis gegeven die u niet heeft gekregen. Dus volg mij, dan leid ik u naar het rechte pad.

یٰۤاَبَتِ لَا تَعۡبُدِ الشَّیۡطٰنَ ؕ اِنَّ الشَّیۡطٰنَ کَانَ لِلرَّحۡمٰنِ عَصِیًّا ﴿۴۴﴾
Yaaa abatie laa ta'boediesh Shaitaan; iennash Shaitaana kaana lier Rahmaanie 'asieyyaa
19:44 O mijn oom! Aanbid niet de satan! Voorzeker, de satan is opstandig tegen de Barmhartige.

یٰۤاَبَتِ اِنِّیۡۤ اَخَافُ اَنۡ یَّمَسَّکَ عَذَابٌ مِّنَ الرَّحۡمٰنِ فَتَکُوۡنَ لِلشَّیۡطٰنِ وَلِیًّا ﴿۵۴﴾
Yaaa abatie ienniee aghaafoe ay yamassaka 'azaaboem mienar Rahmaanie fatakoena liesh Shaitaanie walieyyaa
19:45 O mijn oom! Ik ben bang dat een straf van de Barmhartige u zult treffen, en dat u een dienaar van de satan wordt."

قَالَ اَرَاغِبٌ اَنۡتَ عَنۡ اٰلِہَتِیۡ یٰۤـاِبۡرٰہِیۡمُ ۚ لَئِنۡ لَّمۡ تَنۡتَہِ لَاَرۡجُمَنَّکَ وَ اہۡجُرۡنِیۡ مَلِیًّا ﴿۶۴﴾
Qaala araaghieboen anta 'an aaliehatiee yaaa Ibraahieemoe la 'iel lam tantahie la ardjoemannaka wahdjoerniee malieyyaa
19:46 Hij zei: "Haat je mijn goden, O Ibrahiem?! Waarlijk, als je niet ophoudt, dan zal ik jou zeker stenigen. Dus ga van me weg, voor een lange tijd."

قَالَ سَلٰمٌ عَلَیۡکَ ۚ سَاَسۡتَغۡفِرُ لَکَ رَبِّیۡ ؕ اِنَّہٗ کَانَ بِیۡ حَفِیًّا ﴿۷۴﴾
Qaala salaamoen 'alaika sa astaghfieroe laka Rabbieee iennahoe kaana biee hafieyyaa
19:47 Hij (Ibrahiem) zei: "Vrede zij met u, ik zal vergeving bij mijn Heer voor u vragen. Voorzeker, Hij is altijd mild voor me." (Notitie: zie ook 9:114)

وَ اَعۡتَزِلُکُمۡ وَ مَا تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ اَدۡعُوۡا رَبِّیۡ ۫ۖ عَسٰۤی اَلَّاۤ اَکُوۡنَ بِدُعَآءِ رَبِّیۡ شَقِیًّا ﴿۸۴﴾
Wa a'tazieloekoem wa maa tad'oena mien doeniel laahie wa ad'oe Rabbiee 'asaaa allaaa akoena biedoe'aaa'ie Rabbiee shaqieyyaa
19:48 "Ik zal van jullie weggaan en van wat jullie naast Allah aanbidden. En ik zal bij mijn Heer smeken (voor standvastigheid in mijn geloof). Ik hoop dat ik niet ongezegend zal zijn in de aanbidding van mijn Heer."

فَلَمَّا اعۡتَزَلَہُمۡ وَ مَا یَعۡبُدُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ۙ وَہَبۡنَا لَہٗۤ اِسۡحٰقَ وَ یَعۡقُوۡبَ ؕ وَ کُلًّا جَعَلۡنَا نَبِیًّا ﴿۹۴﴾
Fa lam ma'tazalahoem wa maa ya'boedoena mien doeniel laahie wahabnaa lahoe ies-haaqa wa ya'qoeb; wa koellan dja'alnaa Nabieyyaa
19:49 Toen hij dus weg van hen ging en van wat ze naast Allah aanbaden, schonken Wij hem Izaak en Jakob. Elk van hen maakten Wij een profeet.

وَ وَہَبۡنَا لَہُمۡ مِّنۡ رَّحۡمَتِنَا وَ جَعَلۡنَا لَہُمۡ لِسَانَ صِدۡقٍ عَلِیًّا ﴿۰۵﴾
Wa wahabnaa lahoem mierrahmatienaa wa dja'alnaa lahoem liesaana siedqien 'alieyyaa
19:50 En Wij schonken hen van Onze Barmhartigheid en Wij maakten hen geëerd, verheven.

وَ اذۡکُرۡ فِی الۡکِتٰبِ مُوۡسٰۤی ۫ اِنَّہٗ کَانَ مُخۡلَصًا وَّ کَانَ رَسُوۡلًا نَّبِیًّا ﴿۱۵﴾
Wazkoer fiel Kietaabie Moesaaa; iennahoe kaana moeghlasaw wa kaana Rasoelan Nabieyyaa
19:51 En vertel over Moesa (Mozes) (wat er vermeld staat) in het Boek. Voorzeker, hij was gekozen, en hij was een boodschapper, een Profeet.

وَ نَادَیۡنٰہُ مِنۡ جَانِبِ الطُّوۡرِ الۡاَیۡمَنِ وَ قَرَّبۡنٰہُ نَجِیًّا ﴿۲۵﴾
Wa naadainaahoe mien djaaniebiet Toeriel aimanie wa qarrabnaahoe nadjieyyaa
19:52 En Wij riepen hem van de rechterzijde van (de berg) Thoer en Wij brachten hem dichterbij om met hem te praten.

وَ وَہَبۡنَا لَہٗ مِنۡ رَّحۡمَتِنَاۤ اَخَاہُ ہٰرُوۡنَ نَبِیًّا ﴿۳۵﴾
Wa wahabnaa lahoe mier rahmatienaaa aghaahoe Haaroena Nabieyyaa
19:53 En van Onze Barmhartigheid schonken Wij hem zijn broer Haroen (Aaron), een Profeet.

وَ اذۡکُرۡ فِی الۡکِتٰبِ اِسۡمٰعِیۡلَ ۫ اِنَّہٗ کَانَ صَادِقَ الۡوَعۡدِ وَ کَانَ رَسُوۡلًا نَّبِیًّا ﴿۴۵﴾
Wazkoer fiel Kietaabie iesmaa'ieel; iennahoe kaana saadieqal wa'die wa kaana Rasoelan Nabieyyaa
19:54 En vertel over Ismaël (wat er vermeld staat) in het boek. Voorzeker, hij was trouw aan zijn beloften en hij was een boodschapper, een Profeet.

وَ کَانَ یَاۡمُرُ اَہۡلَہٗ بِالصَّلٰوۃِ وَ الزَّکٰوۃِ ۪ وَ کَانَ عِنۡدَ رَبِّہٖ مَرۡضِیًّا ﴿۵۵﴾
Wa kaana ya'moeroe ahlahoe bies Salaatie waz zakaatie wa kaana 'ienda Rabbiehiee mardieyyaa
19:55 En hij beval zijn familie op (het onderhouden van) de 'Salaat' (het gebed) en (het betalen van) de zakaat. En hij was bij zijn Heer behaagd.

وَ اذۡکُرۡ فِی الۡکِتٰبِ اِدۡرِیۡسَ ۫ اِنَّہٗ کَانَ صِدِّیۡقًا نَّبِیًّا ﴿۶۵﴾
Wazkoer fiel Kietaabie Idriees; iennahoe kaana sieddieeqan Nabieyyaa
19:56 En vertel over Idries (wat er vermeld staat) in het boek. Voorzeker, hij was een oprechte (man en), een Profeet.

وَّ رَفَعۡنٰہُ مَکَانًا عَلِیًّا ﴿۷۵﴾
Wa rafa'naahoe makaanan 'alieyyaa
19:57 En Wij verhieven hem tot een hoge positie.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ اَنۡعَمَ اللّٰہُ عَلَیۡہِمۡ مِّنَ النَّبِیّٖنَ مِنۡ ذُرِّیَّۃِ اٰدَمَ ٭ وَ مِمَّنۡ حَمَلۡنَا مَعَ نُوۡحٍ ۫ وَّ مِنۡ ذُرِّیَّۃِ اِبۡرٰہِیۡمَ وَ اِسۡرَآءِیۡلَ ۫ وَ مِمَّنۡ ہَدَیۡنَا وَ اجۡتَبَیۡنَا ؕ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُ الرَّحۡمٰنِ خَرُّوۡا سُجَّدًا وَّ بُکِیًّا ﴿۸۵﴾
Oelaaa'iekal lazieena an'amal laahoe 'alaihiem mienan Nabieyyieena mien zoerrieyyatie Aadama wa miemman hamalnaa ma'a Noehiew wa mien zoerrieyyatie Ibraahieema wa Israaa'ieela wa miemman hadainaa wadjta bainaaa; iezaa toetlaa 'alaihiem Aayaatoer Rahmaanie gharroe soedjdjadaw wa boekieyyaa
19:58 Zij waren degenen die Allah begunstigd heeft, behorend tot de profeten. Het waren nakomelingen van Adam en van degenen die Wij met Noeh (Noach) (in de ark) droegen en van de nakomelingen van Ibrahiem en Israël (Jakob) en van degenen die Wij leidden en kozen. Wanneer de verzen van de meest Barmhartige voor hen werden voorgedragen, vielen ze in prostratie en huilden neer. (Notitie: Prostratie/Sajdah Tilawat is vereist.)

فَخَلَفَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ خَلۡفٌ اَضَاعُوا الصَّلٰوۃَ وَ اتَّبَعُوا الشَّہَوٰتِ فَسَوۡفَ یَلۡقَوۡنَ غَیًّا ﴿۹۵﴾
Faghalafa mien ba'diehiem ghalfoen adaa'oes Salaata wattaba'oesh shahawaatie fasawfa yalqawna ghaiyyaa
19:59 Vervolgens is er na hen een nageslacht opgevolgd dat de 'Salaat' (contact met Allah, de gebeden) verwaarloosden en de lusten navolgden. Dus spoedig zullen ze het kwaad tegemoet zien.

اِلَّا مَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَاُولٰٓئِکَ یَدۡخُلُوۡنَ الۡجَنَّۃَ وَ لَا یُظۡلَمُوۡنَ شَیۡئًا ﴿۰۶﴾
Illaa man taaba wa aamana wa 'amiela saaliehan fa oelaaa'ieka yadghoeloenal djannata wa laa yoezlamoena shai'aa
19:60 Behalve wie berouw toonde, geloofde en goede daden verrichtte. Zij zijn het die het Paradijs zullen betreden en er zal hen geen enkel onrecht worden aangedaan.

جَنّٰتِ عَدۡنِۣ الَّتِیۡ وَعَدَ الرَّحۡمٰنُ عِبَادَہٗ بِالۡغَیۡبِ ؕ اِنَّہٗ کَانَ وَعۡدُہٗ مَاۡتِیًّا ﴿۱۶﴾
djannaatie 'adnieniel latiee wa'adar Rahmaanoe iebaadahoe bielghaib; iennahoe kaana wa'doehoe ma'tieyyaa
19:61 (De) Tuinen van Adn (Eden, het Paradijs) zijn beloofd door de Barmhartige aan Zijn dienaren vanuit het ongeziene. Voorzeker, (de vervulling van) Zijn belofte vindt zeker plaats.

لَا یَسۡمَعُوۡنَ فِیۡہَا لَغۡوًا اِلَّا سَلٰمًا ؕ وَ لَہُمۡ رِزۡقُہُمۡ فِیۡہَا بُکۡرَۃً وَّ عَشِیًّا ﴿۲۶﴾
Laa yasma'oena fieehaa laghwan iellaa salaamaa; wa lahoem riezqoehoem fieehaa boekrataw wa 'ashieyyaa
19:62 Ze zullen daarin geen onzinnige gesprekken horen, maar alleen vrede. Voor hen bevinden zich daar hun voorzieningen voor de dag en de nacht.

تِلۡکَ الۡجَنَّۃُ الَّتِیۡ نُوۡرِثُ مِنۡ عِبَادِنَا مَنۡ کَانَ تَقِیًّا ﴿۳۶﴾
Tielkal djannatoel latiee noeriesoe mien 'iebaadienaa man kaana taqieyyaa
19:63 Dit is het Paradijs die Wij geven als een erfenis aan Onze dienaren die godvrezend zijn.

وَ مَا نَتَنَزَّلُ اِلَّا بِاَمۡرِ رَبِّکَ ۚ لَہٗ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡنَا وَ مَا خَلۡفَنَا وَ مَا بَیۡنَ ذٰلِکَ ۚ وَ مَا کَانَ رَبُّکَ نَسِیًّا ﴿۴۶﴾
Wa maa natanazzaloe iellaa bie amrie Rabbieka lahoe maa baina aidieenaa wa maa ghalfanaa wa maa baina zaaliek; wa maa kaana Rabboeka nasieyyaa
19:64 En wij (engelen) dalen alleen op bevel van uw Heer neer. Tot Hem behoort alles wat voor ons is en wat achter ons is en wat ertussen is. En uw Heer is niet vergeetachtig.

رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا فَاعۡبُدۡہُ وَ اصۡطَبِرۡ لِعِبَادَتِہٖ ؕ ہَلۡ تَعۡلَمُ لَہٗ سَمِیًّا ﴿۵۶﴾
Rabboes samaawaatie wal ardie wa maa bainahoemaa fa'boed hoe wastabier lie'iebaadatieh; hal ta'lamoe lahoe samieyyaa
19:65 (Hij is de) Heer van de hemelen en de aarde, en alles wat er tussen beide bevindt. Dus aanbid Hem en wees standvastig in het aanbidden van Hem. Ken je een iemand of iets dat gelijkwaardig is aan Hem?"

وَ یَقُوۡلُ الۡاِنۡسَانُ ءَ اِذَا مَا مِتُّ لَسَوۡفَ اُخۡرَجُ حَیًّا ﴿۶۶﴾
Wa yaqoeloel iensaanoe 'a iezaa maa miettoe lasawfa oeghradjoe haiyaa
19:66 En de mens zegt: "Wat!? Als ik sterf zal ik daarna zeker tot leven worden gewekt?!"

اَوَ لَا یَذۡکُرُ الۡاِنۡسَانُ اَنَّا خَلَقۡنٰہُ مِنۡ قَبۡلُ وَ لَمۡ یَکُ شَیۡئًا ﴿۷۶﴾
'A wa laa yazkoeroel iensaanoe annaa ghalaqnaahoe mien qabloe wa lam yakoe shai'aa
19:67 Herinnert de mens zich (dan) niet dat Wij hem geschapen hebben, terwijl hij eerst niets was?

فَوَ رَبِّکَ لَنَحۡشُرَنَّہُمۡ وَ الشَّیٰطِیۡنَ ثُمَّ لَنُحۡضِرَنَّہُمۡ حَوۡلَ جَہَنَّمَ جِثِیًّا ﴿۸۶﴾
Fawa Rabbieka lanahshoe rannahoem wash shayaatieena soemma lanoehdierannahoem hawla djahannama djiesieyyaa
19:68 Dus bij jouw Heer, zonder enige twijfel, Wij zullen hen en de satans verzamelen. Vervolgens, zullen Wij hen met gebogen knieën rondom de hel brengen.

ثُمَّ لَنَنۡزِعَنَّ مِنۡ کُلِّ شِیۡعَۃٍ اَیُّہُمۡ اَشَدُّ عَلَی الرَّحۡمٰنِ عِتِیًّا ﴿۹۶﴾
Soemma lanan zie'anna mien koellie shiee'atien aiyoehoem ashaddoe 'alar Rahmaanie 'ietieyyaa
19:69 Dan zullen Wij vanuit elke groep degenen die het ergst in opstand waren tegen de Barmhartige, eruit slepen.

ثُمَّ لَنَحۡنُ اَعۡلَمُ بِالَّذِیۡنَ ہُمۡ اَوۡلٰی بِہَا صِلِیًّا ﴿۰۷﴾
Soemma lanahnoe a'lamoe biellazieena hoem awlaa biehaa sielieyyaa
19:70 Nogmaals, zonder enige twijfel, Wij weten het beste wie van hen het meest waardig zijn om daarin verbrand te worden.

وَ اِنۡ مِّنۡکُمۡ اِلَّا وَارِدُہَا ۚ کَانَ عَلٰی رَبِّکَ حَتۡمًا مَّقۡضِیًّا ﴿۱۷﴾
Wa ien mien-koem iellaa waariedoehaa; kaana 'alaa Rabbieka hatmam maqdieyyaa
19:71 En iedereen zal erover (de hel) oversteken. Dit is een onvermijdelijke besluit van jouw Heer.

ثُمَّ نُنَجِّی الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا وَّ نَذَرُ الظّٰلِمِیۡنَ فِیۡہَا جِثِیًّا ﴿۲۷﴾
Soemma noenadjdjiel lazieenat taqaw wa nazaroez zaaliemieena fieehaa djiesieyyaa
19:72 Vervolgens, zullen Wij hen beschermen die (Allah) vreesden. En Wij zullen de onrechtplegers met gebogen knieën erin achterlaten.

وَ اِذَا تُتۡلٰی عَلَیۡہِمۡ اٰیٰتُنَا بَیِّنٰتٍ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا ۙ اَیُّ الۡفَرِیۡقَیۡنِ خَیۡرٌ مَّقَامًا وَّ اَحۡسَنُ نَدِیًّا ﴿۳۷﴾
Wa iezaa toetlaa 'alaihiem Aayaatoenaa baiyienaatien qaalal lazieena kafaroe liellazieena aamanoeo aiyoel farieeqainie ghairoem maqaamaw wa ahsanoe nadieyyaa
19:73 En wanneer Onze duidelijke verzen aan hen worden voorgedragen, dan zeggen de ongelovigen tegen gelovigen: "Welke van de twee groepen (d.w.z. gelovigen en ongelovigen) bevindt zich in een betere positie en is superieur als gemeenschap?"

وَ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنۡ قَرۡنٍ ہُمۡ اَحۡسَنُ اَثَاثًا وَّ رِءۡیًا ﴿۴۷﴾
Wa kam ahlaknaa qablahoem mien qarnien hoem ahsanoe asaasaw wa rie'yaa
19:74 En hoeveel generaties hebben Wij niet vóór hen vernietigd, die beter waren op het gebied van bezit en uiterlijk?

قُلۡ مَنۡ کَانَ فِی الضَّلٰلَۃِ فَلۡیَمۡدُدۡ لَہُ الرَّحۡمٰنُ مَدًّا ۬ۚ حَتّٰۤی اِذَا رَاَوۡا مَا یُوۡعَدُوۡنَ اِمَّا الۡعَذَابَ وَ اِمَّا السَّاعَۃَ ؕ فَسَیَعۡلَمُوۡنَ مَنۡ ہُوَ شَرٌّ مَّکَانًا وَّ اَضۡعَفُ جُنۡدًا ﴿۵۷﴾
Qoel man kaana fiedda laalatie falyamdoed lahoer Rahmaanoe maddaa; hattaaa iezaa ra aw maa yoe'adoena iemmal 'azaaba wa iemmas Saa'ata fasa ya'lamoena man hoewa sharroem makaanaw wa ad'afoe djoendaa
19:75 Zeg: "Als iemand in dwaling verkeert, dan zal de Barmhartige zijn (levens-)periode verlengen totdat ze datgeen zien wat beloofd is, hetzij de straf of hetzij het uur (dag des oordeel). Dan zullen ze weten wie zich in een slechtste positie bevindt en zwakker in kracht is."

وَ یَزِیۡدُ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اہۡتَدَوۡا ہُدًی ؕ وَ الۡبٰقِیٰتُ الصّٰلِحٰتُ خَیۡرٌ عِنۡدَ رَبِّکَ ثَوَابًا وَّ خَیۡرٌ مَّرَدًّا ﴿۶۷﴾
Wa yazieedoel laahoel lazieenah tadaw hoedaa; wal baaqieyaatoes saaliehaatoe ghairoen 'ienda Rabbieka sawaabaw wa ghairoem maraddaa
19:76 En Allah vermeerdert de leiding voor degenen die de leiding accepteren. De blijvende goede daden zijn beter voor (het verkregen van) beloning en voor de terugkeer naar jouw Heer. (Notitie: "baqiyat as salaat" is hier vertaald als goede daden, zie ook 18:46.)

اَفَرَءَیۡتَ الَّذِیۡ کَفَرَ بِاٰیٰتِنَا وَ قَالَ لَاُوۡتَیَنَّ مَالًا وَّ وَلَدًا ﴿۷۷﴾
Afara'aytal laziee kafara bie Aayaatienaa wa qaala la oeta yanna maalaw wa waladaa
19:77 Heb jij degene gezien die niet in Onze Tekenen gelooft en zei: "Zeker, aan mij zullen zeker bezit en zonen worden gegeven."

اَطَّلَعَ الۡغَیۡبَ اَمِ اتَّخَذَ عِنۡدَ الرَّحۡمٰنِ عَہۡدًا ﴿۸۷﴾
'At tala'al ghaiba 'amiet taghaza 'iendar Rahmaanie 'ahdaa
19:78 Heeft hij (dan) het ongeziene gezien of heeft hij een toezegging gekregen van de meest Barmhartige?

کَلَّا ؕ سَنَکۡتُبُ مَا یَقُوۡلُ وَ نَمُدُّ لَہٗ مِنَ الۡعَذَابِ مَدًّا ﴿۹۷﴾
Kallaa; sanaktoeboe maa yaqoeloe wa namoeddoe lahoe mienal 'azaabie maddaa
19:79 Nee! Wij zullen opschrijven wat hij zegt en Wij zullen de straf voor hem verzwaren.

وَّ نَرِثُہٗ مَا یَقُوۡلُ وَ یَاۡتِیۡنَا فَرۡدًا ﴿۰۸﴾
Wa nariesoehoe maa yaqoeloe wa ya'tieenaa fardaa
19:80 Wij zullen (na zijn dood) al hetgeen erven waarover hij praat (opschept) en hij zal (dan) helemaal alleen tot Ons komen.

وَ اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ اٰلِہَۃً لِّیَکُوۡنُوۡا لَہُمۡ عِزًّا ﴿۱۸﴾
Wattaghazoe mien doeniel laahie aaliehatal lieyakoenoe lahoem 'iezzaa
19:81 En ze hebben goden naast Allah genomen, zodat er een eer voor hen (de afgoden) is.

کَلَّا ؕ سَیَکۡفُرُوۡنَ بِعِبَادَتِہِمۡ وَ یَکُوۡنُوۡنَ عَلَیۡہِمۡ ضِدًّا ﴿۲۸﴾
Kallaa; sa yakfoeroena bie'iebaadatiehiem wa yakoenoena 'alaihiem dieddaa
19:82 Nee! Ze zullen hun aanbidding verwerpen en ze zullen vijanden voor hen (de aanbidders) zijn.

اَلَمۡ تَرَ اَنَّـاۤ اَرۡسَلۡنَا الشَّیٰطِیۡنَ عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ تَؤُزُّہُمۡ اَزًّا ﴿۳۸﴾
Alam tara annaaa arsalnash Shayaatieena 'alal kaafierieena ta'oezzoehoem azzaa
19:83 Zie je niet dat Wij de satans gestuurd hebben naar de ongelovigen om hen toe te laten nemen in het begaan van kwaad?

فَلَا تَعۡجَلۡ عَلَیۡہِمۡ ؕ اِنَّمَا نَعُدُّ لَہُمۡ عَدًّا ﴿۴۸﴾
Falaa ta'djal alaihiem iennamaa na 'oeddoe lahoem 'addaa
19:84 Dus wees niet haastig tegen hen. Wij alleen zijn het die het aantal (levensdagen) toekennen (,zodat ze in zonden kunnen toenemen). (Notitie: zie ook 3:178 over het toelaten nemen van zonden.)

یَوۡمَ نَحۡشُرُ الۡمُتَّقِیۡنَ اِلَی الرَّحۡمٰنِ وَفۡدًا ﴿۵۸﴾
Yawma nahshoeroel moettaqieena ielar Rahmaanie wafdaa
19:85 Op de dag (des oordeel) zullen Wij de Moetaqoens (godvrezenden, zie 2:2-5) verzamelen als een delegatie naar de meest Barmhartige.

وَّ نَسُوۡقُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ اِلٰی جَہَنَّمَ وِرۡدًا ﴿۶۸﴾
Wa nasoeqoel moedjriemieena ielaa djahannama wierdaa
19:86 En Wij zullen de misdadigers naar de hel opjagen, in een dorstige toestand (net als vee).

لَا یَمۡلِکُوۡنَ الشَّفَاعَۃَ اِلَّا مَنِ اتَّخَذَ عِنۡدَ الرَّحۡمٰنِ عَہۡدًا ﴿۷۸﴾
Laa yamliekoenash shafaa'ata iellaa maniettaghaza 'iendar Rahmaanie 'ahdaa
19:87 Ze hebben geen recht tot bemiddeling, behalve voor degene die een verbond had gesloten met de meest Barmhartige.

وَ قَالُوا اتَّخَذَ الرَّحۡمٰنُ وَلَدًا ﴿۸۸﴾
Wa qaaloet taghazar Rahmaanoe waladaa
19:88 En ze zeggen: "De Barmhartige heeft een zoon genomen."

