وَ مَاۤ اُبَرِّیُٔ نَفۡسِیۡ ۚ اِنَّ النَّفۡسَ لَاَمَّارَۃٌۢ بِالسُّوۡٓءِ اِلَّا مَا رَحِمَ رَبِّیۡ ؕ اِنَّ رَبِّیۡ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۳۵﴾
Wa maa oebarrie'oe nafsiee; iennan nafsa la ammaaratoem biessoeo'ie iellaa maa rahiema Rabbiee; ienna Rabbiee Ghafoeroer Rahieem
12:53 "Ik spreek mij zelf niet vrij. Voorzeker, de ego (eigen ik) is zeker een genieter van het kwaad, behalve als mijn Heer Zijn gunsten (de leiding) heeft gegeven. Voorzeker, mijn Heer is Al-Gafoer (de Vergevensgezinde), Rahmiem (de Barmhartige)." (Notitie: wij zien door haar verklaringen dat ze berouw heeft van haar daden en dat ze de waarheid heeft ingezien en dat zich overgegeven heeft aan Allah. Op basis van vers 4:17-18 wordt haar daden waarschijnlijk vergeven. Allah heeft haar de leiding gegeven en ze heeft het geaccepteerd. Ze heeft er niet voor gekozen om arrogant haar schuld te ontkennen.)

وَ قَالَ الۡمَلِکُ ائۡتُوۡنِیۡ بِہٖۤ اَسۡتَخۡلِصۡہُ لِنَفۡسِیۡ ۚ فَلَمَّا کَلَّمَہٗ قَالَ اِنَّکَ الۡیَوۡمَ لَدَیۡنَا مَکِیۡنٌ اَمِیۡنٌ ﴿۴۵﴾
Wa qaalal maliekoe' toeniee biehieee astaghlieshoe lienafsiee falammaa kallamahoe qaala iennakal yawma ladainaa makieenoen amieen
12:54 En de koning zei: "Breng hem naar mij! Ik kies hem voor mezelf." Toen hij met hem sprak, zei hij: "Voorzeker, vandaag behoor jij tot ons, stevig gevestigd en veilig."

قَالَ اجۡعَلۡنِیۡ عَلٰی خَزَآئِنِ الۡاَرۡضِ ۚ اِنِّیۡ حَفِیۡظٌ عَلِیۡمٌ ﴿۵۵﴾
Qaaladj 'alniee 'alaa ghazaaa'ieniel ardie ienniee hafieezoen 'alieem
12:55 Hij (Yusuf) zei: "Stel me aan als beheerder van de schatten van het land. Voorzeker, ik ben een beheerder met ruime kennis."

وَ کَذٰلِکَ مَکَّنَّا لِیُوۡسُفَ فِی الۡاَرۡضِ ۚ یَتَبَوَّاُ مِنۡہَا حَیۡثُ یَشَآءُ ؕ نُصِیۡبُ بِرَحۡمَتِنَا مَنۡ نَّشَآءُ وَ لَا نُضِیۡعُ اَجۡرَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۶۵﴾
Wa kazaalieka makkannaa lie Yoesoefa fiel ardie yatabawwa'oe mienhaa haisoe yashaaaa'; noesieeboe bierahmatienaa man nashaaa'oe wa laa noediee'oe adjral moehsienieen
12:56 En zo brachten Wij tot stand dat Yusuf zich overal kon vestigen waar hij wilde. Wij schenken Ons gunsten op wie Wij willen. Wij laten de beloning van de mensen die goed doen niet verloren gaan.

وَ لَاَجۡرُ الۡاٰخِرَۃِ خَیۡرٌ لِّلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ کَانُوۡا یَتَّقُوۡنَ ﴿۷۵﴾
Wa la adjroel Aaghieratie ghairoel liellazieena aamanoe wa kaanoe yattaqoen
12:57 En de beloning van het Hiernamaals is zeker beter voor degenen die geloven en Taqwa hebben (godvrezendheid zijn).

وَ جَآءَ اِخۡوَۃُ یُوۡسُفَ فَدَخَلُوۡا عَلَیۡہِ فَعَرَفَہُمۡ وَ ہُمۡ لَہٗ مُنۡکِرُوۡنَ ﴿۸۵﴾
Wa djaaa'a ieghwatoe Yoesoefa fadaghaloe 'alaihie fa'arafahoem wa hoem lahoe moen-kieroen
12:58 En de broers van Yusuf kwamen en ze traden bij hem binnen. Hij herkende hen, maar ze herkenden hem niet.

وَ لَمَّا جَہَّزَہُمۡ بِجَہَازِہِمۡ قَالَ ائۡتُوۡنِیۡ بِاَخٍ لَّکُمۡ مِّنۡ اَبِیۡکُمۡ ۚ اَلَا تَرَوۡنَ اَنِّیۡۤ اُوۡفِی الۡکَیۡلَ وَ اَنَا خَیۡرُ الۡمُنۡزِلِیۡنَ ﴿۹۵﴾
Wa lammaa djahhazahoem biedjahaaziehiem qaala' toeniee bie aghiel lakoem mien abieekoem; alaa tarawna annieee oefiel kaila wa ana ghairoel moenzielieen
12:59 Toen hij hen met benodigdheden had voorzien, zei hij: "Breng mij jullie halfbroer die ook dezelfde vader heeft als jullie. Zien jullie niet dat ik de volledige hoeveelheid geef en dat ik de beste van de gastheren ben?"

فَاِنۡ لَّمۡ تَاۡتُوۡنِیۡ بِہٖ فَلَا کَیۡلَ لَکُمۡ عِنۡدِیۡ وَ لَا تَقۡرَبُوۡنِ ﴿۰۶﴾
Fa iel lam taatoeniee biehiee falaa kaila lakoem 'iendiee wa laa taqraboen
12:60 "Als jullie hem niet bij me brengen, dan zal er geen aandeel meer voor jullie zijn wat mij betreft. En kom dan niet meer bij me."

قَالُوۡا سَنُرَاوِدُ عَنۡہُ اَبَاہُ وَ اِنَّا لَفٰعِلُوۡنَ ﴿۱۶﴾
Qaaloe sanoeraawiedoe 'anhoe abaahoe wa iennaa lafaa'ieloen
12:61 Ze zeiden: "Wij zullen het stellig proberen om toestemming te krijgen bij zijn vader voor (het meebrengen van) hem. Voorzeker, we zullen zeer zeker ons best doen."

وَ قَالَ لِفِتۡیٰنِہِ اجۡعَلُوۡا بِضَاعَتَہُمۡ فِیۡ رِحَالِہِمۡ لَعَلَّہُمۡ یَعۡرِفُوۡنَہَاۤ اِذَا انۡقَلَبُوۡۤا اِلٰۤی اَہۡلِہِمۡ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۲۶﴾
Wa qaala liefietyaaniehiedj 'aloe biedaa'atahoem fiee riehaaliehiem la'allahoem ya'riefoenahaaa iezan qalaboeo ielaaa ahliehiem la'allahoem yardjie'oen
12:62 Hij (Yusuf) zei tegen zijn werkers: "Stop hun handelswaar in hun zadeltassen, dan kunnen ze het ontdekken wanneer ze weer terug keren naar hun familie, zodat ze weer terug kunnen komen (voor het halen van een nieuwe lading)."

فَلَمَّا رَجَعُوۡۤا اِلٰۤی اَبِیۡہِمۡ قَالُوۡا یٰۤاَبَانَا مُنِعَ مِنَّا الۡکَیۡلُ فَاَرۡسِلۡ مَعَنَاۤ اَخَانَا نَکۡتَلۡ وَ اِنَّا لَہٗ لَحٰفِظُوۡنَ ﴿۳۶﴾
Falammaa radja'oeo ielaaa abieehiem qaaloe yaaa abaanaa moenie'a miennal kailoe fa arsiel ma'anaaa aghaanaa naktal wa iennaa lahoe lahaafiezoen
12:63 Toen ze dus bij hun vader aankwamen, zeiden ze: "O onze vader! Onze aandeel (van graan) is ons (vanaf nu) ontzegt, stuur daarom onze broer met ons mee, zodat we graan kunnen krijgen. En voorzeker, wij zullen hem beschermen."

قَالَ ہَلۡ اٰمَنُکُمۡ عَلَیۡہِ اِلَّا کَمَاۤ اَمِنۡتُکُمۡ عَلٰۤی اَخِیۡہِ مِنۡ قَبۡلُ ؕ فَاللّٰہُ خَیۡرٌ حٰفِظًا ۪ وَّ ہُوَ اَرۡحَمُ الرّٰحِمِیۡنَ ﴿۴۶﴾
Qaala hal aamanoekoem 'alaihie iellaa kamaa amientoekoem 'alaaa aghieehie mien qabl; fal laahoe ghairoen haafiezaw wa Hoewa arhamoer Raahiemieen
12:64 Hij (Jakoeb) zei: "Zal ik hem aan jullie toevertrouwen net zoals ik dat eerder met zijn broer (Yusuf) deed? Allah is de beste beschermer en Hij is de Rahmaan (de Barmhartig voor iedereen), de Rahiem (Degenen die zeer Barmhartig is voor de gelovigen).

وَ لَمَّا فَتَحُوۡا مَتَاعَہُمۡ وَجَدُوۡا بِضَاعَتَہُمۡ رُدَّتۡ اِلَیۡہِمۡ ؕ قَالُوۡا یٰۤاَبَانَا مَا نَبۡغِیۡ ؕ ہٰذِہٖ بِضَاعَتُنَا رُدَّتۡ اِلَیۡنَا ۚ وَ نَمِیۡرُ اَہۡلَنَا وَ نَحۡفَظُ اَخَانَا وَ نَزۡدَادُ کَیۡلَ بَعِیۡرٍ ؕ ذٰلِکَ کَیۡلٌ یَّسِیۡرٌ ﴿۵۶﴾
Wa lammaa fatahoe mataa 'ahoem wadjadoe biedaa'atahoem roeddat ielaihiem qaaloe yaaa abaanaa maa nabghiee; haaziehiee bieda 'atoenaa roeddat ielainaa wa namieeroe ahlanaa wa nahfazoe aghaanaa wa nazdaadoe kaila ba'ieer; zaalieka kailoey yasieer
12:65 Toen ze hun tassen openmaakten, troffen ze hun eigen handelswaar aan. Ze zeiden: "O onze vader! Wat willen we nog meer?! We hebben onze handelswaar terug gekregen! En we kunnen dus nog meer provisie krijgen voor onze familie, en we zullen onze broer beschermen en we zullen een extra lading van een kameel krijgen. Dat is een makkelijke winst!" (Notitie: De terugkeren van de handelswaar is een aanwijzing voor Jakoeb dat Yusuf levend is.)

قَالَ لَنۡ اُرۡسِلَہٗ مَعَکُمۡ حَتّٰی تُؤۡتُوۡنِ مَوۡثِقًا مِّنَ اللّٰہِ لَتَاۡتُنَّنِیۡ بِہٖۤ اِلَّاۤ اَنۡ یُّحَاطَ بِکُمۡ ۚ فَلَمَّاۤ اٰتَوۡہُ مَوۡثِقَہُمۡ قَالَ اللّٰہُ عَلٰی مَا نَقُوۡلُ وَکِیۡلٌ ﴿۶۶﴾
Qaala lan oersielahoe ma'akoem hattaa toe'toenie mawsieqam mienal laahiee lataa toennaniee biehieee iellaaa ay yoehaata biekoem falammaaa aatawhoe mawsieqahoem qaalal laahoe 'alaa maa naqoeloe Wakieel
12:66 Hij (Jakoeb) zei: "Nooit zal ik hem met jullie meesturen totdat jullie mij een belofte bij Allah afleggen, dat jullie hem zeker bij me terug brengen, tenzij jullie omsingeld zijn." Nadat ze hem hun woord hadden gegeven, zei hij: "Allah is over alles een waker over wat we zeggen."

وَ قَالَ یٰبَنِیَّ لَا تَدۡخُلُوۡا مِنۡۢ بَابٍ وَّاحِدٍ وَّ ادۡخُلُوۡا مِنۡ اَبۡوَابٍ مُّتَفَرِّقَۃٍ ؕ وَ مَاۤ اُغۡنِیۡ عَنۡکُمۡ مِّنَ اللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ ؕ اِنِ الۡحُکۡمُ اِلَّا لِلّٰہِ ؕ عَلَیۡہِ تَوَکَّلۡتُ ۚ وَ عَلَیۡہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُتَوَکِّلُوۡنَ ﴿۷۶﴾
Wa qaala yaa banieyya laa tadghoeloe miem baabiew waa hiediew wadghoeloe mien abwaabiem moetafarrieqah; wa maaa oeghniee 'an-koem mienal laahie mien shai'ien; ieniel hoekmoe iellaa liellaahie 'alaihie tawakkaltoe wa 'alaihie fal yatawakkaliel Moetawakkieloen
12:67 En Hij zei: "O mijn zonen! Ga niet via één poort naar binnen, maar ga via verschillende poorten naar binnen. Ik kan jullie in niets helpen tegen Allah. Het besluit (van iets) ligt slecht bij Allah. Op hem stel ik mijn vertrouwen, laten degenen die vertrouwen stellen, op Hem hun vertrouwen stellen."

وَ لَمَّا دَخَلُوۡا مِنۡ حَیۡثُ اَمَرَہُمۡ اَبُوۡہُمۡ ؕ مَا کَانَ یُغۡنِیۡ عَنۡہُمۡ مِّنَ اللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ اِلَّا حَاجَۃً فِیۡ نَفۡسِ یَعۡقُوۡبَ قَضٰہَا ؕ وَ اِنَّہٗ لَذُوۡ عِلۡمٍ لِّمَا عَلَّمۡنٰہُ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۸۶﴾
Wa lammaa daghaloe mien haisoe amarahoem aboehoem maa kaana yoeghniee 'anhoem mienal laahie mien shai'ien iellaa haadjatan fiee nafsie Ya'qoeba qadaahaa; wa iennahoe lazoe 'ielmiel liemaa 'allamnaahoe wa laakienna aksaran naasie laa ya'lamoen
12:68 En toen ze binnen traden op de wijze van hoe hun vader het beviel, gaf het ze geen enkel voordeel tegen de beslissing van Allah. Het was slechts een ingeving van Jakoeb's eigen ik/zelf (ego), die hij ten horen gaf. Voorzeker, hij is een bezitter van kennis, omdat Wij het hem hebben onderwezen. Echter, de meeste mensen weten het niet (dat Allah het is die kennis onderwijst)." (Notitie: Net zoals de sterren in Yusuf's droom die verspreid waren, laat Jakob hen ook verspreid naar binnen gaan. De beslissing die Jakoeb maakte was dus niet op basis van bijgeloof, maar op basis van kennis van de droom. Deze vers zegt dat het niet uit maakte tegen de bepaling van Allah. Allah had al bepaald dat Yusuf een profeet wordt.)

وَ لَمَّا دَخَلُوۡا عَلٰی یُوۡسُفَ اٰوٰۤی اِلَیۡہِ اَخَاہُ قَالَ اِنِّیۡۤ اَنَا اَخُوۡکَ فَلَا تَبۡتَئِسۡ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۹۶﴾
Wa lammaa daghaloe 'alaa Yoesoefa aawaaa ielaihie aghaahoe qaala iennieee ana aghoeka falaa tabta'ies biemaa kaanoe ya'maloen
12:69 En toen ze bij Yusuf binnenkwamen, nam hij zijn broer apart voor zichzelf. Hij zei: "Voorzeker, ik ben jou broer, dus treur niet voor wat ze (jouw half broers) doen."

فَلَمَّا جَہَّزَہُمۡ بِجَہَازِہِمۡ جَعَلَ السِّقَایَۃَ فِیۡ رَحۡلِ اَخِیۡہِ ثُمَّ اَذَّنَ مُؤَذِّنٌ اَیَّتُہَا الۡعِیۡرُ اِنَّکُمۡ لَسٰرِقُوۡنَ ﴿۰۷﴾
Falammaa djahhazahoem biedjahaaziehiem dja'alas sieqaayata fiee rahlie aghieehie soemma azzana moe'azzienoen ayyatoehal'ieeroe iennakoem lasaarieqoen
12:70 Toen hij hen voorzien had met hun benodigdheden, zette hij de beker in de tas van zijn broer. Vervolgens, riep een berichtgever: "O jullie (kamelen) van de karavaan! Voorzeker, jullie zijn zeker dieven!"

قَالُوۡا وَ اَقۡبَلُوۡا عَلَیۡہِمۡ مَّا ذَا تَفۡقِدُوۡنَ ﴿۱۷﴾
Qaaloe wa aqbaloe 'alaihiem maazaa tafqiedoen
12:71 Ze (de broers) wenden zich naar hen toe en zeiden: "Wat is het dat jullie missen?"

قَالُوۡا نَفۡقِدُ صُوَاعَ الۡمَلِکِ وَ لِمَنۡ جَآءَ بِہٖ حِمۡلُ بَعِیۡرٍ وَّ اَنَا بِہٖ زَعِیۡمٌ ﴿۲۷﴾
Qaaloe nafqiedoe soewaa'al maliekie wa lieman djaaa'a biehiee hiemloe ba'ieeriew wa ana biehiee za'ieem
12:72 Ze zeiden: "Wij missen de drinkbeker van de koning. Voor degene die hem terug brengt is er een (graan)lading van een kameel." (Yusuf zei:) "En ik ben er zelf verantwoordelijk voor!"