لَقَدۡ جِئۡتُمۡ شَیۡئًا اِدًّا ﴿۹۸﴾
Laqad djie'toem shai'an ieddaa
19:89 Waarlijk, jullie hebben met iets afschuwelijk verklaard!

تَکَادُ السَّمٰوٰتُ یَتَفَطَّرۡنَ مِنۡہُ وَ تَنۡشَقُّ الۡاَرۡضُ وَ تَخِرُّ الۡجِبَالُ ہَدًّا ﴿۰۹﴾
Takaadoes samaawaatoe yatafattarna mienhoe wa tanshaq qoel ardoe wa taghierroel djiebaaloe haddaa
19:90 De hemelen staan daardoor op het punt om open te barsten en de aarde om open te splijten en de bergen in te storten tot puin!

اَنۡ دَعَوۡا لِلرَّحۡمٰنِ وَلَدًا ﴿۱۹﴾
An da'aw lier Rahmaanie waladaa
19:91 Omdat ze een zoon toeschrijven aan de meest Barmhartige.

وَ مَا یَنۡۢبَغِیۡ لِلرَّحۡمٰنِ اَنۡ یَّتَّخِذَ وَلَدًا ﴿۲۹﴾
Wa maa yambaghiee lier Rahmaanie ay yattaghieza waladaa
19:92 Het past (de Majesteit van) de meest Barmhartige niet dat Hij zichzelf een zoon aanneemt.

اِنۡ کُلُّ مَنۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ اِلَّاۤ اٰتِی الرَّحۡمٰنِ عَبۡدًا ﴿۳۹﴾
In koelloe man fies samaawaatie wal ardie iellaaa aatier Rahmaanie 'abdaa
19:93 Iedereen in de hemelen en op de aarde, zal als een slaaf tot de meest Barmhartige toekomen.

لَقَدۡ اَحۡصٰہُمۡ وَ عَدَّہُمۡ عَدًّا ﴿۴۹﴾
Laqad ahsaahoem wa addahoem 'addaa
19:94 Waarlijk, Hij heeft allen op een rij gezet, en nauwkeurig geteld.

وَ کُلُّہُمۡ اٰتِیۡہِ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ فَرۡدًا ﴿۵۹﴾
Wa koelloehoem aatieehie Yawmal Qieyaamatie fardaa
19:95 Ieder van hen zal op de dag van de wederopstanding helemaal alleen tot Hem komen.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ سَیَجۡعَلُ لَہُمُ الرَّحۡمٰنُ وُدًّا ﴿۶۹﴾
Innal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie sa yadj'aloe lahoemoer Rahmaanoe woeddaa
19:96 Voorzeker, degenen die geloofden en goede werken verrichtten, de Barmhartige zal hen liefde schenken.

فَاِنَّمَا یَسَّرۡنٰہُ بِلِسَانِکَ لِتُبَشِّرَ بِہِ الۡمُتَّقِیۡنَ وَ تُنۡذِرَ بِہٖ قَوۡمًا لُّدًّا ﴿۷۹﴾
Fa iennamaa yassarnaahoe bieliesaanieka lietoebashshiera biehiel moettaqieena wa toenziera biehiee qawmal loeddaa
19:97 Dus hebben Wij het (de Koran) alleen vergemakkelijkt in uw eigen taal, zodat je er goede tijdingen mee geeft aan de Moettaqoens en dat je er een vijandig volk mee waarschuwt.

وَ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنۡ قَرۡنٍ ؕ ہَلۡ تُحِسُّ مِنۡہُمۡ مِّنۡ اَحَدٍ اَوۡ تَسۡمَعُ لَہُمۡ رِکۡزًا ﴿۸۹﴾
Wa kam ahlaknaa qabla hoem mien qarnien hal toehiessoe mienhoem mien ahadien aw tasma'oe lahoem riekzaa
19:98 En hoeveel generaties die vóór hen leefden, hebben Wij niet vernietigd? Kun je één van hen waarnemen of kun je van hen enige geluid horen?

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
طٰہٰ ۚ﴿۱﴾
Taa-Haa
20:1 Toa Ha

مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکَ الۡقُرۡاٰنَ لِتَشۡقٰۤی ۙ﴿۲﴾
Maaa anzalnaa 'alaikal Qoer-aana lietashqaaa
20:2 Wij hebben de Koran niet op jou neergedaalt om jou verdrietig te maken.

اِلَّا تَذۡکِرَۃً لِّمَنۡ یَّخۡشٰی ۙ﴿۳﴾
Illaa tazkieratal liemay yaghshaa
20:3 Maar (het is) als een herinnerring voor degenen die (Allah) vrezen.

تَنۡزِیۡلًا مِّمَّنۡ خَلَقَ الۡاَرۡضَ وَ السَّمٰوٰتِ الۡعُلٰی ؕ﴿۴﴾
Tanzieelam miemman ghalaqal arda was samaawaatiel 'oelaa
20:4 (Het is) een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen heeft geschapen.

اَلرَّحۡمٰنُ عَلَی الۡعَرۡشِ اسۡتَوٰی ﴿۵﴾
Ar-Rahmaanoe 'alal 'Arshies tawaa
20:5 De meest Barmhartige 'Istawa' (steeg op) de troon (op een manier die bij Zijn Majesteit past). (Notitie: zie ook 10:3.)

لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا وَ مَا تَحۡتَ الثَّرٰی ﴿۶﴾
Lahoe maa fies samaawaatie wa maa fiel ardie wa maa bainahoemaa wa maa tahtassaraa
20:6 Tot Hem behoort al datgeen wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt. En ook wat zich tussen beide en onder de grond bevindt.

وَ اِنۡ تَجۡہَرۡ بِالۡقَوۡلِ فَاِنَّہٗ یَعۡلَمُ السِّرَّ وَ اَخۡفٰی ﴿۷﴾
Wa ien tadjhar bielqawlie fa-iennahoe ya'lamoes sierra wa aghfaa
20:7 En als je hardop spreekt (Hij weet ervan). Zonder enige twijfel, Hij weet wat er in het geheim wordt gezegd of zelfs wat nog dieper is verborgen.

اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ لَہُ الۡاَسۡمَآءُ الۡحُسۡنٰی ﴿۸﴾
Allaahoe laaa ielaaha iellaa hoewa lahoel asmaa'oel hoesnaa
20:8 Allah, er is geen (andere) deïteit/godheid dan Hem. Tot Hem behoren de meest mooie namen. (Notitie: zie ook 17:110)

وَ ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ مُوۡسٰی ۘ﴿۹﴾
Wa hal ataaka hadieesoe Moesa
20:9 Heeft het verhaal van Moesa jou bereikt?

اِذۡ رَاٰ نَارًا فَقَالَ لِاَہۡلِہِ امۡکُثُوۡۤا اِنِّیۡۤ اٰنَسۡتُ نَارًا لَّعَلِّیۡۤ اٰتِیۡکُمۡ مِّنۡہَا بِقَبَسٍ اَوۡ اَجِدُ عَلَی النَّارِ ہُدًی ﴿۰۱﴾
Iz ra aa naaran faqaala lie ahliehiem koesoeo iennieee aanastoe naaral la'allieee aatieekoem mienhaa bieqabasien aw adjiedoe 'alan naarie hoedaa
20:10 Toen hij een vuur zag, zei hij tegen zijn familie: "Blijf hier. Zeer zeker, ik zie een vuur. Misschien kan ik vuur voor jullie brengen of misschien vind ik bij het vuur leiding (mensen die mij kunnen helpen). (Notitie: zie ook 27:7 en 28:29).

فَلَمَّاۤ اَتٰىہَا نُوۡدِیَ یٰمُوۡسٰی ﴿۱۱﴾
Falammaaa ataahaa noedieya yaa Moesaa
20:11 Toen hij daar aankwam, werd hij geroepen: "O Moesa!"

اِنِّیۡۤ اَنَا رَبُّکَ فَاخۡلَعۡ نَعۡلَیۡکَ ۚ اِنَّکَ بِالۡوَادِ الۡمُقَدَّسِ طُوًی ﴿۲۱﴾
Innieee Ana Rabboeka faghla' na'laika iennaka bielwaadiel moeqaddasie Toewaa
20:12 "Zonder enige twijfel, Ik ben jouw Heer. Doe je schoenen uit, voorzeker, je bevindt zich in de heilige vallei Thuwa."

وَ اَنَا اخۡتَرۡتُکَ فَاسۡتَمِعۡ لِمَا یُوۡحٰی ﴿۳۱﴾
Wa anaghtartoeka fastamie' liemaa yoehaa
20:13 "Ik heb jou gekozen, dus luister naar datgeen wat wordt geopenbaard."

اِنَّنِیۡۤ اَنَا اللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّاۤ اَنَا فَاعۡبُدۡنِیۡ ۙ وَ اَقِمِ الصَّلٰوۃَ لِذِکۡرِیۡ ﴿۴۱﴾
Innanieee Anal laahoe laaa ielaaha iellaa Ana fa'boedniee wa aqiemies-salaata lieziekriee
20:14 "Zonder enige twijfel, Ik ben Allah. Er is geen deïteit/godheid dan Ik. Dus aanbid Mij en onderhoud de 'Salaat' (contact met Mij/het gebed) om Mij te gedenken."

اِنَّ السَّاعَۃَ اٰتِیَۃٌ اَکَادُ اُخۡفِیۡہَا لِتُجۡزٰی کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا تَسۡعٰی ﴿۵۱﴾
Innas Saa'ata aatieyatoen akaadoe oeghfieehaa lietoedjzaa koelloe nafsien biemaa tas'aa
20:15 "Zeer zeker, het uur (dag des oordeel) komt eraan. Ik sta op het punt om het te onthullen zodat ieder persoon beloond kan worden voor datgeen waarnaar hij streeft."

فَلَا یَصُدَّنَّکَ عَنۡہَا مَنۡ لَّا یُؤۡمِنُ بِہَا وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ فَتَرۡدٰی ﴿۶۱﴾
Falaa yasoeddannaka 'anhaa mal laa yoe'mienoe biehaa wattaba'a hawaahoe fatardaa
20:16 "Dus laat je daarom er niet van afleiden door degene die er niet in gelooft en zijn verlangens volgt, anders zul je worden vernietigd."

وَ مَا تِلۡکَ بِیَمِیۡنِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۷۱﴾
Wa maa tielka bie yamiee nieka yaa Moesaa
20:17 "Wat is datgeen in jouw rechterhand, O Moesa?"

قَالَ ہِیَ عَصَایَ ۚ اَتَوَکَّؤُا عَلَیۡہَا وَ اَہُشُّ بِہَا عَلٰی غَنَمِیۡ وَ لِیَ فِیۡہَا مَاٰرِبُ اُخۡرٰی ﴿۸۱﴾
Qaala hieya 'asaaya atawakka'oe alaihaa wa ahoeshshoe biehaa 'alaa ghanamiee wa lieya fieehaa ma aarieboe oeghraa
20:18 Hij (Moesa) zei: "Het is mijn staf. Ik leun erop en sla er bladeren mee af voor mijn schapen. En ik gebruik het ook voor andere dingen."

قَالَ اَلۡقِہَا یٰمُوۡسٰی ﴿۹۱﴾
Qaala alqiehaa yaa Moesaa
20:19 Hij zei: "Werp hem neer, O Moesa!"

فَاَلۡقٰہَا فَاِذَا ہِیَ حَیَّۃٌ تَسۡعٰی ﴿۰۲﴾
Fa-alqaahaa fa -iezaa hieya haiyatoen tas'aa
20:20 Dus wierp hij het. Aanschouw! Het werd een slang die snel bewoog.

قَالَ خُذۡہَا وَ لَا تَخَفۡ ٝ سَنُعِیۡدُہَا سِیۡرَتَہَا الۡاُوۡلٰی ﴿۱۲﴾
Qaala ghoezhaa wa laa ta ghaf sanoe'ieedoehaa sieeratahal oelaa
20:21 Hij zei: "Pak het en wees niet bang. Wij zullen het terugbrengen tot zijn eerdere toestand."

وَ اضۡمُمۡ یَدَکَ اِلٰی جَنَاحِکَ تَخۡرُجۡ بَیۡضَآءَ مِنۡ غَیۡرِ سُوۡٓءٍ اٰیَۃً اُخۡرٰی ﴿۲۲﴾
Wadmoem yadaka ielaa djanaahieka taghroedj baidaaa'a mien ghairie soeo'ien Aayatan oeghraa
20:22 "En zet je hand onder je oksel. Het zal wit (en schijnend) worden, zonder enige ziekte. Dit is een ander teken."

لِنُرِیَکَ مِنۡ اٰیٰتِنَا الۡکُبۡرٰی ﴿۳۲﴾
Lienoerieyaka mien Aayaatienal Koebra
20:23 "(Dit alles doen Wij) Zodat Wij jou (enkele) van Onze grootse tekenen kunnen laten zien."

اِذۡہَبۡ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿۴۲﴾
Izhab ielaa Fier'awna iennahoe taghaa
20:24 "Ga naar Farao! Voorzeker, hij overtreedt!"

قَالَ رَبِّ اشۡرَحۡ لِیۡ صَدۡرِیۡ ﴿۵۲﴾
Qaala Rabbiesh rah liee sadriee
20:25 Hij (Moesa) zei: "O mijn Heer! Verruim mijn borst."

وَ یَسِّرۡ لِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿۶۲﴾
Wa yassier lieee amriee
20:26 "En maak mijn taak makkelijk voor me."

وَ احۡلُلۡ عُقۡدَۃً مِّنۡ لِّسَانِیۡ ﴿۷۲﴾
Wahloel 'oeqdatan miellie saaniee
20:27 "En verwijder de knoop uit mijn tong." (Notitie: met andere woorden, maak het spreken makkelijk voor me. Zie ook 43:52.)

یَفۡقَہُوۡا قَوۡلِیۡ ﴿۸۲﴾
Yafqahoe qawliee
20:28 "Zodat ze mijn toespraak zullen begrijpen."

وَ اجۡعَلۡ لِّیۡ وَزِیۡرًا مِّنۡ اَہۡلِیۡ ﴿۹۲﴾
Wadj'al liee wazieeran mien ahliee
20:29 "En ken mij een helper toe, vanuit mijn familie,"

ہٰرُوۡنَ اَخِی ﴿۰۳﴾
Haaroena aghiee
20:30 "Haroen, mijn broeder."

اشۡدُدۡ بِہٖۤ اَزۡرِیۡ ﴿۱۳﴾
Oeshdoed biehieee azriee
20:31 "Versterk met behulp van hem mijn kracht."

وَ اَشۡرِکۡہُ فِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿۲۳﴾
Wa ashriek hoe fieee amriee
20:32 "En laat hem mijn taak delen."

کَیۡ نُسَبِّحَکَ کَثِیۡرًا ﴿۳۳﴾
Kai noesabbiehaka kasieeraa
20:33 "Zodat wij (samen) U veel kunnen verheerlijken,"

وَّ نَذۡکُرَکَ کَثِیۡرًا ﴿۴۳﴾
Wa nazkoeraka kasieeraa
20:34 "en U veel kunnen gedenken."

اِنَّکَ کُنۡتَ بِنَا بَصِیۡرًا ﴿۵۳﴾
Innaka koenta bienaa basieeraa
20:35 "Voorzeker, U ziet alles van en over ons."

قَالَ قَدۡ اُوۡتِیۡتَ سُؤۡلَکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۶۳﴾
Qaala qad oetieeta soe'laka yaa Moesaa
20:36 Hij (Allah) zei: "Waarlijk, jouw verzoek is ingewilligd, O Moesa!" (Notitie: zie ook 2:186, van het accepteren van het smeekgebed.)

وَ لَقَدۡ مَنَنَّا عَلَیۡکَ مَرَّۃً اُخۡرٰۤی ﴿۷۳﴾
Wa laqad manannaa 'alaika marratan oeghraaa
20:37 "En zonder enige twijfel, Wij hebben jou al eerder een gunst geschonken,"

اِذۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰۤی اُمِّکَ مَا یُوۡحٰۤی ﴿۸۳﴾
Iz awhainaaa ielaaa oemmieka maa yoehaaa
20:38 "(dat was) toen Wij jouw moeder ingaven door middel van inspiratie."

اَنِ اقۡذِفِیۡہِ فِی التَّابُوۡتِ فَاقۡذِفِیۡہِ فِی الۡیَمِّ فَلۡیُلۡقِہِ الۡیَمُّ بِالسَّاحِلِ یَاۡخُذۡہُ عَدُوٌّ لِّیۡ وَ عَدُوٌّ لَّہٗ ؕ وَ اَلۡقَیۡتُ عَلَیۡکَ مَحَبَّۃً مِّنِّیۡ ۬ۚ وَ لِتُصۡنَعَ عَلٰی عَیۡنِیۡ ﴿۹۳﴾
'Anieqziefieehie fiet Taaboetie faqziefieehie fiel yammie fal yoel qiehiel yammoe bies saahielie ya'ghoezhoe 'adoewwoel liee wa 'adoewwoel lah; wa alqaitoe 'alaika mahabbatan mienniee wa lietoesna'a 'alaa 'ainiee
20:39 (Wij inspireerde haar:) "Leg hem in de kist en gooi het vervolgens in de zee. De zee zal het aan kust brengen. Een vijand van Mij en van hem, zal hem dan meenemen. En Ik spreidde Mijn liefde over jou, zodat jij groot werd gebracht onder Mijn toezicht." (Notitie: iedereen die Moesa zag hield van hem.)

اِذۡ تَمۡشِیۡۤ اُخۡتُکَ فَتَقُوۡلُ ہَلۡ اَدُلُّکُمۡ عَلٰی مَنۡ یَّکۡفُلُہٗ ؕ فَرَجَعۡنٰکَ اِلٰۤی اُمِّکَ کَیۡ تَقَرَّ عَیۡنُہَا وَ لَا تَحۡزَنَ ۬ؕ وَ قَتَلۡتَ نَفۡسًا فَنَجَّیۡنٰکَ مِنَ الۡغَمِّ وَ فَتَنّٰکَ فُتُوۡنًا ۬۟ فَلَبِثۡتَ سِنِیۡنَ فِیۡۤ اَہۡلِ مَدۡیَنَ ۬ۙ ثُمَّ جِئۡتَ عَلٰی قَدَرٍ یّٰمُوۡسٰی ﴿۰۴﴾
Iz tamshieee oeghtoeka fataqoeloe hal adoelloekoem 'alaa may yakfoeloehoe faradja 'naaka ielaaa oemmieka kai taqarra 'ainoehaa wa laa tahzan; wa qatalta nafsan fanadjdjainaaka mienal ghammie wa fatannaaka foetoenaa; falabiesta sienieena fieee ahlie Madyana soemma djie'ta 'alaa qadariey yaa Moesa
20:40 (Gedenk) Toen jouw zus (naar hen) ging en zei: "Zal ik u iemand laten zien die hem kan verzorgen? Dus hebben Wij jou aan jouw moeder terug gegeven, zodat ze niet zou huilen en treuren. En je hebt een man gedood, maar Wij redden jou van de problemen. En Wij hebben jou beproeft met een zware beproeving. Vervolgens verbleef je enige jaren met de mensen van Madyan. Daarna kwam je op de vastgestelde tijd (naar Ons), O Moesa!" (Notitie: Moesa verliet Egypte op zijn 30ste jaar. Vervolgens, trouwde hij in Madyan en werkte daar acht jaren onder contract en twee extra jaren uit vrije wil voor de vader van zijn vrouw, zie 28:27. Toen hij 40 jaar was (de vastgestelde tijd), begon zijn profeetschap en kreeg hij de eerste openbaringen. Ook profeet Mohammed v.z.m.h. kreeg zijn profeetschap op zijn veertigste jaar.)

وَ اصۡطَنَعۡتُکَ لِنَفۡسِیۡ ﴿۱۴﴾
Wastana' toeka lienafsiee
20:41 "En ik heb jou voor Mijzelf gekozen."

اِذۡہَبۡ اَنۡتَ وَ اَخُوۡکَ بِاٰیٰتِیۡ وَ لَا تَنِیَا فِیۡ ذِکۡرِیۡ ﴿۲۴﴾
Izhab anta wa aghoeka bie Aayaatiee wa laa tanieyaa fiee ziekriee
20:42 "Ga met mijn tekenen, jij en je broer! En verzwak niet in het gedenken in Mij."

اِذۡہَبَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿۳۴﴾
Izhabaaa ielaa Fier'awna iennahoe taghaa
20:43 "Ga jullie beiden naar Farao. Zeer zeker, hij heeft overtreden."

فَقُوۡلَا لَہٗ قَوۡلًا لَّیِّنًا لَّعَلَّہٗ یَتَذَکَّرُ اَوۡ یَخۡشٰی ﴿۴۴﴾
Faqoelaa lahoe qawlal laiyienal la allahoe yatazakkkaroe 'aw yaghshaa
20:44 "En spreek op een aardig wijze met hem, zodat hij zich kan vermanen of zal vrezen."

قَالَا رَبَّنَاۤ اِنَّنَا نَخَافُ اَنۡ یَّفۡرُطَ عَلَیۡنَاۤ اَوۡ اَنۡ یَّطۡغٰی ﴿۵۴﴾
Qaalaa Rabbanaaa iennanaa naghaafoe ay yafroeta 'alainaaa aw ay yatghaa
20:45 Ze zeiden: "Onze Heer! Zeer zeker, wij zijn bang dat hij ons direct zal straffen, of dat hij zware overschrijdende maatregelen zal nemen (tegen ons)."

قَالَ لَا تَخَافَاۤ اِنَّنِیۡ مَعَکُمَاۤ اَسۡمَعُ وَ اَرٰی ﴿۶۴﴾
Qaala laa taghaafaaa iennaniee ma'akoemaa asma'oe wa araa
20:46 Hij zei: "Wees niet bang! Zonder enige twijfel, Ik ben met jullie beiden. Ik hoor en Ik zie."

فَاۡتِیٰہُ فَقُوۡلَاۤ اِنَّا رَسُوۡلَا رَبِّکَ فَاَرۡسِلۡ مَعَنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۬ۙ وَ لَا تُعَذِّبۡہُمۡ ؕ قَدۡ جِئۡنٰکَ بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکَ ؕ وَ السَّلٰمُ عَلٰی مَنِ اتَّبَعَ الۡہُدٰی ﴿۷۴﴾
Faatieyaahoe faqoelaaa iennaa Rasoelaa Rabbieka fa arsiel ma'anaa Baniee Israaa'ieela wa laa toe'azziebhoem qad djie'naaka bie Aayatiem mier Rabbieka wassa laamoe 'alaa maniet taba'al hoedaa
20:47 "Ga dus naar hem toe, en zeg: "Zonder enige twijfel, wij beiden zijn boodschappers van jouw Heer. Stuur dus de kinderen van Israël met ons mee en martel hen niet. Waarlijk, we zijn met een teken van jouw heer gekomen. Vrede zal rusten op degene die de leiding volgt."

اِنَّا قَدۡ اُوۡحِیَ اِلَیۡنَاۤ اَنَّ الۡعَذَابَ عَلٰی مَنۡ کَذَّبَ وَ تَوَلّٰی ﴿۸۴﴾
Innaa qad oehieya ielainaaa annnal 'azaaba 'alaa man kaz zaba wa tawalla
20:48 "Zonder enige twijfel, het is aan ons geopenbaard, dat de straf over hem zal zijn die (Allah en de tekenen) verwerpt en zich (ervan) afkeert."

قَالَ فَمَنۡ رَّبُّکُمَا یٰمُوۡسٰی ﴿۹۴﴾
Qaala famar Rabboe koemaa yaa Moesa
20:49 Hij (Farao) zei: "Wie is dan jullie Heer, O Moesa?!"

قَالَ رَبُّنَا الَّذِیۡۤ اَعۡطٰی کُلَّ شَیۡءٍ خَلۡقَہٗ ثُمَّ ہَدٰی ﴿۰۵﴾
Qaala Rabboenal lazieee a'taa koella shai'ien ghalqahoe soemma hadaa
20:50 Hij zei: "Onze Heer is Degene Die aan elk iets zijn vorm heeft gegeven. Vervolgens heeft Hij het geleid."

قَالَ فَمَا بَالُ الۡقُرُوۡنِ الۡاُوۡلٰی ﴿۱۵﴾
Qaala famaa baaloel qoeroeniel oelaa
20:51 Hij (Farao) zei: "Hoe zit het met de oude generaties?"

قَالَ عِلۡمُہَا عِنۡدَ رَبِّیۡ فِیۡ کِتٰبٍ ۚ لَا یَضِلُّ رَبِّیۡ وَ لَا یَنۡسَی ﴿۲۵﴾
Qaala 'ielmoehaa 'ienda Rabiee fiee kietaab, laa yadielloe Rabbiee wa laa yansaa
20:52 Hij zei: "De kennis daarover is in een boek bij mijn Heer. Mijn Heer maakt geen fouten, noch vergeet Hij."

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ مَہۡدًا وَّ سَلَکَ لَکُمۡ فِیۡہَا سُبُلًا وَّ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً ؕ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡ نَّبَاتٍ شَتّٰی ﴿۳۵﴾
Allaziee dja'ala lakoemoel arda mahdaw wa salaka lakoem fieehaa soeboelaw wa anzala mienas samaaa'ie maaa'an fa aghradjnaa biehieee azwaadjam mien nabaatien shatta
20:53 (Hij is) Degene Die voor jullie de aarde als een bed maakte en die daarop wegen voor jullie maakte en water vanuit de hemel doet neerdalen. Vervolgens doen Wij ermee paren van verschillende soorten planten voortkomen.