قَالُوۡا تَاللّٰہِ لَقَدۡ عَلِمۡتُمۡ مَّا جِئۡنَا لِنُفۡسِدَ فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا کُنَّا سٰرِقِیۡنَ ﴿۳۷﴾
Qaaloe tallaahie laqad 'aliemtoem maa djie'na lienoefsieda fiel ardie wa maa koennaa saarieqieen
12:73 Ze (de broers) zeiden: "Bij Allah! Julie weten het met zekerheid dat wij niet gekomen zijn om verderf in het land te zaaien. Wij zijn geen dieven!"

قَالُوۡا فَمَا جَزَآؤُہٗۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ کٰذِبِیۡنَ ﴿۴۷﴾
Qaaloe famaa djazaaa'oe hoeo ien koentoem kaaziebieen
12:74 Ze zeiden: "Wat zal de vergelding dan zijn als jullie liegen?"

قَالُوۡا جَزَآؤُہٗ مَنۡ وُّجِدَ فِیۡ رَحۡلِہٖ فَہُوَ جَزَآؤُہٗ ؕ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۵۷﴾
Qaaloe djazaaa'oehoe maw woedjieda fiee rahliehiee fahoewa djazaaa'oeh; kazaalieka nadjziez zaaliemieen
12:75 Ze (de broers) zeiden: "De vergelding (volgens onze wet) is dat degene bij wie het in zijn tas gevonden wordt, wordt vastgehouden (als slaaf). Zo vergelden wij de misdadigers." (Notitie: Dit is de wetgeving van het volk van Israël.)

فَبَدَاَ بِاَوۡعِیَتِہِمۡ قَبۡلَ وِعَآءِ اَخِیۡہِ ثُمَّ اسۡتَخۡرَجَہَا مِنۡ وِّعَآءِ اَخِیۡہِ ؕ کَذٰلِکَ کِدۡنَا لِیُوۡسُفَ ؕ مَا کَانَ لِیَاۡخُذَ اَخَاہُ فِیۡ دِیۡنِ الۡمَلِکِ اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ ؕ نَرۡفَعُ دَرَجٰتٍ مَّنۡ نَّشَآءُ ؕ وَ فَوۡقَ کُلِّ ذِیۡ عِلۡمٍ عَلِیۡمٌ ﴿۶۷﴾
Fabada-a bie-aw'ieyatiehiem qabla wie'aaa'ie aghieehie soemmas taghradjahaa miew wie 'aaa'ie aghieeh; kazaalieka kiednaa lie Yoesoef; maa kaana lieyaaghoeza aghaahoe fiee dieeniel maliekie iellaaa ay yashaaa'al laah; narfa'oe daradjaatiem man nashaaa'; wa fawqa koellie ziee 'ielmien 'Alieem
12:76 Dus begon hij (Yusuf) eerst met hun tassen (te controleren), voordat hij de tas van zijn broer controleerde. Vervolgens, haalde hij het (de koning's drinkbeker) uit de tas van zijn broer. Wij maakten dus plannen voor Yusuf. Volgens de wetgeving van de koning (van Egypte) kon hij zijn broer niet (als slaaf) nemen, echter het was de wil van Allah. Wij laten degenen van wie Wij willen, in graden toenemen. Over elke bezitter van kennis overheerst de Alwetende. (Notitie: de wetgeving voor stelen in Egypte was anders dan de wetgeving van het volk van Israël. Echter door de wil Allah wordt er gekozen om hier de wetgeving van het volk van Israël te hanteren.)

قَالُوۡۤا اِنۡ یَّسۡرِقۡ فَقَدۡ سَرَقَ اَخٌ لَّہٗ مِنۡ قَبۡلُ ۚ فَاَسَرَّہَا یُوۡسُفُ فِیۡ نَفۡسِہٖ وَ لَمۡ یُبۡدِہَا لَہُمۡ ۚ قَالَ اَنۡتُمۡ شَرٌّ مَّکَانًا ۚ وَ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا تَصِفُوۡنَ ﴿۷۷﴾
Qaaloe iey yasrieq faqad saraqa aghoel lahoe mien qabl; fa asarrahaa Yoesoefoe fiee nafsiehiee wa lam yoebdiehaa lahoem; qaala antoem sharroem makaanaw wallaahoe a'lamoe biemaa tasiefoen
12:77 Ze (de broers) zeiden: "Als hij het gestolen heeft, waarlijk een broer (Yusuf) van hem heeft net zo gestolen." Yusuf hield het (zijn reactie) voor zichzelf en onthulde niets aan hen, Hij zei (in zichzelf): "Jullie zijn slecht. Allah weet het beste wat jullie zeggen." (Notitie: volgens Tabari (Tabari volume 2 pagina 148) en Ibn Kathir (Stories of the Prophets Ibn Kathir) wordt de beschuldiging, dat Yusuf had gestolen, gerefereerd naar de volgende gebeurtenis. De vader van Jakoeb was Izaak. Hij had een riem\gordel dat van generatie op generatie door gegeven werd aan het oudste kind. Het oudste kind van Izaak was de zus van Jakoeb, de tante van Yusuf, dus de bezitter van de gordel. Toen de moeder van Yusuf overleed zorgde deze tante voor Yusuf. Op een gegeven moment wilde Jakoeb Yusuf terug, echter ze wilde hem niet terug geven. Ze bedacht daarom een list. Ze verborg de gordel onder de kleren van Yusuf. Vervolgens zei ze: "Ik ben de riem van Izaak kwijt! Zoek wie hem heeft!" Ze zocht er ijverig naar en beval vervolgens dat iedereen in het huishouden zou worden gefouilleerd. Ze vonden de riem bij Yusuf en ze zei: "Bij Allah! Hij is nu van mij. Ik zal met hem doen wat ik wil!" Volgens hun regel wordt iemand die gestolen heeft, als slaaf gehouden. Toen Jakoeb bij haar kwam, vertelde ze hem het verhaal en hij zei: "Als hij het gestolen heeft, dan is hij van jou, ik kan er niets aan doen." Dus hield ze Yusuf bij haar. Jakoeb kon hem niet nemen totdat ze stierf. In deze vers refereren de broers naar dit incident, waarbij het leek alsof Yusuf de riem had gestolen.)

قَالُوۡا یٰۤاَیُّہَا الۡعَزِیۡزُ اِنَّ لَہٗۤ اَبًا شَیۡخًا کَبِیۡرًا فَخُذۡ اَحَدَنَا مَکَانَہٗ ۚ اِنَّا نَرٰىکَ مِنَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۸۷﴾
Qaaloe yaaa ayyoehal 'Azieezoe ienna lahoeo aban shaighan kabieeran faghoez ahadanaa makaanahoe iennaa naraaka mienal moehsienieen
12:78 Ze zeiden, "O minister! Voorzeker, hij heeft een oude vader. Dus neem één van ons in plaats van hem. Voorzeker, wij zien jou als een goed persoon."

قَالَ مَعَاذَ اللّٰہِ اَنۡ نَّاۡخُذَ اِلَّا مَنۡ وَّجَدۡنَا مَتَاعَنَا عِنۡدَہٗۤ ۙ اِنَّاۤ اِذًا لَّظٰلِمُوۡنَ ﴿۹۷﴾
Qaala ma'aazal laahie an naaghoeza iellaa maw wadjadnaa mataa'anaa 'iendahoe iennaaa iezal lazaaliemoen
12:79 Hij (Yusuf) zei: "Allah verbied dat we iemand nemen behalve degene bij wie wij onze bezitting vonden. Voorzeker, we zouden anders onrecht plegen."

فَلَمَّا اسۡتَیۡـَٔسُوۡا مِنۡہُ خَلَصُوۡا نَجِیًّا ؕ قَالَ کَبِیۡرُہُمۡ اَلَمۡ تَعۡلَمُوۡۤا اَنَّ اَبَاکُمۡ قَدۡ اَخَذَ عَلَیۡکُمۡ مَّوۡثِقًا مِّنَ اللّٰہِ وَ مِنۡ قَبۡلُ مَا فَرَّطۡتُّمۡ فِیۡ یُوۡسُفَ ۚ فَلَنۡ اَبۡرَحَ الۡاَرۡضَ حَتّٰی یَاۡذَنَ لِیۡۤ اَبِیۡۤ اَوۡ یَحۡکُمَ اللّٰہُ لِیۡ ۚ وَ ہُوَ خَیۡرُ الۡحٰکِمِیۡنَ ﴿۰۸﴾
Falammas tay'asoe mienhoe ghalasoe nadjieyyan qaala kabieeroehoem alam ta'lamoen anna abaakoem qad aghaza 'alaikoem mawsieqam mienal laahie wa mien qabloe maa farrattoem fiee Yoesoefa falan abrahal arda hattaa yaazana lieee abieee aw yahkoemal laahoe liee wa hoewa ghairoel haakiemieen
12:80 Toen ze wanhopig werden door zijn besluit, afzonderden ze zich voor een privé-overleg. De oudste van hen zei: "Weten jullie niet meer dat jullie vader ons een belofte heeft laten afleggen bij Allah en dat We eerder gefaald hebben met betrekking tot Yusuf? Ik zal dus dit land nooit verlaten totdat mijn vader mij toestemming geeft of Allah een beslissing voor me maakt. Hij is de beste van de rechters."

اِرۡجِعُوۡۤا اِلٰۤی اَبِیۡکُمۡ فَقُوۡلُوۡا یٰۤاَبَانَاۤ اِنَّ ابۡنَکَ سَرَقَ ۚ وَ مَا شَہِدۡنَاۤ اِلَّا بِمَا عَلِمۡنَا وَ مَا کُنَّا لِلۡغَیۡبِ حٰفِظِیۡنَ ﴿۱۸﴾
Irdjie'oeo ielaaa abieekoem faqoeloe yaaa abaanaaa iennab naka saraq; wa maa shahiednaaa iellaa biemaa 'aliemnaa wa maa koennaa lielghaibie haafiezieen
12:81 "Ga terug naar jullie vader en zeg: "O onze vader! Voorzeker, uw zoon heeft gestolen. En we getuigen alleen over wat we weten. We waren geen bewakers van het ongeziene (de daad)."

وَ سۡـَٔلِ الۡقَرۡیَۃَ الَّتِیۡ کُنَّا فِیۡہَا وَ الۡعِیۡرَ الَّتِیۡۤ اَقۡبَلۡنَا فِیۡہَا ؕ وَ اِنَّا لَصٰدِقُوۡنَ ﴿۲۸﴾
Was'aliel qaryatal latiee koennaa fieehaa wal'ieeral latieee aqbalnaa fieehaa wa iennaa lasaadieqoen
12:82 "Vraag de bewoners van de stad waar we waren. Of de mensen van de karavaan waar we mee terug reisden. Voorzeker, we spreken de waarheid."

قَالَ بَلۡ سَوَّلَتۡ لَکُمۡ اَنۡفُسُکُمۡ اَمۡرًا ؕ فَصَبۡرٌ جَمِیۡلٌ ؕ عَسَی اللّٰہُ اَنۡ یَّاۡتِـیَنِیۡ بِہِمۡ جَمِیۡعًا ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡعَلِیۡمُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۳۸﴾
Qaala bal sawwalat lakoem anfoesoekoem amran fasabroen djamieeloen 'asal laahoe ay yaa tieyaniee biehiem djamiee'aa; iennahoe Hoewal 'Alieemoel Hakieem
12:83 Hij (Jakoeb) zei: "Nee! Jullie eigen ego heeft jullie verleid tot het begaan van een ernstige zaak! Dus geduld is een schone zaak. Misschien zal Allah allen tot me terug brengen. Hij is Aliem (Alwetend), Hakiem (Alwijs)."

وَ تَوَلّٰی عَنۡہُمۡ وَ قَالَ یٰۤاَسَفٰی عَلٰی یُوۡسُفَ وَ ابۡیَضَّتۡ عَیۡنٰہُ مِنَ الۡحُزۡنِ فَہُوَ کَظِیۡمٌ ﴿۴۸﴾
Wa tawallaa 'anhoem wa qaala yaaa asafaa 'alaa Yoesoefa wabyaddat 'aynaahoe mienal hoeznie fahoewa kazieem
12:84 En hij (Jakoeb) wendde zich af van hen en zei: "O, mijn verdriet over Yusuf!" Vervolgens, werd zijn ogen wit door het verdriet dat hij onderdrukte.

قَالُوۡا تَاللّٰہِ تَفۡتَؤُا تَذۡکُرُ یُوۡسُفَ حَتّٰی تَکُوۡنَ حَرَضًا اَوۡ تَکُوۡنَ مِنَ الۡہٰلِکِیۡنَ ﴿۵۸﴾
Qaaloe tallaahie tafta'oe tazkoeroe Yoesoefa hattaa takoena haradan aw takoena mienal haaliekieen
12:85 Ze (de broers) zeiden: "Bij Allah! Jij zult niet stoppen met het denken aan Yusuf totdat je dood ziek wordt of totdat je dood gaat."

قَالَ اِنَّمَاۤ اَشۡکُوۡا بَثِّیۡ وَ حُزۡنِیۡۤ اِلَی اللّٰہِ وَ اَعۡلَمُ مِنَ اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۸﴾
Qaala iennamaaa ashkoe bassiee wa hoeznieee ielal laahie wa a'lamoe mienal laahie maa laa ta'lamoen
12:86 Hij zei: "Ik klaag over mijn pijn en verdriet alleen bij Allah. En ik weet over Allah wat jullie niet weten."

یٰبَنِیَّ اذۡہَبُوۡا فَتَحَسَّسُوۡا مِنۡ یُّوۡسُفَ وَ اَخِیۡہِ وَ لَا تَایۡـَٔسُوۡا مِنۡ رَّوۡحِ اللّٰہِ ؕ اِنَّہٗ لَا یَایۡـَٔسُ مِنۡ رَّوۡحِ اللّٰہِ اِلَّا الۡقَوۡمُ الۡکٰفِرُوۡنَ ﴿۷۸﴾
Yaa banieyyaz haboe fatahassasoe miey yoesoefa wa aghieehie wa laa tai'asoe mier rawhiel laahie iennahoe laa yai'asoe mier rawhiel laahie iellal qawmoel kaafieroen
12:87 "O mijn zonen! Ga en informeer over Yusuf en zijn broer. En wanhoop niet aan de genade van Allah. Voorzeker, niemand wanhoopt aan de genade van Allah, behalve de ongelovigen."

فَلَمَّا دَخَلُوۡا عَلَیۡہِ قَالُوۡا یٰۤاَیُّہَا الۡعَزِیۡزُ مَسَّنَا وَ اَہۡلَنَا الضُّرُّ وَ جِئۡنَا بِبِضَاعَۃٍ مُّزۡجٰىۃٍ فَاَوۡفِ لَنَا الۡکَیۡلَ وَ تَصَدَّقۡ عَلَیۡنَا ؕ اِنَّ اللّٰہَ یَجۡزِی الۡمُتَصَدِّقِیۡنَ ﴿۸۸﴾
Falammaa daghaloe 'alaihie qaaloe yaaa ayyoehal 'Azieezoe massanaa wa ahlanad doerroe wa djie'naa biebiedaa 'tiemmoezdjaatien fa awfie lanal kaila wa tasaddaq 'alainaa iennal laaha yadjziel moetasaddieqieen
12:88 Toen ze dus bij hem (Yusuf) binnenkwamen, zeiden zij: "O minister! Wij en onze familie zijn getroffen door tegenslag. Wij zijn gekomen met handelswaar van een kleine waarde, wees liefdadig tegen ons en betaal ons de volledige maat. Voorzeker, Allah beloont degenen die aalmoezen geven."

قَالَ ہَلۡ عَلِمۡتُمۡ مَّا فَعَلۡتُمۡ بِیُوۡسُفَ وَ اَخِیۡہِ اِذۡ اَنۡتُمۡ جٰہِلُوۡنَ ﴿۹۸﴾
Qaala hal 'aliemtoem maa fa'altoem bie Yoesoefa wa aghieehie iez antoem djaahieloen
12:89 Hij zei: "Weten jullie wat jullie met Yusuf en zijn broer hebben gedaan, toen jullie onwetend waren?" (Notitie: Yusuf breekt omdat de broers om aalmoezen vragen.)

قَالُوۡۤا ءَاِنَّکَ لَاَنۡتَ یُوۡسُفُ ؕ قَالَ اَنَا یُوۡسُفُ وَ ہٰذَاۤ اَخِیۡ ۫ قَدۡ مَنَّ اللّٰہُ عَلَیۡنَا ؕ اِنَّہٗ مَنۡ یَّـتَّقِ وَ یَصۡبِرۡ فَاِنَّ اللّٰہَ لَا یُضِیۡعُ اَجۡرَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۰۹﴾
Qaaloe 'a iennaka la anta Yoesoefoe qaala ana Yoesoefoe wa haazaaa aghiee qad mannal laahoe 'alainaa iennahoe may yattaqie wa yasbier fa iennal laaha laa yoediee'oe adjral moehsienieen
12:90 Ze zeiden: "Ben jij echt Yusuf?" Hij zei: "Ik ben Yusuf en dit is mijn broer. Allah heeft Zijn gunsten rijkelijk aan ons geschonken. Voorzeker, Hij die Allah vreest en geduldig is, dan Voorzeker, Allah laat de beloning van de mensen die goed doen, niet verloren gaan."