کُلُوۡا وَ ارۡعَوۡا اَنۡعَامَکُمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿۴۵﴾
Koeloe war'aw an'aamakoem; ienna fiee zaalieka la Aayaatiel lie oelien noehaa
20:54 Eet ervan en laat jullie vee ervan grazen. Zonder twijfel, daarin zijn zeker tekenen voor de bezitters van verstand.

مِنۡہَا خَلَقۡنٰکُمۡ وَ فِیۡہَا نُعِیۡدُکُمۡ وَ مِنۡہَا نُخۡرِجُکُمۡ تَارَۃً اُخۡرٰی ﴿۵۵﴾
Mienhaa ghalaqnaakoem wa fieehaa noe'ieedoekoem wa mienhaa noeghriedjoekoem taaratan oeghraa
20:55 Uit haar (de aarde) hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie doen terugkeren (de dood). En op een andere\vastgestelde tijdstip zullen Wij jullie daaruit halen (de wederopstanding).

وَ لَقَدۡ اَرَیۡنٰہُ اٰیٰتِنَا کُلَّہَا فَکَذَّبَ وَ اَبٰی ﴿۶۵﴾
Wa laqad arainaahoe Aayaatienaa koellahaa fakaz zaba wa abaa
20:56 En Waarlijk, Wij hebben al Onze Tekenen aan hem (Farao) laten zien, maar hij ontkende (Allah) en weigerde (zich over te geven).

قَالَ اَجِئۡتَنَا لِتُخۡرِجَنَا مِنۡ اَرۡضِنَا بِسِحۡرِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۷۵﴾
Qaala adjie'tanaa lietoeghrie djanaa mien ardienaa biesiehrieka yaa Moesa
20:57 Hij (Farao) zei: "Ben je naar ons gekomen met jouw magie om ons uit ons land te verjagen, O Moesa?!"

فَلَنَاۡتِیَنَّکَ بِسِحۡرٍ مِّثۡلِہٖ فَاجۡعَلۡ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَکَ مَوۡعِدًا لَّا نُخۡلِفُہٗ نَحۡنُ وَ لَاۤ اَنۡتَ مَکَانًا سُوًی ﴿۸۵﴾
Falanaatieyannaka biesiehriem miesliehiee fadj'al bainanaa wa bainaka maw'iedal laa noeghliefoehoe nahnoe wa laaa anta makaanan soewaa
20:58 "Wij zullen dan ook een soortgelijke magie voor jou produceren! Laten we dus een afspraak maken, die wij noch jij kan afzeggen, op een open plek (waar iedereen het kan getuigen)."

قَالَ مَوۡعِدُکُمۡ یَوۡمُ الزِّیۡنَۃِ وَ اَنۡ یُّحۡشَرَ النَّاسُ ضُحًی ﴿۹۵﴾
Qaala maw'iedoekoem yawmoez zieenatie wa ay yoehsharan naasoe doehaa
20:59 Hij (Moesa) zei: "Jullie afspraak is op de dag van het festival en laat de mensen vroeg in de middag bijeenkomen."

فَتَوَلّٰی فِرۡعَوۡنُ فَجَمَعَ کَیۡدَہٗ ثُمَّ اَتٰی ﴿۰۶﴾
Fatawallaa Fier'awnoe fadjdjama'a kaidahoe soemma ataa
20:60 Vervolgens, afzonderde Farao zich (met zijn raadgevers en magiërs) voor het maken van zijn plannen en kwam daarna terug (naar Moesa).

قَالَ لَہُمۡ مُّوۡسٰی وَیۡلَکُمۡ لَا تَفۡتَرُوۡا عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا فَیُسۡحِتَکُمۡ بِعَذَابٍ ۚ وَ قَدۡ خَابَ مَنِ افۡتَرٰی ﴿۱۶﴾
Qaala lahoem Moesaa wailakoem laa taftaroe 'alal laahie kazieban fa yoes hietakoem bie 'azaab, wa qad ghaaba manief taraa
20:61 Moesa zei tot hen (de magiërs): "Wee jullie! Verzin geen leugens tegen Allah! Hij zal jullie vernietigen met een zware straf. Waarlijk, hij die verzint zal falen!"

فَتَنَازَعُوۡۤا اَمۡرَہُمۡ بَیۡنَہُمۡ وَ اَسَرُّوا النَّجۡوٰی ﴿۲۶﴾
Fatanaaza'oeo amrahoem bainahoem wa asarroen nadjwaa
20:62 Vervolgens disputeerden ze (de magiërs) met elkaar in hun kwestie en hielden ze hun gesprekken geheim.

قَالُوۡۤا اِنۡ ہٰذٰىنِ لَسٰحِرٰنِ یُرِیۡدٰنِ اَنۡ یُّخۡرِجٰکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ بِسِحۡرِہِمَا وَ یَذۡہَبَا بِطَرِیۡقَتِکُمُ الۡمُثۡلٰی ﴿۳۶﴾
Qaaloeo ien haaazaanie lasaahieraanie yoerieedaanie ay yoeghriedjaakoem mien ardiekoem biesiehriehiemaa wa yazhabaa bietarieeqatiekoemoel moeslaa
20:63 Ze zeiden (in het geheim tegen elkaar): "Zonder twijfel, deze twee magiërs (Moesa en Haroen) willen jullie met hun magie uit jullie land verdrijven en jullie beste levenswijze\systeem afschaffen."

فَاَجۡمِعُوۡا کَیۡدَکُمۡ ثُمَّ ائۡتُوۡا صَفًّا ۚ وَ قَدۡ اَفۡلَحَ الۡیَوۡمَ مَنِ اسۡتَعۡلٰی ﴿۴۶﴾
Fa adjmie'oe kaidakoem soemmma'toe saffaa; wa qad aflahal yawma manies ta'laa
20:64 "Dus maak jullie plannen en kom dan vervolgens in een rij (als een groep). Waarlijk, wie op deze dag zal winnen zal succes boeken."

قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِمَّاۤ اَنۡ تُلۡقِیَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ نَّکُوۡنَ اَوَّلَ مَنۡ اَلۡقٰی ﴿۵۶﴾
Qaaloe yaa Moesaaa iemmaaa an toelqieya wa iemmaaa an nakoena awala man alqaa
20:65 Ze zeiden: "O Moesa! Gooi jij eerst of zijn wij degenen die eerst moeten gooien?"

قَالَ بَلۡ اَلۡقُوۡا ۚ فَاِذَا حِبَالُہُمۡ وَ عِصِیُّہُمۡ یُخَیَّلُ اِلَیۡہِ مِنۡ سِحۡرِہِمۡ اَنَّہَا تَسۡعٰی ﴿۶۶﴾
Qaala bal alqoe fa iezaa hiebaaloehoem wa 'iesieyyoehoem yoeghaiyaloe ielaihie mien siehriehiem annahaa tas'aa
20:66 Hij zei: "Gooi maar!" Vervolgens aanschouw! Hun touwen en staven leken voor hem (Moesa) te bewegen door hun magie.

فَاَوۡجَسَ فِیۡ نَفۡسِہٖ خِیۡفَۃً مُّوۡسٰی ﴿۷۶﴾
Fa awdjasa fiee nafsiehiee ghieefatam Moesa
20:67 Moesa voelde angst in hem opkomen.

قُلۡنَا لَا تَخَفۡ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡاَعۡلٰی ﴿۸۶﴾
Qoelnaa laa taghaf iennaka antal a'laa
20:68 Wij zeiden: "Vrees niet! Voorzeker, je zult de overhand krijgen."

وَ اَلۡقِ مَا فِیۡ یَمِیۡنِکَ تَلۡقَفۡ مَا صَنَعُوۡا ؕ اِنَّمَا صَنَعُوۡا کَیۡدُ سٰحِرٍ ؕ وَ لَا یُفۡلِحُ السَّاحِرُ حَیۡثُ اَتٰی ﴿۹۶﴾
Wa alqie maa fiee yamiee nieka talqaf maa sana'oe; iennamaa sana'oe kaidoe saahier; wa laa yoefliehoes saahieroe haisoe ataa
20:69 "Gooi wat in jouw rechterhand is! Het zal datgeen wat ze hebben gemaakt, opslokken. Zonder twijfel, dat wat ze hebben gemaakt, is alleen maar een magische truc. Het maakt niet uit hoe bekwaam de magiër ook is, hij zal nooit succes boeken."

فَاُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سُجَّدًا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ ہٰرُوۡنَ وَ مُوۡسٰی ﴿۰۷﴾
Fa oelqieyas saharatoe soedjdjadan qaaloeo aamannaa bie Rabbie Haaroena wa Moesa
20:70 Dus werden de magiërs prostreerend op hun knieën geworpen. Ze zeiden: "Wij geloven in de Heer van Haroen en Moesa,"

قَالَ اٰمَنۡتُمۡ لَہٗ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ؕ اِنَّہٗ لَکَبِیۡرُکُمُ الَّذِیۡ عَلَّمَکُمُ السِّحۡرَ ۚ فَلَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ وَّ لَاُصَلِّبَنَّکُمۡ فِیۡ جُذُوۡعِ النَّخۡلِ ۫ وَ لَتَعۡلَمُنَّ اَیُّنَاۤ اَشَدُّ عَذَابًا وَّ اَبۡقٰی ﴿۱۷﴾
Qaala aamantoem lahoe qabla an aazana lakoem; iennahoe lakabieeroekoemoel laziee 'allama koemoes siehra fala oeqattie'anna aidieyakoem wa ardjoelakoem mien ghielaafiew wa la oesalliebannakoem fiee djoezoe'ien naghlie wa lata'lamoenna aiyoenaaa ashaddoe 'azaabaw wa abqaa
20:71 Hij (Farao) zei: "Geloven jullie in hem voordat ik jullie toestemming gaf? Zonder twijfel, hij die jullie magie heeft onderwezen, is jullie bevelhebber! Dus, ik zal jullie handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken! En ik zal jullie kruisigen aan de stammen van de dadelpalmen! Jullie zullen zeker weten wie strenger en meer volhoudend is in het straffen."

قَالُوۡا لَنۡ نُّؤۡثِرَکَ عَلٰی مَا جَآءَنَا مِنَ الۡبَیِّنٰتِ وَ الَّذِیۡ فَطَرَنَا فَاقۡضِ مَاۤ اَنۡتَ قَاضٍ ؕ اِنَّمَا تَقۡضِیۡ ہٰذِہِ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿۲۷﴾
Qaaloe lan noe'sieraka 'alaa maa djaaa'anaa mienal baiyienaatie wallaziee fataranaa faqdiemaaa anta qaad; iennamaa taqdiee haaziehiel hayaatad doenyaa
20:72 Ze zeiden: "Nooit zullen wij voor jou kiezen boven de duidelijke tekenen die tot ons is gekomen en boven Degene Die ons heeft geschapen! Dus doe maar wat je wil. Je kunt alleen bepalen met betrekking tot het wereldse leven."

اِنَّـاۤ اٰمَنَّا بِرَبِّنَا لِیَغۡفِرَ لَنَا خَطٰیٰنَا وَ مَاۤ اَکۡرَہۡتَنَا عَلَیۡہِ مِنَ السِّحۡرِ ؕ وَ اللّٰہُ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۳۷﴾
Innaaa aamannaa bie Rabbienaa lieyaghfiera lanaa ghataayaanaa wa maaa akrahtanaa 'alaihie mienas siehr; wallaahoe ghairoew wa abqaa
20:73 "Voorzeker, wij geloven in onze Heer, hopend dat Hij onze zonden vergeeft en de magie vergeeft die je ons hebt gedwongen te doen. En Allah is de beste en de eeuwig blijvende."

اِنَّہٗ مَنۡ یَّاۡتِ رَبَّہٗ مُجۡرِمًا فَاِنَّ لَہٗ جَہَنَّمَ ؕ لَا یَمُوۡتُ فِیۡہَا وَ لَا یَحۡیٰی ﴿۴۷﴾
Innahoe may ya'tie Rabbahoe moedjrieman fa ienna lahoe djahannama laa yamoetoe fieehaa wa laa yahyaa
20:74 "Voorzeker, degene die naar zijn Heer als een misdadiger komt, de hel zal voor hem zijn. Hij zal er niet in dood gaan, noch zal hij erin kunnen leven."