قَالُوۡا تَاللّٰہِ لَقَدۡ اٰثَرَکَ اللّٰہُ عَلَیۡنَا وَ اِنۡ کُنَّا لَخٰطِئِیۡنَ ﴿۱۹﴾
Qaaloe tallaahie laqad aasarakal laahoe 'alainaa wa ien koennaa laghaatie'ieen
12:91 Ze zeiden: "Bij Allah! Voorzeker, Allah heeft jou boven ons verkozen. Wij zijn zondaren."

قَالَ لَا تَثۡرِیۡبَ عَلَیۡکُمُ الۡیَوۡمَ ؕ یَغۡفِرُ اللّٰہُ لَکُمۡ ۫ وَ ہُوَ اَرۡحَمُ الرّٰحِمِیۡنَ ﴿۲۹﴾
Qaala laa tasrieeba 'alaikoemoel yawma yaghfieroel laahoe lakoem wa Hoewa arhamoer raahiemieen
12:92 Hij zei: "Vandaag rust er geen schuld meer op jullie." Allah zal jullie vergeven. Hij is Arhmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Arahiem (de Erbarmer)."

اِذۡہَبُوۡا بِقَمِیۡصِیۡ ہٰذَا فَاَلۡقُوۡہُ عَلٰی وَجۡہِ اَبِیۡ یَاۡتِ بَصِیۡرًا ۚ وَ اۡتُوۡنِیۡ بِاَہۡلِکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۳۹﴾
Izhaboe bieqamieesiee haazaa fa alqoehoe 'alaa wadjhie abiee yaatie basieeraw waatoeniee bie ahliekoem adjma'ieen
12:93 "Ga met deze hemd van mij en gooi het op de gezicht van mijn vader, hij zal weer kunnen zien. Breng (daarna) jullie familie allemaal naar me toe."

وَ لَمَّا فَصَلَتِ الۡعِیۡرُ قَالَ اَبُوۡہُمۡ اِنِّیۡ لَاَجِدُ رِیۡحَ یُوۡسُفَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ تُفَنِّدُوۡنِ ﴿۴۹﴾
Wa lammaa fasalatiel 'ieeroe qaala aboehoem ienniee la adjiedoe rieeha Yoesoefa law laaa an toefanniedoen
12:94 En toen de karavaan (vanuit Egypte) vertrok, zei hun vader: "Voorzeker, jullie denken dat ik dement ben, maar ik ruik echt de geur van Yusuf." (Notitie: Jakoeb zei dit tegen de mensen die om zich heen waren. Zijn kinderen waren in Egypte op weg naar huis. Hij kon de geur van Yusuf al van die afstand ruiken.)

قَالُوۡا تَاللّٰہِ اِنَّکَ لَفِیۡ ضَلٰلِکَ الۡقَدِیۡمِ ﴿۵۹﴾
Qaaloe tallaahie iennaka lafiee dalaaliekal qadieem
12:95 Ze zeiden: "Bij Allah! Jij bent echt dement."

فَلَمَّاۤ اَنۡ جَآءَ الۡبَشِیۡرُ اَلۡقٰىہُ عَلٰی وَجۡہِہٖ فَارۡتَدَّ بَصِیۡرًا ۚ قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکُمۡ ۚۙ اِنِّیۡۤ اَعۡلَمُ مِنَ اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۹﴾
Falammaaa an djaaa'albashieeroe alqaahoe 'alaa wadjhiehiee fartadda basieeran qaala alam aqoel lakoem iennieee a'lamoe mienal laahie maa laa ta'lamoen
12:96 Toen de dragers van het goede nieuws (de broers) aangekomen waren, gooide ze het (de hemd) op zijn gezicht. Vervolgens kreeg hij zijn zicht terug. Hij zei: "Zei ik het niet dat ik over Allah weet wat jullie niet weten!"

قَالُوۡا یٰۤاَبَانَا اسۡتَغۡفِرۡ لَنَا ذُنُوۡبَنَاۤ اِنَّا کُنَّا خٰطِئِیۡنَ ﴿۷۹﴾
Qaaloe yaaa abaanas taghfier lanaa zoenoebanaa iennaa koennaa ghaatie'ieen
12:97 Ze (de broers) zeiden: "O onze vader! Vraag voor ons, voor onze zonden vergiffenis. Voorzeker, wij zijn zondaren."

قَالَ سَوۡفَ اَسۡتَغۡفِرُ لَکُمۡ رَبِّیۡ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡغَفُوۡرُ الرَّحِیۡمُ ﴿۸۹﴾
Qaala sawfa astaghfieroe lakoem Rabbieee iennahoe Hoewal Ghafoeroer Rahieem
12:98 Hij zei: "Spoedig zal ik voor jullie vergiffenis aan mijn Heer vragen. Voorzeker, Hij is Al-Gafoer (de Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe)."

فَلَمَّا دَخَلُوۡا عَلٰی یُوۡسُفَ اٰوٰۤی اِلَیۡہِ اَبَوَیۡہِ وَ قَالَ ادۡخُلُوۡا مِصۡرَ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ اٰمِنِیۡنَ ﴿۹۹﴾
Falammaa daghaloe 'alaa Yoesoefa aawaaa ielaihie abawaiyhie wa qaalad ghoeloe Miesra ienshaaa'al laahoe aamienieen
12:99 Toen ze bij Yusuf aankwamen, nam hij zijn ouders apart voor zichzelf en zei: "Kom Egypte binnen, In Sha Allah (als Allah het wil) zullen jullie veilig zijn."

وَ رَفَعَ اَبَوَیۡہِ عَلَی الۡعَرۡشِ وَ خَرُّوۡا لَہٗ سُجَّدًا ۚ وَ قَالَ یٰۤاَبَتِ ہٰذَا تَاۡوِیۡلُ رُءۡیَایَ مِنۡ قَبۡلُ ۫ قَدۡ جَعَلَہَا رَبِّیۡ حَقًّا ؕ وَ قَدۡ اَحۡسَنَ بِیۡۤ اِذۡ اَخۡرَجَنِیۡ مِنَ السِّجۡنِ وَ جَآءَ بِکُمۡ مِّنَ الۡبَدۡوِ مِنۡۢ بَعۡدِ اَنۡ نَّزَغَ الشَّیۡطٰنُ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَ اِخۡوَتِیۡ ؕ اِنَّ رَبِّیۡ لَطِیۡفٌ لِّمَا یَشَآءُ ؕ اِنَّہٗ ہُوَ الۡعَلِیۡمُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۰۰۱﴾
Wa raf'a abawaihie 'alal 'arshie wa gharroe lahoe soedjdjadaa; wa qaala yaaa abatie haaza taawieeloe roe'yaaya mien qabloe qad dja'alahaa Rabbiee haqqaa; wa qad ahsana bieee iez aghradjaniee mienas siedjnie wa djaaa'a biekoem mienal badwie miem ba'die an nazaghash Shaitaanoe bainiee wa baina ieghwatiee; ienna Rabbiee latieefoel liemaa yashaaa'; iennahoe Hoewal 'Alieemoel Hakieem
12:100 En hij liet zijn ouders op de troon zitten en ze vielen (allen) neer in prostratie voor hem (Yusuf). En hij zei: "O mijn vader! Dit is de uitleg van mijn droom! Mijn heer heeft het laten uitkomen! Voorzeker, Hij was inderdaad goed voor me. Hij heeft me uit de gevangenis gehaald en jullie hier naar toe bracht weg van het bedoeïenen leven. Dit alles nadat de satan scheiding had aangebracht tussen mij en mijn broers. Mijn Heer is het meest subtiel in (het uitvoeren van) wat Hij wil. Voorzeker, Hij is Aliem (Alwetend), Hakiem (Alwijs)."

رَبِّ قَدۡ اٰتَیۡتَنِیۡ مِنَ الۡمُلۡکِ وَ عَلَّمۡتَنِیۡ مِنۡ تَاۡوِیۡلِ الۡاَحَادِیۡثِ ۚ فَاطِرَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۟ اَنۡتَ وَلِیّٖ فِی الدُّنۡیَا وَ الۡاٰخِرَۃِ ۚ تَوَفَّنِیۡ مُسۡلِمًا وَّ اَلۡحِقۡنِیۡ بِالصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۰۱﴾
Rabbie qad aataitaniee mienal moelkie wa 'allamtaniee mien taawieeliel ahaadiees; faatie ras samaawaatie wal ardie Anta walieyyiee fied doenyaa wal Aaghieratie tawaffaniee moesliemaw wa alhieqniee biessaaliehieen
12:101 "O mijn Heer, voorzeker, U heeft mij van de koninkrijk gegeven en mij de interpretatie van de dromen onderwezen. Schepper van de hemelen en de aarde, U bent mijn beschermer in deze wereld en in het hiernamaals. Laat mij doen sterven als een Moslim (iemand die zich overgegeven heeft aan Allah) en verenig mij met de rechtvaardigen."

ذٰلِکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ الۡغَیۡبِ نُوۡحِیۡہِ اِلَیۡکَ ۚ وَ مَا کُنۡتَ لَدَیۡہِمۡ اِذۡ اَجۡمَعُوۡۤا اَمۡرَہُمۡ وَ ہُمۡ یَمۡکُرُوۡنَ ﴿۲۰۱﴾
Zaalieka mien ambaaa'iel ghaibie noehieehie ielaika wa maa koenta ladaihiem iez adjma'oeo amrahoem wa hoem yamkoeroen
12:102 Dit is van de gebeurtenissen van het ongeziene, welke wij aan jou openbaren. Jij was niet bij hen aanwezig toen ze hun complot maakten.

وَ مَاۤ اَکۡثَرُ النَّاسِ وَ لَوۡ حَرَصۡتَ بِمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۳۰۱﴾
Wa maa aksaroen naasie wa law harasta biemoe'mienieen
12:103 En de meeste van de mensen, ondanks dat jij het verlangt, zullen niet gelovig worden.

وَ مَا تَسۡـَٔلُہُمۡ عَلَیۡہِ مِنۡ اَجۡرٍ ؕ اِنۡ ہُوَ اِلَّا ذِکۡرٌ لِّلۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۴۰۱﴾
Wa maa tas'aloehoem 'alaihie mien adjr; ien hoewa iellaa ziekroel liel'aalamieen
12:104 En jij vraagt hen er geen enkel beloning voor. Het is slechts een herinnering voor de werelden (mensen en djiens).

وَ کَاَیِّنۡ مِّنۡ اٰیَۃٍ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ یَمُرُّوۡنَ عَلَیۡہَا وَ ہُمۡ عَنۡہَا مُعۡرِضُوۡنَ ﴿۵۰۱﴾
Wa ka ayyiem mien Aayatien fies samaawaatie wal ardie yamoerroena 'alaihaa wa hoem 'anhaa moe'riedoen
12:105 En hoeveel tekenen in de hemelen en op aarde zijn er die aan hen voorbijgaan, terwijl ze er geen acht op slaan?!

وَ مَا یُؤۡمِنُ اَکۡثَرُہُمۡ بِاللّٰہِ اِلَّا وَ ہُمۡ مُّشۡرِکُوۡنَ ﴿۶۰۱﴾
Wa maa yoe'mienoe aksaroe hoem biellaahie iellaa wa hoem moeshriekoen
12:106 En de meeste van hen geloven in Allah terwijl ze deelgenoten aan Hem toe kennen.

اَفَاَمِنُوۡۤا اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ غَاشِیَۃٌ مِّنۡ عَذَابِ اللّٰہِ اَوۡ تَاۡتِیَہُمُ السَّاعَۃُ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۷۰۱﴾
Afa amienoeo an taatieya hoem ghaashieyatoem mien 'azaabiel laahie aw taatieyahoemoes Saa'atoe baghtataw wa hoem laa yash'oeroen
12:107 Voelen ze zich veilig voor een overweldigende straf van Allah of dat plotseling het uur komt terwijl ze het niet zien aankomen. (Notitie zie ook 31:34, 7:187)

قُلۡ ہٰذِہٖ سَبِیۡلِیۡۤ اَدۡعُوۡۤا اِلَی اللّٰہِ ۟ؔ عَلٰی بَصِیۡرَۃٍ اَنَا وَ مَنِ اتَّبَعَنِیۡ ؕ وَ سُبۡحٰنَ اللّٰہِ وَ مَاۤ اَنَا مِنَ الۡمُشۡرِکِیۡنَ ﴿۸۰۱﴾
Qoel haaziehiee sabieelieee ad'oeo ielal laah; 'alaa basieera tien ana wa maniet taba'aniee wa Soebhaanal laahie wa maaa ana mienal moeshriekieen
12:108 Zeg: "Dit is mijn methode (Sunnah). Ik nodig uit tot Allah op basis van duidelijk bewijs, ik en wie mij volgt (doen dat). En Soebhaan (de ultieme perfectie, zonder enige tekortkoming) is Allah. Ik behoor niet tot de polytheïsten."

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ قَبۡلِکَ اِلَّا رِجَالًا نُّوۡحِیۡۤ اِلَیۡہِمۡ مِّنۡ اَہۡلِ الۡقُرٰی ؕ اَفَلَمۡ یَسِیۡرُوۡا فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ ؕ وَ لَدَارُ الۡاٰخِرَۃِ خَیۡرٌ لِّلَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۹۰۱﴾
Wa maaa arsalnaa mien qablieka iellaa riedjaalan noehieee ielaihiem mien ahliel qoeraa; afalam yasieeroe fiel ardie fa yanzoeroe kaifa kaana 'aaqiebatoel lazieena mien qabliehiem; wa la Daaroel Aaghieratie ghairoel liellazieenat taqaw; afalaa ta'qieloen
12:109 De boodschappers die Wij voorafgaand aan jou zonden, waren slechts mannen van de stad aan wie Wij openbaarden. Hebben ze niet op aarde gereisd en gezien hoe het einde was van de generaties voor hen? En het huis van het hiernamaals is het beste voor degenen die Allah vrezen. Denken jullie niet na?

حَتّٰۤی اِذَا اسۡتَیۡـَٔسَ الرُّسُلُ وَ ظَنُّوۡۤا اَنَّہُمۡ قَدۡ کُذِبُوۡا جَآءَہُمۡ نَصۡرُنَا ۙ فَنُجِّیَ مَنۡ نَّشَآءُ ؕ وَلَا یُرَدُّ بَاۡسُنَا عَنِ الۡقَوۡمِ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۰۱۱﴾
Hattaaa iezas tai'asar Roesoeloe wa zannoeo annahoem qad koezieboe djaaa'ahoem nas roenaa fanoedjdjieya man nashaaa'oe wa laa yoeraddoe baasoenna 'aniel qawmiel moedjriemieen
12:110 (Het volk werd herinnerd aan de eenheid van Allah) totdat de boodschappers de hoop opgaven en dat ze dachten dat ze volledig werden afgewezen. Vervolgens kwam Onze hulp en Wij redden wie Wij wilden (van de straf). En de misdadigers kunnen niet ontsnappen aan onze straf.

لَقَدۡ کَانَ فِیۡ قَصَصِہِمۡ عِبۡرَۃٌ لِّاُولِی الۡاَلۡبَابِ ؕ مَا کَانَ حَدِیۡثًا یُّفۡتَرٰی وَ لٰکِنۡ تَصۡدِیۡقَ الَّذِیۡ بَیۡنَ یَدَیۡہِ وَ تَفۡصِیۡلَ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃً لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۱۱﴾
Laqad kaana fiee qasasiehiem 'iebratoel lie oeliel albaab; maa kaana hadieesay yoeftaraa wa laakien tasdieeqal laziee baina yadiehie wa tafsieela koellie shai'iew wa hoedaw wa rahmatal lieqawmiey yoe'mienoen
12:111 Waarlijk, in hun verhalen is er een les voor de mensen die begrijpen. Het (de Koran) is geen verzonnen verhaal, maar een bevestiging van datgeen wat gebeurt is. (Het is) Een gedetailleerde uitleg van alle dingen, een leiding en barmhartigheid voor een volk dat gelooft.

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
الٓـمّٓرٰ ۟ تِلۡکَ اٰیٰتُ الۡکِتٰبِ ؕ وَ الَّذِیۡۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ مِنۡ رَّبِّکَ الۡحَقُّ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱﴾
Alief-Laaam-Mieeem-Raa; tielka Aayaatoel Kietaab; wallaziee oenziela ielaika mier Rabbiekal haqqoe wa laakienna aksaran naasie laa yoe'mienoen
13:1 Alief Laam Miem Ra. Dit zijn de verzen van het boek. Datgeen van jouw Heer wat aan jou is geopenbaard, is de waarheid. Echter, de meeste mensen geloven niet.

اَللّٰہُ الَّذِیۡ رَفَعَ السَّمٰوٰتِ بِغَیۡرِ عَمَدٍ تَرَوۡنَہَا ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ وَ سَخَّرَ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ ؕ کُلٌّ یَّجۡرِیۡ لِاَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ یُدَبِّرُ الۡاَمۡرَ یُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ لَعَلَّکُمۡ بِلِقَآءِ رَبِّکُمۡ تُوۡقِنُوۡنَ ﴿۲﴾
Allaahoel laziee raf'as samaawaatie bieghairie 'amadien tarawnahaa soemmas tawaa 'alal 'Arshie wa saghgharash shamsa walqamara koelloey yadjriee lie adjaliem moesammaa; yoedabbieroel amra yoefassieliel Aayaatie la'allakoem bielieqaaa'ie Rabbiekoem toeqienoen
13:2 Allah is Degene Die de hemelen hoog heeft geplaatst, zonder steunpalen die jullie kunnen zien. Vervolgens vestigde Hij boven op de troon en stelde de zon en de maan ten dienste (voor o.a. de mensheid). Elk beweeg voort tot een vastgestelde periode. Hij regelt alle zaken. Hij detailleert/verfijnt Zijn tekenen, zodat jullie met zekerheid overtuigd kunnen zijn van de ontmoeting met jullie Heer.

وَ ہُوَ الَّذِیۡ مَدَّ الۡاَرۡضَ وَ جَعَلَ فِیۡہَا رَوَاسِیَ وَ اَنۡہٰرًا ؕ وَ مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ جَعَلَ فِیۡہَا زَوۡجَیۡنِ اثۡنَیۡنِ یُغۡشِی الَّیۡلَ النَّہَارَ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۳﴾
Wa Hoewal laziee maddal arda wa dja'ala fieehaa rawaasieya wa anhaaraa; wa mien koellies samaraatie dja'ala fieehaa zawdjainies yainie Yoeghshiel lailan nahaar; ienna fiee zaalieka la aayaatiel lieqawmiey yatafakkaroen
13:3 Hij is Degene Die de aarde verspreid heeft en daarop stevige bergen en rivieren heeft geplaatst. En alle vruchten erop heeft Hij in twee geslachten/paren gemaakt. Hij doet de nacht bedekken door de dag. Voorzeker, in dat zijn er zeker tekenen voor mensen die nadenken.

وَ فِی الۡاَرۡضِ قِطَعٌ مُّتَجٰوِرٰتٌ وَّ جَنّٰتٌ مِّنۡ اَعۡنَابٍ وَّ زَرۡعٌ وَّ نَخِیۡلٌ صِنۡوَانٌ وَّ غَیۡرُ صِنۡوَانٍ یُّسۡقٰی بِمَآءٍ وَّاحِدٍ ۟ وَ نُفَضِّلُ بَعۡضَہَا عَلٰی بَعۡضٍ فِی الۡاُکُلِ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّقَوۡمٍ یَّعۡقِلُوۡنَ ﴿۴﴾
Wa fiel ardie qieta'oem moeta djaawieraatoew wa djannaatoem mien a'naabiew wa zar'oew wa naghieeloen sienwaanoew wa ghairoe sienwaaniey yoesqaa biemaaa'iew waahied; wa noefaddieloe ba'dahaa 'alaa ba'dien fiel-oekoel; ienna fiee zaalieka la aayaatiel lieqawmiey ya'qieloen
13:4 En op de aarde zijn er (verschillende soorten) land die aan elkaar grenzen. En tuinen van druivenstruiken, gewassen, dadelpalmen, bomen met (slechts) één stam en bomen met takken. Allen worden geïrrigeerd met één (en hetzelfde) water. Wij laten sommige meer fruit dragen dan anderen. In dat, zijn er zeker tekenen voor mensen die nadenken.

وَ اِنۡ تَعۡجَبۡ فَعَجَبٌ قَوۡلُہُمۡ ءَ اِذَا کُنَّا تُرٰبًا ءَ اِنَّا لَفِیۡ خَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ۬ؕ اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِرَبِّہِمۡ ۚ وَ اُولٰٓئِکَ الۡاَغۡلٰلُ فِیۡۤ اَعۡنَاقِہِمۡ ۚ وَ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۵﴾
Wa ien ta'djab fa'adjaboen qawloehoem 'a-iezaa koenna toeraaban 'a-ienna lafiee ghalqien djadieed; oelaaa 'iekal lazieena kafaroe bie Rabbiehiem wa oelaaa'iekal aghlaaloe fieee a'naaqiehiem wa oelaaa'ieka Ashaaboen Naarie hoem fieehaa ghaaliedoen
13:5 En als je sprakeloos bent (over de creatie), hun woorden zijn ook verbazingwekkend: "Als we stof zijn, zullen we dan zeker opnieuw geschapen worden?" Zij zijn degenen die niet in hun Heer geloven. Zij zullen geketend zijn met ijzeren halsbanden om hun nekken. Zij zullen de bewoners van het vuur zijn. Zij zullen er voor altijd in leven.

وَ یَسۡتَعۡجِلُوۡنَکَ بِالسَّیِّئَۃِ قَبۡلَ الۡحَسَنَۃِ وَ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہِمُ الۡمَثُلٰتُ ؕ وَ اِنَّ رَبَّکَ لَذُوۡ مَغۡفِرَۃٍ لِّلنَّاسِ عَلٰی ظُلۡمِہِمۡ ۚ وَ اِنَّ رَبَّکَ لَشَدِیۡدُ الۡعِقَابِ ﴿۶﴾
Wa yasta'djieloenaka bies saiyie'atie qablal hasanatie wa qad ghalat mien qabliehiemoel masoelaat; wa ienna Rabbaka lazoe maghfieratiel liennaasie 'alaa zoelmiehiem wa ienna Rabbaka lashadieedoel 'ieqaab
13:6 Ze vragen het slechte (de straf) te verhaasten in plaats van het goede. Waarlijk, terwijl er soortgelijke straffen op generaties voor hen hebben plaats gevonden. Voorzeker, jou Heer is voor de mensheid vol van vergiffenis ondanks dat ze zonden begaan. Echter, jou Heer is (ook) streng in het straffen.

وَ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوۡ لَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡہِ اٰیَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ اِنَّمَاۤ اَنۡتَ مُنۡذِرٌ وَّ لِکُلِّ قَوۡمٍ ہَادٍ ٪﴿۷﴾
Wa yaqoeloel lazieena kafaroe law laaa oenziela 'alaihie Aayatoem mier Rabbieh; iennamaaa anta moenzieroew wa liekoellie qawmien haad
13:7 En degenen die niet geloven zeggen: "Waarom is er geen teken tot hem neergezonden van zijn Heer? Jij bent slecht een waarschuwer en voor elk volk is er een leider (profeet).

اَللّٰہُ یَعۡلَمُ مَا تَحۡمِلُ کُلُّ اُنۡثٰی وَ مَا تَغِیۡضُ الۡاَرۡحَامُ وَ مَا تَزۡدَادُ ؕ وَ کُلُّ شَیۡءٍ عِنۡدَہٗ بِمِقۡدَارٍ ﴿۸﴾
Allaahoe ya'lamoe maa tahmieloe koelloe oensaa wa maa taghieedoel arhaamoe wa maa tazdaad, wa koelloe shai'ien 'iendahoe biemieqdaar
13:8 Allah weet wat elke vrouw draagt en wat de baarmoeders tekortschieten of wat ze overschrijden (voor de ontwikkeling van het kind en m.b.t. de draagtijd). En alles bij Hem is in juiste verhouding. (Notitie: Allah is op de hoogte van elke zwangerschap en de ontwikkeling van het kind. Zie ook 77:20-23.)

عٰلِمُ الۡغَیۡبِ وَ الشَّہَادَۃِ الۡکَبِیۡرُ الۡمُتَعَالِ ﴿۹﴾
'Aaliemoel Ghaibie wash shahaadatiel Kaabieeroel Moeta'aal
13:9 (Hij is) de Kenner van het ongeziene en de Kenner van wat zichtbaar is. (Hij is) Al-Akbar (de Grootste in macht, kracht, wijsheid en barmhartigheid), Muta'ali (De zelf verhevene, degene die buiten de attributen van zijn schepping is).

سَوَآءٌ مِّنۡکُمۡ مَّنۡ اَسَرَّ الۡقَوۡلَ وَ مَنۡ جَہَرَ بِہٖ وَ مَنۡ ہُوَ مُسۡتَخۡفٍۭ بِالَّیۡلِ وَ سَارِبٌۢ بِالنَّہَارِ ﴿۰۱﴾
Sawaaa'oem mien-koem man asarral qawla wa man djahara biehiee wa man hoewa moestaghfiem biellailie wa saarieboem biennahaar
13:10 Het is hetzelfde (voor Allah), of iemand zijn gedachten verbergt of openlijk uitspreekt, of dat hij 's nachts verstopt en overdag zich openlijk verplaatst.

لَہٗ مُعَقِّبٰتٌ مِّنۡۢ بَیۡنِ یَدَیۡہِ وَ مِنۡ خَلۡفِہٖ یَحۡفَظُوۡنَہٗ مِنۡ اَمۡرِ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُغَیِّرُ مَا بِقَوۡمٍ حَتّٰی یُغَیِّرُوۡا مَا بِاَنۡفُسِہِمۡ ؕ وَ اِذَاۤ اَرَادَ اللّٰہُ بِقَوۡمٍ سُوۡٓءًا فَلَا مَرَدَّ لَہٗ ۚ وَ مَا لَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہٖ مِنۡ وَّالٍ ﴿۱۱﴾
Lahoe moe'aqqiebaatoem miem bainie yadaihie wa mien ghalfiehiee yahfazoenahoe mien amriel laah; iennal laaha laa yoeghaiyieroe maa bieqawmien hattaa yoeghaiyieroe maa bieanfoesiehiem; wa iezaaa araadal laahoe bieqawmien soeo'an falaa maradda lah; wa maa lahoem mien doeniehieemiew waal
13:11 Voor hem (een ieder) zijn er beschermengelen aangesteld die elkaar opvolgen en die hem van voren en achteren bewaken door het bevel van Allah. Allah verandert de toestand van volk niet totdat ze hetgeen veranderen wat in hun zelf is. En wanneer Allah voor een volk kwaad wil, dan is er geen ontsnapping mogelijk. Er is dan geen beschermer, behalve Hem (Allah). (Notitie, zie ook 86:4)

ہُوَ الَّذِیۡ یُرِیۡکُمُ الۡبَرۡقَ خَوۡفًا وَّ طَمَعًا وَّ یُنۡشِیُٔ السَّحَابَ الثِّقَالَ ﴿۲۱﴾
Hoewal laziee yoerieekoemoel barqa ghawfaw wa tama'aw wa yoenshie'oes sahaabas sieqaal
13:12 Hij is Degene die de bliksem voor jullie toont, die zowel angst als hoop doet ontstaan, en die de zware wolken voortbrengt.

وَ یُسَبِّحُ الرَّعۡدُ بِحَمۡدِہٖ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ مِنۡ خِیۡفَتِہٖ ۚ وَ یُرۡسِلُ الصَّوَاعِقَ فَیُصِیۡبُ بِہَا مَنۡ یَّشَآءُ وَ ہُمۡ یُجَادِلُوۡنَ فِی اللّٰہِ ۚ وَ ہُوَ شَدِیۡدُ الۡمِحَالِ ﴿۳۱﴾
Wa yoesabbiehoer ra'doe biehamdiehiee walmalaaa'iekatoe mien ghieefatiehiee wa yoersieloes sawaa'ieqa fa yoesieeboe biehaa may yashaaa'oe wa hoem yoedjaadieloena fiel laahie wa Hoewa shadieedoel miehaal
13:13 En de donder verheerlijkt Hem met zijn dank en eerbetuiging. En de engelen doen dat ook uit vrees voor Hem. Hij zendt de bliksemschichten en treft ermee wie Hij wil. Toch twisten ze over Allah. En Hij is zeer machtig in kracht. (Notitie: alles verheerlijkt Allah, zie ook 22:18)

لَہٗ دَعۡوَۃُ الۡحَقِّ ؕ وَ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہٖ لَا یَسۡتَجِیۡبُوۡنَ لَہُمۡ بِشَیۡءٍ اِلَّا کَبَاسِطِ کَفَّیۡہِ اِلَی الۡمَآءِ لِیَبۡلُغَ فَاہُ وَ مَا ہُوَ بِبَالِغِہٖ ؕ وَ مَا دُعَآءُ الۡکٰفِرِیۡنَ اِلَّا فِیۡ ضَلٰلٍ ﴿۴۱﴾
Lahoe da'watoel haqq; wallazieena yad'oena mien doeniehiee laa yastadjieeboena lahoem bieshai'ien iellaa kabaasietie kaffaihie ielal maaa'ie lieyabloegha faahoe wa maa hoewa biebaalieghieh; wa maa doe'aaa'oel kaafierieena iellaa fiee dalaal
13:14 Aan Hem is de zuivere smeekgebed gericht. En degenen die ze naast Hem aanroepen beantwoorden hen in niets. Net zoals iemand die zijn handen uitstrekt om water te drinken, maar het (de water) bereikt het (de mond) niet. En het smeekgebed van de ongelovigen zijn slechts dwalingen.

وَ لِلّٰہِ یَسۡجُدُ مَنۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ طَوۡعًا وَّ کَرۡہًا وَّ ظِلٰلُہُمۡ بِالۡغُدُوِّ وَ الۡاٰصَالِ ﴿۵۱﴾
Wa liellaahie yasdjoedoe man fies samaawaatie wal ardie taw 'aw wa karhaw wa zielaaloehoem bielghoedoewwie wal aasaal (make sadjda)
13:15 En voor Allah prostreert iedereen die zich in de hemelen en op de aarde bevindt, gewillig of ongewillig. Net zoals hun schaduwen dat doen in de ochtend en in de middag. (Notitie: Prostratie/Sajdah Tilawat is vereist.)

قُلۡ مَنۡ رَّبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ قُلِ اللّٰہُ ؕ قُلۡ اَفَاتَّخَذۡتُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءَ لَا یَمۡلِکُوۡنَ لِاَنۡفُسِہِمۡ نَفۡعًا وَّ لَا ضَرًّا ؕ قُلۡ ہَلۡ یَسۡتَوِی الۡاَعۡمٰی وَ الۡبَصِیۡرُ ۬ۙ اَمۡ ہَلۡ تَسۡتَوِی الظُّلُمٰتُ وَ النُّوۡرُ ۬ۚ اَمۡ جَعَلُوۡا لِلّٰہِ شُرَکَآءَ خَلَقُوۡا کَخَلۡقِہٖ فَتَشَابَہَ الۡخَلۡقُ عَلَیۡہِمۡ ؕ قُلِ اللّٰہُ خَالِقُ کُلِّ شَیۡءٍ وَّ ہُوَ الۡوَاحِدُ الۡقَہَّارُ ﴿۶۱﴾
Qoel mar Rabboes samaawaatie wal ard; qoeliellaah; qoel afattaghaztoem mien doeniehieee awlieyaaa'a laa yamliekoena lie anfoesiehiem naf'aw wa laa darraa; qoel hal yastawiel a'maa wal basieeroe am hal tastawiez zoeloemaatoe wannoer; am dja'aloe liellaahie shoerakaaa'a ghalaqoe kaghalqiehiee fatashaa bahal ghalqoe 'alaihiem; qoeliel laahoe ghaalieqoe koellie shai'iew wa Hoewal Waahiedoel Qahhar
13:16 Zeg: "Wie is de Heer van de hemelen en de aarde?" Zeg: "Allah." Zeg: "Hebben jullie dan naast hem beschermers genomen, terwijl ze geen macht hebben om voordeel of nadeel voor zichzelf toe te brengen? Zeg: "is de blinde gelijk aan degene die ziet? Of is de duisternis gelijk aan het licht? Of kennen ze aan Allah partners toe, die iets geschapen zouden hebben net zoals als Zijn schepping, zodat de scheppingen op elkaar lijken? Zeg: "Allah is de Schepper van alles en Hij is Waahid (Hij is de Enige. Hij heeft geen partners of rivaal. Hij is de enige bron waaruit de hele schepping voortkomt.), Kahar (Degene die alles in zijn koninkrijk regelt)."

اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَسَالَتۡ اَوۡدِیَۃٌۢ بِقَدَرِہَا فَاحۡتَمَلَ السَّیۡلُ زَبَدًا رَّابِیًا ؕ وَ مِمَّا یُوۡقِدُوۡنَ عَلَیۡہِ فِی النَّارِ ابۡتِغَآءَ حِلۡیَۃٍ اَوۡ مَتَاعٍ زَبَدٌ مِّثۡلُہٗ ؕ کَذٰلِکَ یَضۡرِبُ اللّٰہُ الۡحَقَّ وَ الۡبَاطِلَ ۬ؕ فَاَمَّا الزَّبَدُ فَیَذۡہَبُ جُفَآءً ۚ وَ اَمَّا مَا یَنۡفَعُ النَّاسَ فَیَمۡکُثُ فِی الۡاَرۡضِ ؕ کَذٰلِکَ یَضۡرِبُ اللّٰہُ الۡاَمۡثَالَ ﴿۷۱﴾
Anzala mienas samaaa'ie maaa'an fasaalat awdieyatoem bieqadariehaa fahtamalas sailoe zabadar raabieyaa; wa miemmmaa yoeqiedoena 'alaihie fien naarieb tieghaaa'a bielyatien aw mataa'ien zabadoem miesloeh; kazaalieka yadrieboel laahoel haqqa wal baatiel; fa ammaz zabadoe fa yazhaboe djoefaaa'aa; wa ammaa maa yanfa'oen naasa fa yamkoesoe fiel ard; kazaalieka yadrieboel laahoel amsaal
13:17 Hij zend water vanuit de hemel, dat in de rivierbeddingen volgens hun omvang stroomt. De waterstroom draagt een rijzende schuim (dat dikker en dikker wordt) met zich mee. Een soortgelijke schuim bevindt zich in het vuur wat ze aanwakkeren voor het maken van ornamenten of gebruiksvoorwerpen. Zo beeld Allah de waarheid en de valsheid uit. Wat het schuim betreft, het verdwijnt, terwijl dat wat de mensheid van nut is op aarde blijft. Op deze manier geeft Allah voorbeelden (om uit te leggen). (Notitie: Het schuim, wat op het water ligt en dikker en dikker wordt, lijkt net als de valsheid te overheersen. Echter, het verdwijnt en alleen het water en net zo de waarheid, blijft over.)