وَ مَنۡ یَّاۡتِہٖ مُؤۡمِنًا قَدۡ عَمِلَ الصّٰلِحٰتِ فَاُولٰٓئِکَ لَہُمُ الدَّرَجٰتُ الۡعُلٰی ﴿۵۷﴾
Wa may ya'tiehiee moe'mienan qad 'amielas saaliehaatie fa oelaaa'ieka lahoemoed daradjaatoel 'oelaa
20:75 "Maar wie als een gelovige naar Hem toekomt en goede daden heeft verricht, dan waarlijk voor hen zijn er hoge rangen,"

جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ وَ ذٰلِکَ جَزٰٓؤُا مَنۡ تَزَکّٰی ﴿۶۷﴾
djannaatoe 'Adnien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe ghaaliedieena fieehaa; wa zaalieka djazaaa'oe man tazakka
20:76 "(En) tuinen van Eden waaronder rivieren stromen, eeuwig vertoevend erin. Dat is de beloning voor degene die zichzelf reinigt."

وَ لَقَدۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی ۬ۙ اَنۡ اَسۡرِ بِعِبَادِیۡ فَاضۡرِبۡ لَہُمۡ طَرِیۡقًا فِی الۡبَحۡرِ یَبَسًا ۙ لَّا تَخٰفُ دَرَکًا وَّ لَا تَخۡشٰی ﴿۷۷﴾
Wa laqad awhainaaa ielaa Moesaaa an asrie bie'iebaadiee fadrieb lahoem tarieeqan fiel bahrie yabasal laa taghaafoe darakaw wa laa taghshaa
20:77 En waarlijk, Wij inspireerden aan Moesa: "Reis in de nacht met Mijn slaven en sla (met je staf) een droge weg door de zee voor hen. Wees niet bang om overmeesterd te worden en wees niet angstig."

فَاَتۡبَعَہُمۡ فِرۡعَوۡنُ بِجُنُوۡدِہٖ فَغَشِیَہُمۡ مِّنَ الۡیَمِّ مَا غَشِیَہُمۡ ﴿۸۷﴾
Fa atba'ahoem Fier'awnoe biedjoenoediehiee faghashieyahoem mienal yammmie maa ghashie yahoem
20:78 Vervolgens achtervolgde Farao hen met zijn leger. Echter het zeewater sloot hen volledig in.

وَ اَضَلَّ فِرۡعَوۡنُ قَوۡمَہٗ وَ مَا ہَدٰی ﴿۹۷﴾
wa adalla fier'awnoe qawmahoe wa maa hadaa
20:79 En Farao liet zijn volk dwalen en leidde hen niet.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ قَدۡ اَنۡجَیۡنٰکُمۡ مِّنۡ عَدُوِّکُمۡ وَ وٰعَدۡنٰکُمۡ جَانِبَ الطُّوۡرِ الۡاَیۡمَنَ وَ نَزَّلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ﴿۰۸﴾
Yaa Banieee Israaa'ieela qad andjainaakoem mien 'adoew wiekoem wa wa'adnaakoem djaaniebat Toeriel aimana wa nazzalnaa 'alaikoemoel Manna was Salwaa
20:80 O Kinderen van Israël! Waarlijk, Wij verlosten jullie van jullie vijand. En aan de rechterkant van de berg Thoer sloten Wij een verbond met jullie. En Wij deden Manna en Kwartels voor jullie neerdalen.

کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ وَ لَا تَطۡغَوۡا فِیۡہِ فَیَحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبِیۡ ۚ وَ مَنۡ یَّحۡلِلۡ عَلَیۡہِ غَضَبِیۡ فَقَدۡ ہَوٰی ﴿۱۸﴾
Koeloe mien taiyiebaatie maa razaqnaakoem wa laa tatghaw fieehie fa yahiella 'alaikoem ghadabiee wa may yahliel 'alaihie ghadabiee faqad hawaa
20:81 Eet van de goede dingen, waarmee Wij jullie hebben voorzien. En wees niet buitensporig daarin, anders zal Mijn toorn treffen. (Weet dat) wie getroffen wordt door Mijn toorn, voorzeker, is vernietigd.

وَ اِنِّیۡ لَغَفَّارٌ لِّمَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا ثُمَّ اہۡتَدٰی ﴿۲۸﴾
Wa ienniee la Ghaffaaroel lieman taaba wa aamana wa 'amiela saaliehan soemmah tadaa
20:82 Echter, Ik ben de meest Vergevensgezinde voor degene die berouw heeft, gelooft, goede daden verricht en dan op de rechte pad blijftlopen.

وَ مَاۤ اَعۡجَلَکَ عَنۡ قَوۡمِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۳۸﴾
Wa maaa a'djalaka 'an qawmieka yaa Moesa
20:83 (Allah zei:) "En waarom ging je zo snel weg van jouw volk, O Moesa (Mozes)?"

قَالَ ہُمۡ اُولَآءِ عَلٰۤی اَثَرِیۡ وَ عَجِلۡتُ اِلَیۡکَ رَبِّ لِتَرۡضٰی ﴿۴۸﴾
Qaala hoem oelaaa'ie 'alaaa asariee wa 'adjieltoe ielaika Rabbie lietardaa
20:84 Hij zei: "Ze komen achter me aan. Ik heb me gehaast naar U, zodat U tevreden zult zijn (op mij)."

قَالَ فَاِنَّا قَدۡ فَتَنَّا قَوۡمَکَ مِنۡۢ بَعۡدِکَ وَ اَضَلَّہُمُ السَّامِرِیُّ ﴿۵۸﴾
Qaala fa iennaa qad fatannaa qawmaka miem ba'dieka wa adallahoemoes Saamierieyy
20:85 Hij (Allah) zei: "Waarlijk, nadat je wegging hebben Wij jouw volk beproefd. De Samiri heeft hen doen dwalen."

فَرَجَعَ مُوۡسٰۤی اِلٰی قَوۡمِہٖ غَضۡبَانَ اَسِفًا ۬ۚ قَالَ یٰقَوۡمِ اَلَمۡ یَعِدۡکُمۡ رَبُّکُمۡ وَعۡدًا حَسَنًا ۬ؕ اَفَطَالَ عَلَیۡکُمُ الۡعَہۡدُ اَمۡ اَرَدۡتُّمۡ اَنۡ یَّحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَخۡلَفۡتُمۡ مَّوۡعِدِیۡ ﴿۶۸﴾
Faradja'a Moesaaa ielaa qawmiehiee ghadbaana asiefaa; qaala yaa qawmie alam ya'iedkoem Rabboekoem wa'dan hasanaa; afataala 'alaikoemoel 'ahdoe am arattoem ay yahiella 'alaikoem ghadaboem mier Rabbiekoem fa aghlaftoem maw'iediee
20:86 Vervolgens, keerde Moesa terug naar zijn volk, woedend en teleurgesteld/bedroeft. Hij zei: O mijn volk! Heeft jullie Heer jullie geen goede belofte (het paradijs) gedaan?! Duurt het voor jullie te lang voordat de belofte wordt vervuld?! Of verlangen jullie dat de woede van jullie Heer jullie zal treffen?! Dus hebben jullie daarom mijn instructies verworpen?!

قَالُوۡا مَاۤ اَخۡلَفۡنَا مَوۡعِدَکَ بِمَلۡکِنَا وَ لٰکِنَّا حُمِّلۡنَاۤ اَوۡزَارًا مِّنۡ زِیۡنَۃِ الۡقَوۡمِ فَقَذَفۡنٰہَا فَکَذٰلِکَ اَلۡقَی السَّامِرِیُّ ﴿۷۸﴾
Qaaloe maaa aghlafnaa maw'iedaka biemalkienna wa laakienna hoemmielnaaa awzaaram mien zieenatiel qawmie faqazafnaahaa fakazaalieka alqas Saamierieyy
20:87 Ze zeiden: "Wij hebben de belofte met jou niet zomaar verbroken. We waren namelijk belast met de sieraden van de mensen, dus gooiden we ze (in het vuur) net zoals de Samiri dat deed." (Notitie: De sieraden waren van de Egyptenaren die in bruikleen waren gegeven aan de Israëliërs. Gezien het gestolen sieraden waren van de Egyptenaren, moesten ze eerst de sieraden weg doen voordat ze Allah konden ontmoeten. Moesa was hiervan niet op de hoogte.)

فَاَخۡرَجَ لَہُمۡ عِجۡلًا جَسَدًا لَّہٗ خُوَارٌ فَقَالُوۡا ہٰذَاۤ اِلٰـہُکُمۡ وَ اِلٰہُ مُوۡسٰی ۬ فَنَسِیَ ﴿۸۸﴾
Fa aghradja lahoem 'iedjlan djasadal lahoe ghoewaaroen faqaaloe haazaaa ielaahoekoem wa ielaahoe Moesaa fanasiee
20:88 Vervolgens maakte hij voor ons een kalfsbeeld (ervan). Het maakte een loeiend geluid. En ze (de mensen die het aanbaden) zeiden: "Dit is jullie god en de god van Moesa, echter hij is het (zelf) vergeten."

اَفَلَا یَرَوۡنَ اَلَّا یَرۡجِعُ اِلَیۡہِمۡ قَوۡلًا ۬ۙ وَّ لَا یَمۡلِکُ لَہُمۡ ضَرًّا وَّ لَا نَفۡعًا ﴿۹۸﴾
Afalaa yarawna allaa yardjie'oe ielaihiem qawlaw wa laa yamliekoe lahoem darraw wa laa naf'aa
20:89 Zagen ze dan niet dat het niet tegen hen terug kon praten? En dat het geen nadeel, noch enig voordeel voor hen had?

وَ لَقَدۡ قَالَ لَہُمۡ ہٰرُوۡنُ مِنۡ قَبۡلُ یٰقَوۡمِ اِنَّمَا فُتِنۡتُمۡ بِہٖ ۚ وَ اِنَّ رَبَّکُمُ الرَّحۡمٰنُ فَاتَّبِعُوۡنِیۡ وَ اَطِیۡعُوۡۤا اَمۡرِیۡ ﴿۰۹﴾
Wa laqad qaala lahoem Haaroenoe mien qabloe yaa qawmie iennamaa foetientoem biehiee wa ienna Rabbakoemoer Rahmaanoe fattabie'oeniee wa atiee'oeo amriee
20:90 En waarlijk, Haroen had eerder tegen hen gezegd: "O mijn volk! Jullie worden alleen op de proef gesteld ermee. Voorzeker, jullie Heer is de meest Barmhartige. Dus volg mij en gehoorzaam mijn bevelen!"

قَالُوۡا لَنۡ نَّبۡرَحَ عَلَیۡہِ عٰکِفِیۡنَ حَتّٰی یَرۡجِعَ اِلَیۡنَا مُوۡسٰی ﴿۱۹﴾
Qaaloe lan nabraha 'alaihie 'aakiefieena hattaa yardjie'a ielainaa Moesaa
20:91 Ze zeiden: "Nooit zullen wij stoppen met het aanbidden ervan totdat Moesa (weer) naar ons terugkeert."

قَالَ یٰہٰرُوۡنُ مَا مَنَعَکَ اِذۡ رَاَیۡتَہُمۡ ضَلُّوۡۤا ﴿۲۹﴾
Qaala Yaa Haaroenoe maa mana 'aka iez ra aitahoem dalloeo
20:92 Hij (Moesa) zei: "O Haroen! Wat hield jou tegen toen je hen zag dwalen,

اَلَّا تَتَّبِعَنِ ؕ اَفَعَصَیۡتَ اَمۡرِیۡ ﴿۳۹﴾
Allaa tattabie'anie afa'asaita amriee
20:93 om mijn bevel niet op te volgen? Heb je dus mijn bevel geweigerd?!

قَالَ یَبۡنَؤُمَّ لَا تَاۡخُذۡ بِلِحۡیَتِیۡ وَ لَا بِرَاۡسِیۡ ۚ اِنِّیۡ خَشِیۡتُ اَنۡ تَقُوۡلَ فَرَّقۡتَ بَیۡنَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ وَ لَمۡ تَرۡقُبۡ قَوۡلِیۡ ﴿۴۹﴾
Qaala yabna'oemma laa ta'ghoez bie liehyatiee wa laa bie ra'siee ienniee ghashieetoe an taqoela farraqta baina Banieee Israaa'ieela wa lam tarqoeb qawliee
20:94 Hij (Haroen) zei: "Zoon van mijn moeder! Grijp mij niet bij mijn baard of bij mijn hoofd! Voorzeker, ik vreesde dat je zou zeggen dat ik de verdeeldheid zou hebben veroorzaakt tussen de kinderen van Israël en dat ik jouw woord niet heb gerespecteerd."

قَالَ فَمَا خَطۡبُکَ یٰسَامِرِیُّ ﴿۵۹﴾
Qaala famaa ghatboeka yaa Saamierieyy
20:95 Hij (Moesa) zei: "Wat is jouw verhaal dan, O Samiri?"