لِلَّذِیۡنَ اسۡتَجَابُوۡا لِرَبِّہِمُ الۡحُسۡنٰی ؕؔ وَ الَّذِیۡنَ لَمۡ یَسۡتَجِیۡبُوۡا لَہٗ لَوۡ اَنَّ لَہُمۡ مَّا فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا وَّ مِثۡلَہٗ مَعَہٗ لَافۡتَدَوۡا بِہٖ ؕ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ سُوۡٓءُ الۡحِسَابِ ۬ۙ وَ مَاۡوٰىہُمۡ جَہَنَّمُ ؕ وَ بِئۡسَ الۡمِہَادُ ﴿۸۱﴾
Liellazieenas tadjaaboe lierabbiehiemoel hoesnaa; wallazieena lam yastadjieeboe lahoe law anna lahoem maa fiel ardie djamiee'aw wa mieslahoe ma'ahoe laftadaw bieh; oelaaa'ieka lahoem soeo'oel hiesaab; wa ma'waahoem djahannamoe wa bie'sal miehaad
13:18 Voor degenen die aan hun Heer gehoor geven, is er gelukzaligheid. En wat degenen betreft die geen gehoor aan Hem gaven, al bezaten ze al datgeen wat op de aarde was en nog hetzelfde erbij, dan zouden ze zichzelf ermee vrij willen kopen (op de dag des oordeels). Voor hen is er een verschrikkelijke afrekening en hun verblijfplaats is de Hel, wat een akelige rustplaats! (Notitie zie ook 39:47)

اَفَمَنۡ یَّعۡلَمُ اَنَّمَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ مِنۡ رَّبِّکَ الۡحَقُّ کَمَنۡ ہُوَ اَعۡمٰی ؕ اِنَّمَا یَتَذَکَّرُ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿۹۱﴾
Afamay ya'lamoe annamaaa oenziela ielaika mier Rabbiekal haqqoe kaman hoewa a'maa; iennamaa yatazakkaroe oeloel albaab
13:19 Is degene, die weet dat hetgeen van jouw Heer wat aan jou geopenbaard is, de waarheid is, gelijk aan de blinde? Alleen de mensen met begrip denken er over na.

الَّذِیۡنَ یُوۡفُوۡنَ بِعَہۡدِ اللّٰہِ وَ لَا یَنۡقُضُوۡنَ الۡمِیۡثَاقَ ﴿۰۲﴾
Allazieena yoefoena bie'ahdiel laahie wa laa yanqoe doenal mieesaaq
13:20 Dat zijn degenen die het verbond met Allah onderhouden. En ze verbreken hun verbond niet. (Notitie: Het verbond met Allah is niet nieuw. Het was er al voordat de mens geboren werd, zie 7:172.)

وَ الَّذِیۡنَ یَصِلُوۡنَ مَاۤ اَمَرَ اللّٰہُ بِہٖۤ اَنۡ یُّوۡصَلَ وَ یَخۡشَوۡنَ رَبَّہُمۡ وَ یَخَافُوۡنَ سُوۡٓءَ الۡحِسَابِ ﴿۱۲﴾
Wallazieena yasieloena maaa amaral laahoe biehiee ay yoesala wa yaghshawna Rabbahoem wa yaghaafoena soeo'al hiesaab
13:21 En (dat zijn) degenen die verbinden wat Allah bevolen heeft om verbonden te blijven. Ze vrezen hun Heer en de slechte afrekening. (Notitie: De verbinding met Allah gebeurt op basis van goede daden, het gebed, aalmoezen, dankbaarheid naar Allah, berouw, liefdadigheid, etc. Zie ook 6:151-153)

وَ الَّذِیۡنَ صَبَرُوا ابۡتِغَآءَ وَجۡہِ رَبِّہِمۡ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ وَ اَنۡفَقُوۡا مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ سِرًّا وَّ عَلَانِیَۃً وَّ یَدۡرَءُوۡنَ بِالۡحَسَنَۃِ السَّیِّئَۃَ اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ عُقۡبَی الدَّارِ ﴿۲۲﴾
Wallazieena sabaroeb tieghaaa'a Wadjhie Rabbiehiem wa aqaamoes Salaata wa anfaqoe miemmaa razaqnaahoem sierraw wa 'alaanieyataw wa yadra'oena bielhasanaties saiyie'ata oelaaa'ieka lahoem 'oeqbad daar
13:22 En (dat zijn) degenen die geduldig zijn, zoekende naar de aangezicht van hun Heer, die het gebed (salaat) onderhouden en die in het geheim of openlijk uitgeven van hetgeen waarmee Wij hen voorzien van hebben. Zij weren het slechte af door middel van het goede. Voor hen is het uiteindelijke doel het huis (van vrede).

جَنّٰتُ عَدۡنٍ یَّدۡخُلُوۡنَہَا وَ مَنۡ صَلَحَ مِنۡ اٰبَآئِہِمۡ وَ اَزۡوَاجِہِمۡ وَ ذُرِّیّٰتِہِمۡ وَ الۡمَلٰٓئِکَۃُ یَدۡخُلُوۡنَ عَلَیۡہِمۡ مِّنۡ کُلِّ بَابٍ ﴿۳۲﴾
djannaatoe 'adiey yadghoe loenahaa wa man salaha mien aabaaa'iehiem wa azwaadjiehiem wa zoerrieyyaatiehiem walmalaaa'ie katoe yadghoeloena 'alaihiem mien koellie baab
13:23 Zij zullen de tuinen van Adn (Eden) binnengaan en ook hun vaders, hun echtgenoten en hun nakomelingen die oprecht waren. En de engelen zullen bij hun binnenkomen vanuit elke poort. (Notitie: zie ook 52:21.)

سَلٰمٌ عَلَیۡکُمۡ بِمَا صَبَرۡتُمۡ فَنِعۡمَ عُقۡبَی الدَّارِ ﴿۴۲﴾
Salaamoen 'alaikoem biemaa sabartoem; fanie'ma 'oeqbad daar
13:24 (Ze zullen zeggen:) "Vrede zij met jullie voor jullie geduldigheid. En (zie hoe) uitstekend is het uiteindelijke doel van het huis."

وَ الَّذِیۡنَ یَنۡقُضُوۡنَ عَہۡدَ اللّٰہِ مِنۡۢ بَعۡدِ مِیۡثَاقِہٖ وَ یَقۡطَعُوۡنَ مَاۤ اَمَرَ اللّٰہُ بِہٖۤ اَنۡ یُّوۡصَلَ وَ یُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ ۙ اُولٰٓئِکَ لَہُمُ اللَّعۡنَۃُ وَ لَہُمۡ سُوۡٓءُ الدَّارِ ﴿۵۲﴾
Wallazieena yanqoedoena 'Ahdal laahie miem ba'die mieesaaqiehiee wa yaqta'oena maaa amaral laahoe biehieee ay yoesala wa yoefsiedoena fiel ardie oelaaa'ieka lahoemoel la'natoe wa lahoem soeo'oed daar
13:25 En degenen die het verbond met Allah verbreken, nadat ze het bekrachtigd hebben, en breken wat Allah bevolen heeft om te verbinden, en die verderf op aarde zaaien, dat zijn degenen op wie de vloek rust en ze zullen een slechte verblijfplaats hebben.

اَللّٰہُ یَبۡسُطُ الرِّزۡقَ لِمَنۡ یَّشَآءُ وَ یَقۡدِرُ ؕ وَ فَرِحُوۡا بِالۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ؕ وَ مَا الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا فِی الۡاٰخِرَۃِ اِلَّا مَتَاعٌ ﴿۶۲﴾
Allaahoe yabsoetoer riezqa liemay yashaaa'oe wa yaqdier; wa fariehoe bielhayaatied doenyaa wa mal hayaatoed doenya fiel Aaghieratie iellaa mataa'
13:26 Allah vergroot en beperkt de voorzieningen voor wie Hij wil. En ze genieten van het wereldse leven. Echter het wereldse leven is in vergelijking tot het hiernamaals, slechts een tijdelijke genieting.

وَ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَوۡ لَاۤ اُنۡزِلَ عَلَیۡہِ اٰیَۃٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ قُلۡ اِنَّ اللّٰہَ یُضِلُّ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَہۡدِیۡۤ اِلَیۡہِ مَنۡ اَنَابَ ﴿۷۲﴾
Wa yaqoeloel lazieena kafaroe law laaa oenziela 'alaihie Aayatoem mier Rabbieh; qoel iennal laaha yoedielloe may yashaa'oe wa yahdieee ielaihie man anaab
13:27 En de ongelovigen zeggen: "Waarom is er geen teken van zijn Heer op hem neergezonden? Zeg: "Voorzeker, Allah laat dwalen wie Hij wil en leidt wie tot hem keert (in berouw) naar Hem toe."

اَلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ تَطۡمَئِنُّ قُلُوۡبُہُمۡ بِذِکۡرِ اللّٰہِ ؕ اَلَا بِذِکۡرِ اللّٰہِ تَطۡمَئِنُّ الۡقُلُوۡبُ ﴿۸۲﴾
Allazieena aamanoe wa tatma'iennoe qoeloeboehoem bieziekriel laah; alaa bieziekriel laahie tatma'iennoel qoeloeb
13:28 (Zij zijn) degenen die geloven en hun harten raken in rust door het gedenken van Allah. Geen enkele twijfel, in het gedenken van Allah komen de harten tot rust.

اَلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ طُوۡبٰی لَہُمۡ وَ حُسۡنُ مَاٰبٍ ﴿۹۲﴾
Allazieena aamanoe wa a'amieloes saaliehaatie toebaa lahoem wa hoesnoe ma aab
13:29 Degenen die geloven en goede daden verrichten, voor hen is er gelukzaligheid en een mooie plaats waar ze naar terugkeren.

کَذٰلِکَ اَرۡسَلۡنٰکَ فِیۡۤ اُمَّۃٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِہَاۤ اُمَمٌ لِّتَتۡلُوَا۠ عَلَیۡہِمُ الَّذِیۡۤ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلَیۡکَ وَ ہُمۡ یَکۡفُرُوۡنَ بِالرَّحۡمٰنِ ؕ قُلۡ ہُوَ رَبِّیۡ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ۚ عَلَیۡہِ تَوَکَّلۡتُ وَ اِلَیۡہِ مَتَابِ ﴿۰۳﴾
Kazaalieka arsalnaaka fieee oemmatien qad ghalat mien qabliehaaa oemamoel lietatloewa 'alaihiemoel lazieee awhainaaa ielaika wa hoem yakfoeroena bier Rahmaaan; qoel Hoewa Rabbiee laaa ielaaha iellaa Hoewa 'alaihie tawakkaltoe wa ielaihie mataab
13:30 We hebben jou naar een gemeenschap gestuurd, waarlijk (velen verschillende) gemeenschappen zijn voor af gegaan, zodat jij datgeen wat Wij aan jou openbaren, tot hen kunt reciteren omdat ze niet geloven in de meest Barmhartige. Zeg Hij is mijn Heer, er is geen (andere) godheid/deïteit dan Hem. Op Hem stel ik mijn vertrouwen en tot Hem is mijn terugkeer."

وَ لَوۡ اَنَّ قُرۡاٰنًا سُیِّرَتۡ بِہِ الۡجِبَالُ اَوۡ قُطِّعَتۡ بِہِ الۡاَرۡضُ اَوۡ کُلِّمَ بِہِ الۡمَوۡتٰی ؕ بَلۡ لِّلّٰہِ الۡاَمۡرُ جَمِیۡعًا ؕ اَفَلَمۡ یَایۡـَٔسِ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡۤا اَنۡ لَّوۡ یَشَآءُ اللّٰہُ لَہَدَی النَّاسَ جَمِیۡعًا ؕ وَ لَا یَزَالُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا تُصِیۡبُہُمۡ بِمَا صَنَعُوۡا قَارِعَۃٌ اَوۡ تَحُلُّ قَرِیۡبًا مِّنۡ دَارِہِمۡ حَتّٰی یَاۡتِیَ وَعۡدُ اللّٰہِ ؕ اِنَّ اللّٰہَ لَا یُخۡلِفُ الۡمِیۡعَادَ ﴿۱۳﴾
Wa law anna Qoeraanan soeyyierat biehiel djiebaaloe aw qoettie'at biehiel ardoe aw koelliema biehiel mawtaa; bal liellaahiel amroe djamiee'aa; afalam yai'asiel lazieena aamanoeo al law yashaaa 'oellaahoe lahadan naasa djamiee'aa; wa laa yazaaloel lazieena kafaroe toesieeboehoem biemaa sana'oe qaarie'atoen aw tahoelloe qarieebam mien daariehiem hatta ya'tieya wa'doel laah; iennal laaha laa yoeghliefoel miee'aad
13:31 En als er een recitatie zou zijn waardoor bergen verzet konden worden of de aarde gespleten kon worden of de doden zouden kunnen spreken, (dan zou het de Koran zijn geweest). Nee! Aan Allah behoort al het bevel. Weten de gelovigen dan niet, dat als Allah het had gewild, dan had Hij allen geleid, de gehele mensheid! En de ongelovigen zullen getroffen worden door rampen voor hetgeen ze doen, dat zal niet stoppen. Of het (de ramp) zal dicht bij hun huizen vestigen totdat de belofte/bevel van Allah komt. Allah faalt niet in het uitvoeren van de belofte.

وَ لَقَدِ اسۡتُہۡزِیَٔ بِرُسُلٍ مِّنۡ قَبۡلِکَ فَاَمۡلَیۡتُ لِلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا ثُمَّ اَخَذۡتُہُمۡ ۟ فَکَیۡفَ کَانَ عِقَابِ ﴿۲۳﴾
Wa laqadies toehzie'a bie Roesoeliem mien qablieka fa amlaitoe liellazieena kafaroe soemma aghaztoehoem fakaifa kaana 'ieqaab
13:32 En voorzeker, de boodschappers die jou vooraf gingen, werden bespot. Maar Ik verleende gratie aan de ongelovigen. Vervolgens, greep ik hen. En zie hoe Mijn straf was.

اَفَمَنۡ ہُوَ قَآئِمٌ عَلٰی کُلِّ نَفۡسٍۭ بِمَا کَسَبَتۡ ۚ وَ جَعَلُوۡا لِلّٰہِ شُرَکَآءَ ؕ قُلۡ سَمُّوۡہُمۡ ؕ اَمۡ تُنَبِّـُٔوۡنَہٗ بِمَا لَا یَعۡلَمُ فِی الۡاَرۡضِ اَمۡ بِظَاہِرٍ مِّنَ الۡقَوۡلِ ؕ بَلۡ زُیِّنَ لِلَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مَکۡرُہُمۡ وَ صُدُّوۡا عَنِ السَّبِیۡلِ ؕ وَ مَنۡ یُّضۡلِلِ اللّٰہُ فَمَا لَہٗ مِنۡ ہَادٍ ﴿۳۳﴾
Afaman Hoewa qaaa'iemoen 'alaa koellie nafsiem biemaa kasabat; wa dja'aloe liellaahie shoerakaaa'a qoel samoehoem; am toenabbie'oena hoe biemaa laa ya'lamoe fiel ardie; am biezaahieriem mienal qawl; bal zoeyyiena liellazieena kafaroe makroehoem wa soeddoe 'anies sabieel; wa may yoedlieliel laahoe famaa lahoe mien haad;
13:33 Is Hij Die een onderhouder is van elke persoon en al zijn daden kent, gelijk aan een ander? Toch, kennen ze partners aan Allah toe. Zeg: "Noem hen! Of willen jullie Hem informeren over iets op de aarde waar Hij niets van af weet? Of zijn het (de beelden) een indirecte aanwijzing (van hen bestaan)? Nee! Schoonschijnend zijn de plannen van de ongelovigen gemaakt, ze worden verhinderd van het rechte pad. En wie Allah toestaat om te dwalen dan is er niemand die hem de weg kan wijzen. (Notitie: zie ook 91:10)

لَہُمۡ عَذَابٌ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَشَقُّ ۚ وَ مَا لَہُمۡ مِّنَ اللّٰہِ مِنۡ وَّاقٍ ﴿۴۳﴾
Lahoem 'azaaboen fiel hayaatied doenyaa wa la'azaaboel Aaghieratie ashaq, wa maa lahoem mienal laahie mien-waaq
13:34 Voor hen is er een straf gedurende het wereldse leven. Echter de straf van het hiernamaals is zwaarder. En ze hebben geen enkel beschermer tegen Allah.