قَالَ بَصُرۡتُ بِمَا لَمۡ یَبۡصُرُوۡا بِہٖ فَقَبَضۡتُ قَبۡضَۃً مِّنۡ اَثَرِ الرَّسُوۡلِ فَنَبَذۡتُہَا وَ کَذٰلِکَ سَوَّلَتۡ لِیۡ نَفۡسِیۡ ﴿۶۹﴾
Qaala basoertoe biemaa lam yabsoeroe biehiee faqabadtoe qabdatam mien asarier Rasoelie fanabaztoehaa wa kazaalieka sawwalat liee nafsiee
20:96 Hij (Samiri) zei: "Ik zag iets wat zij niet zagen. Dus nam ik een handvol (van stof) uit de spoor die nagelaten was door de boodschapper (Gabriël/Djiebriel). Vervolgens, gooide ik het (over de kalf). Mijn eigen ik (ego) vertelde mij dat (om het te doen)."

قَالَ فَاذۡہَبۡ فَاِنَّ لَکَ فِی الۡحَیٰوۃِ اَنۡ تَقُوۡلَ لَا مِسَاسَ ۪ وَ اِنَّ لَکَ مَوۡعِدًا لَّنۡ تُخۡلَفَہٗ ۚ وَ انۡظُرۡ اِلٰۤی اِلٰـہِکَ الَّذِیۡ ظَلۡتَ عَلَیۡہِ عَاکِفًا ؕ لَنُحَرِّقَنَّہٗ ثُمَّ لَنَنۡسِفَنَّہٗ فِی الۡیَمِّ نَسۡفًا ﴿۷۹﴾
Qaala fazhab fa ienna laka fiel hayaatie an taqoela laa miesaasa wa ienna laka maw'iedal lan toeghlafahoe wanzoer ielaaa ielaahiekal laziee zalta 'alaihie 'aakiefaa; la noeharrieqannahoe thoemma la nansiefannahoe fiel yammie nasfaa
20:97 Hij (Moesa) zei: "Ga dan weg! Voorzeker, voor jou is er in het leven dat je zult zeggen raak (me) niet aan! En voorzeker, voor jou is er een afspraak waaraan je niet kan ontkomen. En kijk naar jouw afgod waaraan je trouw bent gebleven. Zonder enige twijfel Wij zullen het verbranden en de as in de zee gooien!" (Notitie: Moesa heeft zijn mensen die schuldig waren aan de afgoderij, op gedragen om zich zelf te doden, zie 2:54. Het feit dat Moesa geen straf op de Samiri op legt en hem dus met rust laat, maar wel dreigt met zijn toekomstige afspraak en zijn afgod vernietigd, zegt dat er iets speciaal met de Samiri is. Ook het feit dat de Samiri dingen ziet die anderen niet zien, geven aan dat hij een speciaal persoon is. Er zijn bepaalde theorieën op basis van overleveringen en de bovengenoemde verzen, die aanduiden dat de Samiri eigenlijk Dajjal is. De Samiri was geboren in het land Summeria, waarschijnlijk kreeg hij daarom de titel "de Samiri". Zijn moeder overleed en werd als baby aan zijn lot overgelaten. Allah gebood de engel Jibriel, die ook bekend staat als de boodschapper en de engel die leven brengt, om hem op te voedden. Echter leiding komt van Allah. Net zoals de satan, heeft de Samiri gekozen voor afgoderij. Allah heeft hem de kracht en de middelen gegeven en hem als een beproeving gemaakt voor de mensheid. Net zoals hij de kinderen van Israël misleid heeft, zal hij de gehele mensheid misleiden. Vervolgens zal er een tijd komen waarbij hij door Isa (Jezus), die ook nog leeft, gedood.

اِنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ وَسِعَ کُلَّ شَیۡءٍ عِلۡمًا ﴿۸۹﴾
Innamaaa ielaahoe koemoel laahoel laziee laa ielaaha iellaa Hoe; wasie'a koella shai'ien ielmaa
20:98 Voorzeker, jullie deïteit/godheid is alleen Allah, er is geen (andere) deïteit/godheid dan Hem. Hij omvat alles op basis van kennis.

کَذٰلِکَ نَقُصُّ عَلَیۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ مَا قَدۡ سَبَقَ ۚ وَ قَدۡ اٰتَیۡنٰکَ مِنۡ لَّدُنَّا ذِکۡرًا ﴿۹۹﴾
Kazaalieka naqoessoe 'alaika mien anbaaa'ie maa qad sabaq; wa qad aatainaaka miel ladoennaa Ziekraa
20:99 Dus geven Wij jou (O Mohammed v.z.m.h.) enige informatie met betrekking tot wat er eerder is gebeurd. Voorzeker Wij hebben jou een herinnering gegeven.

مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡہُ فَاِنَّہٗ یَحۡمِلُ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وِزۡرًا ﴿۰۰۱﴾
Man a'rada 'anhoe, fa iennahoe yahmieloe Yawmal Qieyaamatie wiezraa
20:100 Hij, die zich ervan afwendt, dan voorzeker, hij zal een last dragen op de dag van de wederopstanding.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہِ ؕ وَ سَآءَ لَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ حِمۡلًا ﴿۱۰۱﴾
ghaaliedieena fieehie wa saaa'a lahoem Yawmal Qieyaamatie hiemlaa
20:101 Ze zullen er eeuwig in vertoeven. En zeer ellendig is de last voor hun op de dag van de wederopstanding!

یَّوۡمَ یُنۡفَخُ فِی الصُّوۡرِ وَ نَحۡشُرُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ یَوۡمَئِذٍ زُرۡقًا ﴿۲۰۱﴾
Yawma yoenfaghoe fiessoerie wa nahshoeroel moedjriemieena Yawma 'iezien zoerqaa
20:102 Op de dag (des oordeel) zal er geblazen worden in de trompet. En Wij zullen de misdadigers verzamelen, met ogen blauw van blindheid.

یَّتَخَافَتُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا عَشۡرًا ﴿۳۰۱﴾
Yataghaafatoena bainahoem iel labiestoem iellaa 'ashraa
20:103 Ze zullen fluisteren onder elkaar: "Jullie hebben alleen er maar tien (dagen op) verbleven."

نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ اِذۡ یَقُوۡلُ اَمۡثَلُہُمۡ طَرِیۡقَۃً اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا یَوۡمًا ﴿۴۰۱﴾
nahnoe a'lamoe biemaa yaqoeloena iez yaqoeloe amsaloehoem tarieeqatan iellabiestoem iellaa yawmaa
20:104 Wij weten heel goed wat ze zullen zeggen, wanneer de beste onder hen met kennis en wijsheid zal zeggen: "Jullie hebben er alleen maar één dag (op) verbleven."

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡجِبَالِ فَقُلۡ یَنۡسِفُہَا رَبِّیۡ نَسۡفًا ﴿۵۰۱﴾
Wa yas'aloenaka 'aniel djiebaalie faqoel yansiefoehaa Rabbiee nasfaa
20:105 En ze vragen jou over de bergen. Zeg dan: "Mijn Heer zal ze doen vernietigen tot stof."

فَیَذَرُہَا قَاعًا صَفۡصَفًا ﴿۶۰۱﴾
Fa yazaroehaa qaa'an safsafaa
20:106 "Vervolgens laat Hij het als een geëgaliseerde vlakte achter,"

لَّا تَرٰی فِیۡہَا عِوَجًا وَّ لَاۤ اَمۡتًا ﴿۷۰۱﴾
Laa taraa fieehaa 'iewadjaw wa laaa amtaa
20:107 "waarop je geen enkel bochten of hobbels zult zien."

یَوۡمَئِذٍ یَّتَّبِعُوۡنَ الدَّاعِیَ لَا عِوَجَ لَہٗ ۚ وَ خَشَعَتِ الۡاَصۡوَاتُ لِلرَّحۡمٰنِ فَلَا تَسۡمَعُ اِلَّا ہَمۡسًا ﴿۸۰۱﴾
Yawma ieziey yattabie'oenad daa'ieya laa 'iewadja lahoe wa ghasha'atiel aswaatoe lier Rahmaanie falaa tasma'oe iellaa hamsaa
20:108 Op die dag zullen ze de oproeper volgen, er is geen afwijking ervan mogelijk. De stemmen zullen nederig worden voor de meest Barmhartige. Je zult niets anders horen dan een fluisterend geluid.

یَوۡمَئِذٍ لَّا تَنۡفَعُ الشَّفَاعَۃُ اِلَّا مَنۡ اَذِنَ لَہُ الرَّحۡمٰنُ وَ رَضِیَ لَہٗ قَوۡلًا ﴿۹۰۱﴾
Yawma 'ieziel laa tanfa'oesh shafaa'atoe iellaa man aziena lahoer Rahmaanoe wa radieya lahoe qawlaa
20:109 Op die dag zal bemiddeling geen nut hebben behalve voor degene aan wie de Barmhartige toestemming geeft en voor degene waarvan de bemiddeling Hem behaagt.

یَعۡلَمُ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ وَ لَا یُحِیۡطُوۡنَ بِہٖ عِلۡمًا ﴿۰۱۱﴾
Ya'lamoe maa bainaa aidieehiem wa maa ghalfahoem wa laa yoehieetoena biehiee 'ielmaa
20:110 Hij weet wat voor hen is en wat achter hen is terwijl ze niets kunnen omvatten van Zijn Kennis.

وَ عَنَتِ الۡوُجُوۡہُ لِلۡحَیِّ الۡقَیُّوۡمِ ؕ وَ قَدۡ خَابَ مَنۡ حَمَلَ ظُلۡمًا ﴿۱۱۱﴾
Wa 'anatiel woedjoehoe liel Haiyiel Qaiyoemie wa qad ghaaba man hamala zoelmaa
20:111 En de gezichten zullen nederig worden voor "Al-Hay"(de Eeuwiglevende, Die geen begin en een einde heeft), "Al-Qayoom" (de Onderhourder, Voorziener, Degenen die de leiding heeft over alles). Waarlijk, degenen die slechtheid dragen zullen verliezen. (Notitie: Al-Qayoom betekent Degene die de leiding neemt over alles en datgeen wat bestaat onderhoudt, ondersteunt en beschermt. Hij is het die de levens van de schepping ondersteunt en alle omstandigheden van het universum beheert. Hij overziet alles: zorgt ervoor, bewaart het, waakt erover, beheert het op de manier en voor het doel dat Hij wil.)

وَ مَنۡ یَّعۡمَلۡ مِنَ الصّٰلِحٰتِ وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَلَا یَخٰفُ ظُلۡمًا وَّ لَا ہَضۡمًا ﴿۲۱۱﴾
Wa may ya'mal mienas saaliehaatie wa hoewa moe'mienoen falaa yaghaafoe zoelmaw wa laa hadmaa
20:112 En hij die goede daden verricht en gelovig is, zal niet bang zijn voor onrecht, noch voor enige beperking (van zijn beloning).

وَ کَذٰلِکَ اَنۡزَلۡنٰہُ قُرۡاٰنًا عَرَبِیًّا وَّ صَرَّفۡنَا فِیۡہِ مِنَ الۡوَعِیۡدِ لَعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ اَوۡ یُحۡدِثُ لَہُمۡ ذِکۡرًا ﴿۳۱۱﴾
Wa kazaalieka anzalnaahoe Qoer-aanan 'Arabieyyaw wa sarrafnaa fiee hie mienal wa'ieedie la'allahoem yattaqoena aw yoehdiesoe lahoem ziekraa
20:113 En dus hebben Wij het neergezonden, de Koran in het Arabisch. Wij hebben de waarschuwingen erin uitgelegd, zodat ze kunnen vrezen of zodat het hen laat nadenken.

فَتَعٰلَی اللّٰہُ الۡمَلِکُ الۡحَقُّ ۚ وَ لَا تَعۡجَلۡ بِالۡقُرۡاٰنِ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ یُّقۡضٰۤی اِلَیۡکَ وَحۡیُہٗ ۫ وَ قُلۡ رَّبِّ زِدۡنِیۡ عِلۡمًا ﴿۴۱۱﴾
Fata'aalal laahoel Maliekoel Haqq; wa laa ta'djal biel Qoeraanie mien qablie ay yoeqdaaa ielaika wahyoehoe wa qoer Rabbie ziedniee 'ielmaa
20:114 En Verheven is Allah, de ware Koning. En haast je niet met de Koran, voordat zijn openbaring aan jou (in zijn geheel) voltooid is. En zeg: "Mijn Heer! Doe mij toenemen in kennis." (Notitie: Deze vers gaat over de compleetheid over de Koran. De versnummer is 114 en de Koran heeft ook 114 Surahs, zie ook 6:114).

وَ لَقَدۡ عَہِدۡنَاۤ اِلٰۤی اٰدَمَ مِنۡ قَبۡلُ فَنَسِیَ وَ لَمۡ نَجِدۡ لَہٗ عَزۡمًا ﴿۵۱۱﴾
Wa laqad 'ahiednaaa ielaaa Aadama mien qabloe fanasieya wa lam nadjied lahoe 'azmaa
20:115 En waarlijk, Wij hadden in het verleden een verbond met Adam gesloten, echter hij was het vergeten. We vonden geen standvastigheid in hem.