مَثَلُ الۡجَنَّۃِ الَّتِیۡ وُعِدَ الۡمُتَّقُوۡنَ ؕ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ ؕ اُکُلُہَا دَآئِمٌ وَّ ظِلُّہَا ؕ تِلۡکَ عُقۡبَی الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا ٭ۖ وَّ عُقۡبَی الۡکٰفِرِیۡنَ النَّارُ ﴿۵۳﴾
Masaloel djannatiel latiee woe'iedal moettaqoena tadjriee mien tahtiehal anhaaroe oekoeloehaa daaa'iemoew wa zielloehaa; tielka oeqbal lazieenat taqaw wa 'oeqbal kafierieenan Naar
13:35 De omschrijving van het paradijs, welke beloofd is aan de Moettaqoen (degenen die godvrezend zijn, zie 2:2-5), is dat er rivieren zijn die eronder stromen. Het voedsel en de schaduwen zullen nooit opraken. Dit is de eind bestemming van degenen die oprecht zijn. En het einde van de ongelovigen is het vuur. (Notitie:, zie ook 56:28-32)

وَ الَّذِیۡنَ اٰتَیۡنٰہُمُ الۡکِتٰبَ یَفۡرَحُوۡنَ بِمَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ وَ مِنَ الۡاَحۡزَابِ مَنۡ یُّنۡکِرُ بَعۡضَہٗ ؕ قُلۡ اِنَّمَاۤ اُمِرۡتُ اَنۡ اَعۡبُدَ اللّٰہَ وَ لَاۤ اُشۡرِکَ بِہٖ ؕ اِلَیۡہِ اَدۡعُوۡا وَ اِلَیۡہِ مَاٰبِ ﴿۶۳﴾
Wallazieena aatainaa hoemoel Kietaaba yafrahoena biemaa oenziela ielaika wa mienal Ahzaabie may yoen-kieroe ba'dah; qoel iennamaa oemiertoe an a'boedal laaha wa laaa oeshrieka bieh; ielaihie ad'oe wa ielaihie maab
13:36 En degenen aan wie Wij het boek (Thora, Indjeel) hebben gegeven, zijn verblijd door datgeen wat aan jou is geopenbaard. Echter onder de verschillende partijen (godenaanbidders, Joden, Christenen, etc) zijn er mensen die een deel ervan verwerpen (zie 61:6). Zeg:" Het is mij slechts opgedragen dat ik Allah aanbid en dat ik geen partners aan Hem toe ken. Tot Hem wend ik mij en tot Hem is mijn terugkeer."

وَ کَذٰلِکَ اَنۡزَلۡنٰہُ حُکۡمًا عَرَبِیًّا ؕ وَ لَئِنِ اتَّبَعۡتَ اَہۡوَآءَہُمۡ بَعۡدَ مَا جَآءَکَ مِنَ الۡعِلۡمِ ۙ مَا لَکَ مِنَ اللّٰہِ مِنۡ وَّلِیٍّ وَّ لَا وَاقٍ ﴿۷۳﴾
Wa kazaalieka anzalnaahoe hoekman 'Arabieyyaa; wa la'ieniet taba'ta ahwaaa 'ahoem ba'da maa djaaa'aka mienal 'ielmie maa laka mienal laahie miew walieyiew wa laa waaq
13:37 En zo hebben Wij het geopenbaard als een wetgeving in het Arabisch (zie 14:4). En als jij hun verlangens volgt, nadat de kennis tot jou gekomen is, dan is er geen beschermer noch een verdediger tegen Allah voor jou.

وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا رُسُلًا مِّنۡ قَبۡلِکَ وَ جَعَلۡنَا لَہُمۡ اَزۡوَاجًا وَّ ذُرِّیَّۃً ؕ وَ مَا کَانَ لِرَسُوۡلٍ اَنۡ یَّاۡتِیَ بِاٰیَۃٍ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ لِکُلِّ اَجَلٍ کِتَابٌ ﴿۸۳﴾
Wa laqad arsalnaa Roesoelam mien qablieka wa dja'alnaa lahoem azwaadjaw wa zoerrieyyah; wa maa kaana lierasoelien ay ya'tieya bie aayatien iellaa bie iezniel laah; liekoellie adjalien kietaab
13:38 En voorzeker, Wij hebben Boodschappers gezonden die jou vooraf gingen. En Wij hebben voor hen vrouwen en nakomelingen gemaakt. Het was niet voor een boodschapper toegestaan om een teken te brengen zonder de toestemming van Allah. Voor alles is er een vast gesteld tijd.

یَمۡحُوا اللّٰہُ مَا یَشَآءُ وَ یُثۡبِتُ ۚۖ وَ عِنۡدَہٗۤ اُمُّ الۡکِتٰبِ ﴿۹۳﴾
Yamhoel laahoe maa yashaaa'oe wa yoesbietoe wa 'iendahoeo oemmoel Kietaab
13:39 Allah alleen verwijdert en voeg toe wat Hij wil. Bij Hem is de moeder der boeken (Lawh Al-Mahfuz).

وَ اِنۡ مَّا نُرِیَنَّکَ بَعۡضَ الَّذِیۡ نَعِدُہُمۡ اَوۡ نَتَوَفَّیَنَّکَ فَاِنَّمَا عَلَیۡکَ الۡبَلٰغُ وَ عَلَیۡنَا الۡحِسَابُ ﴿۰۴﴾
Wa iem maa noerrieyannaka ba'dal laziee na'iedoehoem aw nata waffayannaka fa iennamaa 'alaikal balaaghoe wa 'alainal hiesaab
13:40 Of Wij jou een deel laten zien van wat Wij hen beloofd hebben (de straf), of dat Wij jou doen sterven, op jou rust slechts het verkondigen en op Ons de afrekening.

اَوَ لَمۡ یَرَوۡا اَنَّا نَاۡتِی الۡاَرۡضَ نَنۡقُصُہَا مِنۡ اَطۡرَافِہَا ؕ وَ اللّٰہُ یَحۡکُمُ لَا مُعَقِّبَ لِحُکۡمِہٖ ؕ وَ ہُوَ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۱۴﴾
Awalam yaraw annaa na'tiel arda nanqoesoehaa mien atraafiehaa; wallaahoe yahkoemoe laa moe'aqqieba liehoekmieh; wa Hoewa sariee'oel hiesaab
13:41 Zien ze niet dat Wij tot het land komen en het verminderen vanaf de buitenzijde. En Allah oordeelt en er is geen tegenspraak in Zijn oordeel. Hij is snel in (het uitvoeren van) de afrekening. (Notitie: Het verminderen van land is een gelijkenis dat de macht van de ongelovigen steeds minder wordt, zie ook 7:128)

وَ قَدۡ مَکَرَ الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِہِمۡ فَلِلّٰہِ الۡمَکۡرُ جَمِیۡعًا ؕ یَعۡلَمُ مَا تَکۡسِبُ کُلُّ نَفۡسٍ ؕ وَ سَیَعۡلَمُ الۡکُفّٰرُ لِمَنۡ عُقۡبَی الدَّارِ ﴿۲۴﴾
Wa qad makaral lazieena mien qabliehiem faliellaahiel makroe djamiee'aa; ya'lamoe maa taksieboe koelloe nafs; wa sa ya'lamoel koeffaaroe lieman 'oeqbad daar
13:42 En voorwaar, de generaties voor hen bedachten complotten. Echter Allah kent alle plannen. Hij weet wat elke persoon verdient. De ongelovigen zullen te weten komen wat hun eindbestemming is.

وَ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لَسۡتَ مُرۡسَلًا ؕ قُلۡ کَفٰی بِاللّٰہِ شَہِیۡدًۢا بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنَکُمۡ ۙ وَ مَنۡ عِنۡدَہٗ عِلۡمُ الۡکِتٰبِ ﴿۳۴﴾
Wa yaqoeloel lazieena kafaroe lasta moersalaa; qoel kafaa biellaahie shahieedam bainiee wa bainakoem wa man 'iendahoe 'ielmoel Kietaab
13:43 En de ongelovigen zeggen: "Jij bent geen boodschapper." Zeg: "Allah is voldoende als getuige tussen mij, jullie en degenen die kennis hebben van het boek (Thora, Indjiel)."

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)
الٓرٰ ۟ کِتٰبٌ اَنۡزَلۡنٰہُ اِلَیۡکَ لِتُخۡرِجَ النَّاسَ مِنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ ۬ۙ بِاِذۡنِ رَبِّہِمۡ اِلٰی صِرَاطِ الۡعَزِیۡزِ الۡحَمِیۡدِ ۙ﴿۱﴾
Alief-Laaam-Raa; Kietaaboen anzalnaahoe ielaika lietoeghriedjan-naasa mienaz zoeloemaatie ielan noerie bie-ieznie Rabbiehiem ielaa sieraatiel 'Azieeziel Hamieed
14:1 Alief, Laam, Ra. (Dit is) een Boek dat Wij aan jou neergezonden hebben, zodat jij de mensen, met de toestemming van hun Heer, uit de duisternissen (ongeloof, polytheïsme, onrecht) naar het licht (monotheïsme, rechtvaardigheid, vrede) kunt brengen, het pad van Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hamied (de Bezitter van alle dank en eer. Degene die het meest geprezen wordt en waardig is om geprezen te worden). (Notitie, zie ook 5:16)

اللّٰہِ الَّذِیۡ لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ ؕ وَ وَیۡلٌ لِّلۡکٰفِرِیۡنَ مِنۡ عَذَابٍ شَدِیۡدِۣ ۙ﴿۲﴾
Allaahiel laziee lahoe maa fies samaawaatie wa maa fiell ard; wa wailoel lielkaafierieena mien 'azaabien shadieed
14:2 Allah is Degene, aan Hem behoort alles wat in de hemelen en op de aarde is. En wee (verdriet) tot de ongelovigen, vanwege de ernstige straf!

الَّذِیۡنَ یَسۡتَحِبُّوۡنَ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا عَلَی الۡاٰخِرَۃِ وَ یَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ یَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ؕ اُولٰٓئِکَ فِیۡ ضَلٰلٍۭ بَعِیۡدٍ ﴿۳﴾
Allazieena yastahiebboe nal hayaatad doenyaa 'alal aaghieratie wa yasoeddoena 'ansabieeliel laahie wa yabghoenahaa 'iewadjaa; oelaaa 'ieka fiee dalaalien ba'ieed
14:3 Degenen die meer van het wereldse leven houden dan van het Hiernamaals, en die (mensen) op de weg van Allah verhinderen en die een manier zoeken om het krom te maken, deze zijn het die ver afgedwaald zijn.

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا مِنۡ رَّسُوۡلٍ اِلَّا بِلِسَانِ قَوۡمِہٖ لِیُبَیِّنَ لَہُمۡ ؕ فَیُضِلُّ اللّٰہُ مَنۡ یَّشَآءُ وَ یَہۡدِیۡ مَنۡ یَّشَآءُ ؕ وَ ہُوَ الۡعَزِیۡزُ الۡحَکِیۡمُ ﴿۴﴾
Wa maaa arsalnaa mier Rasoelien iellaa bieliesaanie qawmiehiee lieyoebaiyiena lahoem fa yoedielloel laahoe may yashaaa'oe wa yahdiee may yashaaa'; wa Hoewal 'Azieezoel Hakieem
14:4 En Wij zonden een boodschapper slechts met de taal\dialect van het volk, zodat hij het hen duidelijk kon maken. Vervolgens laat Allah dwalen wie Hij wil en leidt wie Hij wil. En Hij is Al-Aziez (de Almachtige), Al-Hakiem (de Al-Wijze).

وَ لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا مُوۡسٰی بِاٰیٰتِنَاۤ اَنۡ اَخۡرِجۡ قَوۡمَکَ مِنَ الظُّلُمٰتِ اِلَی النُّوۡرِ ۬ۙ وَ ذَکِّرۡہُمۡ بِاَیّٰىمِ اللّٰہِ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّکُلِّ صَبَّارٍ شَکُوۡرٍ ﴿۵﴾
Wa laqad arsalnaa Moesaa bie Aayaatienaa an aghriedj qawmaka mienaz zoeloemaatie ielan noerie wa zak kierhoem bie ayyaamiel laah; ienna fiee zaalieka la aayaatiel liekoellie sabbaarien shakoer
14:5 En waarlijk, Wij zonden Moesa met Onze Tekenen, zeggende: "Leid jouw volk van de duisternissen naar het licht. En herinner hen aan de dagen van Allah (Sabbat). Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor iedereen die geduldig en dankbaar is. (Notitie: Zie 2:65, 7:163 over de Sabbat)

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہِ اذۡکُرُوۡا نِعۡمَۃَ اللّٰہِ عَلَیۡکُمۡ اِذۡ اَنۡجٰکُمۡ مِّنۡ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ یَسُوۡمُوۡنَکُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ وَ یُذَبِّحُوۡنَ اَبۡنَآءَکُمۡ وَ یَسۡتَحۡیُوۡنَ نِسَآءَکُمۡ ؕ وَ فِیۡ ذٰلِکُمۡ بَلَآءٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَظِیۡمٌ ٪﴿۶﴾
Wa iez qaala Moesaa lieqawmiehiez koeroe nie'matal laahie 'alaikoem iez andjaakoem mien Aalie Fier'awna yasoemoe nakoem soeo'al 'azaabie wa yoezabbiehoena abnaaa'akoem wa yastahyoena niesaaa'akoem; wa fiee zaaliekoem balaaa'oen mier Rabbiekoem 'azieem
14:6 (Gedenk) toen Moesa tegen zijn volk zei: "Gedenk de gunst van Allah op jullie, toen Hij jullie redde van Farao's mensen. Ze pijnigden jullie met zware martelingen en slachtten jullie zonen af en lieten de vrouwen leven. Daarin was een zeer grote beproeving van jullie Heer."

وَ اِذۡ تَاَذَّنَ رَبُّکُمۡ لَئِنۡ شَکَرۡتُمۡ لَاَزِیۡدَنَّکُمۡ وَ لَئِنۡ کَفَرۡتُمۡ اِنَّ عَذَابِیۡ لَشَدِیۡدٌ ﴿۷﴾
Wa iez ta azzana Rabboekoem la'ien shakartoem la azieedannakoem wa la'ien kafartoem ienna 'azaabiee lashadieed
14:7 (Gedenk) toen jullie Heer verkondigde: "Als jullie dankbaar zijn, dan zullen Wij jullie zeker meer geven. Echter, als jullie ondankbaar zijn, voorzeker, (Weet dan dat) mijn straf zeker ernstig is."

وَ قَالَ مُوۡسٰۤی اِنۡ تَکۡفُرُوۡۤا اَنۡتُمۡ وَ مَنۡ فِی الۡاَرۡضِ جَمِیۡعًا ۙ فَاِنَّ اللّٰہَ لَغَنِیٌّ حَمِیۡدٌ ﴿۸﴾
Wa qaala Moesaaa ien takfoeroeo antoem wa man fiel ardie djamiee'an fa iennal laaha la Ghanieyyoen Hamieed
14:8 En Moesa zei: "Als jullie niet geloven, jullie en wie dan ook op aarde, weet dan dat Allah vrij is van enige behoefte, (want Hij is) de bezitter van alle dank en eer."

اَلَمۡ یَاۡتِکُمۡ نَبَؤُا الَّذِیۡنَ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ قَوۡمِ نُوۡحٍ وَّ عَادٍ وَّ ثَمُوۡدَ ۬ؕۛ وَ الَّذِیۡنَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ؕۛ لَا یَعۡلَمُہُمۡ اِلَّا اللّٰہُ ؕ جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ فَرَدُّوۡۤا اَیۡدِیَہُمۡ فِیۡۤ اَفۡوَاہِہِمۡ وَ قَالُوۡۤا اِنَّا کَفَرۡنَا بِمَاۤ اُرۡسِلۡتُمۡ بِہٖ وَ اِنَّا لَفِیۡ شَکٍّ مِّمَّا تَدۡعُوۡنَنَاۤ اِلَیۡہِ مُرِیۡبٍ ﴿۹﴾
Alam ya'tiekoem naba'oel lazieena mien qabliekoem qawmie Noehiew wa 'Aadiew wa Samoed, wallazieena miem ba'diehiem; laa ya'lamoehoem iellallaah; djaaa'at hoem Roesoeloehoem bielbaiyienaatie faraddoeo aydieyahoem fieee afwaahiehiem wa qaaloeo iennaa kafarnaa biemaaa oersieltoem biehiee wa iennaa lafiee shakkiem miemmaa tad'oenanaaa ielaihie moerieeb
14:9 Zijn jullie niet bekend met de gebeurtenissen van de generaties voor jullie, zoals het volk van Noeh (Noach), het volk Aad, het volk Thamud en de volken na hen? Niemand kent hen, behalve Allah. Hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen. Echter, ze deden hun handen in hun monden (als bespotting). Ze zeiden: "Voorzeker, we geloven niet in hetgeen waarmee jullie gezonden zijn. Voorzeker, we hebben echt grote twijfels over datgene waartoe jullie ons uitnodigen (monotheïsme)."

قَالَتۡ رُسُلُہُمۡ اَفِی اللّٰہِ شَکٌّ فَاطِرِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ یَدۡعُوۡکُمۡ لِیَغۡفِرَ لَکُمۡ مِّنۡ ذُنُوۡبِکُمۡ وَ یُؤَخِّرَکُمۡ اِلٰۤی اَجَلٍ مُّسَمًّی ؕ قَالُوۡۤا اِنۡ اَنۡتُمۡ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُنَا ؕ تُرِیۡدُوۡنَ اَنۡ تَصُدُّوۡنَا عَمَّا کَانَ یَعۡبُدُ اٰبَآؤُنَا فَاۡتُوۡنَا بِسُلۡطٰنٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۰۱﴾
Qaalat Roesoeloehoem afiellaahie shakkoen faatieries samaawaatie wal ardie yad'oekoem lieyaghfiera lakoem mien zoenoebiekoem wa yoe'aghierakoem ielaaa adjalien moesammaa; qaaloe ien antoem iellaa basharoem miesloenaa toerieedoena an tasoeddoenaa 'ammaa kaana ya'boedoe aabaaa'oenaa fa'toenaa bie soeltaanien moebieen
14:10 Hun Boodschappers zeiden: "Hoe kan er enige twijfel zijn over de Schepper van de hemelen en de aarde? Hij nodigt jullie uit, zodat Hij jullie zonden kan vergeven en uitstel (van de dood) kan verlenen tot een bepaalde tijd. Ze zeiden: "Jullie zijn slechts mensen net als ons. Jullie willen ons verhinderen van datgeen wat onze voorvaders aanbaden. Dus breng voor ons een duidelijk bewijs."

قَالَتۡ لَہُمۡ رُسُلُہُمۡ اِنۡ نَّحۡنُ اِلَّا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ وَ لٰکِنَّ اللّٰہَ یَمُنُّ عَلٰی مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ ؕ وَ مَا کَانَ لَنَاۤ اَنۡ نَّاۡتِیَکُمۡ بِسُلۡطٰنٍ اِلَّا بِاِذۡنِ اللّٰہِ ؕ وَ عَلَی اللّٰہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۱﴾
Qaalat lahoem Roesoeloehoem ien nahnoe iellaa basharoem miesloekoem wa laakiennal laaha yamoennoe 'alaa may yashaaa'oe mien 'iebaadiehiee wa maa kaana lanaaa an na'tieyakoem biesoel taanien iellaa bie iezniel laah; wa 'alal laahie falyatawakkaliel moe'mienoen
14:11 Hun Boodschappers zeiden tot hen: "Wij zijn (inderdaad) slechts mensen net als jullie. Echter, Allah schenk Zijn gunsten (de profeetschap) op wie Hij wil van Zijn dienaren. En het is niet voor ons bedoeld om een bewijs voor jullie te brengen, behalve als Allah er toestemming voor geeft. Dus laten de gelovigen hun vertrouwen stellen in Allah." (Notitie: zie ook 13:38, 17:59)

وَ مَا لَنَاۤ اَلَّا نَتَوَکَّلَ عَلَی اللّٰہِ وَ قَدۡ ہَدٰىنَا سُبُلَنَا ؕ وَ لَنَصۡبِرَنَّ عَلٰی مَاۤ اٰذَیۡتُمُوۡنَا ؕ وَ عَلَی اللّٰہِ فَلۡیَتَوَکَّلِ الۡمُتَوَکِّلُوۡنَ ﴿۲۱﴾
Wa maa lanaa allaa natawakkala 'alal laahie wa qad hadaanaa soeboelanaa; wa lanasbieranna 'alaa maaa aazaitoemoenaa; wa 'alal laahie falyatawakkaliel moetawakkieloen
14:12 "En waarom zouden we ons vertrouwen niet in Allah stellen, terwijl Hij ons zeker geleid heeft naar onze wegen? Wij zullen zeker de pijn die jullie ons aandoen, geduldig verdragen. En laat de goed gelovigen hun vertrouwen in Allah stellen."

وَ قَالَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا لِرُسُلِہِمۡ لَنُخۡرِجَنَّکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِنَاۤ اَوۡ لَتَعُوۡدُنَّ فِیۡ مِلَّتِنَا ؕ فَاَوۡحٰۤی اِلَیۡہِمۡ رَبُّہُمۡ لَنُہۡلِکَنَّ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۳۱﴾
Wa qaalal lazieena kafaroe lie Roesoeliehiem lanoeghriedjanna koem mien aardienaaa aw la ta'oedoenna fiee miellatienaa fa awhaaa ielaihiem Rabboehoem lanoehliekannaz zaaliemieen
14:13 De ongelovigen zeiden tot hun boodschappers: "Wij zullen jullie zeker uit onze land wegjagen, tenzij jullie weer tot onze geloofsopvatting terugkeren." Dus openbaarde hun Heer tot hen: "Wij zullen de misdadigers zeker vernietigen." (Notitie: zie ook 7:88-89)

وَ لَنُسۡکِنَنَّـکُمُ الۡاَرۡضَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ؕ ذٰلِکَ لِمَنۡ خَافَ مَقَامِیۡ وَ خَافَ وَعِیۡدِ ﴿۴۱﴾
Wa lanoeskienan nakoemoel arda mien ba'diehiem; zaalieka lieman ghaafa maqaamiee wa ghaafa wa'ieed
14:14 En zeer zeker, Wij zullen jullie in het land laten vestigen, na (het heen gaan van) hen. Dat (het land) is voor degene die vreest om voor Mij te staan en die Mijn waarschuwing vreest." (Notitie: zie ook 7:128)

وَ اسۡتَفۡتَحُوۡا وَ خَابَ کُلُّ جَبَّارٍ عَنِیۡدٍ ﴿۵۱﴾
Wastaftahoe wa ghaaba koelloe djabbaarien 'anieed
14:15 Ze (de ongelovigen) zochten naar de overwinning (tegen de gelovigen). Echter, elke koppige tiran werd teleurgesteld. (Notitie: zie ook 8:19)

مِّنۡ وَّرَآئِہٖ جَہَنَّمُ وَ یُسۡقٰی مِنۡ مَّآءٍ صَدِیۡدٍ ﴿۶۱﴾
Miew waraaa'iehiee djahannamoe wa yoesqaa mien maaa'ien sadieed
14:16 Zijn vooruitzicht is de hel. Hij zal gedwongen worden om pus-vocht te drinken.

یَّتَجَرَّعُہٗ وَ لَا یَکَادُ یُسِیۡغُہٗ وَ یَاۡتِیۡہِ الۡمَوۡتُ مِنۡ کُلِّ مَکَانٍ وَّ مَا ہُوَ بِمَیِّتٍ ؕ وَ مِنۡ وَّرَآئِہٖ عَذَابٌ غَلِیۡظٌ ﴿۷۱﴾
Yatadjarra'oehoe wa laa yakaadoe yoesieeghoehoe wa ya'tieehiel mawtoe mien koellie makaaniew wa maa hoewa biemaiyietiew wa miew waraaa'iehiee 'azaaboen ghalieez
14:17 Hij zal het met kleine teugjes drinken. Echter, hij kan het bijna niet doorslikken. En de (pijn van de) dood komt hem van elke zijde, maar hij zal niet dood gaan. En voor hem ligt er een zware straf.

مَثَلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِرَبِّہِمۡ اَعۡمَالُہُمۡ کَرَمَادِۣ اشۡتَدَّتۡ بِہِ الرِّیۡحُ فِیۡ یَوۡمٍ عَاصِفٍ ؕ لَا یَقۡدِرُوۡنَ مِمَّا کَسَبُوۡا عَلٰی شَیۡءٍ ؕ ذٰلِکَ ہُوَ الضَّلٰلُ الۡبَعِیۡدُ ﴿۸۱﴾
Masaloel lazieena kafaroe bie Rabbiehiem; a'maaloehoem karamaadieniesh taddat biehier rieehoe fiee yawmien 'aasiefien; laa yaqdieroena miemmaa kasaboe 'alaa shai'; zaalieka hoewad dalaaloel ba'ieed
14:18 De gelijkenis van de daden van degenen die niet in hun Heer geloven is als as waarop een harde wind tekeer gaat op een stormachtige dag. Ze hebben geen enkel controle over hetgeen ze hebben verdiend. Dat is hoe ver ze afgedwaald zijn.

اَلَمۡ تَرَ اَنَّ اللّٰہَ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ بِالۡحَقِّ ؕ اِنۡ یَّشَاۡ یُذۡہِبۡکُمۡ وَ یَاۡتِ بِخَلۡقٍ جَدِیۡدٍ ﴿۹۱﴾
Alam tara annal laaha ghalaqas samaawaatie wal arda bielhaqq; iey yasha yoezhiebkoem wa ya'tie bieghalqien djadieed
14:19 Zie je niet dat Allah de hemelen en de aarde in waarheid heeft geschapen? Als Hij het wil, kan Hij jullie verwijderen en een nieuwe creatie voortbrengen.

وَّ مَا ذٰلِکَ عَلَی اللّٰہِ بِعَزِیۡزٍ ﴿۰۲﴾
Wa maa zaalieka 'alal laahie bie 'azieez
14:20 En dat is voor Allah niet moeilijk.

وَ بَرَزُوۡا لِلّٰہِ جَمِیۡعًا فَقَالَ الضُّعَفٰٓؤُا لِلَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡۤا اِنَّا کُنَّا لَکُمۡ تَبَعًا فَہَلۡ اَنۡتُمۡ مُّغۡنُوۡنَ عَنَّا مِنۡ عَذَابِ اللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ ؕ قَالُوۡا لَوۡ ہَدٰىنَا اللّٰہُ لَہَدَیۡنٰکُمۡ ؕ سَوَآءٌ عَلَیۡنَاۤ اَجَزِعۡنَاۤ اَمۡ صَبَرۡنَا مَا لَنَا مِنۡ مَّحِیۡصٍ ﴿۱۲﴾
Wa barazoe liellaahie djamiee'an faqaalad doe'afaaa'oe liel lazieenas takbaroeo iennaa koennaa lakoem taba'an fahal antoem moeghnoena 'annaa mien 'azaabiel laahie mien shai'; qaaloe law hadaanal laahoe la hadaynaakoem sawaaa'oen 'alainaaa adjazie'naa am sabarnaa maa lanaa mien mahiees
14:21 En ze zullen allen voor Allah komen. Vervolgens zullen de zwakken tegen degenen die hoogmoedig waren, zeggen: "Voorzeker, wij waren jullie volgelingen, kunnen jullie iets voor ons betekenen tegen de straf van Allah? Ze zullen zeggen: "Indien Allah ons had geleid, dan hadden we jullie zeker geleid. We zitten in dezelfde positie. Of we nu ongeduldigheid tonen of juist geduldig zijn, er is geen ontsnapping mogelijk."

وَ قَالَ الشَّیۡطٰنُ لَمَّا قُضِیَ الۡاَمۡرُ اِنَّ اللّٰہَ وَعَدَکُمۡ وَعۡدَ الۡحَقِّ وَ وَعَدۡتُّکُمۡ فَاَخۡلَفۡتُکُمۡ ؕ وَ مَا کَانَ لِیَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ سُلۡطٰنٍ اِلَّاۤ اَنۡ دَعَوۡتُکُمۡ فَاسۡتَجَبۡتُمۡ لِیۡ ۚ فَلَا تَلُوۡمُوۡنِیۡ وَ لُوۡمُوۡۤا اَنۡفُسَکُمۡ ؕ مَاۤ اَنَا بِمُصۡرِخِکُمۡ وَ مَاۤ اَنۡتُمۡ بِمُصۡرِخِیَّ ؕ اِنِّیۡ کَفَرۡتُ بِمَاۤ اَشۡرَکۡتُمُوۡنِ مِنۡ قَبۡلُ ؕ اِنَّ الظّٰلِمِیۡنَ لَہُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۲۲﴾
Wa qaalash Shaitaanoe lammaa qoedieyal amroe iennal laaha wa'adakoem wa'dal haqqie wa wa'attoekoem fa aghlaftoekoem wa maa kaana lieya 'alaikoem mien soeltaanien iellaaa an da'awtoekoem fastadjabtoem liee falaa taloemoeniee wa loemoeo anfoesakoem maaa ana biemoesrieghiekoem wa maaa antoem biemoesrieghieyya ienniee kafartoe biemaaa ashraktoemoenie mien qabl; iennaz zaaliemieena lahoem azaaboen alieem
14:22 En nadat alle zaken besloten zijn (op de dag des oordeels), zal de satan zeggen: "Allah heeft jullie een belofte in waarheid gedaan. En ik heb jullie ook beloofd, echter ik heb jullie verraden. Maar ik had geen enkel macht over jullie, behalve dat ik jullie uitnodigde en jullie mij antwoordden. Dus geef mij niet de schuld, maar geef jezelf de schuld. Ik kan jullie helper niet zijn, noch kunnen jullie mij helper zijn. Voorzeker, Ik verwerp jullie associatie van mij die jullie voorheen deden (als partner van Allah). Voorzeker, voor de misdadigers is er een zware straf.

وَ اُدۡخِلَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ جَنّٰتٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا بِاِذۡنِ رَبِّہِمۡ ؕ تَحِیَّتُہُمۡ فِیۡہَا سَلٰمٌ ﴿۳۲﴾
Wa oedghielal lazieena aamanoe wa 'amieloes saaliehaatie djannaatien tadjriee mien tahtiehal anhaaroe ghaaliedieena fieehaa bie ieznie Rabbiehiem tahieyyatoehoem fieeha salaam
14:23 En degenen die geloofden en goede daden verrichtten zullen binnen gelaten worden tot de tuinen waaronder rivieren stromen. Voor altijd zullen ze erin blijven met de toestemming van hun Heer. Hun begroeting erin is 'Selaam' (vrede).

اَلَمۡ تَرَ کَیۡفَ ضَرَبَ اللّٰہُ مَثَلًا کَلِمَۃً طَیِّبَۃً کَشَجَرَۃٍ طَیِّبَۃٍ اَصۡلُہَا ثَابِتٌ وَّ فَرۡعُہَا فِی السَّمَآءِ ﴿۴۲﴾
Alam tara kaifa darabal laahoe masalan kaliematan taiyiebatan kashadjaratien taiyiebatien asloehaa saabietoew wa far'oehaa fies samaaa'
14:24 Zie jij niet hoe Allah een vergelijking maakt? Een goed woord (er is geen godheid dan Allah, het monotheïsme) is net als een gezonde boom. Zijn wortels zijn stevig (in de grond gevestigd) en zijn takken zijn hoog in de lucht.

تُؤۡتِیۡۤ اُکُلَہَا کُلَّ حِیۡنٍۭ بِاِذۡنِ رَبِّہَا ؕ وَ یَضۡرِبُ اللّٰہُ الۡاَمۡثَالَ لِلنَّاسِ لَعَلَّہُمۡ یَتَذَکَّرُوۡنَ ﴿۵۲﴾
Toe'tieee oekoelahaa koella hieeniem bie ieznie Rabbiehaa; wa yadrieboel laahoel amsaala liennaasie la'allahoem yatazak karoen
14:25 Het geeft altijd vruchten door de goedkeuring van zijn Heer. En Allah geeft voorbeelden voor de mens, zodat ze kunnen gedenken. (Notitie: Volgens de overleveringen, Sahih al-Bukhari Boek 65 Hadith 4698, wordt een Moslim vergeleken met een dadel palmboom. Dadelpalmen verdragen grote droogte en hitte. Een volwassen dadelpalm produceert per jaar 5 à 10 grote trossen. Alle delen van de dadel palmboom wordt gebruikt, vanaf de groei totdat het opdroogt. Zelfs de zaden worden aan dieren gegeven en de vezels voor het maken van touw. Bovendien veroorzaakt het geen overlast door vallende bladeren. Zo ook geeft een moslim algemeen voordeel voor zichzelf en voor anderen, zelfs na zijn dood.)

وَ مَثَلُ کَلِمَۃٍ خَبِیۡثَۃٍ کَشَجَرَۃٍ خَبِیۡثَۃِۣ اجۡتُثَّتۡ مِنۡ فَوۡقِ الۡاَرۡضِ مَا لَہَا مِنۡ قَرَارٍ ﴿۶۲﴾
Wa masaloe kaliematien ghabieesatien kashadjaratien ghabiee satieniedj toessat mien fawqiel ardie maa lahaa mien qaraar
14:26 En een de gelijkenis van een slecht woord, is als een zieke boom (polytheïsme), dat gekapt op de aarde ligt en daardoor geen enkel stabiliteit heeft.

یُثَبِّتُ اللّٰہُ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِالۡقَوۡلِ الثَّابِتِ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ فِی الۡاٰخِرَۃِ ۚ وَ یُضِلُّ اللّٰہُ الظّٰلِمِیۡنَ ۟ۙ وَ یَفۡعَلُ اللّٰہُ مَا یَشَآءُ ﴿۷۲﴾
Yoesabbietoel laahoel lazieena aamanoe bielqawlies saabietie fiel hayaatied doenyaa wa fiel Aaghieratie wa yoedielloel laahoez zaaliemieen; wa yaf'aloel laahoe maa yashaaa'
14:27 Allah maakt de gelovigen sterk door stevige woorden gedurende het wereldse leven en in het hiernamaals. En Allah laat de misdadigers dwalen. Allah doet wat Hij wil. (Notitie: Alle goede woorden stijgen naar Allah, zie 35:10. De slechte daden en woorden bereiken de hemel niet, zie 7:40.)

اَلَمۡ تَرَ اِلَی الَّذِیۡنَ بَدَّلُوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ کُفۡرًا وَّ اَحَلُّوۡا قَوۡمَہُمۡ دَارَ الۡبَوَارِ ﴿۸۲﴾
Alam tara ielal lazieena baddaloe nie'matal laahie koefraw wa ahalloe qawmahoem daaral bawaar
14:28 Heb je degenen niet gezien die de gunsten van Allah verruild hebben met het ongeloof en dat ze hun mensen leiden naar het huis van vernietiging (de hel)?

جَہَنَّمَ ۚ یَصۡلَوۡنَہَا ؕ وَ بِئۡسَ الۡقَرَارُ ﴿۹۲﴾
djahannama yaslawnahaa wa bie'sal qaraar
14:29 De hel! Daarin zullen ze branden. Een ellendige plaats om daar te vestigen.