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اَبٰی ﴿۶۱۱﴾
Wa iez qoelnaa lielma laaa'iekaties djoedoe lie Aadama fasadjadoeo iellaaa Iblieesa; abaa
20:116 En (gedenk) toen Wij tot de Engelen Zeiden: "Prostreer voor Adam!" Toen prostreerden ze, behalve iblies. Hij weigerde.

فَقُلۡنَا یٰۤـاٰدَمُ اِنَّ ہٰذَا عَدُوٌّ لَّکَ وَ لِزَوۡجِکَ فَلَا یُخۡرِجَنَّکُمَا مِنَ الۡجَنَّۃِ فَتَشۡقٰی ﴿۷۱۱﴾
Faqoelnaa yaaa Aadamoe ienna haazaa 'adoewwoel laka wa liezawdjieka falaa yoeghriedjan nakoemaa mienal djannatie fatashqaa
20:117 Vervolgens zeiden Wij: "O Adam! Voorzeker, deze is een vijand voor jou en voor jouw vrouw. Dus laat hem jullie niet uit de tuin doen verdrijven, anders zal je lijden."

اِنَّ لَکَ اَلَّا تَجُوۡعَ فِیۡہَا وَ لَا تَعۡرٰی ﴿۸۱۱﴾
Innaa laka allaa tadjoe'a fieeha wa laa ta'raa
20:118 "Voorzeker, je zal daar geen honger hebben, noch zal je er naakt zijn."

وَ اَنَّکَ لَا تَظۡمَؤُا فِیۡہَا وَ لَا تَضۡحٰی ﴿۹۱۱﴾
Wa annaka laa tazma'oe fieehaa wa laa tadhaa
20:119 "Noch zal je er dorst hebben en noch zal je het heet hebben door de hitte van de zon."

فَوَسۡوَسَ اِلَیۡہِ الشَّیۡطٰنُ قَالَ یٰۤـاٰدَمُ ہَلۡ اَدُلُّکَ عَلٰی شَجَرَۃِ الۡخُلۡدِ وَ مُلۡکٍ لَّا یَبۡلٰی ﴿۰۲۱﴾
Fa waswasa ielaihiesh Shaitaanoe qaala yaaa Aadamoe hal adoelloeka 'alaa shadjaratiel ghoeldie wa moelkiel laa yablaa
20:120 Vervolgens fluisterde de satan hem in, hij zei: "O Adam! zal ik jou leiden naar de boom van eeuwig leven en een koninkrijk dat niet zal vergaan?"

فَاَکَلَا مِنۡہَا فَبَدَتۡ لَہُمَا سَوۡاٰتُہُمَا وَ طَفِقَا یَخۡصِفٰنِ عَلَیۡہِمَا مِنۡ وَّرَقِ الۡجَنَّۃِ ۫ وَ عَصٰۤی اٰدَمُ رَبَّہٗ فَغَوٰی ﴿۱۲۱﴾
Fa akalaa mienhaa fabadat lahoemaa saw aatoehoemaa wa tafieqaa yaghsiefaanie 'alaihiemaa miew waraqiel djannah; wa 'asaaa Aadamoe Rabbahoe faghawaa
20:121 Toen aten ze beide ervan. Dus werd hun schaamte zichtbaar en ze begonnen bladeren van de tuin op hen vast te maken. Dus Adam was zijn Heer ongehoorzaam en werd dus dwalend.

ثُمَّ اجۡتَبٰہُ رَبُّہٗ فَتَابَ عَلَیۡہِ وَ ہَدٰی ﴿۲۲۱﴾
Soemmadj tabbahoe Rabboehoe fataaba 'alaihie wa hadaa
20:122 Daarna verkoos zijn Heer hem en wendde Hij naar hem en leidde hem. (Notitie: zie ook 2:37 en 7:23)

قَالَ اہۡبِطَا مِنۡہَا جَمِیۡعًۢا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ فَاِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ مِّنِّیۡ ہُدًی ۬ۙ فَمَنِ اتَّبَعَ ہُدَایَ فَلَا یَضِلُّ وَ لَا یَشۡقٰی ﴿۳۲۱﴾
Qaalah bieta mienhaa djamiee'am ba'doekoem lieba'dien 'adoeww; fa iemmaa ya'tieyannakoem mienniee hoedan famaniet taba'a hoedaaya falaa yadielloe wa laa yashqaa
20:123 Hij (Allah) zei: "Daal allen eruit af! Sommige van jullie zullen vijanden zijn voor anderen. Wanneer de leiding van Mij tot jullie komt, dan zal wie Mijn leiding volgt niet afdwalen en noch lijden." (Notitie: zie ook 2:36, 7:24-25.)

وَ مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡ ذِکۡرِیۡ فَاِنَّ لَہٗ مَعِیۡشَۃً ضَنۡکًا وَّ نَحۡشُرُہٗ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ اَعۡمٰی ﴿۴۲۱﴾
Wa man a'rada 'an Ziekriee fa ienna lahoe ma'ieeshatan dan-kaw wa nahshoeroehoe Yawmal Qieyaamatie a'maa
20:124 En wie zich afwendt van het gedenken van Mij, dan voorzeker voor hem is er een moeilijke leven. Op de dag van de wederopstanding, zullen Wij hem in een blinde toestand verzamelen.

قَالَ رَبِّ لِمَ حَشَرۡتَنِیۡۤ اَعۡمٰی وَ قَدۡ کُنۡتُ بَصِیۡرًا ﴿۵۲۱﴾
Qaala Rabbie liema hashar taniee a'maa wa qad koentoe basieeraa
20:125 Hij zal zeggen: "Mijn Heer! U heeft me blind opgewekt, terwijl ik kon zien."

قَالَ کَذٰلِکَ اَتَتۡکَ اٰیٰتُنَا فَنَسِیۡتَہَا ۚ وَکَذٰلِکَ الۡیَوۡمَ تُنۡسٰی ﴿۶۲۱﴾
Qaala kazaalieka atatka Aayaatoenaa fanasieetahaa wa kazaaliekal Yawma toensaa
20:126 Hij (Allah) zal zeggen: "Op dezelfde wijze, hoe je Onze tekenen die tot jou waren gekomen, vergat, wordt je vandaag vergeten."

وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِیۡ مَنۡ اَسۡرَفَ وَ لَمۡ یُؤۡمِنۡۢ بِاٰیٰتِ رَبِّہٖ ؕ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَشَدُّ وَ اَبۡقٰی ﴿۷۲۱﴾
Wa kazaalieka nadjziee man asrafa wa lam yoe'mien bie Aayaatie Rabbieh; wa la'azaaboel Aaghieratie ashaddoe wa abqaa
20:127 En zo vergelden Wij, hij die overtreedt en niet in de tekenen van zijn Heer gelooft. En waarlijk de straf in het hiernamaals is vele malen pijnlijker en meer langdurig van aard.

اَفَلَمۡ یَہۡدِ لَہُمۡ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنَ الۡقُرُوۡنِ یَمۡشُوۡنَ فِیۡ مَسٰکِنِہِمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿۸۲۱﴾
Afalam yahdie lahoem kam ahlaknaa qablahoem mienal qoeroenie yamshoena fiee masaakieniehiem; ienna fiee zaalieka la Aayaatiel lie oeliennoehaa
20:128 Zijn de hoeveelheden van de oude generaties die We hebben vernietigd en waarvan ze (nu) door hun woningen wandelen, dan geen leidraad voor hen? Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor de mensen met verstand.

وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ لَکَانَ لِزَامًا وَّ اَجَلٌ مُّسَمًّی ﴿۹۲۱﴾
Wa law laa Kaliematoen sabaqat mier Rabbieka lakaana liezaamaw wa 'adjaloen moesammaa
20:129 En als het woord (de dag des oordeels) door jou Heer niet was vastgesteld, dan zou het (de straf) voor hen (direct) bepaald zijn.

فَاصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ قَبۡلَ طُلُوۡعِ الشَّمۡسِ وَ قَبۡلَ غُرُوۡبِہَا ۚ وَ مِنۡ اٰنَآیِٔ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡ وَ اَطۡرَافَ النَّہَارِ لَعَلَّکَ تَرۡضٰی ﴿۰۳۱﴾
Fasbier 'alaa maa yaqoeloena wa sabbieh biehamdie Rabbieka qabla toeloe'iesh shamsie wa qabla ghoeroebiehaa wa mien aanaaa'iel lailie fasabbieh wa atraafan nahaarie la 'allaka tardaa
20:130 Wees dus geduldig over datgeen wat ze zeggen en verheerlijk jouw Heer met dank en eer, voor de zonsopgang (fajr) en voor de zonsondergang (asr), en gedurende de nacht, en gedurende het begin van de dag tot aan het einde dag (Zohr). Zodat je tevreden kan zijn. (Notitie: zie ook 11:114 en 17:78. Over de trevenheid zie 19:55)

وَ لَا تَمُدَّنَّ عَیۡنَیۡکَ اِلٰی مَا مَتَّعۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡہُمۡ زَہۡرَۃَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۬ۙ لِنَفۡتِنَہُمۡ فِیۡہِ ؕ وَ رِزۡقُ رَبِّکَ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۱۳۱﴾
Wa laa tamoeddanna 'ainaika ielaa ma matta'na biehieee azwadjam mienhoem zahratal hayaatied doenya lienaftienahoem fieeh; wa riezqoe Rabbieka ghairoew wa abqaa
20:131 En kijk niet met uitpuilende ogen naar datgeen wat Wij hen als genieting van het wereldse leven hebben gegeven, om hen te beproeven. En voorziening van jouw Heer is beter en eeuwig durend. (Notitie: zie ook 93:5)

وَ اۡمُرۡ اَہۡلَکَ بِالصَّلٰوۃِ وَ اصۡطَبِرۡ عَلَیۡہَا ؕ لَا نَسۡـَٔلُکَ رِزۡقًا ؕ نَحۡنُ نَرۡزُقُکَ ؕ وَ الۡعَاقِبَۃُ لِلتَّقۡوٰی ﴿۲۳۱﴾
Wa'moer ahlaka bies Salaatie wastabier 'alaihaa laa nas'aloeka riezqaa; nahnoe narzoeqoek; wal 'aaqiebatoe liettaqwaa
20:132 En beveel jouw familie de 'Salaat' (contact te maken met Allah, het gebed) te verrichten en standvastig er in te zijn. Wij vragen jou niet om (een) voorziening, het is Wij die jou (voorzieningen) verschaffen. Het goede einde is voor de godvrezende (Notitie: zie 2:2-5)

وَ قَالُوۡا لَوۡ لَا یَاۡتِیۡنَا بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ اَوَ لَمۡ تَاۡتِہِمۡ بَیِّنَۃُ مَا فِی الصُّحُفِ الۡاُوۡلٰی ﴿۳۳۱﴾
Wa qaaloe law laa ya'tieenaa bie aayatien mier Rabbieh; awa lam ta'tiehiem baiyienatoe maa fies soehoefiel oelaa
20:133 En ze (de ongelovigen) zeggen: "Waarom brengt hij geen teken van zijn Heer voor ons?" Hebben ze geen bewijs gekregen in de voorafgaande geschriften?

وَ لَوۡ اَنَّـاۤ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ بِعَذَابٍ مِّنۡ قَبۡلِہٖ لَقَالُوۡا رَبَّنَا لَوۡ لَاۤ اَرۡسَلۡتَ اِلَیۡنَا رَسُوۡلًا فَنَتَّبِعَ اٰیٰتِکَ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ نَّذِلَّ وَ نَخۡزٰی ﴿۴۳۱﴾
Wa law annaaa ahlaknaahoem bie 'azaabien mien qabliehiee laqaaloe Rabbanaa law laaa arsalta ielainaa Rasoelan fanattabie'a Aayaatieka mien qablie an naziella wa naghzaa
20:134 En als Wij hen hadden vernietigd door een straf nog voordat dit (de openbaring) had plaatsgevonden, dan zouden ze zeker hebben gezegd: "Onze Heer! Waarom heeft U geen boodschapper naar ons gestuurd? Zodat wij U tekenen konden volgen, voordat wij vernederd en onteert waren."

قُلۡ کُلٌّ مُّتَرَبِّصٌ فَتَرَبَّصُوۡا ۚ فَسَتَعۡلَمُوۡنَ مَنۡ اَصۡحٰبُ الصِّرَاطِ السَّوِیِّ وَ مَنِ اہۡتَدٰی ﴿۵۳۱﴾
Qoel koelloem moetarabbiesoen fa tarabbasoe fa sa ta'lamoena man Ashaaboes Sieraaties Sawieyyie wa manieh tadaa
20:135 Zeg: "Iedereen wacht, dus wacht maar af. Jullie zullen dan weten wie het rechte pad bewandelt en wie wordt geleid."

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)


www.heiligekoran.nl