وَ جَعَلُوۡا لِلّٰہِ اَنۡدَادًا لِّیُضِلُّوۡا عَنۡ سَبِیۡلِہٖ ؕ قُلۡ تَمَتَّعُوۡا فَاِنَّ مَصِیۡرَکُمۡ اِلَی النَّارِ ﴿۰۳﴾
Wa dja'aloe liellaahie andaadal lieyoedielloe 'an sabieelieh; qoel tamatta'oe fa iennaa masieerakoem ielan Naar
14:30 Ze hebben aan Allah gelijke toegekend, zodat ze (andere mensen) misleiden van Zijn weg. Zeg: "Geniet maar! Voorzeker jullie bestemming is het vuur."

قُلۡ لِّعِبَادِیَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا یُقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ وَ یُنۡفِقُوۡا مِمَّا رَزَقۡنٰہُمۡ سِرًّا وَّ عَلَانِیَۃً مِّنۡ قَبۡلِ اَنۡ یَّاۡتِیَ یَوۡمٌ لَّا بَیۡعٌ فِیۡہِ وَ لَا خِلٰلٌ ﴿۱۳﴾
Qoel lie'iebaadieyal lazieena aamanoe yoeqieemoes Salaata wa yoenfieqoe miemmaa razaqnaahoem sierraw wa 'alaanieyatam mien qablie ay yaatieya Yawmoel laa bai'oen fieehie wa laa ghielaal
14:31 Zeg tot mijn dienaren die geloven: "Onderhoudt de "salaat" (het gebed) en geef, openlijk of in het geheim, uit van het geen waarmee Wij hen voorzien van hebben, voordat er een dag komt waarin geen handel, noch enige vriendschap zal zijn." (Notitie: zie ook 2:274)

اَللّٰہُ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ وَ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً فَاَخۡرَجَ بِہٖ مِنَ الثَّمَرٰتِ رِزۡقًا لَّکُمۡ ۚ وَ سَخَّرَ لَکُمُ الۡفُلۡکَ لِتَجۡرِیَ فِی الۡبَحۡرِ بِاَمۡرِہٖ ۚ وَ سَخَّرَ لَکُمُ الۡاَنۡہٰرَ ﴿۲۳﴾
Allaahoel laziee ghalaqas samaawaatie wal arda wa anzala mienas samaaa'ie maaa'an faaghradja biehiee mienas samaraatie riezqal lakoem wa saghghara lakoemoel foelka lietadjrieya fiel bahrie bie amriehiee wa saghghara lakoemoel anhaar
14:32 Allah is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen. En die water uit de hemel doet neerdalen waardoor er vruchten voortkomen als een voorziening voor jullie. En de schepen zijn voor jullie ten dienste gesteld, zodat het vaart op zee door Zijn bevel. En (ook) de rivieren zijn voor jullie ten dienste gesteld.

وَ سَخَّرَ لَکُمُ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ دَآئِبَیۡنِ ۚ وَ سَخَّرَ لَکُمُ الَّیۡلَ وَ النَّہَارَ ﴿۳۳﴾
Wa saghghara lakoemoesh shamsa walqamara daaa'iebainie wa saghghara lakoemoel laila wannahaar
14:33 En Hij maakte de zon en de maan ten dienste voor jullie, die beide voortdurend hun baan afleggen. En (ook) zijn de nacht en de dag voor jullie ten dienste gesteld.

وَ اٰتٰىکُمۡ مِّنۡ کُلِّ مَا سَاَلۡتُمُوۡہُ ؕ وَ اِنۡ تَعُدُّوۡا نِعۡمَتَ اللّٰہِ لَا تُحۡصُوۡہَا ؕ اِنَّ الۡاِنۡسَانَ لَظَلُوۡمٌ کَفَّارٌ ﴿۴۳﴾
Wa aataakoem mien koellie maa sa altoemoeh; wa ien ta'oeddoe nie'matal laahie laa toehsoehaa; iennal iensaana lazaloe moen kaffaar
14:34 En Hij gaf jullie alles wat jullie Hem vroegen. En als jullie de gunsten van Allah zouden willen tellen, dan zul je daar niet toe instaat zijn. Voorzeker, de mens is zeker onrechtvaardig en ondankbaar.

وَ اِذۡ قَالَ اِبۡرٰہِیۡمُ رَبِّ اجۡعَلۡ ہٰذَا الۡبَلَدَ اٰمِنًا وَّ اجۡنُبۡنِیۡ وَ بَنِیَّ اَنۡ نَّعۡبُدَ الۡاَصۡنَامَ ﴿۵۳﴾
Wa iez qaala Ibraahieemoe Rabbiedj 'al haazal balada aamienaw wadjnoebniee wa banieyya an na'boedal asnaam
14:35 En (gedenk) toen Ibrahiem (Abraham) zei: "Mijn Heer! Maak deze stad veilig. En bescherm mij en mijn zonen tegen het aanbidden van de idolen."

رَبِّ اِنَّہُنَّ اَضۡلَلۡنَ کَثِیۡرًا مِّنَ النَّاسِ ۚ فَمَنۡ تَبِعَنِیۡ فَاِنَّہٗ مِنِّیۡ ۚ وَ مَنۡ عَصَانِیۡ فَاِنَّکَ غَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۶۳﴾
Rabbie iennahoenna adlalna kasieeram mienan naasie faman tabie'aniee fa iennahoe mienniee wa man 'asaaniee fa iennaka Ghafoeroer Rahieem
14:36 "Mijn Heer! Voorzeker, ze hebben vele mensen doen dwalen. Wie mij dus volgt, dan behoort hij tot mij. En wie mij niet gehoorzaamt dan voorzeker, U bent Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), Ar-Rahiem (zeer Barmhartig naar gelovigen toe)."

رَبَّنَاۤ اِنِّیۡۤ اَسۡکَنۡتُ مِنۡ ذُرِّیَّتِیۡ بِوَادٍ غَیۡرِ ذِیۡ زَرۡعٍ عِنۡدَ بَیۡتِکَ الۡمُحَرَّمِ ۙ رَبَّنَا لِیُـقِیۡمُوا الصَّلٰوۃَ فَاجۡعَلۡ اَفۡئِدَۃً مِّنَ النَّاسِ تَہۡوِیۡۤ اِلَیۡہِمۡ وَارۡ زُقۡہُمۡ مِّنَ الثَّمَرٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۳﴾
Rabbanaaa iennieee askantoe mien zoerrieyyatiee biewaadien ghairie ziee zar'ien 'ienda Baitiekal Moeharramie Rabbanaa lieyoeqieemoes Salaata fadj'al af'iedatam mienan naasie tahwieee ielaihiem warzoeqhoem mienas samaraatie la'allahoem yashkoeroen
14:37 "Onze Heer! Voorzeker, ik heb enkele van mijn nakomelingen in een vallei gevestigd, waar geen cultivatie is, vlakbij Uw heilige Huis (de Kabaa). Onze Heer, zodat ze het gebed kunnen onderhouden. Laat de harten van de mensen naar hun toewenden, en voorzie hen met fruit zodat ze dankbaar kunnen zijn."

رَبَّنَاۤ اِنَّکَ تَعۡلَمُ مَا نُخۡفِیۡ وَ مَا نُعۡلِنُ ؕ وَ مَا یَخۡفٰی عَلَی اللّٰہِ مِنۡ شَیۡءٍ فِی الۡاَرۡضِ وَ لَا فِی السَّمَآءِ ﴿۸۳﴾
Rabbanaaa iennaka ta'lamoe maa noeghfiee wa maa noe'lien; wa maa yaghfaa 'alal laahie mien shai'ien fiel ardie wa laa fies samaaa'
14:38 "Onze Heer! Voorzeker, U weet wat wij verbergen en wat we verkondigen. Niets op aarde en in de hemelen is verborgen voor Allah."

اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ وَہَبَ لِیۡ عَلَی الۡکِبَرِ اِسۡمٰعِیۡلَ وَ اِسۡحٰقَ ؕ اِنَّ رَبِّیۡ لَسَمِیۡعُ الدُّعَآءِ ﴿۹۳﴾
Alhamdoe liellaahiel laziee wahaba liee 'alal kiebarie Ismaa'ieela wa Ishaaq; ienna Rabbiee lasamiee'oed doe'aaa
14:39 "Alle lof en dank behoort aan Allah toe, Degene die mij, in mijn oude jaren, Ismaiel (Ismaël) en Izaak heeft geschonken. Voorzeker, mijn Heer is de verhoorder van het smeekgebed."

رَبِّ اجۡعَلۡنِیۡ مُقِیۡمَ الصَّلٰوۃِ وَ مِنۡ ذُرِّیَّتِیۡ ٭ۖ رَبَّنَا وَ تَقَبَّلۡ دُعَآءِ ﴿۰۴﴾
Rabbiedj 'alniee moeqieemas Salaatie wa mien zoerrieyyatiee Rabbanaa wa taqabbal doe'aaa'
14:40 Mijn Heer! Maak mij een onderhouder van het gebed en (dit) ook voor mijn nageslacht. Onze Heer! Verhoor, onze smeekgebeden.

رَبَّنَا اغۡفِرۡ لِیۡ وَ لِوَالِدَیَّ وَ لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ یَوۡمَ یَقُوۡمُ الۡحِسَابُ ﴿۱۴﴾
Rabbanagh fier liee wa liewaaliedaiya wa lielmoe'mienieena Yawma yaqoemoel hiesaab
14:41 Mijn Heer! Vergeef mij, mijn ouders en de gelovigen op de dag waarop de afrekening plaats vindt."

وَ لَا تَحۡسَبَنَّ اللّٰہَ غَافِلًا عَمَّا یَعۡمَلُ الظّٰلِمُوۡنَ ۬ؕ اِنَّمَا یُؤَخِّرُہُمۡ لِیَوۡمٍ تَشۡخَصُ فِیۡہِ الۡاَبۡصَارُ ﴿۲۴﴾
Wa laa tahsabannal laaha ghaafielan 'ammaa ya'maloez zaaliemoen; iennamaa yoe'agh ghieroehoem lie Yawmien tashghasoe fieehiel absaar
14:42 En denk niet dat Allah niet bewust is van datgeen wat de misdadigers doen. Hij geeft ze slechts uitstel tot een dag (dag des oordeels) waarop de ogen zullen staren (van angst).

مُہۡطِعِیۡنَ مُقۡنِعِیۡ رُءُوۡسِہِمۡ لَا یَرۡتَدُّ اِلَیۡہِمۡ طَرۡفُہُمۡ ۚ وَ اَفۡـِٕدَتُہُمۡ ہَوَآءٌ ﴿۳۴﴾
Moehtie'ieena moeqnie'iee roe'oesiehiem laa yartaddoe ielaihiem tarfoehoem wa af'iedatoehoem hawaaa'
14:43 Ze zullen naar voren haasten met hun hoofden naar boven kijkend (naar de hemel), hun blikken zullen niet naar hen terugkeren (ze zullen niet in staat zijn hun ogen af te wenden van wat ze aanschouwen door de kettingen die ze om hun nek hebben) en hun harten zijn leeg (vanwege de extreme angst). (Notitie: zie 13:5 en 36:8 m.b.t. kettingen om hun nekken.)

وَ اَنۡذِرِ النَّاسَ یَوۡمَ یَاۡتِیۡہِمُ الۡعَذَابُ فَیَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا رَبَّنَاۤ اَخِّرۡنَاۤ اِلٰۤی اَجَلٍ قَرِیۡبٍ ۙ نُّجِبۡ دَعۡوَتَکَ وَ نَتَّبِعِ الرُّسُلَ ؕ اَوَ لَمۡ تَکُوۡنُوۡۤا اَقۡسَمۡتُمۡ مِّنۡ قَبۡلُ مَا لَکُمۡ مِّنۡ زَوَالٍ ﴿۴۴﴾
Wa anzierien naasa Yawma yaatieehiemoel 'azaaboe fa yaqoeloel lazieena zalamoe Rabbanaaa aghghiernaaa ielaaa adjalien qarieebien noedjieb da'wataka wa nattabie 'ier Roesoel; awalam takoenoeo aqsamtoem mien qabloe maa lakoem mien zawaal
14:44 Waarschuw (daarom) de mens voor de dag dat de straf tot hen zal komen. De misdadigers zullen (op die dag) dan zeggen: "Onze Heer! Verleen ons een korte uitstel. We zullen U gehoor geven en we zullen de boodschappers volgen." (Er zal dan tegen hen gezegd worden:) "Hadden jullie voorheen niet gezworen dat er voor jullie geen enkel ondergang is?"

وَّ سَکَنۡتُمۡ فِیۡ مَسٰکِنِ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ تَبَیَّنَ لَکُمۡ کَیۡفَ فَعَلۡنَا بِہِمۡ وَ ضَرَبۡنَا لَکُمُ الۡاَمۡثَالَ ﴿۵۴﴾
Wa sakantoem fiee masaakieniel lazieena zalamoeo anfoesahoem wa tabaiyana lakoem kaifa fa'alnaa biehiem wa darabnaa lakoemoel amsaal
14:45 "En jullie verbleven op de plaatsen van degenen die zichzelf onrecht hadden aangedaan. En het was voor jullie duidelijk geworden hoe Wij hun hebben behandelt. En Wij hebben voor jullie de voorbeelden gegeven."

وَ قَدۡ مَکَرُوۡا مَکۡرَہُمۡ وَ عِنۡدَ اللّٰہِ مَکۡرُہُمۡ ؕ وَ اِنۡ کَانَ مَکۡرُہُمۡ لِتَزُوۡلَ مِنۡہُ الۡجِبَالُ ﴿۶۴﴾
Wa qad makaroe makrahoem wa 'iendal laahie makroehoem wa ien kaana makroehoem lietazoela mienhoel djiebaal
14:46 En waarlijk, ze maakten hun plannen. Maar de uitwerking van hun plannen lag bij Allah. Zelfs als hun plan zo doordacht was dat zelfs de bergen erdoor zouden verplaatsen (, het zou het niet lukken).

فَلَا تَحۡسَبَنَّ اللّٰہَ مُخۡلِفَ وَعۡدِہٖ رُسُلَہٗ ؕ اِنَّ اللّٰہَ عَزِیۡزٌ ذُو انۡتِقَامٍ ﴿۷۴﴾
Falaa tahsabannal laaha moeghliefa wa'diehiee Roesoelah; iennal laaha 'azieezoen zoentieqaam
14:47 Dus denk niet dat Allah zal falen in Zijn belofte aan Zijn boodschappers. Voorzeker, Allah is Al-Aziez (de Almachtige) en de bezitter van alle wraak.

یَوۡمَ تُبَدَّلُ الۡاَرۡضُ غَیۡرَ الۡاَرۡضِ وَ السَّمٰوٰتُ وَ بَرَزُوۡا لِلّٰہِ الۡوَاحِدِ الۡقَہَّارِ ﴿۸۴﴾
Yawma toebaddaloel ardoe ghairal ardie wassamaawaatoe wa barazoe liellaahiel Waahiediel Qahhaar
14:48 Op die dag zal de aarde vervangen worden door een andere aarde en ook de hemelen. En ze zullen voorkomen voor Allah, Al-Wahid (de Enige), Al-Kahaar (Degene die alles in zijn koninkrijk regelt).

وَ تَـرَی الۡمُجۡرِمِیۡنَ یَوۡمَئِذٍ مُّقَرَّنِیۡنَ فِی الۡاَصۡفَادِ ﴿۹۴﴾
Wa taral moedjriemieena Yawma 'ieziem moeqarranieena fielasfaad
14:49 En op die dag zal je de misdadigers met kettingen samengebonden zien.

سَرَابِیۡلُہُمۡ مِّنۡ قَطِرَانٍ وَّ تَغۡشٰی وُجُوۡہَہُمُ النَّارُ ﴿۰۵﴾
Saraabieeloehoem mien qatieraaniew wa taghshaa woedjoehahoemoen Naar
14:50 Hun kleren zullen van teer zijn en het vuur zal hun gezichten bedekken.

لِیَجۡزِیَ اللّٰہُ کُلَّ نَفۡسٍ مَّا کَسَبَتۡ ؕ اِنَّ اللّٰہَ سَرِیۡعُ الۡحِسَابِ ﴿۱۵﴾
Lieyadjzieyal laahoe koella nafsiem maa kasabat; iennal laaha sariee'oel hiesaab
14:51 Zodat Allah elke persoon zal belonen voor wat hij verdient heeft. Voorzeker, Allah is snel in de afrekening.

ہٰذَا بَلٰغٌ لِّلنَّاسِ وَ لِیُنۡذَرُوۡا بِہٖ وَ لِیَعۡلَمُوۡۤا اَنَّمَا ہُوَ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ وَّ لِیَذَّکَّرَ اُولُوا الۡاَلۡبَابِ ﴿۲۵﴾
Haaza balaaghoel liennaasie wa lieyoenzaroe biehiee wa lieya'lamoeo annamaa Hoewa Illaahoew waahiedoew wa lieyaz zakkara oeloel albaab
14:52 Dit is een boodschap (de Koran) voor de mensen, zodat ze erdoor gewaarschuwd zijn (voor dag des oordeels). En dat ze kunnen weten dat Hij alleen de enige deïteit\godheid is. En dat de mensen met verstand erover kunnen nadenken.

بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, Ar-Rahmaan (de meest Barmhartige m.b.t. iedereen, maar tijdelijk van duur), Ar-Rahiem (Degenen Die altijd Barmhartig zal zijn voor de gelovigen)


www.heiligekoran.nl